← België

Arrest 172352 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 18/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.352 Rolnummer: A. 63464/IX-144 Zaak: Arrest 172352 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 18/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-06 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 20:41 Fiche Arrest nr 172.352 van 18 juni 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.352 van 18 juni 2007 in de zaak A. 63.464/IX-

  1. In zake : Guy VITS, wonende te HOLSBEEK, Leming 119 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Ambtenarenzaken, die woonplaats kiest bij advocaat M. DETRY, kantoor houdende te BRUSSEL, De Praeterestraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guy VITS op 27 april 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 24 februari 1995 tot bepaling van de samenstelling van de directieraad van het Ministerie van Ambtenarenzaken; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 10 april 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 8 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 juni 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; IX-144-1/13 Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat E. DAMMENS, die loco advocaat M. DETRY verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: Bij koninklijk besluit van 19 september 1994 wordt het Ministerie van Ambtenarenzaken opgericht. Op 6 januari 1995 onderzoekt de directieraad van het Ministerie van Ambtenarenzaken een ontwerp van koninklijk besluit tot bepaling van de samenstelling van de directieraad van het Ministerie van Ambtenarenzaken. Op 3 februari 1995 beslist de Ministerraad dat mits verwijzing in de aanhef van het ontwerp naar het advies van de Raad van State, het ontwerp, na syndicaal overleg en na dringend advies van de Raad van State, ter ondertekening aan het Staatshoofd mag worden voorgelegd. Op 9 februari 1995 wordt het ontwerp besproken in het sectorcomité I. De vakorganisatie CCOD is niet aanwezig, maar heeft zijn standpunt bij brief van dezelfde dag schriftelijk medegedeeld. Op 17 februari 1995 brengt de afdeling wetgeving van de Raad van State advies uit. De Raad van State wijst erop dat de Ministerraad de tekst van het ontwerp heeft vastgelegd zonder dat hij kennis heeft kunnen nemen van de conclusies van het overleg met de vakbonden en suggereert dat het ontwerp opnieuw aan de Ministerraad wordt voorgelegd. Op 24 februari 1995 beslist de Ministerraad dat het ontwerp ter ondertekening aan het Staatshoofd mag worden voorgelegd. Het besluit wordt dezelfde dag door de Koning ondertekend en op 2 maart 1995 in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. IX-144-2/13 Dit besluit luidt als volgt: “Gelet op artikel 107, tweede lid, van de Grondwet; Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, inzonderheid artikel 6, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 september 1969, artikel 53, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 september 1969 en 26 september 1994 en artikel 116; Gelet op het koninklijk besluit van 19 september 1994 houdende oprichting, organisatie en vastlegging van de personeelsformatie van het Ministerie van Ambtenarenzaken; Overwegende dat het imperatief is om redenen van doeltreffendheid en functionaliteit de samenstelling van de directieraad van het Ministerie van Ambtenarenzaken te beperken tot de Secretaris-generaal, de Vaste Wervingsse- cretaris, alsook tot de ambtenaren van rang 16 die hoofd van een bestuur zijn; Gelet op het advies van de directieraad van het Ministerie van Ambtenaren- zaken, gegeven op 6 januari 1995; Gelet op het akkoord van de Ministerraad van 3 februari 1995; Gelet op het protocol nr. 50 van 9 februari 1995 van het Sectorcomité I; Gelet op het advies van de Raad van State; Op de voordracht van Onze Minister van Ambtenarenzaken en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij Artikel
  4. De directieraad het Ministerie van Ambtenarenzaken is samen- gesteld uit : 1°/ de secretaris-generaal, voorzitter; 2°/ de vaste wervingssecretaris; 3°/ ambtenaren van rang 16 die hoofd van een bestuur zijn. Art.
  5. In geval van tijdelijke of definitieve bezigheid van een van de titularissen der in artikel 1, 2/ en 3/, bedoelde betrekkingen kan de minister een ambtenaar van tenminste rang 15 van het betrokken bestuur aanwijzen om hem tijdelijk te vervangen. Art.
  6. Het eentalige lid van de directieraad laat zich bijstaan door zijn tweetalige adjunct die is aangewezen met toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 30 november 1966 betreffende de aanwijzing van tweetalige adjuncten in de centrale diensten (III). De tweetalige adjunct neemt aan de vergaderingen deel zonder stemrecht. Art.
  7. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Art.
  8. Onze Minister van Ambtenarenzaken is belast met de uitvoering van dit besluit.”
  9. De gegrondheid van de vordering. 2.1.
  10. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel aanvoert dat de motivering van het bestreden besluit “vaag en ontoereikend” is; dat hij hierbij stelt dat het begrip “hoofd van het bestuur” niet gebruikt wordt in artikel 53 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel en dat geen rekening werd gehouden met de specifieke structuur van het Vast Wervingssecretariaat; dat wat dit laatste betreft hij doet gelden wat volgt : IX-144-3/13 “Het VWS kent, van bij zijn oprichting, een originele structuur. Doelbewust werd het gezag hier niet in een hand gegeven maar toevertrouwd aan een triumviraat; de Vaste Wervingssecretaris (R. 17) en voor iedere taalrol één adjunct (rang 16). Men wou aldus de onpartijdigheid en de objectiviteit van de wervingen waarborgen. Daarom ook wordt deze drieledige top bemand door vertegenwoordigers van de drie politieke zuilen. Ieder lid heeft zijn eigen bevoegdheden maar alle drie staan borg voor de goede werking van het VWS. Later werd dit drieledig bestuur vervolledigd met een directeur-generaal (rang 16) belast met het dagelijks bestuur van het VWS. Het bestreden besluit weigert rekening te houden met deze specifieke structuur en erkent, aldus de toepassing van het bestreden besluit, uitsluitend de Vaste Wervingssecretaris als hoofd van het bestuur”; 2.1.
  11. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt, samengevat, dat artikel 53 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 een algemene regel bevat, waarop uitzonderingen mogelijk zijn; dat de motivering van het bestreden besluit blijkt uit de aanhef van het besluit en uit een nota aan de Ministerraad; dat het begrip “hoofd van het bestuur” wat het Vast Wervings- secretariaat betreft gemakkelijk te begrijpen is, aangezien artikel 40, eerste lid, van het statuut van het Rijkspersoneel bepaalt dat het Vast Wervingssecretariaat wordt bestuurd door de Vaste Wervingssecretaris en dus niet door een “triumviraat”, zoals verzoeker stelt; 2.1.
  12. Overwegende dat verzoeker repliceert dat de begrippen “bestuur” en “hoofd van het bestuur” niet statutair gedefinieerd zijn en dus een feitelijke appreciatie en willekeur mogelijk maken; dat de motivering van het besluit te algemeen is en derhalve ontoereikend; dat hij ook de vaststelling van de Ministerraad betwist dat een directieraad van 19 leden, later uitgebreid tot 25, een bron zou zijn van ondoeltreffendheid en logheid in het bestuur; dat wat de structuur van het Vast Wervingssecretariaat betreft, hij de eenheid in de leiding niet betwist doch dat de politieke en taalverhoudingen een feitelijk gegeven zijn dat moeilijk genegeerd kan worden; 2.1.
  13. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog verwijst naar andere ministeriële departementen waar het aantal leden van de directieraad groter zou zijn en sommige nog uitgebreid zijn met ambtenaren van rang 14; dat hij zich ook de vraag stelt of het gebrek aan objectieve motivering “niet duidt op een achterliggende ongeoorloofde reden, namelijk de wil om hem te weren uit de directieraad”; dat hij verder nog uiteenzet welke de opdrachten zijn van de adjunct- vaste wervingssecretaris om te besluiten dat daaruit blijkt dat men met die functie deelneemt aan het bestuur en dat overeenkomstig het “opinio jus” artikel 53 van het IX-144-4/13 voornoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1937 alleen de rangen 15 zou kunnen uitsluiten; 2.1.
  14. Overwegende dat luidens artikel 53, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel de directieraad “bij ontstentenis van bijzondere bepalingen door Ons vastgesteld” verplicht samengesteld is uit de ambtenaren die bekleed zijn met een graad inge- deeld in de rangen 17, 16 of 15, zodat de Koning door bijzondere bepalingen kan afwijken van de regel dat alle ambtenaren die bekleed zijn met een graad van rang 17, 16 of 15 deel uitmaken van de directieraad; dat in deze het bestreden besluit de samenstelling van de directieraad beperkt tot de secretaris-generaal, de vaste wervingssecretaris en de ambtenaren van rang 16 die hoofd van een bestuur zijn; dat de motieven in de aanhef van het besluit alsmede de nota aan de Ministerraad van 13 januari 1995, waarin bovendien gesteld is dat “de directieraad op heden 19 leden telt, wat een bron van ondoeltreffendheid en logheid in het beheer is” en dat men “eveneens rekening (moet) houden met het feit dat, binnen één jaar, door het toevoegen van andere administratieve eenheden, de raad 25 leden zou moeten tellen”, geenszins als “vaag en ontoereikend” kunnen worden bestempeld aangezien daaruit blijkt dat de overheid van oordeel is dat het aantal leden van de directieraad om redenen van doeltreffendheid moet worden beperkt; dat ook de omstandigheid dat het begrip “hoofd van een bestuur” een feitelijke appreciatie vereist, niet uitsluit dat dit een pertinent criterium is om te bepalen welke ambtenaren van rang 16 van de directieraad deel zullen uitmaken; dat wat betreft de leiding van het Vast Wervingssecretariaat, de artikelen 40 en 41 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 bepalen dat het Vast Wervingssecretariaat wordt bestuurd door een vaste secretaris en dat deze wordt bijgestaan door één of twee adjunct-secretarissen; dat zulks geenszins verzoekers standpunt rechtvaardigt als zou het Vast Wervingssecretariaat geleid worden door een “triumviraat” bestaande uit “vertegenwoordigers van de drie politieke zuilen”; dat het middel niet gegrond is; 2.2.
  15. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel aanvoert dat de beperking van het aantal leden van de directieraad indruist tegen de geest van artikel 53 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937; dat volgens hem dit artikel de Koning de bevoegdheid geeft om leden aan de directieraad toe te voegen teneinde de democratische besluitvorming niet in het gedrang te brengen of om ambtenaren van rang 15 uit de directieraad te sluiten wanneer het aantal opperambtenaren te talrijk is voor een goede besluitvorming; dat hij in deze de doelmatigheid van de IX-144-5/13 door het bestreden besluit ingevoerde beperking van het aantal leden van de directieraad in vraag stelt en dat volgens hem de uitsluiting van ambtenaren van rang 16 strijdig is met “de vigerende rechtspraak van de Raad van State omtrent de interpretatie van artikel 53"; 2.2.
  16. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat, volgens de rechtspraak van de Raad van State, de regel van artikel 53 dat de directieraad is samengesteld uit de ambtenaren van de rangen 17, 16 en 15 enkel geldt bij gebrek aan bijzondere bepalingen; dat de door verzoeker vermelde voorbeelden aantonen dat het aantal leden van de directieraad om redenen van doeltreffendheid beperkt kan worden en dat de Koning in deze zijn beoordelingsbevoegdheid niet op onredelijke wijze heeft uitgeoefend; 2.2.
  17. Overwegende dat uit artikel 53, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 volgt dat de Koning om redenen van doeltreffendheid het aantal leden van de directieraad kan beperken; dat het niet aan de Raad van State staat om zich over de opportuniteit van die beperking uit te spreken zodat verzoekers kritiek omtrent de doelmatigheid van die beperking niet pertinent is; dat voorts het genoemde artikel 53 niet inhoudt dat de Koning niet over de bevoegdheid zou beschikken om het aantal leden van de directieraad te beperken; dat het middel niet gegrond is; 2.3.
  18. Overwegende dat verzoeker in een derde middel aanvoert dat de samenstelling van de directieraad strijdig is met het eerste principe dat aan de basis ligt van het koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van het Rijkspersoneel die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschaps- commissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechte- lijke rechtspersonen die ervan afhangen, en dat in het verslag aan de Koning bij dit besluit als volgt wordt verwoord : “de inachtneming waarborgen (instelt) van sommige fundamentele regels die bestemd zijn ter bescherming van de ambtenaren tegen de willekeur van het gezag”; 2.3.
  19. Overwegende dat de verwerende partij bij dit middel stelt dat verzoeker nalaat te vermelden welk artikel van het voornoemde koninklijk besluit van 26 september 1994 hij geschonden acht; IX-144-6/13 2.3.
  20. Overwegende dat verzoeker repliceert dat de “ingevoerde overmatige reductie van de directieraad” niet strookt met “sommige fundamentele regels ter bescherming van de ambtenaren tegen de willekeur van het gezag”; dat het verbod van willekeur een beginsel van behoorlijk bestuur is en dat “willekeur kan optreden telkens de overheid (i.c. de directieraad) over discretionaire bevoegdheid beschikt”; dat de beginselen van redelijkheid en zorgvuldigheid in grote mate gewaarborgd worden door een democratische werking van de directieraad, wat een voldoende aantal leden vereist om een wederzijdse democratische controle bij de besluitvorming mogelijk te maken, en minstens twee leden per administratieve entiteit om desgevallend een tegensprekelijke discussie mogelijk te maken tussen twee leden die de juiste feitelijke toedracht kennen van de dossiers die aan beraadslaging zijn onderworpen; 2.3.
  21. Overwegende dat artikel 26 van het genoemde koninklijk besluit van 26 september 1994, luidt als volgt: “Artikel
  22. Elk ministerie alsook de diensten van elke executieve hebben één of meer directieraden. Het statuut bepaalt de samenstelling en de opdrachten van de directieraden met inachtneming van de volgende principes : - elke individuele beslissing betreffende de ambtenaren wordt genomen na geheime stemming; - de directieraad wordt geraadpleegd voor de uitvoeringsmaatregelen van het statuut die specifiek zijn voor de diensten waarover hij zijn bevoegdheid uitoefent”; dat, daargelaten de vraag of de schending van het koninklijk besluit van 26 september 1994 kan worden ingeroepen als grond tot vernietiging van een besluit waarbij regels voor het rijkspersoneel worden vastgesteld, uit wat voorafgaat volgt dat er geen beperkingen bestaan om de samenstelling van de directieraad vast te stellen en dat niet ingezien hoe de bestreden samenstelling willekeur in de hand zou werken en alzo de waarborg van “redelijkheid en de zorgvuldigheid” zou aantasten temeer daar in de reeds besproken nota aan de Ministerraad wordt gesteld dat de directieraad door het toevoegen van andere administratieve eenheden 25 leden zou moeten tellen ; 2.4.
  23. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel aanvoert dat geen rekening werd gehouden met het negatief advies van de directieraad; dat de argumenten van de directieraad niet beantwoord werden en dat evenmin een bijkomend advies werd gevraagd; dat dit ook het geval is geweest voor de syndicale onderhandeling : de zes argumenten die door de vakvereniging ACOD werden IX-144-7/13 aangevoerd werden door de overheid niet beantwoord en er werd geen rekening gehouden met haar negatief advies; 2.4.
  24. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de adviezen niet bindend zijn en dat, zoals vermeld in de nota aan de Ministerraad en in de aanhef van het bestreden besluit, om redenen van doeltreffendheid tot een meer beperkte samenstelling van de directieraad werd besloten; 2.4.
  25. Overwegende dat luidens artikel 6 van het meergenoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1937 bijzondere bepalingen die in het ministerie het statuut uitvoeren, wijzigen of aanvullen, aan het voorafgaand advies van de directieraad dienen te worden onderworpen; dat geen enkele bepaling evenwel aan de overheid de verplichting oplegt om het advies dat met toepassing van voornoemd artikel 6 door de directieraad wordt verleend te beantwoorden of om een bijkomend advies te vragen wanneer het advies van de directieraad niet gevolgd wordt; dat hetzelfde geldt voor een negatief advies dat door een vakorganisatie van het personeel in het kader van de syndicale onderhandeling wordt uitgebracht; dat het middel niet gegrond is; 2.5.
  26. Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel de schending aanvoert van artikel 8, § 3, van het koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van het Rijkspersoneel die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeen- schappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen, en van artikel 11, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, doordat door het bestreden besluit aan de geweerde ambtenaren belet wordt op een adequate wijze aan hun verplichting inzake informatiegaring en bijscholing te voldoen; 2.5.
  27. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de stelling van verzoeker erop neerkomt dat enkel de leden van de directieraad hun functie op adequate wijze kunnen uitoefenen en dat verzoeker zich vergist wat betreft de rol van de directieraad; IX-144-8/13 2.5.
  28. Overwegende dat verzoeker repliceert dat de verwerende partij de rol van de directieraad minimaliseert en wil “doen geloven dat het voor opperambtenaren helemaal niet nodig is lid te zijn van de directieraad om adequaat te kunnen functioneren”; 2.5.
  29. Overwegende dat de bepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd de ambtenaren verplichten zich op de hoogte te houden van de ontwikkeling van de technieken, regelingen en onderzoekingen in de materies waarmee zij beroepshalve belast zijn; dat die bepalingen geen uitstaans hebben met de samenstelling van de directieraad; dat het middel niet kan worden aangenomen; 2.6.
  30. Overwegende dat verzoeker in een zesde middel aanvoert dat de directieraad in zijn huidige vorm bestaat uit twee Franstalige en twee Nederlandstalige ambtenaren, en dat hij, na toevoeging van het Hoog Comité van Toezicht en het Centraal Bureau voor Benodigdheden, uit twee Nederlandstalige en vier Franstalige ambtenaren zal bestaan; dat de wetgever oordeelde dat om de goede werking van de administratie te waarborgen de taalpariteit in de hoogste taaltrappen (vanaf rang 13) noodzakelijk was; dat hij de pariteit verplicht heeft gesteld en dat bij analogie aangenomen moet worden dat deze pariteit eveneens wenselijk is in de bestuursorganen, hetgeen in casu door de toevoeging van alle ambtenaren van rang 16 nagenoeg verwezenlijkt zou worden; 2.6.
  31. Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt dat het gaat om “overwegingen de lege ferenda die geen rechtsmiddel zijn”; 2.6.
  32. Overwegende dat een middel slechts ontvankelijk is indien daarin een voldoende duidelijke omschrijving voorkomt van de rechtsregel en van de wijze waarop die regel door bestreden rechtshandeling wordt geschonden; dat in dezen verzoeker niet aangeeft welke rechtsregel door het bestreden besluit geschonden zou zijn; dat hij het daarentegen alleen maar heeft over beschouwingen en vergelijkingen om dan per analogie de taalwetten te willen zien toepassen; dat de Raad van State niet bevoegd is om zich in de plaats van de overheid uit te spreken over de vraag of, naar analogie met de paritaire verdeling van de betrekkingen vanaf rang 13, een paritaire samenstelling van de directieraad wenselijk is; dat het middel niet ontvankelijk is; IX-144-9/13 2.7.
  33. Overwegende dat verzoeker in een zevende middel de schending aanvoert van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, inzonderheid van artikel 2, en van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de voormelde wet, inzonderheid van de artikelen 22 tot 33; dat hij in een eerste onderdeel stelt dat de vakorganisatie CCOD bij de onderhandeling niet aanwezig was, maar dat het protocol wel gewag maakt van het standpunt van die vakorganisatie; dat volgens hem de onderhandeling niet mag herleid worden tot een syndicale raadpleging langs schriftelijke of mondelinge weg, maar dat deze dient te geschieden in de krachtens de wet opgerichte onderhandelingscomités; dat hij in een tweede onderdeel stelt dat de afwezigheid van de vakorganisatie CCOD tot gevolg had dat er geen onderhande- ling tussen de afgevaardigden van de overheid en van de vakorganisatie CCOD heeft kunnen plaatsvinden, dat de vakbonden hun opmerkingen over elkaars standpunten niet hebben kunnen kenbaar maken en dat de overheid bijgevolg haar beslissing niet met kennis van zaken heeft kunnen nemen; dat hij in een derde onderdeel stelt dat overeenkomstig artikel 22 van het koninklijk besluit van 28 september l984 de afwezigheid van de regelmatig opgeroepen afgevaardigden van een vakorganisatie tot gevolg heeft dat die afgevaardigden niet deelnemen aan de onderhandeling en de onderhandeling derhalve moet plaatshebben met de aanwezige afgevaardigden; dat hij in een vierde onderdeel stelt dat het volgens de artikelen 22 tot 33 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 niet mogelijk is dat een afgevaardigde van de vakorganisatie CCOD die niet aan de onderhandeling deelnam toch het protocol ondertekent; 2.7.
  34. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de onderhandeling in het onderhandelingscomité heeft plaatsgehad, dat de vakorganisatie CCOD regelmatig werd opgeroepen, dat het normaal was dat in het protocol melding werd gemaakt van het standpunt van de vakorganisatie CCOD en dat de minister juist geïnformeerd werd over de wijze waarop de procedure is verlopen en van het standpunt dat iedere partij heeft ingenomen; 2.7.
  35. Overwegende dat verzoeker repliceert dat het standpunt van de vakorganisatie CCOD slechts op de vergadering van 9 februari 1995 en niet langs een andere weg mocht worden verwoord; dat de wettelijk bepaalde onderhandelingsstructuur niet mag doorkruist worden; dat de stelling als zou het standpunt van een vakorganisatie op onverschillig welke wijze ook gegeven in het protocol moet worden opgenomen indruist tegen het vakbondsstatuut, en dat IX-144-10/13 wanneer de stelling van de verwerende partij zou gevolgd worden er zelfs geen onderhandeling nodig zou zijn; 2.7.
  36. Overwegende dat artikel 22 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, bepaalt dat noch de afwezigheid van één of meer regelmatig opgeroepen leden van de afvaardiging van de overheid, noch die van één of meer regelmatig opgeroepen vakorganisaties, de onderhandeling ongeldig maakt; dat in deze de vertegenwoordigers van de vakorganisatie CCOD niet aan de onderhandeling hebben deelgenomen, doch dat de vakorganisatie CCOD bij brief van 9 februari 1995 heeft laten weten dat zij het ontwerp van koninklijk besluit aanvaardt maar “... vraagt dat de samenstelling van de Directieraad zou worden herzien van zodra het nieuwe departement definitief is samengesteld. Anderzijds en rekening houdend met de beperkte samenstelling van de huidige Directieraad vraagt de CCOD de oprichting van een college van dienstchefs om de Directieraad bij te staan”; dat in het protocol van de onderhandeling van dit schriftelijk medegedeeld standpunt melding gemaakt wordt; dat het protocol bovendien door een vertegenwoordiger van de vakorganisatie CCOD is ondertekend; dat, gelet op artikel 22 van het koninklijk besluit van 28 september 1984, de omstandigheid dat de vertegenwoordigers van de vakorganisatie CCOD niet aan de onderhandeling hebben deelgenomen de regelmatigheid van de onderhandeling niet aantast; dat daarenboven geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling uitsluit dat in het protocol van de onderhandeling melding wordt gemaakt van het standpunt dat schriftelijk werd medegedeeld door een vakorganisatie die niet aan de onderhandeling heeft deelgenomen; dat in deze trouwens het standpunt van de vakorganisatie CCOD voorwerp van bespreking is geweest, aangezien het protocol vermeldt dat de vakorganisatie ACOD betreurt dat de vakorganisatie CCOD een advies heeft uitgebracht zonder kennis te hebben gehad van de argumenten van de vakorganisatie ACOD en van de repliek hierop vanwege de overheid; dat met betrekking tot de ondertekening van het protocol de bepalingen van het syndicaal statuut, en inzonderheid artikel 30 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 dat de ondertekening van het protocol regelt, niet uitsluiten dat het protocol medeondertekend wordt door een vakorganisatie waarvan de vertegenwoordigers niet aan de onderhandeling hebben deelgenomen; dat het middel niet gegrond is; IX-144-11/13 2.8.
  37. Overwegende dat verzoeker in een achtste middel de schending aanvoert van artikel 53 van het meergenoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1937, op grond dat één van de leden van de directieraad, mevrouw Geernaert, niet aan de stemming over het ontwerp van het bestreden besluit heeft deelgenomen; dat het totaal aantal stemmen 17 en niet 16 moest bedragen; 2.8.
  38. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat zestien stemgerechtigde leden onder wie mevrouw Geernaert aan de stemming hebben deelgenomen; dat verzoeker overigens geen belang heeft bij het middel aangezien zijn eigen standpunt woordelijk en uitvoerig in het proces-verbaal werd opgenomen; 2.8.
  39. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord toegeeft dat hij zich in zijn verzoekschrift omtrent het aantal stemgerechtigde leden vergist heeft; dat er echter volgens hem zich drie nieuwe feiten hebben voorgedaan, waarvan hij voordien geen weet had: - Mevrouw Geernaert werd op 16 december 1994 bij wijze van primo-benoeming benoemd bij de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid, waar zij op 1 maart 1995 haar ontslag gaf om benoemd te worden bij het secretariaat-generaal van het Ministerie van Ambtenarenzaken. Deze benoeming geschiedde bij wijze van vrijwillige mobiliteit en is volgens verzoeker in strijd met artikel 2, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 3 november 1993 houdende uitvoeringsmaatregelen betreffende de mobiliteit van het personeel van sommige overheidsdiensten, doordat ambtenaren die bij primo-benoeming aangeworven werden gedurende de eerste negen jaar die volgen op hun aanwerving uitgesloten zijn van de vrijwillige mobiliteit. Verzoeker vraagt zich dan ook af of de stem van mevrouw Geernaert als regelmatig kan worden beschouwd. - Naar aanleiding van de kandidatuur van verzoeker voor de betrekking van administrateur-generaal bij de Dienst van Algemeen Bestuur, heeft de directieraad beslist dat de vaste wervingssecretaris en diens adjunct geen rijks- ambtenaren zijn, maar vastbenoemden geassimileerd met het statuut van rijksambtenaar. Indien deze stelling juist is, kunnen de vaste wervingssecretaris en zijn adjunct niet aan de directieraad deelnemen. - Blijkens de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van 16 apri1 l995 werd de benoeming van mevrouw Van Gilbergen tot inspecteur-generaal bij arrest van 13 december 1994 door de Raad van State vernietigd. Zij heeft derhalve op onregelmatige wijze aan de directieraad deelgenomen; IX-144-12/13 2.8.
  40. Overwegende dat, aangezien verzoeker in zijn memorie van wederantwoord toegeeft dat hij zich wat de deelname van mevrouw Geernaert aan de stemming in de directieraad betreft, vergist heeft, het middel dat in het inleidend verzoekschrift wordt aangevoerd niet onderzocht wordt; 2.8.
  41. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord een nieuw middel aanvoert met betrekking tot de samenstelling van de directieraad die over het bestreden besluit advies heeft gegeven; dat aangezien verzoeker als lid van die directieraad reeds vóór het indienen van het beroep de samenstelling ervan kende, hij dit middel, dat niet van openbare orde is, niet voor het eerst in zijn memorie van wederantwoord kan aanvoeren; dat dit middel niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  42. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  43. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 juni 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-144-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.352 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.