← België

Arrest 172417 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.417 Rolnummer: A. 70074/X-6811 Zaak: Arrest 172417 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-29 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 20:45 Fiche Arrest nr 172.417 van 19 juni 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.417 van 19 juni 2007 in de zaak A. 70.074/X-

  1. In zake : de n.v. PRIMA, die woonplaats kiest bij advocaat M. VAN PASSEL, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 146 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. PRIMA op 26 juli 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 14 mei 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening waarbij haar beroep tegen de beslissing van 19 oktober 1995 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende weigering van de vergunning voor het plaatsen van een afsluiting, het vervangen van de bestaande verharding, het bijplaatsen van verharding en het verharden van “de inrit naast kazerne links” op gronden gelegen te Ranst, Broechemlei 3, kadastraal bekend sectie C, nr. 124/w8, voorwaardelijk wordt ingewilligd; Gelet op het arrest nr. 69.306 van 30 oktober 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 27 november 1997 ingediend door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; X-6.811-1/8 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 28 februari 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 23 maart 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. CLAES, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  4. De verzoekende partij dient op 16 december 1993 bij het gemeentebestuur van Ranst een bouwaanvraag in tot het plaatsen van een afsluiting, het vervangen van de bestaande verharding, het bijplaatsen van verharding en het verharden van “de inrit naast de kazerne links” op een perceel gelegen te Ranst, Broechemlei 3, kadastraal bekend sectie C, nr. 124, w/8; 1.
  5. Het betrokken perceel is niet gelegen binnen een gebied waar een door de Vlaamse regering goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan bestaat, en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. X-6.811-2/8 Volgens het gewestplan Antwerpen is betrokken perceel gelegen in woongebied. 1.
  6. Op 13 januari 1994 maakt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ranst volgend gunstig advies over aan het bestuur van stedenbouw en ruimtelijke ordening te Antwerpen: “gunstig advies mits een groenscherm, ter beperking van de lawaai- en geurhinder eigen aan deze oefenplaats, wordt aangelegd van 3 meter breed langsheen de grens met de naastgelegen woning met tuin, gezien het complex gelegen is in de bouwzone met als huidige bestemming autorijschool met oefenruimte.” Op 19 december 1994 brengt de gemachtigde ambtenaar volgend gunstig advies uit: “overwegende dat het eigendom gelegen is in een woongebied langs de weg en in een dieperliggend woonuitbreidingsgebied volgens het vastgestelde gewestplan” 1.
  7. Het college van burgemeester en schepenen beslist op 7 maart 1995 de bouwvergunning te weigeren om de reden dat de verzoekende partij niet voldaan had aan de voorwaarden opgelegd door het schepencollege in de zitting van 13 januari
  8. 1.
  9. Door de verzoekende partij wordt op 3 april 1995 bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen beroep aangetekend tegen de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen. 1.
  10. Op 19 oktober 1995 willigt de bestendige deputatie het beroep niet in en wordt de bouwvergunning geweigerd. Dit besluit is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat het terrein volgens het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, in woongebied gelegen is; Overwegende dat het terrein langsheen de bitumineus verharde gewestweg nr. 116, ter plaatse Broechemlei genaamd, en de bitumineus verharde gemeenteweg Veldstraat gelegen is; Overwegende dat het terrein langsheen de Broechemlei met een oude rijkswachtkazerne bebouwd is; dat het terrein voor het overige bijna volledig verhard is; Overwegende dat de aanvraag een 20 m lange draadafsluiting op de rooilijn langsheen de Veldstraat beoogt; dat de aanvraag tevens het vervangen + X-6.811-3/8 bijplaatsen van tegelbevloeringsverharding en het verharden van een inrit, zijde Broechemlei, naast de kazerne links voorziet; Overwegende dat de gemeente de aanvraag gunstig genegen is mits het aanbrengen van een groenscherm langsheen de grens met de naastgelegen woning, zijde Veldstraat; dat de beroeper met een schrijven van 12 januari 1995 en 23 februari 1995 hiervan door de gemeente op de hoogte is gebracht; dat de beroeper werd verzocht om een beplantingsplan te bezorgen; dat aan dit verzoek tot op heden echter nog steeds geen gevolg is gegeven; dat de beoogde werken in stedebouwkundig opzicht te aanvaarden zijn, op voorwaarde dat het vermelde groenscherm is aangebracht; dat de beoogde vergunning bijgevolg thans niet kan verleend worden;” 1.
  11. De verzoekende partij stelt op 29 november 1995 bij de minister beroep in tegen dat besluit. 1.
  12. Op 14 mei 1996 wordt, met het bestreden besluit, dit beroep als volgt voorwaardelijk ingewilligd: “Overwegende dat de aanvraag strekt tot plaatsen van een afsluiting ter vervanging van de bestaande natuurlijke scheiding (haag) met een lengte van ca.18.5m, vervangen van de bestaande verharding, bijplaatsen van verharding (samen 675m2) en verharden van de inrit links naast de kazerne (60m2); dat deze werken worden uitgevoerd ten behoeve van de uitbating van een rijschool; dat het betreffende perceel vooraan paalt aan de bitumineus verharde gewestweg N116, Broechemlei genoemd; dat langsheen de Broechemlei een oude kazerne op 5.45m van de linkerperceelsgrens is gelegen; dat er reeds een bestaande inrit tussen de rechtergevel van de kazerne en de rechter perceelsgrens is; dat het perceel achteraan tevens paalt aan de bitumineus verharde gemeenteweg, Veldstraat genoemd; dat langs deze zijde een draadafsluiting van 1.80m hoogte met een poort van 5m breedte wordt voorzien; dat het perceel alsmede paalt aan een eigendom gelegen Veldstraat nr 2; dat op deze eigendom reeds verharding bestond; dat deze aanpalende verharde zone mee deel uitmaakt van het desbetreffende binnenplein; Overwegende dat het betrokken terrein, volgens de bepalingen van het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgesteld gewestplan Antwerpen, is gelegen in een woongebied; dat luidens de bepalingen van artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen deze gebieden bestemd zijn voor het wonen, alsmede handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf, voor zover deze taken van bedrijf om redenen van een goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven en dat deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen echter maar mogen worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving; dat ook wanneer geen strijdigheid bestaat met de op het betrokken gewestplan aangeduide bestemming, het de taak van de daartoe bevoegde overheid blijft te waken over een degelijke ruimtelijke ordening van het gebied, waarbij dient geoordeeld aan de hand van de algemeen gangbare normen inzake een goede ordening van de plaats; Overwegende dat, zolang de ordening van het gebied nog niet nauwkeurig is vastgelegd door middel van een bijzonder plan van aanleg, de aanleg, in X-6.811-4/8 toepassing van artikel 45 van de gewijzigde stedebouwwet, aan de appreciatie- bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid, in casu de bij toepassing van artikel 55, § 2 van de stedebouwwet in naam van de Vlaamse regering in hoger beroep uitspraak doende Vlaamse minister, wordt overgelaten, mits inachtname van onder meer de gewestplannen en bovenvermeld koninklijk besluit van 28 december 1972; dat inderdaad hier geen behoorlijk vergunde verkaveling, noch een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen in haar schrijven van 22 december 1995 verwijst naar de weigeringsbeslissing genomen in zitting van 7 maart 1995, gezien betrokkene nog steeds niet voldaan heeft aan de voorwaarden als opgelegd door het college in zitting van 13 januari 1994; dat de gemeente de aanvraag evenwel gunstig genegen is, mits het aanbrengen van een groenscherm langsheen de grens met de naastgelegen woning, langs de Veldstraat; Overwegende dat blijkens de rechtspraak van de Raad van State (...) de stedebouwwet aan elke vergunningverlenende overheid de verplichting oplegt elke concrete bouwaanvraag te toetsen aan de goede plaatselijke ordening; dat hieruit voortvloeit dat de bevoegde overheid ertoe gehouden is de bouwvergunning te weigeren wanneer uit de gegevens van de zaak blijkt dat de ontworpen constructie kennelijk van aard is om overdreven hinder voor de buren te veroorzaken, met andere woorden wanneer de maat van de gewone ongemakken tussen buren wordt overschreden; dat in casu het evenwicht tussen eigendom van de particulier en dat van het aanpalend eigendom, langs de Veldstraat, op ernstige wijze wordt verbroken; dat tevens de zorg om een leefbaar woon-klimaat van de omgeving dient in acht genomen te worden; dat het vereiste groenscherm van 3 m breedte, langsheen de grens met de naastgelegen woning met tuin, dan ook als een absolute noodzakelijkheid te beschouwen is; dat dit groenscherm dient aangelegd te worden om een normaal wooncomfort van de omgevende bebouwing te verzekeren; dat onder deze voorwaarde de voorgestelde werken voor vergunning in aanmerking komen; dat het beroep van de particulier voorwaardelijk wordt ingewilligd”;
  13. Ontvankelijkheid 2.1.
  14. Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift zonder meer stelt dat ze het vereiste belang heeft om het verzoekschrift in te dienen; 2.1.
  15. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord m.b.t. het vereiste belang stelt : “Aangezien voor wat betreft het vereiste belang verwerende partij verwijst naar hetgeen hieromtrent reeds werd uiteengezet in de hoger vermelde nota, verslag en arrest”; dat dit niet als een ontvankelijke exceptie kan worden beschouwd; dat de Raad van State wel de ontvankelijkheid van het beroep ambtshalve onderzoekt; 2.1.
  16. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord niets aanbrengt inzake haar belang; X-6.811-5/8 2.1.
  17. Overwegende dat de verzoekende partij zich in haar laatste memorie beperkt tot de verwijzing naar haar inleidend verzoekschrift en haar memorie van wederantwoord; 2.2.
  18. Overwegende dat, desnoods ambtshalve, moet worden onderzocht of de verzoekende partij belang heeft bij de vernietiging van het bestreden besluit; dat de gegrondheid van die ambtshalve te onderzoeken exceptie wordt bepaald door het antwoord op de voorafgaande vraag of de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening wel bevoegd was om zich in beroep uit te spreken over de bouwaanvraag; 2.2.
  19. Overwegende dat luidens artikel 44, §1, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw de beslissing over bouwaanvragen in de eerste plaats aan de gemeenteoverheid is opgedragen; dat buiten het in artikel 54, § 1, van dezelfde wet bedoelde geval, waarin het college van burgemeester en schepenen verzuimd heeft zich binnen de aldaar gestelde termijn over de vergunningsaanvraag uit te spreken, door geen andere overheid op een vergunningsaanvraag beschikt kan worden zonder dat eerst de gemeente erover uitspraak heeft gedaan; dat daaruit volgt dat, ingeval er belangrijke essentiële wijzigingen aan de oorspronkelijke aan het college voorgelegde bouwplannen worden aangebracht nadat beroep werd ingesteld op grond van artikel 55 van de stedenbouwwet, naar gelang van het geval, de bestendige deputatie en/of de minister zich over de aldus gewijzigde bouwplannen niet mogen uitspreken; 2.2.
  20. Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ranst in een brief van 12 januari 1995 de verzoekende partij verzocht om, teneinde het dossier verder te behandelen, een beplantingsplan over te maken inzake een groenscherm van 3 meter breed langsheen de grens met de naastgelegen woning met tuin; dat, toen de verzoekende partij daarop niet schriftelijk reageerde, het college in een brief van 23 februari 1995 schreef dat het bouwaanvraagdossier verder afgehandeld zou worden als de verzoekende partij niet binnen tien dagen te rekenen vanaf de datum van de brief aan het college een plan zou overmaken; dat op 7 maart 1995 het college van burgemeester en schepenen van Ranst de vergunning weigerde om de reden dat de betrokkene nog steeds niet voldaan had aan de voorwaarden opgelegd door het schepencollege in zitting van 13 september 1994; X-6.811-6/8 Overwegende dat de verzoekende partij in haar beroepsschrift voor de bestendige deputatie een beplantingswijze voorstelt en er een beplantings- plannetje bijvoegt; dat, zoals uit de brieven en de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van Ranst blijkt, het college oordeelde dat het voegen van een beplantingsplan een essentieel element was om de aanvraag te kunnen beoordelen; dat het feit dat dit niet gebeurde, voor het college van burgemeester en schepenen het motief was om de aanvraag te weigeren; dat de verzoekende partij dan ook belangrijke essentiële wijzigingen aan het oorspronkelijke -aan het college voorgelegde- bouwplan heeft aangebracht nadat beroep werd ingesteld op grond van artikel 55 van de stedenbouwwet; dat de verzoekende partij in haar laatste memorie, nadat zij in het auditoraatsverslag met deze exceptie werd geconfronteerd, hier niets tegen inbrengt; 2.2.
  21. Overwegende dat uit het voorafgaande volgt dat, bij een eventuele vernietiging van het bestreden besluit, de verwerende partij alleen zou kunnen vaststellen dat zij, omwille van de essentiële wijziging van de bouwaanvraag in de loop van de administratieve beroepsprocedure, niet bevoegd is om zich over die aanvraag uit te spreken; dat daaruit volgt dat de verzoekende partij geen belang heeft bij de gevraagde vernietiging; dat het beroep onontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  22. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  23. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-6.811-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien juni 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-6.811-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.417 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.69.306 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.