← België

Arrest 172513 - Politie - 21/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.513 Rolnummer: A. 87549/XII-2297 Zaak: Arrest 172513 - Politie - 21/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-26 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 06:50 Fiche Arrest nr 172.513 van 21 juni 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.513 van 21 juni 2007 in de zaak A. 87.549/XII-2297. In zake : Koen DEPREYTERE, die woonplaats kiest bij advocaat F. De Keersmaecker, kantoor houdende te Vilvoorde, Stationlei 3 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door : 1. de minister van Binnenlandse Zaken, 2. de minister van Justitie, die woonplaats kiezen bij advocaat P. Devers, kantoor houdende te Gent, Kouter 71-72. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Koen Depreytere op 28 oktober 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing dd. 13.09.1999 van de Raad van Bestuur van de Algemene Politiesteundienst, ondertekend door de Ministers van Buitenlandse Zaken en Justitie, waarbij met ingang van 13.09.1999 een einde werd gesteld aan zijn detachering naar de A.P.S.D.”; Gelet op het arrest nr. 85.520 van 22 februari 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift van 5 april 2000 tot voortzetting van het geding ingediend door verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; XII-2297-1/16 Gelet op de beschikking van 14 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van het geding van verzoeker en de laatste memorie van verwerende partij; Gelet op de beschikking van 15 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 februari 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. De Cuyper, die loco advocaat F. De Keersmaecker verschijnt voor verzoeker, en van advocaat H. Vermeire, die loco advocaat P. Devers verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Verzoeker is agent-hoofdbrigadier bij het stedelijk politiekorps van Kortrijk. Sinds 5 februari 1996 is hij gedetacheerd bij de algemene politiesteundienst (APSD). 1.2. Verzoeker krijgt op 3 juli 1998 de toelating als syndicaal afgevaardigde deel te nemen aan een debat over de hervorming van de politiediensten. 1.3. Naar aanleiding van een artikel “Helft politiedossiers is waardeloos”, verschenen in “Het Laatste Nieuws” van 4 juli 1998, waarin zijn naam als geïnterviewde wordt vermeld, heeft verzoeker op 7 juli 1998 een onderhoud met XII-2297-2/16 F. Van Rie, voorzitter van het directiecomité van de APSD. Dezelfde dag verzoekt de voorzitter hem “een omstandig verslag” op te maken over dit artikel en daarin te antwoorden op volgende vragen: “1) hoe dit artikel tot stand is gekomen 2) Hoe bent u hierbij betrokken geraakt 3) Stemt de inhoud overeen met de door u aangehouden stelling 4) Zo neen, wat is niet correct aan het artikel”. 1.4. Op 18 juli 1998 meldt verzoekers raadsman aan de voorzitter dat zijn “kliënt m.b.t. het vernoemde persartikel handelde in de hoedanigheid van gemandateerd bureaulid van het Nationaal Syndicaat van de Belgische Politie en niet als lid van de A.P.S.D.”. Hij stelt de vraag “op welke juridische basis U mijn kliënt interpelleert” en of “één of andere procedure lastens mijn kliënt [werd] opgestart”. Op 27 juli 1998 schrijft de raadsman aan de voorzitter wat volgt : “Mijn kliënt meldt mij dat U nog steeds aandringt dat hij een antwoord formuleert op Uw faxbericht van 07.07.1998. Gelet op mijn schrijven dd. 18.07.1998 U per fax en per gewone post verstuurd, dien ik er Uw aandacht op te vestigen dat de Heer Depreytere mij een mandaat heeft gegeven om hem in deze zaak te vertegenwoordigen. Ik zou het dan ook op prijs stellen dat U in het vervolg met mij contacten legt en niet meer rechtstreeks mijn kliënt aanspreekt. Anderzijds meen ik dat U een afdoend antwoord heeft gekregen in bedoeld schrijven van 18.07.1998. Ik stel evenwel vast dat U op de door mij gestelde vragen nog steeds niet geantwoord heeft. Zou U dan ook mijn briefwisseling willen beantwoorden ?”. 1.5. Op 3 augustus 1998 antwoordt directeur F. Van Rie het volgende : “Met aandacht heb ik uw brief gelezen inzake dhr. Depreytere. Het komt mij vreemd voor dat u de vraag stelt op welke juridische basis ik voornoemde zou geïnterpelleerd hebben. Ik meen dat dit duidelijk is. Ik ben de hiërarchische verantwoordelijke van uw cliënt en door zijn uitspraken tijdens bewuste vergadering, die werden overgenomen in de pers, werd de dienst, waarvoor ik samen met de afdelingshoofden verantwoordelijk ben, in het diskrediet gebracht. Daar in dit artikel verwezen werd naar uw cliënt behoort het tot mijn bevoegdheden om uitleg te vragen betreffende het tot stand komen van het bewuste artikel. Hierop niet ingaan stel ik gelijk met een dienstweigering waarvan ik, na de Raad van Bestuur van de APSD in kennis te hebben gesteld, de heer Minister van Binnenlandse Zaken zal inlichten. XII-2297-3/16 Het is mogelijk dat uw cliënt als gemandateerd bureaulid van een syndicaat aanwezig was op bewuste vergadering maar dat belet niet dat hij als politieman in eerste instantie moet opletten en dit in alle omstandigheden, welke commentaar hij over zijn dienst weergeeft en dit laat hem zeker niet toe om valse en tendentieuze berichten te verkondigen. Zeker dient hij zich te onthouden, commentaar te geven over een situatie in zijn afdeling waarvan hij als sectiechef slechts een gedeeltelijk inzicht heeft. Het eerbiedigen van de hiërarchische lijn binnen een organisatie vormt de hoeksteen van de goede werking van de dienst. Het lijkt me dus inopportuun in te gaan op uw verzoek, verwoord in §3 van uw brief dd. 27.07.98”. 1.6. Op 9 september 1998 deelt de directeur verzoeker mee dat de raad van bestuur van de APSD op 2 september 1998 heeft besloten zijn detachering met ingang van 15 september 1998 te beëindigen. Na het indienen van een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij de Raad van State, trekt de raad van bestuur zijn besluit van 2 september 1998 in. 1.7. Op 15 maart 1999 nodigt de directeur verzoeker uit om zich op 26 maart 1999 voor hem te verantwoorden omtrent “de reden waarom u niet persoonlijk en schriftelijk de vragen beantwoordde, zoals door mij u gevraagd als toenmalige Voorzitter van het Directiecomité van de APSD in mijn nota van 07.07.98 [...]”. In die brief wordt ook nog het volgende gesteld : “Ik meld u dat ik desbetreffend een nota met referentie FVR/99168 dd. 26.02.1999 aan de Raad van Bestuur heb laten geworden, waarin ik verzoek, behoudens een zeer ernstige en gegronde motivering van uwentwege, omwille van dienstredenen een einde te stellen aan uw dienstverplichtingen bij de APSD”. Op 26 maart 1999 wordt verzoeker gehoord. Het proces-verbaal van de hoorzitting geeft onder meer de discussie weer omtrent de vraag of de tegen verzoeker gevoerde procedure al dan niet een tuchtprocedure is. Directeur Van Rie bevestigt formeel dat “het hier niet om een tuchtprocedure” gaat. Op 7 april 1999 wordt verzoeker gevraagd zijn eventuele opmerkingen mee te delen. In die brief wordt tevens gesteld : “De Raad van Bestuur deelde mede dat, gelet op de expliciete vermelding in uw oproep naar de hoorzitting van 26.03.99 het gaat om het treffen van maatregelen om dienstreden en er nergens sprake is van disciplinaire maatregel, dat er dus geen verwarring kon zijn te meer XII-2297-4/16 dat dit in het begin van de hoorzitting nogmaals werd bevestigd, het aldus onnodig wordt geacht in te gaan op een verzoek tot een 2e hoorzitting”. Ondanks verscheidene aanmaningen, weigert verzoeker het proces-verbaal te ondertekenen. 1.8. Op 1 september 1999 beslist de raad van bestuur van de APSD het volgende : “[...] gezien :

  1. a)het negatief karakter van de elementen in het betreffende persartikel, elementen die bovendien onmiddellijk formeel ontkend werden door het afdelingshoofd van de heer Depreytere, dat het verzoek om bijkomende uitleg vanwege de directeur absoluut rechtvaardigde ;
  2. b)dit verzoek eerst mondeling en nadien schriftelijk werd overmaakt aan de h. Depreytere, volgens de normale hiërarchische regels die gelden binnen APSD;
  3. c)sindsdien geen enkel gevolg meer werd gegeven aan dit verzoek door de h. Depreytere zelf en het feit dat dit verzoek geenszins het aanstellen van een advokaat rechtvaardigde, gezien de hiërarchische contacten binnen APSD per definitie direct tussen chef en ondergeschikte geschieden en dat de verdediging van de h. Depreytere geen enkel geldig element kon aanbrengen voor dergelijke weigering ; acht de Raad van Bestuur binnen deze context dat de hiërarchische autoriteit van de directeur door de houding van de h. Depreytere volledig genegeerd werd. Binnen een gemengde politiedienst betekent dit een ernstige inbreuk op het vlak van vertrouwen en neutraliteit, twee belangrijke kenmerken die door de directie van al haar medewerkers kunnen verwacht worden. Dergelijke houding en de publiciteit die hieraan werd gegeven benadelen de samenwerkingsgeest die er moet heersen in een dienst waar de drie algemene politiediensten samengebracht zijn en kan aldus de goede werking van de dienst in het gedrang brengen. De leden van de Raad van Bestuur beslissen dus unaniem een einde te stellen aan de detachering naar de APSD van de heer Depreytere en stellen aan de heer Minister voor hun beslissing te bekrachtigen”. 1.9. In een door de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie ondertekende brief wordt verzoeker op 13 september 1999 het volgende meegedeeld : “Betreft : Uw detachering naar de APSD. Hierbij wens ik u mede te delen dat ik, conform artikel 14 § 1 lid 1 en 2 van het Koninklijk Besluit op de Algemene Politiesteundienst dd. 11.07.1994 en op basis van het rapport dat mij door de Voorzitter van de Raad van Bestuur van de APSD werd overgemaakt dd. 01.09.1999 (bijlage 1) met de nauwkeurige omschrijving van de feiten en van de gevolgde procedure (zie bijlagen 2 tot 15 in inventaris der stukken in bijlage), en waarin de Raad van Bestuur, conform artikel 9 § 2, 3/ van het Koninklijk Besluit op de APSD dd. 11.07.1994 unaniem beslist heeft een einde te stellen aan uw detachering bij de APSD, deze beslissing bekrachtig met ingang van 13.09.1999. XII-2297-5/16 Deze bekrachtiging is gebaseerd op het feit dat: - Gezien de inhoud van de elementen vermeld in het persartikel dat aanleiding heeft gegeven tot een vraag naar verdere inlichtingen vanwege de directeur van de APSD, elementen die bovendien onmiddellijk formeel ontkend werden door het afdelingshoofd, een verzoek vanwege de directeur om bijkomende schriftelijke uitleg aan uwentwege wel degelijk gegrond was. - Deze vraag eerst u mondeling en dan schriftelijk werd overgemaakt volgens de normale hiërarchische regels die gelden binnen APSD. - Geen enkel objectief element bestond om deze vraag als een ‘dreiging’ te beschouwen en u te beletten persoonlijk gevolg te geven aan de vraag van uw hiërarchische meerdere gezien de hierarchische contacten binnen een dienst per definitie direct tussen chef en ondergeschikte geschieden, wat u weigerde te doen. Binnen deze context, ben ik het met de Raad van Bestuur volkomen eens dat de hiërarchische autoriteit van de directeur van de APSD door uw houding volstrekt genegeerd werd. Binnen een gemengde politiedienst betekent dit een ernstige inbreuk op het vlak van vertrouwen en harmonieuze samenwerkingsgeest, twee belangrijke kenmerken die door de directie van al haar medewerkers verwacht worden. Ik ben dus de mening toegedaan dat u de onontbeerlijke kwaliteiten niet meer hebt om verder een functie te bekleden binnen APSD en ik bekrachtig dus de beslissing tot een einde aan uw detachering te stellen. De directeur van de APSD wordt belast met de uitvoering van deze beslissing. [...]”; 2. De ontvankelijkheid. Overwegende dat verwerende partij tegenwerpt dat ten aanzien van verzoeker een maatregel van inwendig bestuur werd getroffen die betrekking heeft op de organisatie en de werking van de administratie en waarvan de opportuniteit tot de bevoegdheid van het bestuur behoort, dat verzoeker een taakaanwijzing kreeg die geen schending inhoudt van zijn statutaire rechten en de prerogatieven die aan zijn graad zijn verbonden en dat het verstoren van de goede orde van de dienst ingevolge verzoekers gedrag, zij het dan enkel dat gedrag op zich en niet het schuldig bevinden eraan van verzoeker, tot het treffen van de bestreden ordemaatregel aanleiding heeft gegeven; Overwegende dat een maatregel die ertoe strekt een verstoring van de dienst door het gedrag van een personeelslid, te verhelpen, geen loutere maatregel van inwendige orde is en wel degelijk kan worden bestreden met een beroep tot nietigverklaring; dat de exceptie niet wordt aangenomen; 3. De grond van de zaak. XII-2297-6/16 3.1.1. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel stelt dat hem onder het mom van een ordemaatregel een verkapte tuchtstraf werd opgelegd, dat dit blijkt uit het feit dat hem op 9 september 1998 om reden van dezelfde feiten eenzelfde maatregel met dezelfde zware financiële gevolgen werd opgelegd, dat er toen in de notulen van de raad van bestuur sprake was van een tuchtdossier lastens hem (“Dossier disciplinaire à charge de Monsieur Koen Depreytere”), dat de raad van bestuur deze beslissing introk en hij opnieuw werd opgeroepen voor een hoorzitting betreffende dezelfde feiten, dat in de oproepingsbrief deze keer werd vermeld dat de heer Van Rie de raad van bestuur had verzocht een einde te stellen aan zijn detachering bij de APSD omwille van dienstredenen, dat “Het kind [...] dus een andere naam [kreeg]”, dat al deze elementen een indicatie vormen van het feit dat het om een tuchtstraf gaat, dat bovendien uit de bestreden beslissing blijkt dat men hem een schuldig gedrag ten kwade duidt en men hem doet boeten door het aantasten van zijn morele, carrière- en financiële belangen; Overwegende dat verwerende partij antwoordt dat te dezen slechts een ordemaatregel werd genomen die enkel de goede werking van de dienst beoogde, zonder daarbij de voor een tuchtstraf vereiste schuldvraag te stellen, dat het verstoren van de goede orde van de dienst zijn oorsprong vond in verzoekers gedrag, doch dat enkel dat gedrag op zich als een de goede orde verstorend element haar ertoe bracht een ordemaatregel te nemen en dus niet het schuldig bevinden van verzoeker aan het in vraag gestelde gedrag, dat verzoeker niet bewijst dat het de bedoeling was hem te straffen, dat de opgelegde maatregel geen al te zware bijkomende lasten oplegt en bijgevolg verzoeker niet meer schaadt dan nodig is opdat de dienst weer behoorlijk zou kunnen functioneren, dat wanneer in de notulen van de raad van bestuur sprake is van een “dossier disciplinaire”, deze passus slechts de beslissing van 2 september 1998 voorafgaat, beslissing die werd ingetrokken; Overwegende dat verzoeker zich in zijn memorie van wederantwoord beperkt tot het woordelijk hernemen van de tekst van zijn verzoekschrift; dat hij ook geen laatste memorie heeft ingediend; 3.1.2. Overwegende dat de raad van bestuur van de APSD op 1 september 1999 beslist een einde te stellen aan verzoekers detachering naar de APSD, alsook de bevoegde minister voor te stellen die beslissing te bekrachtigen en dit op grond van de overweging dat verzoekers houding, namelijk het negeren van de hiërarchische autoriteit van de directeur door geen gevolg te geven aan een XII-2297-7/16 mondeling en nadien schriftelijk verzoek bijkomende uitleg te verschaffen over een negatief krantenartikel waarin zijn naam wordt vermeld, “de samenwerkingsgeest [benadeelt] die er moet heersen in een dienst waar de drie algemene politiediensten samengebracht zijn en [...] aldus de goede werking van de dienst in het gedrang [kan] brengen”; Overwegende voorts, dat voorafgaand aan de beslissing van de raad van bestuur, in de aangetekende oproepingsbrief van 15 maart 1999 formeel werd gesteld dat verzoeker zou worden gehoord omtrent een verzoek van de directeur aan de Raad van Bestuur om wegens “dienstredenen” een einde te stellen aan verzoekers dienstverplichtingen bij de APSD; dat ook in de nota van 26 februari 1999 met referentie FVR/99168 van de directeur van de APSD aan de raad van bestuur, waarnaar de oproepingsbrief verwijst, wordt voorgesteld een beslissing te nemen waarbij om “dienstredenen” een einde wordt gesteld aan verzoekers detachering en wordt gewezen op het feit dat het, als men zou toelaten dat het personeel een houding als die van verzoeker aanneemt, ondenkbaar is dat het beheer over een dienst van meer dan 350 personen nog efficiënt kan gebeuren; dat blijkens het proces-verbaal van de op 26 maart 1999 gehouden hoorzitting verzoeker en diens raadsman nogmaals formeel werd meegedeeld dat “het hier niet gaat om een disciplinaire aangelegenheid, maar wel om dienstaangelegenheid, zoals trouwens gemeld in de convocatie met referte FVR/cc/99.257 dd. 15.03.1999”; Overwegende dat, indien een ambtenaar meent dat een maatregel die formeel als een ordemaatregel wordt gekwalificeerd eigenlijk werd genomen met de bedoeling hem tuchtrechtelijk te straffen, het die ambtenaar toekomt geloofwaardig te maken dat een disciplinaire bedoeling aan de betrokken maatregel ten grondslag ligt en de maatregel aldus een verkapte tuchtmaatregel is; Overwegende dat verzoeker te dezen in dat verband hoofdzakelijk verwijst naar de notulen die horen bij een eerdere beslissing van 2 september 1998 van de raad van bestuur waarin sprake is van een tuchtrechtelijk dossier (“dossier disciplinaire”) ten laste van verzoeker; dat uit de omstandigheid dat de raad van bestuur op zeker ogenblik tegenover verzoeker blijk zou hebben gegeven van de intentie een tuchtmaatregel te nemen, maatregel die later evenwel werd ingetrokken zodat hij moet worden geacht nooit te hebben bestaan, evenwel niet zonder meer valt af te leiden dat ook aan de te dezen bestreden beslissing een disciplinaire bedoeling ten grondslag ligt; dat het immers niet verboden is dat een overheid bij XII-2297-8/16 nader inzien tot het besef komt dat een ordemaatregel, ook al steunt hij op feiten die tot een disciplinaire straf aanleiding zouden kunnen geven, volstaat om de goede werking van de dienst te herstellen; Overwegende dat verzoeker voorts nog aanvoert dat “Uit de aangevochten beslissing dd. 13.09.1999 [bovendien blijkt] dat men [hem] een schuldig gedrag ten kwade duidt en men hem doet boeten via een aantasting van zijn morele-, carrière- en pecuniaire belangen”; dat door verzoeker niet wordt verduidelijkt op welke wijze één en ander uit de bestreden beslissing zou moeten blijken en dit noch in zijn verzoekschrift, noch in zijn memorie van wederantwoord, waarin hij zich beperkt tot een woordelijke overname van de tekst van zijn verzoekschrift, ook al voert verwerende partij aan dat “verzoeker [faalt] te duiden dat zijn verwijdering een tuchtrechtelijk karakter zou hebben gehad”; dat een eventuele disciplinaire bedoeling alleszins niet zonder meer, dus zonder dat daartoe enige verduidelijking van verzoeker noodzakelijk is, kan worden afgeleid uit de motieven van de beslissing van 1 september 1999 van de raad van bestuur, beslissing die de bevoegde minister, zoals blijkt uit zijn brief van 13 september 1999, heeft bekrachtigd en die hij overigens als bijlage bij zijn brief van 13 september 1999 heeft gevoegd; dat in die laatste brief in essentie wordt gesteld dat verzoekers houding het vertrouwen en de samenwerkingsgeest binnen de APSD benadeelt; dat zulks vanzelfsprekend direct de goede werking van de dienst betreft; dat alleen hoogst bijkomend -en als het ware als een gevolgtrekking uit het voorafgaande (“dus”) bijkomend- wordt opgemerkt dat verzoeker, door het negeren van de hiërarchische autoriteit van de directeur van de APSD, “de onontbeerlijke kwaliteiten niet meer [heeft] om verder een functie te bekleden binnen APSD”; Overwegende dat derhalve moet worden besloten dat uit het dossier geen elementen kunnen worden gehaald en verzoeker ook geen elementen aanvoert die aantonen dat de bestreden maatregel een verdoken tuchtmaatregel zou zijn; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.2.1. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel, ontleend aan de schending van artikel 301 van de nieuwe gemeentewet, aanvoert dat de brief waarbij hij werd opgeroepen voor de hoorzitting van 26 maart 1999 nietig is doordat hij geen twaalf werkdagen maar slechts elf werkdagen vóór zijn verschijning werd opgeroepen en doordat de oproepingsbrief geen melding maakt van het recht het horen van getuigen en de openbaarheid van het verhoor te vragen; XII-2297-9/16 Overwegende dat hij in een derde middel een schending inroept van artikel 305, §1, van de nieuwe gemeentewet, doordat de tuchtoverheid geen uitspraak heeft gedaan binnen twee maanden na het sluiten van het proces-verbaal van de laatste hoorzitting, terwijl die termijn een vervaltermijn is waarvan het verstrijken voor de tuchtoverheid bevoegdheidsverlies meebrengt; Overwegende dat verzoeker in een vierde middel stelt dat artikel 307 van de nieuwe gemeentewet werd geschonden, doordat de bestreden beslissing hem niet ter kennis werd gebracht binnen een termijn van tien werkdagen, dat zij derhalve als ingetrokken moet worden beschouwd; Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel, ontleend aan de schending van artikel 317 van de nieuwe gemeentewet, betoogt dat er, in strijd met voornoemd artikel, meer dan zes maanden zijn verstreken tussen de kennisname van de feiten en de “tweede tuchtrechtelijke vervolging”; Overwegende dat hij in een achtste middel stelt dat artikel 14, §2, van het koninklijk besluit van 11 juli 1994 over de algemene politiesteundienst (hierna: het koninklijk besluit van 11 juli 1994) en de artikelen 289 tot 293 van de nieuwe gemeentewet, werden geschonden doordat noch de raad van bestuur van de APSD, noch de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie bevoegd waren een einde te stellen aan zijn detachering aangezien, enerzijds, de personeelsleden van de algemene politiesteundienst krachtens artikel 14, §2, van het koninklijk besluit van 11 juli 1994 aan hun oorspronkelijke rechtstoestand onderworpen blijven en, anderzijds, de tuchtstraffen aan leden van de stedelijke politie krachtens artikel 292, §1, van de nieuwe gemeentewet, door de gemeenteraad of door de burgemeester worden opgelegd, dat niet kan worden betwist dat de bestreden beslissing een tuchtstraf, minstens een verkapte tuchtstraf, is aangezien ze een herhaling is van de eerste beslissing van 9 september 1998, er in het verslag van de raad van bestuur van 2 september 1998 sprake is van een “dossier disciplinaire”, ze hem een schuldig gedrag verwijt, namelijk het niet aanvaarden van het hiërarchisch gezag en ze zijn morele, carrière- en pecuniaire belangen aantast; Overwegende dat verwerende partij antwoordt dat aangezien ordemaatregelen geen tuchtstraffen zijn, de door verzoeker ingeroepen procedure- voorschriften zoals die gelden in tuchtzaken niet van toepassing zijn; XII-2297-10/16 Overwegende dat verzoeker zich in zijn memorie van wederantwoord beperkt tot het woordelijk hernemen van de tekst van zijn verzoekschrift; 3.2.2. Overwegende dat de door verzoeker in zijn tweede, derde, vierde, vijfde en achtste middel aangehaalde artikelen van de nieuwe gemeentewet zijn ondergebracht onder titel XIV “De tuchtregeling”; dat bij de bespreking van het eerste middel reeds werd vastgesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat de bestreden maatregel een -verdoken- tuchtmaatregel zou zijn; dat verzoeker in zijn uiteenzetting bij de thans besproken middelen geen bijkomende elementen inroept die zijn stelling alsnog geloofwaardig zouden kunnen maken; dat bijgevolg moet worden vastgesteld dat verzoeker de schending van de in zijn tweede, derde, vierde, vijfde en achtste middel aangevoerde artikelen van de nieuwe gemeentewet niet dienstig kan inroepen; 3.3.1. Overwegende dat verzoeker in een zesde middel doet gelden dat het algemeen rechtsbeginsel “non bis in idem” werd geschonden, dat hij immers voor dezelfde feiten tweemaal tuchtrechtelijk werd gestraft doordat een eerste maal op 2 september 1998 en een tweede maal op 13 september 1999 een einde werd gesteld aan zijn detachering; 3.3.2. Overwegende dat het te dezen volstaat vast te stellen dat de raad van bestuur zijn eerder tegen verzoeker genomen maatregel heeft ingetrokken, met andere woorden, die maatregel ab initio teniet heeft gedaan, zodat die maatregel geacht moet worden nooit te hebben bestaan; dat het middel bijgevolg, hoe dan ook, in feite faalt; 3.4.1. Overwegende dat verzoeker in een zevende middel argumenteert dat artikel 87 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel (hierna: het besluit van 28 september 1984) werd geschonden, dat voornoemd artikel bepaalt dat de bepalingen inzake tuchtregeling en tuchtstraffen, schorsing in het belang van de dienst, ontslag van ambtswege en afdanking niet mogen worden toegepast op vakbondsafgevaardigden voor handelingen die zij in die hoedanigheid verrichten en die rechtstreeks verband houden met de door hen uitgeoefende prerogatieven, dat die handelingen geen invloed mogen hebben op het opstellen of wijzigen van hun beoordeling, van enige XII-2297-11/16 andere waardebepaling of van enig ander gelijkwaardig rapport; dat verzoeker daarnaast verwijst naar het verslag aan de Koning, waarin met betrekking tot voornoemd artikel 87 onder meer wordt gesteld dat het vanzelf spreekt dat de rechtmatige uitoefening van de eigenlijke vakbondsactiviteit de rechtstoestand van de vakbondsafgevaardigde niet mag benadelen, dat een vakbondsafgevaardigde om reden van handelingen verbonden aan het uitoefenen van zijn opdracht niet mag worden onderworpen aan een tuchtstraf en dat het geen betoog hoeft dat de overheid evenmin mag overgaan tot het nemen van onrechtstreekse “sancties” ingevolge de rechtmatige vakbondsactiviteit van een vakbondsafgevaardigde, bijvoorbeeld inzake ambtsontheffing of disponibiliteit in het belang van de dienst, overplaatsing, mutatie, mobiliteit van ambtswege of wijziging in dienstaanwijzingen; dat verzoeker stelt dat hij, aangezien hij op 3 juli 1998 in zijn hoedanigheid van syndicaal verantwoordelijk leider van het Nationaal Syndicaat van de Belgische Politie in de Senaat deelnam aan een forum over de politiehervorming, de bescherming genoot zoals bepaald in artikel 87 van het besluit van 28 september 1984 en dan ook niet kon worden verplicht inlichtingen te verstrekken over aangelegenheden die uitsluitend betrekking hadden op zijn syndicale activiteiten, dat de bestreden beslissing, aangezien zij het uitsluitende gevolg is van zijn beweerde weigering inlichtingen te verstrekken over de tussenkomst die hij op 3 juli 1998 in zijn hoedanigheid van syndicaal leider had gedaan, derhalve de in artikel 87 bepaalde bescherming miskent, dat hij bovendien in zijn nota van 6 juli 1998 aan de voorzitter van het directiecomité van de APSD de gevraagde inlichtingen wel degelijk heeft verstrekt; Overwegende dat verwerende partij stelt dat, om een organisatie zoals de APSD goed te besturen, een minimum aan positief deelnemen en coöperatie door de medewerkers vereist is, dat verzoeker weigerde op vier hem door zijn hiërarchische overste gestelde vragen te antwoorden, dat die vragen geen betrekking hadden op het uitoefenen van zijn syndicaal mandaat, dat hij, door het ongefundeerd weigeren te antwoorden, zijn hiërarchische overste heeft genegeerd, dat, in weerwil met verzoekers beweringen, nooit een nota van 6 juli 1998 door enig personeelslid werd ontvangen of door enig secretariaat van de APSD werd geregistreerd, dat over een dergelijke nota evenmin wordt gesproken in de bestuurlijke nota die verzoeker op 16 september 1998 ten behoeve van zijn korpschef opstelde, waarin hij onder meer het chronologisch verloop van de feiten weergeeft; XII-2297-12/16 Overwegende dat verzoeker zich in zijn memorie van wederantwoord andermaal beperkt tot het woordelijk hernemen van de tekst van zijn verzoekschrift; XII-2297-13/16 Overwegende dat zich in het administratief dossier bevinden : - een nota van 19 november 1998 van vervangend afdelingshoofd Boucar van de afdeling operationele ondersteuning in de loop van de maand juli 1998, nota waarvan verzoeker overigens een afschrift ontving naar aanleiding van zijn oproeping en waarin enerzijds het afdelingshoofd stelt dat verzoeker eind juli 1998 verklaarde dat zijn raadsman zich met het opstellen van een schriftelijk antwoord zou gelasten en anderzijds dat verzoeker hem nooit persoonlijk een geschreven antwoord heeft bezorgd; - het omstandige verslag met bijlagen dat verzoeker, nadat een eerste maal een einde was gemaakt aan zijn detachering, in zijn hoedanigheid van agent- hoofdbrigadier bij het politiekorps van Kortrijk ten behoeve van zijn korpschef opstelde en waarin van een nota van 6 juli 1998 nergens sprake is; dat verzoeker, die ook in het kader van de procedure voor de Raad van State geen enkele poging onderneemt de toch pertinente opmerkingen van verwerende partij te weerleggen, dan ook niet aannemelijk maakt dat bedoelde nota ook is neergelegd; Overwegende voorts, wat betreft de door verzoeker ingeroepen schending van artikel 87 van het besluit van 28 september 1984, dat enerzijds moet worden vastgesteld dat de bestreden maatregel niet werd opgelegd om reden van een handeling die hij in zijn hoedanigheid van vakbondsafgevaardigde heeft gesteld, namelijk het afleggen van verklaringen die vervolgens, al dan niet correct, in een persartikel werden weergegeven, doch enkel omdat hij in zijn hoedanigheid van lid van de APSD geen gevolg heeft gegeven aan een schriftelijk bevel van zijn hiërarchische overste, dat anderzijds noch uit artikel 87 van het besluit van 28 september 1984, noch uit wat met betrekking tot dat artikel in het verslag aan de Koning wordt gesteld blijkt wat verzoeker erin meent te kunnen lezen, namelijk dat hij, louter om reden van het feit dat het persartikel betrekking had op uitlatingen die hij in zijn hoedanigheid van vakbondsafgevaardigde had gedaan, ontheven was van de verplichting aan een schriftelijk verzoek om bijkomende uitleg vanwege zijn hiërarchische overste gevolg te geven; dat het zevende middel niet gegrond is; 3.5.1. Overwegende dat verzoeker in een negende middel doet gelden dat het algemeen rechtsbeginsel dat de overheid verplicht “de rechten van verdediging van de bestuurde” te eerbiedigen of minstens het tegensprekelijk karakter bij het nemen van een ernstige maatregel, werd geschonden, dat de administratieve overheid hem nooit heeft verwittigd van haar intenties, dat hij tijdens de hoorzitting van 26 maart 1999 bij monde van zijn raadsman meedeelde XII-2297-14/16 dat het wel degelijk om een tuchtprocedure ging, dat de directeur van de APSD, die door de raad van bestuur was gelast het verhoor af te nemen, zijn raadsman beloofde een tweede hoorzitting te houden opdat hij zich zou kunnen verdedigen inzake de beweerde “dienstmaatregel” die zou worden genomen en getuigen zou kunnen oproepen, dat deze tweede hoorzitting er nooit kwam, dat de rechten van verdediging een tweede maal werden geschonden doordat de directeur van de APSD enerzijds het voorstel tot het beëindigen van zijn detachering indiende en anderzijds zelf het verhoor afnam, terwijl een verhoor door degene die een voorstel tot tuchtstraf indient de rechten van de verdediging niet ten volle waarborgt; Overwegende dat verwerende partij argumenteert dat ordemaatregelen geen tuchtstraffen zijn zodat de rechten van verdediging zoals die gelden in tuchtzaken te dezen niet van toepassing zijn, dat uit de feiten blijkt dat het te dezen wel toepasselijke recht te worden gehoord correct werd ingevuld; 3.5.2. Overwegende in de eerste plaats dat, zoals reeds bij de bespreking van het eerste middel werd vastgesteld, uit de oproepingsbrief van 15 maart 1999 en uit de als bijlage gevoegde nota van 26 februari 1999 van de directeur van de APSD blijkt dat de overheid overwoog verzoekers detachering bij de APSD te beëindigen wegens dienstredenen; dat verzoeker dan ook niet ernstig kan betogen dat de overheid hem en zijn raadsman “nooit verwittigd [heeft] van haar intenties”; dat het feit dat, zoals verzoekers raadsman tijdens de hoorzitting van 26 maart 1999 verklaarde, “[hijzelf en zijn cliënt] er vanuit gingen dat het om een tuchtprocedure ging, [en zij daarom hun] verdediging daarop [hebben] gebaseerd”, dan ook enkel te wijten is aan verzoeker en zijn raadsman zelf; dat de raad van bestuur a fortiori, nadat de directeur van de APSD verslag had uitgebracht over de op 26 maart 1999 gehouden hoorzitting, rechtmatig kon besluiten dat er, gezien de uitdrukkelijke vermelding in de oproepingsbrief, geen verwarring kon zijn inzake de aard van de overwogen maatregel en het derhalve onnodig was in te gaan op de door verzoekers raadsman geformuleerde vraag om “een bijkomende vergadering [...] om [hun] onze verdediging aan te passen aan die toestand”; Overwegende ten slotte dat voorzover verzoeker nog inroept dat zijn rechten van verdediging werden geschonden doordat de directeur van de APSD enerzijds het voorstel tot het beëindigen van zijn detachering indiende en anderzijds zelf het verhoor afnam, verwerende partij terecht opmerkt dat wanneer een ordemaatregel wordt overwogen de hoorplicht geldt, doch niet de rechten van XII-2297-15/16 verdediging zoals die gelden in tuchtzaken; dat de door verzoeker aangehaalde rechtspraak, die betrekking heeft op een tuchtaangelegenheid, dan ook niet relevant is; dat ook het negende middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig juni 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2297-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.513 Gerelateerde publicatie(
  4. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.85.520 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.