id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.520 Rolnummer: A. 96299/XII-4704 Zaak: Arrest 172520 - O.C.M.W. - 21/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-13 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-30 03:34 Fiche Arrest nr 172.520 van 21 juni 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Afstand Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.520 van 21 juni 2007 in de zaak A. 96.299/XII-
- In zake : Etienne FOETS, die woonplaats kiest bij advocaten E. Van Der Mussele en Y. Vanden Bosch, kantoor houdende te Antwerpen, Justitiestraat 18A tegen :
- het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN KALMTHOUT, dat woonplaats kiest bij advocaat A. Coolsaet, kantoor houdende te Antwerpen, Arthur Goemaerelei 69
- de GOUVERNEUR VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN. --------------------------------------------------------- ------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Etienne Foets op 9 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 3 juni 2000 van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (hierna “OCMW”) van Kalmthout, waarbij hij bij tuchtmaatregel met ingang van 3 juli 2000 gedurende 10 weken wordt geschorst en van de “beslissing” van de waarnemend gouverneur van de provincie Antwerpen, met een brief van 11 augustus 2000 aan zijn raadsman toegezonden, naar luid waarvan de bezwaren die deze tegen het voormelde tuchtbesluit heeft aangevoerd, “geen aanleiding [geven] tot een optreden in het kader van het administratief toezicht”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 23 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-4704-1\24 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 8 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Van Der Mussele, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat A. Coolsaet, die verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : Voorgaanden
- Verzoeker is sedert 1984 secretaris van het OCMW van Kalmthout. Op 27 april 1998 richten personeelsleden en gewezen personeelsleden van het OCMW aan de voorzitter en de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn een nota waarin zij uitvoerig klachten uiten over de wijze waarop verzoeker zijn functie uitoefent en zich gedraagt ten aanzien van het personeel en de cliënten van het OCMW. Zij zetten uiteen hoe de arbeids- verhoudingen tussen verzoeker en het personeel “reeds jarenlang” ernstig zijn verstoord. Op 20 mei 1998 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn aan De Meyer & Partners, human resources consultants, de opdracht te geven om de personeelsverhoudingen binnen het OCMW te onderzoeken. XII-4704-2\24 Het rapport van 12 oktober 1998 over dat onderzoek concludeert dat “de meeste verhoudingen zeer moeilijk liggen”, dat “bijna alle personeelsleden op uitzondering van één iemand” een negatief beeld geven van de samenwerking met verzoeker, dat verzoeker een belangrijk aandeel heeft in de problemen en dat zo snel mogelijk moet worden getracht een oplossing te vinden om de situatie te deblokkeren. Nadat een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn schriftelijk bij de gouverneur van de provincie Antwerpen heeft aangedrongen op een tuchtprocedure tegen verzoeker, komt de arrondissementscommissaris van Antwerpen tussen om te bemiddelen. Op diens initiatief wordt een begeleidings- commissie opgericht, die als taak heeft de probleempunten te bespreken, voorstellen te formuleren en afspraken te maken. De bedoeling is “progressief een referentie- kader [uit te bouwen] als uitweg uit de moeilijkheden en als toetssteen voor het gedrag van alle betrokken partijen” . Tevens wordt de ontvanger van het OCMW aangewezen als vertrouwenspersoon, waar personeelsleden bij terecht kunnen die geconfronteerd zijn met “denigrerende zaken”. Met een brief van 30 april 1999 deelt de arrondissements- commissaris aan de leden van de begeleidingscommissie mee dat hij kennis heeft genomen van verscheidene recente voorvallen waarbij verzoeker betrokken is geweest. Hij stelt dat verzoeker “geen oplossing [wenst] of [...] hiertoe niet in staat [is]”, dat zijn bemiddelingspogingen gedoemd zijn om te mislukken en dat hij ze daarom staakt. Hij vraagt aan de voorzitter en de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW hun verantwoordelijkheid op te nemen en passende maatregelen te nemen. Op 23 juni 1999 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn ten laste van verzoeker een tuchtprocedure op te starten en betrokkene met onmiddellijke ingang gedurende vier maanden preventief te schorsen met behoud van wedde. Na de intrekking van verzoekers preventieve schorsing om reden van proceduregebreken, wordt ze op 25 augustus 1999 door de raad voor maatschappelijk welzijn definitief opgelegd. XII-4704-3\24 Op 8 september 1999 stelt de voorzitter een tuchtverslag op, waarin hij aan verzoeker in tien rubrieken ongeveer dertig feiten ten laste legt. De voorzitter voegt bij het tuchtverslag de nota van 27 april 1998 van het personeel over de verstoring van de arbeidsverhoudingen binnen het OCMW, alsook het rapport van 12 oktober 1998 van De Meyer & Partners over het onderzoek dat dienaangaande werd gevoerd, teneinde “erop [te] wijzen dat er ook vroeger reeds problemen waren met de secretaris”. Hij voegt er wel aan toe dat de in die stukken vermelde feiten, gelet op de voorgeschreven verjaringstermijn, niet meer als tuchtfeiten in aanmerking kunnen worden genomen. Hij wijst er tevens op dat in de verklaringen van het personeel, opgenomen in het tuchtdossier, de klachten die wegens verjaring niet in aanmerking kunnen worden genomen, zijn doorstreept. Met een aangetekende brief van 9 september 1999 roepen de voorzitter en de waarnemend secretaris van het OCMW verzoeker op om door de raad voor maatschappelijk welzijn “in tuchtzaken” te worden gehoord. Voor wat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten betreft, verwijzen zij naar het bijgevoegde tuchtverslag van de voorzitter. Ook een afschrift van het tuchtdossier is bijgevoegd. Op 6 oktober 1999 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, door de raad voor maatschappelijk welzijn gehoord. Van dat verhoor wordt een proces-verbaal opgesteld, dat door verzoeker wordt ondertekend. De raadsman van verzoeker legt een verweernota neer. Zijn eis tot wraking van de burgemeester en de raadsleden Ludo Delbon en François Lorriper wordt niet ingewilligd. De raad voor maatschappelijk welzijn besluit op 14 oktober 1999 verzoeker bij tuchtmaatregel van ambtswege te ontslaan. Dit tuchtbesluit wordt echter op 18 november 1999 door de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen niet goedgekeurd omdat het OCMW enkele tenlasteleggingen onvoldoende heeft onderzocht en de opgelegde zware tuchtmaatregel het evenredigheidsbeginsel schendt. Het beroep van het OCMW tegen dit niet-goedkeuringsbesluit, wordt door de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport op 10 maart 2000 niet ingewilligd. Ook de minister is van mening dat een aantal van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten niet XII-4704-4\24 bewezen zijn of zelfs niet als tuchtfeiten kunnen worden gekwalificeerd en dat de opgelegde tuchtmaatregel kennelijk onredelijk is. Hij overweegt dat uit het tuchtdossier wel blijkt dat verzoeker een aantal feiten heeft gepleegd die als tuchtfeiten kunnen worden gekwalificeerd en dat een lichtere tuchtstraf dan het ontslag van ambtswege kan worden opgelegd. Met een aangetekende brief van 20 maart 2000 roepen de voorzitter en de waarnemende secretaris van het OCMW verzoeker op om opnieuw door de raad voor maatschappelijk welzijn te worden gehoord. Voor wat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten betreft, verwijzen zij andermaal naar het tuchtverslag van 8 september 1999 van de voorzitter. Op 4 mei 2000 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, door de raad voor maatschappelijk welzijn gehoord. Van dat verhoor wordt een proces-verbaal opgesteld, dat door verzoeker wordt ondertekend. De raadsman van verzoeker legt een verweernota neer. Zijn eis tot wraking van de burgemeester en de raadsleden Ludo Delbon en François Lorriper wordt andermaal niet ingewilligd. Op 3 juni 2000 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn verzoeker bij tuchtmaatregel met ingang van 3 juli 2000 gedurende een periode van 10 weken te schorsen. Dit tuchtbesluit, het eerste voorwerp van het thans voorliggende beroep tot nietigverklaring, wordt met een aangetekende brief van 6 juni 2000 aan verzoeker ter kennis gebracht. De raadsman van verzoeker dient op 3 juli 2000 een bezwaar- schrift in bij de gouverneur van de provincie Antwerpen. Met een aangetekende brief van 11 augustus 2000 antwoordt de waarnemend provinciegouverneur dat de door verzoeker aangevoerde bezwaren zijns inziens “geen aanleiding [geven] tot een optreden in het kader van het administratief toezicht”. De ontvankelijkheid van het beroep
- Verzoeker vermeldt in zijn laatste memorie : “Gelet op het negatief advies van het auditoraat dd. 19-12-05 met brief van 31-02-06 verzonden en ten vroegste op 1-1-06 toegekomen”. Dit ontlokt eerste verwerende partij in haar laatste memorie de vaststelling dat minstens één van de vermelde data foutief is, want onbestaande, en dat de 2 maart 2006 gedateerde laatste memorie laattijdig is XII-4704-5\24 -zodat er in hoofde van verzoeker een vermoeden van afstand geldt- indien het auditoraatsverslag inderdaad op 1 januari 2006 is toegekomen. Bij nazicht der stukken moet worden vastgesteld dat niet enkel “31-02-06”, maar ook de vermelding “1-1-06” op een misslag berust. De kennisgeving van het auditoraatsverslag is gebeurd op woensdag 1 februari 2006, zodat de op 2 maart 2006 ingediende laatste memorie tijdig, want op de dertigste dag is neergelegd. Het vermoeden van afstand kan niet om reden van laattijdigheid van de laatste memorie aan verzoeker worden toegeschreven.
- De tweede verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord terecht op dat het beroep niet ontvankelijk is voorzover het strekt tot de nietigverklaring van de “beslissing” van de waarnemend gouverneur van de provincie Antwerpen om in de uitoefening van het algemeen administratief toezicht geen maatregel te nemen tegen het tuchtbesluit van 3 juni 2000 van de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Kalmthout. In zijn memorie van wederantwoord valt verzoeker de opgeworpen exceptie ook bij. Hij stelt dat hij afziet van zijn beroep voorzover het gericht is tegen de onthouding van de provinciegouverneur om een toezichts- maatregel te nemen. Verzoeker doet aldus in zoverre afstand van zijn beroep.
- Artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalt dat het verzoekschrift onder meer een uiteenzetting van de feiten en de middelen dient te bevatten. Een verzoekschrift dat geen middelen bevat is niet ontvankelijk. Onder “middel” moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden beslissing wordt geschonden. Aldus wordt verwacht dat een verzoeker in het inleidend verzoek- schrift een relaas geeft van de feiten en van de hem grievende onwettigheden. Om de rechten van de verdediging te vrijwaren en in het kader van de medewerking met de rechter, die van alle partijen wordt verwacht en, meer nog, om een desnoods ambtshalve op te werpen exceptie “obscuri libelli” te ontlopen, is het ten zeerste aangewezen zulks op een heldere en overzichtelijke wijze met een minimale systematiek te presenteren, de aangevoerde middelen daarbij duidelijk XII-4704-6\24 onderscheiden van elkaar. Elk afzonderlijk middel moet, om ontvankelijk te zijn, zowel de geschonden rechtsregel aangeven alsook een precisering van de wijze waarop die rechtsregel in de voorliggende zaak door het bestuur is miskend. Te dezen moet de Raad van State vaststellen dat de structuur van het 63 bladzijden tellende verzoekschrift op zijn minst voor verbetering vatbaar is. Op bladzijde 26 van het verzoekschrift is wel een titel “V. rechtsmiddelen” te lezen, die vervolgens een indeling met uitgesponnen sub-indelingen en nummering heeft met Romeinse cijfers, Arabische cijfers, letters (V.1; 1.1.; 1.1.1.;...; V.2; 1/A; 1/B; C; D; 1/E;...), maar met een tekst die doorloopt, afwisselend in kapitalen, onderstreept, in vet of gecursiveerd. Het is niet de taak van de Raad van State om aan de hand van een zo moeizaam leesbaar verzoekschrift zelf op zoek te gaan naar onwettigheden. Wie bij het opstellen van zijn verzoekschrift zo handelt moet er de gevolgen van ondergaan; die gevolgen zijn dat enkel datgene als rechtsmiddel wordt onderzocht wat door de verwerende partij in de memorie van antwoord als zodanig is begrepen. Het voor het onderzoek van de zaak aangewezen lid van het auditoraat heeft de grieven in zijn verslag over de zaak samengevat. Verzoeker heeft in de omstandige laatste memorie niet rechtstreeks gerepliceerd op dit verslag. De Raad van State neemt daarom aan dat hij zich niet verzet tegen de in het auditoraatsverslag geformuleerde weergave van zijn grieven. De Raad van State neemt dienvolgens hierna die weergave over. De gegrondheid van het beroep 5.
- Verzoeker voert als eerste grief onder de titel “V. rechtsmiddelen”, ondertitel “V.
- onwettigheid van de getroffen beslissing” aan : “1.
- schendingen ten aanzien van de organieke wet”. Deze grief wordt in het auditoraatsverslag samengevat als volgt: “Verzoeker voert de schending aan van de artikelen 31 en 37 van de OCMW-wet. Eerstgenoemde wetsbepaling is volgens hem geschonden doordat Fredelinde Rossaert de vergadering van 3 juni 2000 van de raad voor maatschappelijk welzijn, tijdens dewelke over het thans bestreden tuchtbesluit werd beraadslaagd en gestemd, heeft bijgewoond als plaatsvervangend secretaris. Verzoeker acht de aanwezigheid van voornoemde onaanvaardbaar, omdat, XII-4704-7\24 niettegenstaande tal van beschuldigingen zijn weggevallen, deze waarbij zij was betrokken, zijn behouden en gesanctioneerd als tuchtfeit. Laatstgenoemde wetsbepaling is volgens verzoeker geschonden, doordat de burgemeester en de raadsleden Ludo Delbon en François Lorriper aanwezig zijn gebleven toen er gedebatteerd en gestemd werd over zijn eis om hen te wraken. Verzoeker argumenteert dat de ongeldigheid van de beraadslaging en de stemming over de wraking de ongeldigheid van de daaropvolgende beslissing betreffende de op te leggen tuchtmaatregel tot gevolg heeft. Hij betoogt voorts dat de burgemeester en de raadsleden Ludo Delbon en François Lorriper zich tijdens het vooronderzoek en in de periode vóór ‘de eigenlijke tuchtbeoordeling’ reeds een eigen mening over zijn tuchtzaak hadden gevormd en geuit, zodat zij [een ‘moreel belang bij de zaak’ hebben omdat zij] niet meer op die mening konden terugkomen zonder gezichtsverlies te lijden”. Ter staving van het feit dat de burgemeester en de raadsleden Delbon en Lorriper niet onpartijdig en onafhankelijk aan de behandeling van zijn tuchtzaak hebben kunnen deelnemen, kan in het onderdeel “IV.A procedure- voorgaanden inzake wraking” het volgende worden gelezen. Daarin citeert verzoeker de volgende uitspraken van de betrokkenen, opgenomen in het verslag van een vergadering van 19 november 1998: - de burgemeester: “De relatie tussen de Secretaris en zijn diensten, en met de Voorzitter zijn niet goed. [...] Anderzijds zal geen van de aangereikte oplossingen echt voldoening schenken. Het probleem is namelijk de vaste benoeming. Daardoor is er geen ruimte voor een meer ‘elegante’ oplossing zoals in de privé. Een tuchtprocedure heeft alleen zin als ze leidt tot ontslag. [...] Etienne polariseert alles. Er is geen goede wil”; - François Lorriper: “Daarnaast kan hij tuchtrechtelijk een waarschuwing krijgen. [...] De secretaris moet een duidelijk[e] waarschuwing krijgen de zaken duidelijk anders aan te pakken. Ik stel een lichte tuchtstraf voor [...] Etienne heeft een slecht rapport. Hij moet dus gesanctioneerd worden”; - Ludo Delbon: “Ik heb van de kant van de secretaris nog geen enkel poging tot medewerking gemerkt [...] integendeel, hij heeft alles in het werk gesteld om dit onderzoek tegen te werken, tot poging tot schriftvervalsing toe. [...] Ik denk dat er in de rapportage van het personeel genoeg feiten staan om een tuchtprocedure op te starten”. Verzoeker laat “bijkomend” gelden: - met betrekking tot de burgemeester: dat deze zich tijdens het verhoor op 6 oktober 1999 op een vooringenomen wijze heeft gedragen, dat deze een moreel belang erbij had een stakingsaanzegging van het personeel tegen te gaan, dat XII-4704-8\24 wegens de hardnekkigheid van de burgemeester en zijn medestanders drie zittingen nodig zijn geweest om tot een preventieve schorsing van verzoeker te besluiten, dat de aanwezigheid van de burgemeester een grote invloed heeft gehad op de gang van zaken in de raad en op de onwettig genomen en te nemen beslissingen; - met betrekking tot de raadsleden Ludo Delbon en François Lorriper: dat eerstgenoemde een folder heeft laten verspreiden in de gemeente waarin als vaststaand feit wordt vermeld dat er jarenlang conflicten zijn geweest rond de figuur van de secretaris en dat die inmiddels werd ontslagen, dat deze tijdens een vergadering van 20 mei 1998 heeft gesteld dat de nota van 27 april 1998 van het personeel voldoende was om tegen verzoeker een tuchtprocedure op te starten en hem een aanmaning te geven, dat beide raadsleden hebben deelgenomen aan het beraad en de stemming over hun eigen wraking. In latere procedurestukken noemt verzoeker die “bijkomende” uiteenzettingen uit onderdeel “IV.A” van het verzoekschrift een “voorafgaand” middel. De Raad kan er niet mee instemmen dat hij nog aan een betoog dat niet onder de hoofding “rechtsmiddelen” is opgenomen, het karakter van rechtsmiddel geeft. Wel is er een nauw verband tussen de bedoelde feitelijke uiteenzetting en het eerste middel, zodat het “voorafgaand” betoog van verzoeker bij de bespreking van het eerste middel kan worden betrokken. 5.
- Artikel 31 van de OCMW-wet luidde ten tijde van het bestreden tuchtbesluit : “De vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn worden gehouden met gesloten deuren”. Deze bepaling werd niet geschonden door de aanwezigheid van Fredelinde Rossaert, vermits zij de taak uitoefende van plaatsvervangend secretaris. De omstandigheid dat sommige tenlasteleggingen steunen op verklaringen van dit personeelslid kan daaraan niets veranderen, wijl er geen reden is om aan te nemen en overigens ook door verzoeker niet wordt aangevoerd dat zij ter zitting haar taak van plaatsvervangend secretaris te buiten is gegaan en handelingen heeft gesteld die ertoe strekten het standpunt van de raadsleden met betrekking tot verzoekers tuchtzaak negatief te beïnvloeden. XII-4704-9\24 5.
- Uit de aangehaalde passages van het verslag van de vergadering van 19 november 1998 kan hoogstens worden afgeleid dat de problematische verhouding tussen verzoeker en de overige personeelsleden van het OCMW reeds eerder ter sprake is gekomen onder de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn en dat toen reeds de mogelijkheid van een tuchtprocedure tegen verzoeker werd overwogen, doch geenszins dat de burgemeester en de beide genoemde raadsleden van meet af aan blijk hebben gegeven van een persisterende wil om verzoeker tuchtrechtelijk te treffen, zodanig dat zij de door het bestreden besluit tuchtrechtelijk gesanctioneerde feiten, die verschillen van deze waarover op 19 november 1998 werd beraadslaagd en waarbij zij overigens niet op enigerlei wijze betrokken zijn, niet meer op een onpartijdige en onbevooroordeelde manier hebben kunnen beoordelen. Voorts blijkt ook uit geen enkel stuk van het dossier, inzonderheid niet uit de notulen van de vergadering van 6 oktober 1999 van de raad voor maatschappelijk welzijn waarop verzoeker werd gehoord (stuk 82 bij het verzoekschrift tot nietigverklaring), noch uit het proces-verbaal van het verhoor van verzoeker door de raad voor maatschappelijk welzijn op 4 mei 2000 (stuk 10 van het administratief dossier van de eerste verwerende partij), dat de burgemeester of de raadsleden Ludo Delbon en François Lorriper verzoekers tuchtzaak op een vooringenomen wijze hebben benaderd en door hun uitspraken en handelingen een partijdige instelling hebben getoond. De omstandigheid dat door procedureredenen de raad voor maatschappelijk welzijn tot driemaal toe een beslissing heeft moeten nemen over verzoekers preventieve schorsing alvorens deze definitief werd, toont allerminst een partijdige houding van wie dan ook aan. De folder waarnaar verzoeker verwijst om de partijdigheid van Ludo Delbon aan te tonen, vermeldt het volgende: “Secretaris OCMW ontslagen Al jarenlang zijn er conflicten op het OCMW. De figuur van de secretaris was hier dikwijls in verwikkeld. Na verschillende onderzoeken en bemiddelingspogingen heeft de OCMW-raad uiteindelijk beslist om de secretaris te ontslaan. Omdat Agalev-OCMW-raadslid Ludo Delbon steeds naar oplossingen toewerkt, heeft hij een klachtenregeling uitgewerkt waardoor er bij dit soort problemen sneller kan worden ingegrepen”. XII-4704-10\24 Daargelaten dat de kwestieuze folder geen initiatief is van het voornoemde raadslid, doch een uitgave blijkt te zijn van Agalev Kalmthout, kan er hoe dan ook niet worden uit afgeleid dat Ludo Delbon in verzoekers tuchtzaak een partijdige houding zou hebben aangenomen. Ten slotte kan de omstandigheid dat Ludo Delbon en François Lorriper hebben deelgenomen aan de beraadslaging en de stemming over verzoekers eis om hen te wraken, als zodanig geen afbreuk doen aan de onpartijdigheid van de raad voor maatschappelijk welzijn. 5.
- Artikel 37, eerste lid, 1/, van de OCMW-wet luidde ten tijde van het bestreden tuchtbesluit: “Het is de leden van de raad en de personen, die krachtens de wet de vergaderingen van de raad mogen bijwonen, verboden:
- Tegenwoordig te zijn bij een beraadslaging of besluit over zaken waarbij zij, hetzij persoonlijk, hetzij als zaakgelastigde, rechtstreeks belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad persoonlijk en rechtstreeks belang hebben. Inzake benoemingen tot ambten en tuchtmaatregelen geldt dit verbod slechts ten aanzien van bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad”. De aangehaalde wetsbepaling was voorzeker van toepassing op de beraadslaging en de besluitvorming van de raad voor maatschappelijk welzijn over het agendapunt betreffende de tuchtvordering ten laste van verzoeker, doch niet op verzoekers vraag tot wraking als zodanig. Een vraag tot wraking strekt ertoe een onpartijdige samenstelling van het tuchtorgaan te verzekeren. In de uiteenzetting sub 5.
- is echter gebleken dat verzoeker er niet in slaagt, de Raad van State ervan te overtuigen dat de deelname van de burgemeester en de twee genoemde raadsleden aan de beraadslaging en de stemming van het tuchtcollege over zijn zaak, een schending uitmaakt van het onpartijdigheids-beginsel. Het beweerde “moreel belang bij de zaak” is niet aangetoond. Het komt wenselijk voor dat, in de mate van het mogelijke, een raadslid niet deelneemt aan de beraadslaging en de stemming over een hem betreffend verzoek tot wraking. Wat wenselijk is, is echter voor het bestuur nog geen rechtsregel. Het door verzoeker aangevoerde artikel 37 van de OCMW-wet heeft geen procedure ter zake uitgewerkt en de onthoudingsplicht die verzoeker aan XII-4704-11\24 de drie gewraakten wenst op te leggen volgt alleszins niet uit de door hem in het middel aangevoerde wetsbepaling. Nu sub 5.
- is gebleken dat de beweerde persoonlijke vooringenomenheid niet wordt aanvaard en er dienvolgens hoe dan ook geen reden was om aan verzoekers vraag tot wraking gunstig gevolg te geven, valt niet in te zien welke schade verzoeker heeft geleden door de deelname van de burgemeester en de twee genoemde raadsleden aan de behandeling van het wrakingsverzoek. In zoverre is verzoeker zonder belang bij het middel. Ook de omstandigheid dat de raad voor maatschappelijk welzijn op 6 oktober 1999 en 4 mei 2000 een afzonderlijke beraadslaging en stemming heeft gewijd aan verzoekers vraag tot wraking, waaraan de gewraakte leden hebben deelgenomen, kan te dezen aan de onpartijdige samenstelling van de raad voor maatschappelijk welzijn geen afbreuk doen. 5.
- De grief “1.
- schendingen ten aanzien van de organieke wet” kan niet worden aangenomen. 6.
- Verzoekers tweede grief luidt : “1.
- Schendingen ten aanzien van de gemeentewet” en wordt in het auditoraatsverslag samengevat als volgt: “Verzoeker voert ‘vooraf’ aan dat hij vanwege de eerste verwerende partij niet alle door hem opgevraagde stukken heeft ontvangen en dat hij pas na mededeling ervan definitief zijn middelen kan formuleren en preciseren. In afwachting herneemt verzoeker de bemerkingen die hij aan de provinciegouverneur heeft toegezonden met een schrijven van 10 juli
- Voorts voert verzoeker de schending aan van de artikelen 300, 301, tweede lid, 2/, en 307 van de nieuwe gemeentewet. Verzoeker meent vooreerst dat artikel 300 van de nieuwe gemeentewet werd geschonden, doordat de besluiten van het college van burgemeester en schepenen, waarbij de delegatie aan schepen Gaston Stevens om de burgemeester te vertegenwoordigen op de vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn werd ingetrokken, niet waren opgenomen in het tuchtdossier dat hij op het bestuur heeft kunnen inzien. Volgens verzoeker was het tuchtdossier derhalve onvolledig samengesteld. Verzoeker laat voorts gelden dat artikel 301, tweede lid, 2/, van de nieuwe gemeentewet werd geschonden, doordat in het tuchtverslag geen voorstel van tuchtstraf werd opgenomen. Hij stelt dat dit des te problematischer is ‘omdat reeds door de Minister is gesteld dat een ontslag van ambtswege onmogelijk is, en enkel herbehandeling van de tuchtzaak mogelijk is binnen de grenzen van wat door de toeziende overheid werd uitgesproken’. Met betrekking tot de schending van artikel 307 van de nieuwe gemeentewet voert verzoeker aan dat de tekst van het bestreden besluit die hem is XII-4704-12\24 betekend, niet vermeldt dat hij staande de vergadering is goedgekeurd en dat bij gebreke aan een betekening van de goedgekeurde tekst binnen een termijn van tien werkdagen, de sanctie van het voormelde wetsartikel geldt. Verzoeker meent dat een goedgekeurde tekst van het tuchtbesluit er mogelijk anders had uitgezien, aangezien het verschil van mening tussen de raadslieden al eerder was gebleken”. 6.
- Wat de opmerking “vooraf” van verzoeker betreft, dient te worden opgeworpen dat hij niet preciseert van welke stukken, waaruit hij rechtsmiddelen ter bestrijding van het tuchtbesluit zou kunnen putten, hij thans nog geen kennis heeft kunnen nemen. De doorhalingen die zijn aangebracht op sommige stukken die verzoeker van het bestuur heeft ontvangen, hebben kennelijk niets te maken met verzoekers tuchtzaak (bv. de stukken 104/6, 7, 8 en 10 bij het verzoekschrift tot nietigverklaring). Uit verzoekers verwarrende betoog kan niet worden afgeleid of hij de bemerkingen die hij op 10 juli 2000 naar de provinciegouverneur heeft gezonden, als rechtsmiddelen in de huidige procedure wil laten gelden. De eerste verwerende partij heeft er alvast geen rechtsmiddelen in onderkend. Het verzoekschrift is in zoverre te onduidelijk en derhalve niet ontvankelijk. 6.
- Artikel 300 van de nieuwe gemeentewet bepaalt: “Voorafgaandelijk aan de hoorzitting stelt de tuchtoverheid een tuchtdossier samen. Het tuchtdossier bevat alle stukken die betrekking hebben op de ten laste gelegde feiten”. De besluiten van 10 april 2000, 8 mei 2000 en 2 juni 2000 van het college van burgemeester en schepenen betreffende de intrekking van de bevoegdheid van schepen Gaston Stevens om de burgemeester te vertegenwoordigen op de vergaderingen van respectievelijk 4 en 11 mei 2000 en 3 juni 2000 van de raad voor maatschappelijk welzijn zijn geen stukken die betrekking hebben op de aan verzoeker ten laste gelegde feiten. Zij dienden dienvolgens geen deel uit te maken van het tuchtdossier krachtens artikel 300 van de nieuwe gemeentewet. 6.
- Artikel 301, tweede lid, 2/, van de nieuwe gemeentewet bepaalt: “Ten minste twaalf werkdagen vóór zijn verschijning wordt de betrokkene opgeroepen voor de hoorzitting, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door afgifte van de oproepingsbrief tegen ontvangstbewijs. De oproeping dient melding te maken van: [...] XII-4704-13\24 2/ het feit dat een tuchtstraf wordt overwogen en dat een tuchtdossier is aangelegd; [...]”. De geciteerde bepaling schrijft geenszins voor dat in het tuchtverslag een strafvoorstel moet worden geformuleerd. Alleen dient de oproeping van het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid voor de hoorzitting te vermelden dat een tuchtstraf wordt overwogen. In deze zaak is dat ook gebeurd (stuk 45 bij het verzoekschrift tot nietigverklaring). Overigens schrijft ook geen enkele andere wettelijke bepaling voor dat het bestuur ten aanzien van het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid een strafvoorstel dient te formuleren. Verzoeker toont niet aan en de stukken geven er geen blijk van, dat hij zich ten aanzien van de tuchtoverheid niet ten volle met betrekking tot de strafmaat heeft kunnen verweren, ook nadat het initiële tuchtbesluit van 14 oktober 1999, waarbij verzoeker van ambtswege werd ontslagen, de goedkeuring van de toezichthoudende overheid niet had gekregen. 6.
- Artikel 307 van de nieuwe gemeentewet luidt : “Van de met redenen omklede beslissing wordt zonder verwijl kennis gegeven aan de betrokkene, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door overhandiging tegen ontvangstbewijs. Wordt van de beslissing geen kennis gegeven binnen de termijn van tien werkdagen, dan wordt ze als ingetrokken beschouwd. Tuchtvervolging voor dezelfde feiten kan niet worden ingesteld. In de kennisgeving van de beslissing wordt melding gemaakt van de bij wet bepaalde rechtsmiddelen en van de termijn waarbinnen ze uitgeoefend kunnen worden”. Uit stuk 1 van het administratief dossier dat werd neergelegd door de eerste verwerende partij, blijkt dat het bestreden tuchtbesluit staande de vergadering werd opgemaakt en door de aanwezigen werd ondertekend. Het aan verzoeker betekende afschrift betrof dan ook een goedgekeurd besluit, zodat dit onderdeel van het middel feitelijke grondslag mist. Hoe dan ook vergt de betekening van een tuchtbesluit overeenkomstig artikel 307 van de nieuwe gemeentewet dat de tuchtbeslissing werd genomen, doch niet dat de notulering ervan reeds werd goedgekeurd. 6.
- De grief “1.
- Schendingen ten aanzien van de gemeentewet” is derhalve in geen enkel van zijn onderdelen gegrond. XII-4704-14\24 7.
- Verzoeker vermeldt als volgende grief in het inleidend verzoekschrift “V.2 Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel in de feitenvinding” en zijn standpunt is in het auditoraatsverslag weergegeven als volgt: “Verzoeker betwist met betrekking tot elk van de acht in aanmerking genomen tuchtfeiten dat het zorgvuldig werd vastgesteld en bewezen werd bevonden. Hij formuleert de volgende bezwaren: - feit 1, A: mevrouw Van Dingenen werd op 24 maart 1999 door het vast bureau niet aangewezen als persoon die kennis diende te krijgen van de veiligheidscode; het vast bureau heeft toen bovendien niet beslist dat verzoeker zelf diende te bepalen waar de sleutels zouden worden opgehangen; daarover diende een afspraak te worden gemaakt, wat op 4 mei 1999 nog niet was gebeurd; er wordt niet aangetoond waarom aan dit probleem, dat tot het 40 puntenprogramma behoorde, niet langs de weg van de geleidelijkheid kon worden verholpen; - feit 1, E: de heer Evers heeft de voor hem bestemde fax pas twee dagen na inkomst ontvangen, omdat Fredelinde Rossaert had nagelaten een kopie te nemen; wat aan de secretaris wordt verweten is ‘eerder een karakterfenomeen dan een tuchtprobleem, zodat het verschoonbaar is ’; dit probleem, dat eveneens tot het 40 puntenprogramma behoorde, had eveneens langs de weg van de geleidelijkheid kunnen worden verholpen; - feit 1, H: de stukken van het bestuur verbieden niet het nuttigen van een stuk fruit in de keuken; bovendien was ook hier het geleidelijkheidsbeginsel van toepassing; verzoeker heeft slechts een gehandicapte bediende willen helpen; een moedwillige omzeiling van de afspraken moet worden bewezen; - feit 1, J: verzoeker was vanaf de maand mei 1999 langdurig afwezig wegens ziekte; de rekendienst kan slechts overgaan tot het aanmaken van de facturen betreffende de onderhoudsplichtbijdragen indien de sociale dienst de nodige voorstellen door de raad voor maatschappelijk welzijn heeft laten goedkeuren; het bestuur toont niet aan dat verzoeker zou hebben kunnen overgaan tot het aanmaken van de facturen; het feit is bovendien verjaard; - feit 1, K: het is niet bewezen dat behoeftigen laattijdig of zeer lang na hun aanvraag pas zijn uitbetaald; verzoeker heeft wel degelijk contact gehad met de heer Verrezen van het provinciebestuur, die adviseerde aan de raad voor maatschappelijk welzijn per functie kredietoverschrijdingen aan te vragen; de raad heeft die op 11 januari 1999 ook toegestaan; de beweerde leugenachtige verklaring van verzoeker wordt eenzijdig door de ontvanger geformuleerd en verzoeker kan er zich na meer dan zes maanden nog moeilijk tegen verdedigen; het feit is bovendien verjaard en werd niet gestuit door het besluit van 23 juni 1999 van de raad voor maatschappelijk welzijn; - feit 2, A: door de fax van Fredelinde Rossaert niet voor te leggen aan het vast bureau heeft de secretaris de normale werking van het vast bureau niet geschaad; XII-4704-15\24 - feit 4, A: de omstandigheid dat twee personeelsleden de verklaring van de voorzitter mee hebben ondertekend, bewijst niets; verzoeker heeft voor de raad voor maatschappelijk welzijn het feit weerlegd; het bestuur is onzorgvuldig geweest, nu het geen bijkomend onderzoek heeft uitgevoerd; - feit 8: verzoeker heeft van meet af aan dit feit ontkend; een twijfelachtige getuige weegt daar niet tegen op”. 7.
- De bezwaren van verzoeker met betrekking tot de zorgvuldigheid bij de feitenvinding kunnen niet overtuigen: - feit 1, A: het is juist dat mevrouw Van Dingenen op 24 maart 1999 door het vast bureau niet werd aangewezen als personeelslid dat kennis diende te krijgen van de alarmcode; zij werd tijdens de bedoelde vergadering van het vast bureau door verzoeker echter ook niet vermeld als personeelslid dat daarvoor in aanmerking kwam, terwijl nochtans uit het verslag van de vergadering van 17 maart 1999 van de informele begeleidingsgroep blijkt dat de problematiek van de toegang tot het OCMW-gebouw voor “[e]lk personeelslid” -zonder uitzondering- een oplossing diende te krijgen; evident was het de taak van de secretaris om na sleutels te hebben laten bijmaken, met het overige personeel afspraken te maken over de plaats waar deze konden worden gevonden; nergens blijkt uit dat de voormelde afspraken niet zo spoedig mogelijk dienden te worden gemaakt; de toegang van de personeelsleden tot het gebouw is essentieel, zodat niet valt in te zien dat die afspraken slechts volgens de weg van de geleidelijkheid moeten worden gerealiseerd; dat ze klaarblijkelijk op 4 mei 1999 nog niet waren gemaakt, mocht door eerste verwerende partij aan verzoeker als een tekortkoming worden aangerekend; - feit 1, E: dat de vertraging in het overleggen van de ingekomen fax aan de heer Evers zou toe te schrijven zijn aan het feit dat Fredelinde Rossaert zou nagelaten hebben een kopie te nemen, strookt niet met de verklaring van laatstgenoemde dat verzoeker haar verbood een kopie te nemen; deze belemmering van de goede werking van de dienst kan bezwaarlijk worden verschoond door het op te vatten als een uiting van het karakter van verzoeker; alzo zou gelijk welke tekortkoming aan de beroepsplichten kunnen worden teruggebracht tot een karakterieel probleem; wederom blijkt nergens uit dat de bedoelde tekortkoming kan worden vergoelijkt door een zekere geleidelijkheid die verzoeker zich zou mogen veroorloven bij het corrigeren van zijn gedrag; - feit 1, H: uit het verslag van de vergadering van 17 maart 1999 van de informele begeleidingsgroep en de notulen van de vergadering van 24 maart 1999 van het XII-4704-16\24 vast bureau blijkt dat de koffiepauze in de keuken werd afgeschaft, wegens de misbruiken die ervan werden gemaakt en de slechte verstandhouding die eruit resulteerde; in die omstandigheden moet verzoeker het begrip koffiepauze niet te eng opvatten; uit de stukken van het tuchtdossier blijkt voorts duidelijk dat verzoeker het opgelegde verbod regelmatig naast zich neerlegde; - feit 1, J: luidens artikel 45 van de OCMW-wet is de secretaris verantwoordelijk voor het opmaken van de uitgaande facturen; verzoeker voert geen enkele overmacht aan die kan verantwoorden dat hij geen facturen heeft opgemaakt voor de onderhoudsbijdrage van de onderhoudplichtigen vanaf januari 1999 tot de aanvang van zijn afwezigheid wegens ziekte op 25 mei 1999; het feit is niet verjaard, vermits niet blijkt dat de tuchtoverheid meer dan zes maanden voor het inleiden van de tuchtvordering ten laste van verzoeker kennis had van het tuchtfeit of het zelf heeft vastgesteld; - feit 1, K: aan verzoeker wordt niet zozeer verweten dat behoeftigen laattijdig of zeer lang na hun aanvraag zouden zijn uitbetaald, wel dat hij ten aanzien van de ontvanger heeft gelogen over zijn contacten met de heer Verrezen van het provinciebestuur; er ligt geen enkel gegeven voor dat kan doen twijfelen aan de waarachtigheid van de verklaring van de ontvanger; het feit is ook niet verjaard, vermits niet blijkt dat de tuchtoverheid meer dan zes maanden voor het inleiden van de tuchtvordering ten laste van verzoeker kennis had van het tuchtfeit of het zelf heeft vastgesteld; - feit 2, A: verzoeker ontkent niet dat hij de fax van Fredelinde Rossaert aan het vast bureau, niet aan deze laatste heeft voorgelegd; vermits hetgeen in de fax werd vermeld genuanceerder was dan hetgeen verzoeker stelt aan het vast bureau te hebben meegedeeld, heeft verzoeker door het achterhouden van de fax aan het vast bureau informatie onthouden, wat door de eerste verwerende partij kon worden opgevat als een belemmering van de goede werking van het vast bureau; - feit 4, A: het feit wordt afdoende bewezen door de verklaring van 8 juli 1999 dienaangaande van de voorzitter, die mede werd ondertekend door zijn dochter en Greet Buysen, beiden personeelsleden van het OCMW. Laatstgenoemden bevestigen door hun handtekening de inhoud van de verklaring van de voorzitter; - feit 8: verzoeker brengt geen enkel gegeven aan dat de twijfelachtigheid die hij aan de getuige toeschrijft, kan staven. 7.
- De grief “V.2 Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel in de feitenvinding” is derhalve evenmin gegrond. XII-4704-17\24 8.
- Verzoeker vervolgt in het inleidend verzoekschrift met de grief “V.
- Schending zorgvuldigheidsbeginsel en schending van de eigen regelgeving voor conflictbeheersing”, waarin hij naar luid van het auditoraatsverslag aanvoert: “Verzoeker voert met betrekking tot de tuchtfeiten 1, A en H, die hem ten laste worden gelegd, aan dat in het personeelslexicon het principe van de geleidelijkheid bij de wijziging van samenwerkingsvormen wordt geponeerd; dat het bestuur ook door de instelling van een begeleidingscommissie en de aanstelling van een vertrouwenspersoon heeft gekozen voor een geleidelijke oplossing van de problemen op het vlak van de arbeidsverhoudingen binnen het OCMW; dat het dan ook niet opgaat dat tegen hem een tuchtprocedure wordt ingeleid, zonder dat eerst de ontworpen procedure van bemiddeling een kans wordt gegeven. Verzoeker laat voorts gelden dat hem ook niet onmiddellijk mededeling is gedaan van de feiten 1, A en H, zodat hij ze niet onmiddellijk heeft kunnen oplossen; dat problemen die niet aan de vertrouwenspersoon werden gemeld, pas maanden nadat ze zich hadden voorgedaan door de voorzitter zijn bijeengebracht; dat feiten die wel aan de vertrouwenspersoon werden gemeld, pas in het kader van de tuchtprocedure aan verzoeker zijn ter kennis gebracht”. 8.
- De passus van het personeelslexicon waarop verzoeker zich beroept, luidt : “Ook inzake het tuchtrecht moet het bevoegde orgaan de beginselen van behoorlijk bestuur toepassen, zoals b.v. het gelijkheidsbeginsel. Het gaat ons inziens niet op dat na een periode waarin de overtreding van bepaalde regels oogluikend wordt toegestaan, men zonder waarschuwing dergelijke regel aangrijpt als de spreekwoordelijke stok waarmee men een hond kan slaan. Wenst men in onbruik geraakte regels opnieuw na te leven, dan lijkt het minste wat van een ‘redelijk’ bestuur verwacht mag worden een dienstnota, waarin die gewijzigde houding aan de belanghebbenden wordt meegedeeld én waarin een overgangsperiode wordt gestipuleerd, tijdens dewelke de betrokkenen zich aan de gewijzigde situatie kunnen aanpassen”. In de voorliggende zaak kan aan de eerste verwerende partij bezwaarlijk worden verweten dat zij op een bruuske wijze heeft gereageerd op de tekortkomingen die verzoeker toonde in de uitoefening van zijn functie, inzonderheid in zijn relatie tot andere personeelsleden. Integendeel werd eerst getracht om door het instellen van een begeleidingscommissie en de aanstelling van een vertrouwenspersoon de verstoorde verhoudingen te herstellen. Het is pas toen de arrondissementscommissaris aan het bestuur had gesignaleerd dat verzoeker in die aanpak niet meewerkte, dat werd besloten tot de inleiding van de tuchtprocedure die tot het bestreden besluit heeft geleid. XII-4704-18\24 Aan het bestuur kan dan ook geen schending van “het principe van de geleidelijkheid” worden verweten. De omstandigheid dat aan verzoeker niet direct mededeling zou zijn gedaan van klachten die bij de vertrouwenspersoon waren ingediend, doet er geen afbreuk aan dat de feiten waarop die klachten betrekking hadden, zich hadden voorgedaan en het bestuur ertoe vermochten aan te zetten een tuchtprocedure tegen verzoeker in te leiden. Ook stond niets eraan in de weg dat feiten met betrekking tot welke door de betrokkenen geen klacht bij de vertrouwenspersoon was ingediend, door de tuchtoverheid mede in aanmerking werden genomen ter ondersteuning van de tuchtprocedure tegen verzoeker. 8.
- Ook het middel “V.
- Schending zorgvuldigheidsbeginsel en schending van de eigen regelgeving voor conflictbeheersing” kan derhalve niet worden aangenomen. 9.
- Verzoeker voert als volgende grief aan “V.4 schending van het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel wegens beschaming van het gerechtvaardigd vertrouwen van betrokkene”, in het auditoraatsverslag aldus weergegeven : “Verzoeker voert aan dat de arrondissementscommissaris eenzijdig de gemaakte afspraken in verband met de begeleiding heeft opgezegd; dat nochtans was bepaald dat in geval van klachten een oplossing zou worden gezocht via bemiddeling en afspraken; dat de eerste verwerende partij het opgezette systeem plots heeft verlaten voor verzoeker, maar niet voor de andere personeelsleden; dat aldus het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel worden geschonden en het gerechtvaardigd vertrouwen van verzoeker wordt beschaamd”. 9.
- De omstandigheid dat was voorzien in een begeleidingsprocedure om de arbeidsverhoudingen binnen het OCMW te herstellen, impliceerde niet dat de raad voor maatschappelijk welzijn afstand deed van zijn tuchtbevoegdheid. Wijl bleek dat verzoeker niet ten volle meewerkte aan de uitvoering van gemaakte afspraken en zich schuldig maakte aan nieuwe tekortkomingen, kon de raad voor maatschappelijk welzijn besluiten tot het inleiden van een tuchtprocedure tegen hem. Het valt dan ook niet in te zien dat door het instellen van de tuchtprocedure het vertrouwensbeginsel ten aanzien van verzoeker zou zijn geschonden. Verzoeker toont voorts niet aan dat andere personeelsleden zich in dezelfde situatie bevonden als hijzelf, maar toch gevrijwaard bleven van een tuchtprocedure. Van een schending van het gelijkheidsbeginsel is derhalve al evenmin sprake. XII-4704-19\24 9.
- De grief “V.4 schending van het gelijkheids- en vertrouwens- beginsel wegens beschaming van het gerechtvaardigd vertrouwen van betrokkene” wordt eveneens verworpen. 10.
- Het inleidend verzoekschrift vermeldt dan “V. 5 De ingeroepen elementen voor beweerd ernstige feiten betreffen feiten die niet tuchtrechtelijk toerekenbaar zijn”, welke grief in het auditoraatsverslag is samengevat als volgt: “Verzoeker voert aan dat de feiten die aan de bestreden tuchtmaatregel ten grondslag liggen hem niet tuchtrechtelijk kunnen worden verweten, omdat ze te herleiden zijn tot een gebrek aan vermogen tot leiding geven eensdeels en ‘karaktertegenstellingen’ anderdeels. Hij verwijst naar het hem ten laste gelegde feit 1 E. Hij laat gelden dat het examen waarbij hij werd aangeworven, geen kwaliteiten inzake leiding geven en management heeft getoetst; dat hij zijn functie vijftien jaar op zijn eigen wijze en gesteund door zijn voorzitters en de raad voor maatschappelijk welzijn, heeft ingevuld; dat hij nu niet zonder meer kan overschakelen naar een nieuw type van leiding geven; dat daarvoor een redelijke overgangstermijn moet worden in acht genomen; dat hij bereid is cursussen management te volgen. Voorts betoogt verzoeker dat de beweerde tuchtproblemen terug te brengen zijn tot emotionele en karakteriële divergenties tussen zijn eigen karakter en dat van sommige personeelsleden; dat de raad voor maatschappelijk welzijn zich daarvan bewust is geweest, zo blijkt uit de oprichting van een begeleidingscommissie waarbinnen de problemen met alle betrokkenen dienden te worden besproken”. 10.
- De feiten die door het tuchtbesluit aan verzoeker tuchtrechtelijk ten laste worden gelegd hebben als zodanig niets vandoen met een ontoereikend vermogen tot leiding geven of karakteriële eigenschappen van verzoeker. Ze betreffen onder meer de belemmering door verzoeker in de uitoefening van zijn functie van de goede werking van de dienst (de feiten 1, A, E, H, J en K) en van het vast bureau (feit 2,A), het negeren van instructies van de voorzitter (feit 4, A) en het formuleren van beledigende uitspraken over de arrondissementscommissaris (feit 8). 10.
- De grief “V. 5 De ingeroepen elementen voor beweerd ernstige feiten betreffen feiten die niet tuchtrechtelijk toerekenbaar zijn” is ongegrond. 11.
- Verzoeker voert onder “V.6” als middel de schending aan van de rechten van de verdediging. Zijn standpunt is geresumeerd in het auditoraatsverslag in de volgende bewoordingen: XII-4704-20\24 “Verzoeker voert aan dat zijn rechten van verdediging zijn geschonden, doordat in het tuchtverslag melding is gemaakt van feiten die verjaard zijn en waartegen hij zich nooit heeft kunnen verweren en doordat in het tuchtdossier verklaringen zijn opgenomen die omwille van de verjaring gedeeltelijk zijn doorstreept, maar wel leesbaar zijn gebleven. Hij betoogt dat, ook al wordt toegegeven dat de bedoelde feiten niet meer kunnen worden gesanctioneerd, de raadsleden aldus toch kennis ervan hebben kunnen nemen en bij het bepalen van de strafmaat ermee rekening hebben kunnen houden. Volgens verzoeker kan de tuchtoverheid zich ook niet op die feiten beroepen om aan te tonen dat er in het verleden al problemen met verzoeker zijn geweest, want dat zou maar aanvaardbaar zijn indien er een onderzoek was gebeurd naar de juistheid en waarachtigheid van die feiten, wat niet het geval is geweest”. 11.
- De nota van 27 april 1998 waarin de personeelsleden van het OCMW klachten formuleren over verzoeker en het onderzoeksrapport van 12 oktober 1998 van De Meyer & Partners waren gevoegd bij het tuchtverslag van 8 september 1999 van de voorzitter van het OCMW en maakten aldus deel uit van het tuchtdossier. In het tuchtverslag wordt echter uitdrukkelijk gesteld dat de feiten die daarin voorkomen geen tuchtfeiten meer zijn, gelet op de verjaring. Uit het bestreden tuchtbesluit blijkt dat verzoeker tuchtrechtelijk wordt gesanctioneerd voor acht welbepaalde tuchtfeiten die zich hebben voorgedaan nadat de voormelde nota van het personeel en het onderzoeksrapport van De Meyer & Partners tot stand kwamen, en voor geen andere. Met betrekking tot de strafmaat overweegt het bestreden besluit dat die acht feiten te samen genomen, een zware tuchtstraf rechtvaardigen. Nergens blijkt uit dat de tuchtoverheid bij het bepalen van de strafmaat ook rekening zou hebben gehouden met verjaarde feiten uit de voormelde nota en het rapport. 11.
- Het besproken middel is derhalve evenmin gegrond. 12.
- Verzoeker vervolgt het inleidend verzoekschrift met “III. 7 Strafmaat”, waarin hij naar luid van het auditoraatsverslag het volgende uiteenzet: “Verzoeker voert aan dat de ten laste gelegde feiten verjaard of verschoonbaar zijn of strijdig met het principe van de geleidelijkheid en het consistentiebeginsel en derhalve geen zware tuchtstraf kunnen rechtvaardigen; dat gelijkaardige beschuldigingen vroeger geen aanleiding hebben gegeven tot een tuchtmaatregel, maar tot het opstarten van een bemiddelingsprocedure; dat gelijkaardige feiten nu niet plots als ernstige tuchtvergrijpen kunnen worden gekwalificeerd; dat indien van de acht ten laste gelegde feiten er toch een aantal in aanmerking worden genomen, hoe dan ook niet kan worden gesteld dat het zware tuchtfeiten betreft die een XII-4704-21\24 zware straf verdienen; dat vergeleken met het tuchtbesluit van 14 oktober 1999 verscheidene categorieën van tuchtfeiten zijn weggevallen; dat de zwaarte van de opgelegde straf geen stimulans is om zich te herpakken; dat de opgelegde tuchtstraf gebaseerd is op het vermoeden dat hij ook in de toekomst van slechte wil zal zijn; dat dit getuigt van vooringenomenheid”. 12.
- De tuchtoverheid oordeelt discretionair over de verhouding tussen de tuchtfeiten en de tuchtstraf. Het evenredigheidsbeginsel begrenst die discretionaire bevoegdheid enkel doordat het vereist dat een tuchtstraf in een redelijke verhouding van evenredigheid staat tot de tuchtfeiten. In de voorliggende zaak maakt verzoeker niet aannemelijk dat er een buitenmaatse verhouding bestaat tussen de hem ten laste gelegde tuchtfeiten en de opgelegde tuchtmaatregel. Verzoeker gaat ervan uit dat de hem ten laste gelegde tuchtfeiten niet bewezen zijn, doch bij de bespreking sub
- is het tegendeel gebleken. In het tuchtbesluit wordt met betrekking tot de strafmaat overwogen: “De Raad oordeelt dat, om de motieven hierboven vermeld, betrokkene de hierboven vermelde tuchtfeiten heeft gepleegd. Ook al zijn sommige tuchtfeiten afzonderlijk beschouwd misschien onvoldoende zwaarwichtig om een zware tuchtstraf te verantwoorden, wanneer deze feiten samen worden genomen wettigt het geheel van tuchtfeiten wel degelijk een zware tuchtstraf. Uit de tuchtfeiten blijkt dat hij gemaakte en bindende afspraken niet naleeft en de werking van de goede dienst vaak tegenwerkt of niet de nodige maatregelen neemt om de goede werking van de dienst te verzekeren. Nochtans is het precies de taak van de O.C.M.W.-secretaris om als hoogste ambtenaar de goede werking van de dienst te verzekeren. De tuchtfeiten 1J en 1K vormen tekortkomingen aan de essentiële beroepsplichten van een O.C.M.W.-secretaris. Het gedrag van betrokkene zoals blijkt uit tuchtfeit 8 is een secretaris onwaardig. Hij gedraagt zich hiermee manifest in strijd met de waardigheid van zijn ambt. De secretaris verliest blijkbaar uit het oog dat hij als hoogste ambtenaar een voorbeeldfunctie te vervullen heeft tegenover het personeel. Dit maakt de door hem gepleegde tuchtfeiten nog erger. De aangehaalde feiten rechtvaardigen daarom een zware tuchtstraf. Deze zware tuchtstraf moet betrokkene duidelijk maken dat de Raad zwaar tilt aan de tuchtfeiten en een stimulans zijn voor betrokkene om zich in de toekomst te herpakken. XII-4704-22\24 Gelet op de zwaarwichtigheid van het geheel aan tuchtfeiten, om de motieven hierboven vermeld en rekening houdende met het blanco tuchtverleden van de secretaris is de tuchtstraf ‘schorsing voor een periode van 10 weken’ een gepaste straf.” De tuchtoverheid heeft aldus, eensdeels, de zwaarwichtigheid van de feiten afgewogen ten aanzien van het belang van de functie die verzoeker binnen het OCMW bekleedt en heeft, anderdeels, ook rekening gehouden met het feit dat verzoeker nog geen tuchtstraf heeft gekregen. Deze beoordeling van de tuchtoverheid kan niet onredelijk worden bevonden. Uit de vermelding in het tuchtbesluit dat de raad voor maatschappelijk welzijn hoopt dat de tuchtmaatregel voor verzoeker een stimulans is om zich in de toekomst te herpakken, kan allerminst een vooringenomenheid van het bestuur met betrekking tot het toekomstig functioneren van verzoeker worden afgeleid. 12.
- Het aangevoerde onder “III.7 strafmaat” kan niet tot de gevraagde nietigverklaring leiden. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De afstand van het beroep wordt vastgesteld, in zoverre het gericht is tegen de onthouding van de provinciegouverneur van de provincie Antwerpen om in deze zaak een toezichtsmaatregel te nemen. Artikel
- Het beroep wordt verworpen voor het overige. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-4704-23\24 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig juni 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST XII-4704-24\24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.520 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.