id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:A
§3
, van voornoemde wet, nu betrokkene bij zijn opname in het Algemeen Ziekenhuis Van Enschodt was ingeschreven in het bevolkingsregister van Koksijde en hij aansluitend op zijn ziekenhuisverblijf is opgenomen in het rusthuis Sint-Jan Baptist. Verwerende partij verwijst tevergeefs naar artikel 1, 1/, van de wet van 2 april 1965 dat enkel van toepassing is op personen die in geen enkel bevolkingsregister zijn ingeschreven. Artikel 3 van de wet is enkel van toepassing op het verblijf van Stefan Kazakov in het rusthuis Sint-Jan Baptist. Uit de stukken blijkt dat verzoeker de voorgeschreven termijnen wel degelijk in acht heeft genomen daar op het verblijf van Stefan Kazakov in het Algemeen Ziekenhuis Van Enschodt artikel 9 van de wet van 2 april 1965 van toepassing is, dat duidelijk verwijst naar artikel 4 van dezelfde wet. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker dat artikel 1, 2/, van de wet van 2 april 1965 het OCMW van het onderstandsdomicilie duidelijk omschrijft als “het [OCMW] van de gemeente waar de betrokkene voor zijn hoofdverblijf ingeschreven is in het bevolkingsregister op het ogenblik waarop hij, al dan niet als behoeftige, behandeld wordt, met of zonder hospitalisatie, in een verplegings- instelling”. De inschrijving in het bevolkingsregister is de enige voorwaarde. Er worden in artikel 1, 2/, van de wet van 2 april 1965 geen voorwaarden geformuleerd inzake de aard van de verblijfplaats die tot de inschrijving in het bevolkingsregister leidde. Beoordeling Ten aanzien van de kosten van het verblijf van Stefan Kazakov in het Algemeen Ziekenhuis Van Enschodt
- Luidens artikel 1, 1/, van de wet van 2 april 1965 moet voor de toepassing van de wet onder “steunverlenend [OCMW]” worden verstaan: “het [OCMW] van de gemeente op wier grondgebied zich een persoon bevindt die bijstand behoeft, wiens staat van behoeftigheid door dit [OCMW] erkend werd en aan wie het centrum steun verleent waarvan de aard en, zo nodig, het bedrag door XII-4894-6/11 het centrum beoordeeld en bepaald worden”. Volgens het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State moet het “zich bevinden op het grondgebied van de gemeente” op zijn minst in een bijzondere betekenis worden verstaan : “Eigenlijk is het de gemeente op het grondgebied waarvan de behoeftige verblijft, die hem in principe moet ondersteunen. De ‘gewoonlijke aanwezigheid’ van de behoeftige maakt het mogelijk vast te stellen welke de steunverlenende gemeente zal zijn. De gemeente op het grondgebied waarvan de behoeftige op doortocht is (toevallige aanwezigheid) moet hem, behoudens in spoedgevallen, terugsturen naar de gemeente waar hij verblijf houdt. Ten slotte mag de gemeente op het grondgebied waarvan de behoeftige zich mocht begeven hebben om steun te bekomen (intentionele aanwezigheid) hem die slechts in bijzonder spoedeisende gevallen verlenen (aldus de verklaring van de Minister van Justitie, Kamer der Volksvertegenwoordigers, zitting van 23 juli 1891)” (Parl. St. Kamer 1960-61, nr. 703/1, 15). Derhalve is de plaats waar de behoeftige gewoonlijk verblijft bepalend voor het aanwijzen van het OCMW dat bevoegd is hem steun te verlenen. Het toevallige of opzettelijke verblijf van een behoeftige op het grondgebied van een gemeente zal enkel aanleiding geven tot een tussenkomst van het centrum dat die gemeente bedient “in zover het een zeer dringend geval betreft” (Parl. St. Kamer 1960-61, nr. 703/1, 8). Er bestaat geen betwisting over dat Stefan Kazakov op 24 september 2001 “dringend” werd opgenomen in het Algemeen Ziekenhuis van Enschodt te Boom. Het dringend karakter van de opname blijkt uit de kennisgeving van 23 november 2001 van het OCMW van Boom aan het OCMW van Koksijde en wordt door deze laatste niet betwist. Bijgevolg is het OCMW van Boom krachtens artikel 1, 1/, van de wet van 2 april 1965 bevoegd aan Stefaan Kazakov steun te verlenen tijdens diens verblijf in het Algemeen Ziekenhuis Van Enschodt. De vraag rijst evenwel of, zoals verzoeker meent, de kosten van die steunverlening ten laste van het OCMW van Koksijde kunnen worden gelegd omdat Stefan Kazakov op het ogenblik van zijn opname in het Algemeen Ziekenhuis Van Enschodt in het bevolkingsregister van Koksijde was ingeschreven. Artikel 4 van de wet van 2 april 1965 bepaalt dienaangaande : “Onverminderd de bepalingen betreffende het Speciaal Onderstandsfonds en het Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten, komen de kosten voor de behandeling, met of zonder hospitalisatie, van een behoeftige in een verplegingsinstelling ten laste van: 1/ het [Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn] van het onderstandsdomicilie; XII-4894-7/11 2/ de Staat, wanneer het een behoeftige betreft die geen onderstandsdomicilie heeft verworven”. Luidens artikel 1, 2/, van de wet van 2 april 1965 dient, voor de toepassing van deze wet, onder het “openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van het onderstandsdomicilie” te worden verstaan: “het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar de betrokkene voor zijn hoofdverblijf ingeschreven is in het bevolkingsregister op het ogenblik waarop hij, al dan niet als behoeftige, behandeld wordt, met of zonder hospitalisatie, in een verplegingsinstelling”. Artikel 1, 3/, van de wet voegt eraan toe dat een “verplegingsinstelling” is: “elke instelling of afdeling van een instelling waarin, met of zonder hospitalisatie, een diagnose wordt gesteld of een pathologische toestand wordt behandeld”. Verzoeker meent, enkel oog hebbend voor deze definitie van het OCMW van het onderstandsdomicilie en de inschrijving van Stefan Kazakov in het bevolkingsregister van Koksijde op 24 september 2001, dat hij terecht de kosten van de steun verleend aan Stefan Kazakov tijdens zijn verblijf in het Algemeen Ziekenhuis Van Enschodt mag terugvorderen van het OCMW van Koksijde, dat hij te dezen als het OCMW van het onderstandsdomicilie beschouwt, omdat betrokkene immers op de datum van zijn opname in het Algemeen Ziekenhuis Van Enschodt was ingeschreven in het bevolkingsregister van Koksijde. Er moet evenwel op worden gewezen dat die inschrijving niet volstaat opdat het OCMW van Koksijde te dezen als het OCMW van het onderstandsdomicilie van Stefan Kazakov zou kunnen worden beschouwd. Uit de feitelijke gegevens van de zaak blijkt immers dat diens inschrijving in het bevolkingsregister van Koksijde uitsluitend het gevolg is van zijn verblijf in het revalidatieziekenhuis en rust- en verzorgingstehuis Koningin Elisabeth Instituut. Voorheen was hij in geen enkel bevolkingsregister ingeschreven aangezien zijn eerdere inschrijving in het bevolkingsregister van Boechout reeds op 3 maart 1997 van ambtswege was geschrapt. Het beëindigen van zijn verblijf in voornoemd instituut heeft geleid tot het schrappen van zijn inschrijving in het bevolkingsregister van Koksijde op 25 september
- Welnu, luidens artikel 6 van de wet van 2 april 1965, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1971, “is zonder uitwerking voor het verwerven van een nieuw onderstandsdomicilie het verblijf, al dan niet als behoeftige hetzij in een verplegingsinstelling, hetzij in een instelling of bij een privaat persoon bedoeld bij artikel 2, § 1, van deze wet”. Deze afwijking werd door de wetgever verantwoord XII-4894-8/11 omdat “het voorhanden zijn van verzorgings- of andere instellingen op het grondgebied van een [OCMW] geen bijkomende last mag betekenen voor [dit OCMW], welke zou voortspruiten uit het feit dat [hij] als [centrum] van onderstandsdomicilie zou beschouwd worden” (Parl. St. Senaat 1964-65, nr. 193, 4). Deze wetsbepaling beoogt met andere woorden dat de toestand met betrekking tot het onderstandsdomicilie van een persoon ongewijzigd blijft tijdens diens verblijf in een dergelijke instelling of bij een dergelijk persoon niettegenstaande een inschrijving in het bevolkingsregister. Die ongewijzigd te blijven toestand kan evenzeer het ontbreken van een onderstandsdomicilie zijn. De inschrijving van Stefan Kazakov in het bevolkingsregister van Koksijde, louter wegens zijn verblijf in het Koningin Elisabeth Instituut, heeft er bijgevolg niet toe kunnen leiden dat het OCMW van Koksijde het OCMW van het onderstandsdomicilie van betrokkene is. De kosten van het verblijf van Stefan Kazakov in het Algemeen Ziekenhuis Van Enschodt kunnen krachtens artikel 4 van de wet van 2 april 1965 dan ook niet ten laste van het OCMW van Koksijde worden gelegd, doch wel van de Belgische Staat. Aangezien verzoeker echter met toepassing van artikel 9 van de wet van 2 april 1965 binnen een termijn van 45 dagen de Belgische Staat niet op de hoogte heeft gebracht van de steunverlening aan Stefaan Kazakov, is hij krachtens voormelde wetsbepaling zijn recht op terugvordering verloren. Ten aanzien van de kosten van het verblijf van Stefan Kazakov in het rusthuis Sint- Jan Baptist
- Ten onrechte verwijst verzoeker naar artikel 2, §
§3
, van de wet van 2 april 1965 om te besluiten dat het OCMW van Koksijde “bevoegd blijft” aan Stefan Kazakov steun te verlenen tijdens zijn verblijf in het rusthuis Sint-Jan Baptist te Boom. Vooreerst moet worden opgemerkt dat er in hoofde van het OCMW van Koksijde geen sprake kan zijn van een “bevoegd blijven”, daar -zoals hiervoor vermeld- niet het OCMW van Koksijde, doch het OCMW van Boom op grond van artikel 1, 1/, van de wet van 2 april 1965 bevoegd was aan Stefan Kazakov steun te verlenen tijdens zijn voorafgaande verblijf in het Algemeen Ziekenhuis Van Enschodt. Bovenal moet evenwel worden vastgesteld dat het OCMW van Boom op grond van artikel 2, §
§ 3
, van de wet van 2 april 1965 ten onrechte tot de bevoegdheid van het OCMW van Koksijde besluit en meent de steun die het in de plaats van dat centrum heeft verleend, te mogen terugvorderen. XII-4894-9/11 Artikel 2, §
§ 3, van de wet van 2 april 1965 bepaalt te dezen : “§ 1.
In afwijking van artikel 1, 1/, is het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar de betrokkene op het ogenblik van zijn opneming in een nagenoemde instelling of bij een nagenoemd privaat persoon voor zijn hoofdverblijf in het bevolkings- en vreemdelingenregister of in het wachtregister was ingeschreven, bevoegd om de noodzakelijke steun te verlenen, indien de bijstand vereist is : 1/ bij de opneming of gedurende het verblijf van een persoon: [...] hetzij in een erkend rustoord voor bejaarden, hetzij in een serviceflatgebouw of woningcomplex met dienstverlening, voor zover deze voorzieningen als dusdanig door de bevoegde overheid erkend zijn; [...] hetzij in een erkend rust- en verzorgingstehuis; 2/ met het oog op de overbrenging van een persoon van een verplegingsinstelling naar een andere instelling of persoon als bedoeld onder 1/ hierboven. [...] § 3. Eén zelfde openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn blijft bevoegd om steun te verlenen, wanneer een persoon achtereenvolgens en zonder onderbreking wordt opgenomen door verscheidene instellingen of personen als bedoeld in § 1 van dit artikel, of wanneer hij, tijdens zijn verblijf in die instellingen of bij die personen, een behandeling in een verplegingsinstelling moet ondergaan”. Krachtens artikel 3 van de wet van 2 april 1965 kan, wanneer steun wordt gevraagd in de gevallen bedoeld in artikel 2, §1, van de wet, het OCMW van de gemeente waar betrokkene zich bevindt, onder bepaalde voorwaarden in de plaats en op kosten van het bevoegde OCMW optreden. Te dezen heeft verzoeker ten onrechte gehandeld vanuit de veronderstelling dat de bevoegdheidsregel van artikel 2, §
§3, van de wet van 2 april 1965 van toepassing zou zijn.
Op het ogenblik van de overbrenging van Stefan Kazakov van het Algemeen Ziekenhuis Van Enschodt naar het rusthuis Sint- Jan Baptist was hij niet ingeschreven in het bevolkingsregister van enige gemeente, ook niet in het bevolkingsregister van Koksijde. Bijgevolg is de algemene bevoegdheidsregel van artikel 1, 1/, van voormelde wet van toepassing en is het OCMW van Boom het bevoegde steunverlenend centrum, dat de kosten van de opneming en het verblijf van Stefan Kazakov in het rusthuis Sint-Jan Baptist zelf ten laste moet nemen. De toepassing van de zogenaamde continuïteitsregeling van artikel 2, §3, is dan irrelevant. XII-4894-10/11 6. Uit het voorgaande volgt dat het beroep moet worden verworpen. Verzoeker is niet gerechtigd de kosten van het verblijf van Stefan Kazakov in het Algemeen Ziekenhuis Van Enschodt vanaf 24 september 2001 en van diens verblijf in het rusthuis Sint-Jan Baptist te Boom vanaf 4 december 2001 terug te vorderen van het OCMW van Koksijde. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Enig artikel . Het beroep wordt verworpen. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig juni 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4894-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.521 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div