← België

Arrest 172525 - Bewakingsondernemingen - 21/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.525 Rolnummer: A. 142641/XII-3959 Zaak: Arrest 172525 - Bewakingsondernemingen - 21/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-24 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 20:52 Fiche Arrest nr 172.525 van 21 juni 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.525 van 21 juni 2007 in de zaak A. 142.641/XII-

  1. In zake : Tim EX, die woonplaats kiest bij advocaat Y. Vanbaeden, kantoor houdende te Aartselaar, Guido Gezellestraat 12b tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Tim Ex op 14 oktober 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 26 augustus 2003 van de minister van Binnenlandse Zaken om hem geen identificatiekaart uit te reiken voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de beschikking van 14 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van het geding van verzoeker en de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 21 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-3959-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat Y. Vanbaeden, die verschijnt voor verzoeker en van attaché D. Van Dam, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de bewakingsonderneming NV Securis op 14 september 2002 een aanvraag indient tot het verkrijgen voor verzoeker van een identificatiekaart voor het toezicht houden op en het beschermen van roerende of onroerende goederen; dat het verslag van het moraliteitsonderzoek dat als gevolg van deze aanvraag wordt gevoerd melding maakt van een poging tot diefstal met verzwarende omstandigheden, feit waarvoor verzoeker bij vonnis van 13 maart 2002 van de correctionele rechtbank te Antwerpen opschorting van uitspraak werd verleend; dat verzoeker bij brief van 1 april 2003 wordt meegedeeld dat de minister van Binnenlandse Zaken overweegt de aangevraagde identificatiekaart te weigeren, dat hij over vijftien werkdagen beschikt om het administratief dossier in te zien en er een afschrift van te krijgen, alsook dat hij over dertig werkdagen beschikt om zijn verweermiddelen in te dienen; dat verzoekers raadsman op 25 april 2003 een verweerschrift indient; dat de minister van Binnenlandse Zaken vervolgens op 26 augustus 2003 beslist de identificatiekaart te weigeren omdat verzoeker “niet voldoet aan de uitoefeningsvoorwaarden opgelegd aan de bewakingsagenten en in het bijzonder aan de voorwaarde bepaald in artikel 6, alinea 1, 8/ van de bewakingswet”; dat dit de bestreden beslissing is waarin onder meer wordt gesteld : “Overwegende dat de poging tot zware diefstal in Uwen hoofde wijst op een algemene ingesteldheid die niet beoogd wordt door de wetgever ten aanzien van personen die werkzaam zijn in de bewakingssector. In verband met goederenbewaking houdt deze ingesteldheid in dat een bewakingsagent er moet op toezien dat het eigendomsrecht ten aanzien van deze goederen gerespecteerd wordt. Dat er van een persoon die in het verleden het eigendomsrecht van derden niet respecteerde en poogde een zware diefstal te plegen moeilijk kan aangenomen worden dat hij nu wel, in de hoedanigheid van bewakingsagent, het nodige respect zou kunnen opbrengen”; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing is aangetast door “machtsmisbruik”, dat hij bij vonnis van 13 maart 2002 van de XII-3959-2/6 correctionele rechtbank te Antwerpen opschorting van uitspraak heeft gekregen, zodat hij nooit een gevangenisstraf heeft opgelopen en hij bijgevolg overeenkomstig artikel 6, eerste lid, 1/, van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten -thans de wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid- (hierna: de bewakingswet) nog steeds voldoet aan de voorwaarden om bij een bewakingsonderneming in dienst te treden, dat artikel 6, eerste lid, 8/, van de bewakingswet moet worden geïnterpreteerd in het licht van artikel 6, eerste lid, 1/, van de wet, waardoor verwerende partij niet kon oordelen dat hij niet voldoet aan de moraliteitsvoorwaarden vermeld in artikel 6, eerste lid, 8/, van de bewakingswet, aangezien hij wel voldoet aan artikel 6, eerste lid, 1/, van de wet, dat verwerende partij duidelijk de bedoeling van de wetgever heeft miskend en aldus onterecht een verstrenging van artikel 6, eerste lid, 8/, heeft doorgevoerd; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord nog doet gelden dat de appreciatiebevoegdheid van de minister wordt beperkt door artikel 6 van de bewakingswet, dat het standpunt van verwerende partij ertoe leidt dat iemand die aan de vereisten van artikel 6, eerste lid, 1/, van de bewakingswet voldoet de identificatiekaart kan worden geweigerd omdat hij niet voldoet aan de vereiste van artikel 6, eerste lid, 8/, van de bewakingswet, waardoor het overbodig zou zijn na te gaan of betrokkene aan artikel 6, eerste lid, 1/, voldoet, dat het begrip “moraliteitsvoorwaarde” door de wet niet nader wordt omschreven zodat het aanleiding kan geven tot een ongelijke behandeling van burgers, dat, teneinde de gelijke behandeling van burgers te waarborgen, de moraliteit derhalve moet worden beoordeeld in het licht van artikel 6, eerste lid, 1/, van de bewakingswet, dat verwerende partij, door aan de wet een andere interpretatie te geven, elke toetsing of rechterlijke controle onmogelijk heeft gemaakt; Overwegende dat artikel 6, eerste lid, 1/ en 8/, van de bewakingswet op het ogenblik van de bestreden beslissing luidde: “De personen die in een bewakingsonderneming, een beveiligingsonderneming of een interne bewakingsdienst een andere functie uitoefenen dan die welke beoogd worden in artikel 5, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden : 1/ niet veroordeeld zijn, zelfs niet met uitstel, tot een gevangenisstraf van ten minste zes maanden wegens enig misdrijf of tot een gevangenisstraf van ten minste drie maanden wegens opzettelijke slagen of verwondingen of tot een lagere gevangenisstraf wegens diefstal, heling, afpersing, misbruik van vertrouwen, oplichting, valsheid in geschriften, aanranding van de XII-3959-3/6 eerbaarheid, verkrachting, of misdrijven, bepaald bij de artikelen 379 tot 386ter van het Strafwetboek, bij artikel 259bis van het Strafwetboek, bij de artikelen 280 en 281 van het Strafwetboek, bij de artikelen 323, 324 en 324ter van het Strafwetboek, bij de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en haar uitvoeringsbesluiten, of bij de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie en haar uitvoeringsbesluiten, of bij de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, of bij de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden; [...] 8/ voldoen aan de moraliteitsvoorwaarden, noodzakelijk voor de uit te oefenen bewakingsactiviteiten, en geen feiten gepleegd hebben die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene”; Overwegende dat krachtens artikel 6, eerste lid, 1/, van de bewakingswet de identificatiekaart moet worden geweigerd aan personen die één van de in die bepaling vermelde veroordelingen hebben opgelopen; dat dit evenwel niet betekent dat wanneer de feiten niet tot een dergelijke veroordeling hebben geleid, de identificatiekaart niet zou kunnen worden geweigerd; dat immers de voorwaarden van artikel 6 van de bewakingswet cumulatief zijn; dat krachtens artikel 6, eerste lid, 8/, van de bewakingswet moet worden nagegaan of betrokkene voldoet aan de moraliteitsvoorwaarden die noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten en geen feiten heeft gepleegd die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in betrokkene; Overwegende derhalve dat betrokkene, ook al heeft hij geen veroordeling opgelopen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, 1/, van de bewakingswet, geen feiten mag hebben gepleegd die uitwijzen dat hij niet over de ingesteldheid en integriteit beschikt die mag worden verwacht van een moreel en professioneel betrouwbaar bewakingsagent; dat uit de woorden “zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling” in artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet duidelijk blijkt dat bij het beoordelen van de moraliteitsvoorwaarden rekening kan worden gehouden met feiten die door het parket werden geseponeerd of waarvoor de rechter de gunst van de opschorting van uitspraak heeft toegestaan; dat dan ook het feit dat verzoekers poging tot diefstal niet heeft geleid tot een strafrechtelijke veroordeling geenszins uitsluit dat de minister van Binnenlandse XII-3959-4/6 Zaken wettig kon oordelen dat hij vanwege die inbreuk op het eigendomsrecht van derden niet voldeed aan de moraliteitsvoorwaarden vereist voor het uitoefenen van de functie van bewakingsagent; Overwegende dat verzoeker ten onrechte betoogt dat voormelde wetsinterpretatie neerkomt op “machtsmisbruik”, doordat de overheid aldus “zichzelf een vrijbrief heeft gegeven om op soevereine wijze, zonder mogelijke controle en zonder verantwoording dienen af te leggen, een beslissing te treffen aangaande het al dan niet afleveren van de kwestieuze identificatiekaart”; dat de minister van Binnenlandse Zaken weliswaar over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, maar deze bevoegdheid in geen geval onbegrensd is; dat de beslissing waarbij de identificatiekaart wordt geweigerd, overeenkomstig de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen afdoende moet worden gemotiveerd, en de Raad van State, wanneer de nietigverklaring van de beslissing wordt gevorderd, kan nagaan of de overheid op grond van die motieven in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen; Overwegende dat, in zoverre verzoeker de motieven te dezen betwist, hij in gebreke blijft aannemelijk te maken dat de overheid niet binnen de grenzen van de redelijkheid heeft kunnen oordelen dat een persoon die zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware diefstal niet de vereiste ingesteldheid heeft om als bewakingsagent, belast met goederenbewaking, erop toe te zien dat het eigendomsrecht van derden wordt gerespecteerd; dat in verzoekers verweerschrift van 25 april 2003 integendeel wordt gesteld: “[v]oor wat betreft de voorwaarde vervat in artikel 6, eerste lid, 8/ van voornoemde wet is het inderdaad correct dat de gepleegde feiten een tekortkoming van de beroepsdeontologie zouden kunnen uitmaken [...]”; Overwegende dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep wordt verworpen. XII-3959-5/6 Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig juni 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3959-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.525 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.