id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.528 Rolnummer: A. 145132/IX-4007 Zaak: Arrest 172528 - Personeel van de griffies en parketten - 21/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-04 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-29 20:53 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 172.528 van 21 juni 2007 Justitie - Personeel van de griffies en parketten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.528 van 21 juni 2007 in de zaak A. 145.132/IX-
- In zake : Emiel HAESBROUCK, wonende te KORTRIJK, Jacob Van Arteveldelaan 15 tegen :
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken,
- de Auditeur-generaal van de Raad van State tussenkomende partij : Raf AERTGEERTS, wonende te BIERBEEK (Korbeek-Lo), Sterrenlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Emiel HAESBROUCK op 10 december 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het Koninklijk Besluit van 8 september 2003 (BS. 23 oktober 2003, 2/ editie) waarbij de Heer Raf AERTGEERTS wordt benoemd tot Eerste Auditeur-Afdelingshoofd bij de Raad van State, alsmede van het eensluidend advies van de Auditeur-Generaal van de Raad van State van 7 juli 2003”; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 13 januari 2004; Gelet op de beschikking van 23 januari 2004 die de tussenkomst van Raf AERTGEERTS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. MAREEN; IX-4007-1/15 Gelet op de beschikking van 16 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 april 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 mei 2007, datum waarop de zaak in voortzetting wordt gesteld tot de openbare terechtzitting van 4 juni 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat J. VAN CAUTER die verschijnt voor de verzoeker, van advocaat M. STOMMELS die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. MAREEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Over de feiten
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Met een dienstbrief van 19 mei 2003 wordt een oproep tot de kandidaten gedaan voor een vacante betrekking van eerste auditeur-afdelingshoofd in het auditoraat van de Raad van State. Het bericht vermeldt dat de betrekking te begeven is “in een binnen afzienbare tijd op te richten tweede Nederlandstalige afdeling wetgeving” en dat de kandidaten hun kandidaatstelling met redenen moeten omkleden terwijl “tot alle nuttige doeleinden als bijlage het profiel (van de eerste auditeur-afdelingshoofd) wordt gevoegd”. 1.
- Op 10 juni 2003 dient verzoeker zijn gemotiveerde kandidaatstel- ling in, samen met een toelichtende nota. Op 2 juni 2003 diende ook Raf Aertgeerts een gemotiveerde kandidaatstelling in. IX-4007-2/15 Er zijn daarnaast nog vijf andere kandidaten. 1.
- Op 7 juli 2003 brengt eerste auditeur-afdelingshoofd H. Verhulst, voor de auditeur-generaal bij de Raad van State, advies uit over de ingediende kandidaatstellingen. Hij motiveert dit onder meer als volgt: “Op 19 mei 2003 heb ik alle eerste auditeurs uitgenodigd, zich eventueel kandidaat te stellen voor benoeming tot eerste auditeur-afdelingshoofd. De benoembaarheidsvoorwaarden vervullen, in dalende volgorde van anciënniteit, de heren Emiel Haesbrouck, Raf Aertgeerts, Robert Vander Elstraeten, Paul Depuydt, Jos Stevens, Bruno Seutin, Eric Lancksweerdt en Wilfried Van Vaerenbergh. Met uitzondering van de eerste auditeurs Marc Lefever en Eric Lancksweerdt hebben zij zich allen kandidaat gesteld. De vacante betrekking is bedoeld ter versterking van het aantal leden van het Auditoraat dat met de afdeling wetgeving van de Raad van State samen- werkt. De aanzienlijke wijzigingen die de wet van 2 april 2003 in de inrichting van de afdeling wetgeving heeft aangebracht vereisen dat de te benoemen kandidaat de grote aanpassing van de werkwijze die dit voor het Auditoraat betekent, kan begeleiden en sturen. Dit houdt in, dat niet alleen eerste auditeurs die thans met wetgeving belast zijn, in aanmerking zouden kunnen komen. Wel is enige ervaring met het wetgevingswerk wenselijk. Dit laatste is uiteraard het geval voor de heren Paul Depuydt, Bruno Seutin en Wilfried Van Vaerenbergh, die sedert jaren met wetgeving belast zijn. De heer Bruno Seutin is zelfs reeds gedurende een tiental jaren waarnemend eerste auditeur-afdelingshoofd. Doch ook de heren Emiel Haesbrouck en Raf Aertgeerts hebben een aanzienlijke ervaring met wetgevingswerk. De heer Haesbrouck, die de grootste anciënniteit heeft, heeft bovendien het bewijs van de kennis van de Duitse taal geleverd. Artikel 83, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt in dit verband dat de adviezen voor de in het Duits gestelde adviesaanvragen onder het toezicht van een lid van het Auditoraat dat het bewijs heeft geleverd van een grondige kennis van de Duitse taal, in het Duits worden vertaald. Hiertegenover staat evenwel dat de heer Haesbrouck, die in het verleden met wetgeving was belast, door de toenmalige auditeur-generaal, de heer W. Van Assche, werd overge- plaatst naar een afdeling die beroepen tot nietigverklaring behandelt. Later, in 1997, toen hij ook kandidaat voor benoeming tot eerste auditeur-afdelingshoofd was, beschouwde wijlen de heer M. Roelandt hem niet geschikt voor de leiding van de afdeling wetgeving. In een brief aan de minister d.d. 6 maart 1997 merkte de auditeur-generaal daaromtrent op: ‘Eerste auditeur E. Haesbrouck heeft wel enkele jaren in de afdeling Wetgeving gewerkt. Zijn prestaties waren echter dermate zwak dat de toenmalige auditeur-generaal zich genoodzaakt zag hem uit de afdeling te verwijderen.’ Aangezien de heer Haesbrouck sedertdien niet meer aan de met wetgevings- zaken belaste afdeling verbonden was, acht ik het riskant, gelet op de problemen in verband met de toepassing van de wet van 2 april 2003 waarvan hierboven sprake, hem voor de thans vacante betrekking te laten benoemen. Voor de heer Aertgeerts, die op een na de grootste anciënniteit heeft, gelden deze bezwaren niet. Naar aanleiding van zijn benoeming tot auditeur in 1988 schreef de toenmalige auditeur-generaal : ‘Eerste Auditeur en sectieoverste, Mevrouw De Koster-Mannens, onderstreept in haar verslag nopens de activiteit van de heer Aertgeerts, de ernst en toewijding waarmede hij de over twee IX-4007-3/15 materies verspreide stof in vaak moeilijke omstandigheden (talrijke volmachts- besluiten inzake onderwijs en dringende adviesaanvragen) heeft behandeld’. Aangezien de andere kandidaten geen duidelijk grotere aanspraken kunnen laten gelden die tegen zijn grotere anciënniteit opwegen, verzoek ik U met toepassing van artikel 71 § 3bis, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de heer R. Aertgeerts aan het Staatshoofd voor benoeming voor te dragen.” Dit advies is de tweede bestreden handeling. 1.
- In een nota aan de minister van 18 augustus 2003 wordt erop gewezen dat wijlen de heer Roelandt vanaf 20 september 2002 zijn functies van auditeur-generaal heeft gedelegeerd aan de heer Ph. Bouvier, adjunct-auditeur- generaal, die op zijn beurt zijn functies heeft gedelegeerd aan de heer H. Verhulst, eerste auditeur-afdelingshoofd, bij brief van 23 september
- 1.
- Bij koninklijk besluit van 8 september 2003 wordt R. Aertgeerts benoemd tot eerste auditeur-afdelingshoofd. Dat besluit overweegt onder meer : “Overwegende dat naar aanleiding van deze oproep zeven kandidaturen ingediend zijn (…); Overwegende dat de auditeur-generaal in zijn advies van 7 juli 2003 na een grondig onderzoek en een uitvoerige beoordeling van de titels en verdiensten van de kandidaten het advies uitgedrukt heeft volgens hetwelk de heer eerste auditeur Raf Aertgeerts alle intellectuele en menselijke kwaliteiten aantoont om aanspraak te maken op een benoeming in het gesolliciteerde ambt; Overwegende dat de conclusies van dit advies geenszins ontkracht worden door het onderzoek van de kandidatuursakte van de heer Raf Aertgeerts; dat dit advies derhalve gevolgd moet worden”. Dat is het eerste bestreden besluit. Het wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 oktober 2003; Over de rechtspleging
- Overwegende dat de tussenkomende partij ter zittingen van 21 mei en 4 juni 2007 pleitnota’s en bijkomende stukken heeft neergelegd; dat verzoeker ter zitting van 4 juni 2007 een antwoordnota op die pleitnota heeft neergelegd; Overwegende dat het procedurereglement niet voorziet in de mogelijkheid om pleitnota’s en antwoordnota’s neer te leggen; dat de partijen aan de Raad van State evenwel nieuwe feiten ter kennis mogen brengen, die een invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid of de gegrondheid van het beroep; dat de nota’s en de erbij horende stukken, in zoverre ze op nieuwe feiten betrekking IX-4007-4/15 hebben, dan ook bij de beoordeling van de zaak betrokken worden; dat in zoverre de bedoelde nota’s geen betrekking hebben op dergelijke feiten, maar wel de neerslag vormen van de uiteenzetting ter zitting, ze niet als processtuk, maar enkel als inlichting in aanmerking worden genomen; Over de ontvankelijkheid van het beroep 3.1.
- Overwegende dat de tussenkomende partij een eerste exceptie van onontvankelijkheid van het beroep opwerpt, gericht tegen het eerste bestreden besluit, afgeleid uit de laattijdigheid van het beroep; dat zij aanvoert dat het bestreden benoemingsbesluit niet aan verzoeker diende te worden betekend, zodat de termijn voor het indienen van een beroep is ingegaan op het ogenblik dat het besluit is bekendgemaakt, dat de verplichting tot bekendmaking kan blijken, niet enkel uit een wettelijke bepaling, maar ook uit een constante praktijk, dat de overheid in het laatste geval over een zekere beleidsvrijheid beschikt om de gepaste wijze van bekendmaking te kiezen en om bijvoorbeeld voor een interne bekendma- king te opteren in plaats van voor een bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, dat de overheid die de leiding heeft van een dienst bij wege van een bijzondere interne bekendmaking de ambtenaren die effectief in de dienst zijn tewerkgesteld, erover kan inlichten dat bevorderingen in de dienst werden gegeven, door dienstnota’s die voor alle in de dienst tewerkgestelde ambtenaren bestemd zijn en ook effectief voor allen ter beschikking liggen, dat een bekendmaking door dienstnota’s, voor zover die wijze van bekendmaken gebruikelijk is en door de ambtenaren van de dienst gekend is, de beroepstermijn doet ingaan, dat de benoeming van de tussenkomende partij tot eerste auditeur-afdelingshoofd in casu met een interne dienstnota van 29 september 2003, ondertekend door Ph. Bouvier, adjunct-auditeur-generaal, en H. Verhulst, eerste auditeur-afdelingshoofd, werd bekendgemaakt, dat deze interne dienstnota daarenboven met een mailbericht van 1 oktober 2003 aan alle magistraten van het auditoraat werd toegezonden, dat de interne dienstnota bovendien op verschillende plaatsen in de gebouwen van de Raad van State werd uitgehangen, onder meer in het gebouw waarin de werkkamers van de meeste auditeurs en ook van verzoeker zich bevinden, zoals overigens een vast gebruik is, dat deze wijze van bekendmaking van de benoemingen van leden van het auditoraat via een interne dienstnota een constante praktijk vormt, een officieel karakter heeft, aangezien ze ondertekend wordt door de korpschef van het auditoraat, en een vorm van bekendmaking is die normaal de betrokkenen kan bereiken, zodat daaruit het vermoeden volgt dat zij geacht kunnen worden de benoemingen daadwerkelijk te kennen, dat zelfs indien verzoeker de interne dienstnota van 29 september 2003 niet IX-4007-5/15 ad valvas zou hebben gelezen, ze hem persoonlijk via een mailbericht op 1 oktober 2003 werd toegezonden, zodat hij er op dat ogenblik persoonlijk kennis kon van nemen, dat de beroepstermijn van zestig dagen dan ook een aanvang heeft genomen met de bekendmaking van de interne dienstnota van 29 september 2003 en het mailbericht van 1 oktober 2003, dat het verzoekschrift tot nietigverklaring aangetekend werd verzonden op 10 december 2003, dit is buiten de beroepstermijn van zestig dagen; 3.1.
- Overwegende dat het bestreden besluit niet van die aard is dat het aan verzoeker betekend moest worden, ook al had de eerste verwerende partij wel de verplichting om verzoeker, als kandidaat voor de benoeming, mede te delen wat te zijnen opzichte het resultaat van de benoemingsprocedure was; dat aan verzoeker overigens ook niet is medegedeeld dat hij niet benoemd was, en dat hem ook geen formele betekening van het benoemingsbesluit is gedaan; Overwegende dat artikel 56, § 1, vierde lid, van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken bepaalt dat de tweetalige koninklijke en ministeriële besluiten, die geen belang hebben voor de meerderheid van de burgers, bij uittreksel mogen worden bekendgemaakt of het voorwerp mogen zijn van een eenvoudige vermelding in het Belgisch Staatsblad en dat, wanneer hun bekendmaking geen openbaar nut heeft, daarvan mag worden afgezien; dat hieruit voortvloeit dat de besluiten die geen belang hebben voor de meerderheid der burgers maar waarvan de bekendmaking een openbaar nut heeft, bij uittreksel moeten worden bekendgemaakt of het voorwerp moeten uitmaken van een vermelding in het Belgisch Staatsblad; dat de wet zelf niet bepaalt wat onder “openbaar nut” moet worden verstaan; dat het een vast gebruik is dat de besluiten waarbij personen worden benoemd in een ambt van het auditoraat bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt; dat dit erop wijst dat de bekendmaking van zulke besluiten naar het oordeel van het bestuur een karakter van openbaar nut vertoont; dat het bestuur hierdoor het begrip “openbaar nut” niet miskent; dat de in artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de Raad van State bepaalde termijn om het annulatieberoep tegen de besluiten tot benoeming van een persoon in een ambt van het auditoraat in te stellen, derhalve ingaat met de bekendmaking van die benoeming in het Belgisch Staatsblad, ongeacht of bijkomend in een andere wijze van bekendmaking is voorzien en ongeacht of de verzoeker van de benoeming reeds eerder kennis gekregen heeft; dat, aangezien het bestreden benoemingsbesluit bij wege van vermelding in het Belgisch Staatsblad van 23 oktober 2003 is IX-4007-6/15 bekendgemaakt, het op 10 december 2003 ingediende beroep tot nietigverklaring binnen de termijn is ingesteld; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 3.2.
- Overwegende dat de tussenkomende partij een tweede exceptie van onontvankelijkheid van het beroep opwerpt, gericht tegen de tweede bestreden handeling, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang; dat zij aanvoert dat, indien de eerste exceptie gegrond bevonden wordt, het bestreden benoemingsbesluit van 8 september 2003 definitief en onaantastbaar is, dat in dat geval de eventuele vernietiging van het advies van 7 juli 2003 verzoeker geen enkel rechtstreeks voordeel meer kan opleveren; 3.2.
- Overwegende dat, aangezien de eerste exceptie is verworpen, de tweede exceptie zonder voorwerp is; 3.3.
- Overwegende dat de tussenkomende partij een derde exceptie van onontvankelijkheid van het beroep opwerpt, gericht tegen de tweede bestreden handeling, afgeleid uit het voorbereidend karakter ervan; dat zij aanvoert dat de bedoelde handeling een voorbereidende handeling is die de tot beslissen bevoegde overheid niet bindt en die derhalve niet vatbaar is voor vernietiging, dat een advies slechts voor vernietiging vatbaar is wanneer het de bevoegde overheid bindt, dit wil zeggen de door de overheid te nemen beslissing bepaalt, dat de overheid niet verplicht is om, ingevolge het gunstig advies van de auditeur-generaal over de tussenkomende partij, met betrekking tot deze laatste een positieve beslissing te nemen, dat artikel 71, § 3bis, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de eerste auditeurs-afdelingshoofden door de Koning worden benoemd, op eensluidend advies van de auditeur-generaal, na te zijn gekozen uit de eerste auditeurs die hierom verzoeken, dat het verlenen van een dergelijk eensluidend advies voor verzoeker geen definitief nadeel doet ontstaan en dus niet aanvechtbaar is, omdat het van de houding van de beslissende overheid afhangt of er een definitief nadeel ontstaat; 3.3.
- Overwegende dat artikel 71, § 3bis, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het gold toen het bestreden besluit werd genomen, als volgt luidt: “Onverminderd § 1, vijfde lid, worden de eerste auditeurs-afdelingshoofden, op eensluidend advies van de auditeur-generaal, benoemd door de Koning, na te zijn gekozen uit de eerste auditeurs die hierom verzoeken”; IX-4007-7/15 Overwegende dat het advies van de auditeur-generaal weliswaar slechts een voorbereidende akte is, zonder bindende en uitvoerbare kracht, en die akte aldus op zichzelf niet voor vernietiging vatbaar is; dat het advies van de auditeur-generaal evenwel de onontbeerlijke grondslag vormt van de benoeming tot eerste auditeur-afdelingshoofd; dat dit advies dan ook samen met het benoemingsbesluit kan worden bestreden; dat de exceptie faalt naar recht; 3.4.
- Overwegende dat de tussenkomende partij ter zitting een vierde exceptie van onontvankelijkheid opwerpt, afgeleid uit het teloorgaan van het belang; dat zij opwerpt dat op 28 augustus 2006 een oproep is gericht tot de in aanmerking komende leden van het auditoraat, waaronder verzoeker, voor een benoeming in de vacante betrekking van eerste auditeur-afdelingshoofd, in het bijzonder belast met werkzaamheden in de afdeling wetgeving; dat verzoeker zich niet kandidaat gesteld heeft, en dat hij het koninklijk besluit van 10 november 2006 waarbij één van de kandidaten is benoemd, ook niet aangevochten heeft; dat hieruit blijkt dat verzoeker geen belangstelling meer heeft voor een benoeming in het ambt van eerste auditeur- afdelingshoofd in de afdeling wetgeving, en dat hij dan ook niet langer het rechtens vereiste actueel belang heeft bij de nietigverklaring van het thans bestreden besluit; 3.4.
- Overwegende dat het voorliggende beroep gericht is tegen een koninklijk besluit waarbij de tussenkomende partij wordt benoemd tot eerste auditeur-afdelingshoofd, in het bijzonder belast met werkzaamheden in de afdeling wetgeving; dat in geval van vernietiging van dat besluit, verzoeker opnieuw in aanmerking komt om in het bedoelde ambt benoemd te worden; dat uit het enkele feit dat hij zich niet kandidaat gesteld heeft voor een latere vacature in een zelfde ambt, waarvoor noodzakelijk andere kandidaten in aanmerking zouden komen, elk met hun eigen titels en verdiensten, niet afgeleid kan worden dat verzoeker geen belangstelling meer heeft voor het ambt dat de tussenkomende partij bekleedt; dat uit de verklaringen ter zitting overigens is gebleken dat verzoeker wel degelijk nog belang stelt in dat ambt; dat de exceptie dan ook niet aangenomen kan worden; Ten gronde 4.1.
- Overwegende dat verzoeker een eerste middel inroept, afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht, “doordat de bestreden beslissing steunt op een eensluidend advies dat, wat de beoordeling van verzoeker betreft, geen steun vindt in de objectieve stukken van het dossier, meer bepaald de eigen nota’s van de auditeur-generaal over de werkzaamheden van verzoeker, noch in het persoonlijk IX-4007-8/15 dossier van verzoeker”; dat verzoeker in de toelichting bij het middel in de eerste plaats uiteenzet dat de beoordeling die op 6 maart 1997 door de toenmalige auditeur- generaal is gegeven, in strijd was met de objectieve gegevens van verzoekers dossier en ook met de eigen beoordeling die de auditeur-generaal op 24 september 1996 in een nota over de werkzaamheden van de leden van de afdeling had verspreid, dat ook op 11 maart 1997, vijf dagen na het negatieve advies over verzoekers kandidaatstelling voor de leiding van de afdeling, dezelfde auditeur-generaal schreef: “Ik houd eraan Uzelf en de leden van de afdeling van harte te feliciteren voor het volgehouden bijzonder hoog rendement”, dat naar aanleiding van de eraan voorafgaande zesmaandelijkse beoordeling der werkzaamheden de auditeur-generaal op 24 september 1996 in zijn nota aan de heer Jean De Coene schreef: “... Ik wil nu reeds uw afdeling feliciteren met het hoge rendement van alle leden”; dat verzoeker voorts uiteenzet dat het onjuist is dat auditeur-generaal Van Assche hem in juni 1989 uit de afdeling wetgeving heeft overgeplaatst omdat “zijn prestaties dermate zwak waren”, dat de echte reden lag in een meningsverschil met een lid van de achtste kamer aangaande de inhoudelijke benadering der dossiers, dat de verwerende partij die stukken uit het persoonlijk dossier van verzoeker kan voorleggen, dat verzoeker werd overgeplaatst ten gevolge van een brief van 14 juni 1989 vanwege staatsraad J. Nimmegeers, waaruit blijkt dat deze niet gelukkig was met de wijze waarop verzoeker de dossiers wetgeving inhoudelijk benaderde, dat verzoeker zich op die brief en de aantijgingen erin nooit heeft mogen verdedigen, dat daaruit niet is af te leiden dat verzoekers prestaties dermate zwak waren, dat het volstaat de statistieken erop na te slaan, alsmede vast te stellen welk een brede waaier van materies verzoeker toen te verwerken kreeg om te zien dat deze krenkende bewering onjuist is, dat ook de brief van de heer Van Assche van einde juni 1989, waarbij de overplaatsing wordt gerechtvaardigd, nergens gewag maakt van “dermate zwakke prestaties”, dat het motief derhalve geen steun vindt in het administratief dossier, noch in de statistieken, noch in het persoonlijk dossier van verzoeker, en dat het bovendien in strijd is met andere beoordelingen die uitgaan van de auditeur-generaal zelf, dat het motief dat de auditeur-generaal in zijn eensluidend advies van 7 juli 2003 aanhaalt, dus niet strookt met de werkelijkheid van het dossier en er geen steun in vindt; 4.1.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste middel in essentie aan het bestreden besluit verwijt dat het steunt op het advies van de auditeur-generaal van 7 juli 2003 waarin verwezen wordt naar een advies van de toenmalige auditeur- generaal Roelandt van 6 maart 1997 waarin deze, met betrekking tot de overplaatsing van verzoeker in 1989 van de afdeling wetgeving naar de afdeling IX-4007-9/15 administratie, heeft gesteld dat die overplaatsing het gevolg was van de zwakke prestaties van verzoeker; dat verzoeker aanvoert dat uit geen enkel gegeven blijkt dat zwakke prestaties de oorzaak waren van zijn overplaatsing, en dat die interpretatie zelfs wordt tegengesproken door andere gegevens van het dossier; dat verzoeker aanvoert dat de werkelijke reden van de overplaatsing een meningsverschil was met een lid van de kamer van de afdeling wetgeving waarvoor hij verslagen opstelde, “aangaande de inhoudelijke benadering der dossiers”; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord preciseert dat het bedoelde lid van de kamer zich in een schrijven van 14 juni 1989 namens de hele kamer erover beklaagde dat verzoeker “te pas en te onpas” excepties van onontvankelijkheid en ongrondwettigheid opwierp in de zaken die hem voor verslag waren toevertrouwd; Overwegende dat verzoeker het feit zelf van zijn overplaatsing in 1989 van de afdeling wetgeving naar de afdeling administratie niet betwist, maar dat hij wel de interpretatie betwist die de toenmalige auditeur-generaal Roelandt in 1997 aan de reden voor die overplaatsing heeft gegeven, interpretatie welke in herinnering wordt gebracht in het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd Verhulst van 7 juli 2003, voor de auditeur-generaal, met betrekking tot de thans bestreden benoeming; dat volgens verzoeker de overplaatsing niet het gevolg is geweest van “zwakke prestaties”, zoals door auditeur-generaal Roelandt is gesteld, maar van het feit dat de betrokken kamer van de afdeling wetgeving zich erover beklaagde dat hij “te pas en te onpas” excepties van onontvankelijkheid en ongrondwettigheid opwierp; dat, welke interpretatie men ook aan de reden voor de overplaatsing geeft, in elk geval vaststaat, in het licht van de uitleg die verzoeker zelf aan het incident van 1989 geeft, dat een kamer van de afdeling wetgeving niet tevreden was over de wijze waarop verzoeker de hem toevertrouwde dossiers behandelde, dat dit gegeven voor de kamer zo belangrijk was dat zij meende de korpschef van het auditoraat hiervan schriftelijk op de hoogte te moeten stellen, en dat de auditeur-generaal zich toen “genoodzaakt zag” verzoeker over te plaatsen; Overwegende dat de auditeur-generaal in zijn advies van 7 juli 2003 tot de conclusie komt, gelet onder meer op het feit dat verzoeker in 1989 is overgeplaatst van de afdeling wetgeving naar de afdeling administratie en dat hij sindsdien niet meer is teruggekeerd naar de afdeling wetgeving, en gelet op het feit dat de wijzigingen van de inrichting van de afdeling wetgeving bij de wet van 2 april 2003 ook voor het auditoraat aanpassingsproblemen zouden meebrengen -waarvan eerder in het advies is opgemerkt dat de te benoemen persoon de aanpassingen moet kunnen “begeleiden en sturen”-, dat het “riskant” zou zijn om verzoeker te belasten IX-4007-10/15 met de leiding van de afdeling van het auditoraat die met de afdeling wetgeving van de Raad van State samenwerkt; Overwegende dat de conclusie dat verzoeker minder geschikt is dan de tussenkomende partij om belast te worden met de leiding van de genoemde afdeling van het auditoraat aldus kan steunen op de gegevens van het dossier, in het bijzonder het feit van verzoekers overplaatsing in 1989, ongeacht de interpretatie die, in de ene of de andere zin, gegeven wordt aan de reden voor die overplaatsing; dat de grief in verband met de interpretatie die auditeur-generaal Roelandt in 1997 aan die overplaatsing heeft gegeven, zelfs al zou ze gegrond zijn, dan ook niet tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden; dat het middel derhalve onontvankelijk is bij gebrek aan belang; 4.2.
- Overwegende dat verzoeker een tweede middel inroept, afgeleid uit de schending van de anciënniteitsregel en het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur, meer bepaald de zorgvuldigheidsnorm, doordat de bestreden beslissing geen aanneembare en aantoonbare redenen opgeeft waarom in deze aangelegenheid van de anciënniteitsregel kan worden afgeweken, dat dit slechts zou kunnen nadat een degelijke vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten is uitgevoerd, hetgeen in casu niet is gebeurd; dat verzoeker in de toelichting bij het middel in de eerste plaats uiteenzet dat hij tien jaar meer anciënniteit heeft dan de tussenkomende partij, dat hij in zijn kandidaatstelling van 10 juni 2003 een uitvoerig overzicht heeft gegeven van al zijn professionele en maatschappelijke activiteiten vanaf de aanvang van zijn beroepsleven, dat de bestreden beslissing al deze voor de betrokken bevordering nochtans relevante elementen niet in vergelijking heeft gebracht, dat de bestreden beslissing vrede genomen heeft met een kort (onjuist) advies dat meer dan zes jaar oud was, alsof er na dit advies over verzoeker en zijn werk niets anders meer gezegd kon worden, dat op basis van een oud en krenkend advies, dat bovendien onjuist was, de auditeur- generaal een degelijke vergelijking van titels en verdiensten, alsmede een eigen actuele beoordeling van verzoeker als kandidaat, uit de weg gegaan is, dat om zijn voorkeur voor de voorgedragen kandidaat te staven, de auditeur-generaal zijn toevlucht heeft genomen tot een beoordeling uit het jaar 1988, dat de auditeur- generaal deze beoordeling overigens niet heeft vergeleken met het advies van diezelfde mevrouw Mannens, afdelingshoofd in de wetgeving, gegeven ter gelegenheid van verzoekers bevordering tot auditeur een jaar vroeger, in april 1987; dat verzoeker zich voorts afvraagt op grond van welke vergelijking van titels en verdiensten de auditeur-generaal heeft kunnen overwegen en motiveren dat hij het IX-4007-11/15 “riskant achtte, gelet op de problemen in verband met de toepassing van de wet van 2 april 2003, de verzoeker voor de thans vacante betrekking te laten benoemen”, dat immers ook de tussenkomende partij sinds lange tijd geen deel meer uitmaakte van de afdeling wetgeving, dat hier bovendien moet worden aangestipt dat een groot deel van de wijzigingen die in de werking van de afdeling wetgeving van de Raad van State door de wetgever in april 2003 en ook in 1999 zijn aangebracht, in eenklank waren met de benadering die verzoeker met het oog op een doeltreffender werking van deze afdeling in zijn kandidaatstelling van 1997 en 2003 had vooruitgeschoven, dat de bewering dat de bevordering van verzoeker riskanter was dan die van de tussenkomende partij een blote bewering is, zonder enige steun in het dossier, dat het aangevochten eensluidend advies nergens de titels en de verdiensten van de kandidaten met betrekking tot de specifieke vaardigheden, vereist voor het ambt van afdelingshoofd, heeft vergeleken, terwijl die vaardigheden nochtans waren meegedeeld in de uitnodiging tot kandidaatstelling van 21 (lees: 19) mei 2003, dat ook hier de vereiste vergelijking van titels en verdiensten met het oog op de specifieke vereisten van het ambt, nodig om van de anciënniteitsregel te kunnen afwijken, ontbreekt; 4.2.
- Overwegende dat het middel in essentie drie grieven bevat; dat verzoeker in de eerste plaats aanvoert dat zowel hijzelf als de tussenkomende partij slechts beoordeeld zijn op grond van adviezen die jaren tevoren over hen zijn gegeven, zodat er geen actuele beoordeling van ieder van de kandidaten is geweest; dat verzoeker voorts aanvoert dat er geen vergelijking is geweest van de titels en verdiensten van de twee kandidaten, en meer bepaald dat niet is gemotiveerd waarom het riskanter was om verzoeker te benoemen dan om de tussenkomende partij te benoemen, ook al maakten beiden al lang geen deel meer uit van de afdeling wetgeving; dat verzoeker ten slotte aanvoert dat er geen vergelijking is geweest op het punt van de specifieke vaardigheden die vermeld waren in de uitnodiging tot kandidaatstelling van 21 (lees: 19) mei 2003; 4.2.2.
- Overwegende, wat betreft de eerste grief, dat het advies van de auditeur-generaal, dat de anciënniteit als eerste onderscheidingscriterium hanteert, nagaat of de kandidaten, volgens hun rangorde, ook geschikt zijn om de aanpassin- gen van de werkwijze in de sectie wetgeving van het auditoraat, ingevolge de wet van 2 april 2003, te kunnen begeleiden en sturen; dat de auditeur-generaal in verband met verzoeker van oordeel is dat dit niet het geval zou zijn, en dat hij in verband met de volgende kandidaat, zijnde de tussenkomende partij, van oordeel is dat dit wel het geval is; dat de auditeur-generaal die beoordeling steunt, wat betreft IX-4007-12/15 de verzoeker, op het feit dat deze in 1989 uit de afdeling wetgeving moest worden verwijderd en hij er sindsdien niet meer is teruggekeerd, en wat betreft de tussenkomende partij, op het feit dat deze in 1988 een positieve appreciatie kreeg voor zijn prestaties in de afdeling wetgeving en, impliciet, op het feit dat er sindsdien geen redenen zijn geweest om die appreciatie te nuanceren; dat het advies aldus wel degelijk de geschiktheid van de kandidaten op het ogenblik van het uitbrengen van het advies beoordeelt, zij het dat het advies daarvoor mede uitgaat van feiten en adviezen uit het verleden; dat het middel in dit onderdeel feitelijke grondslag mist; 4.2.2.
- Overwegende, wat betreft de tweede grief, dat het advies van de auditeur-generaal het voor de goede werking van de sectie wetgeving van het auditoraat “riskante” karakter van een benoeming van verzoeker niet afleidt uit het enkele feit dat verzoeker sinds geruime tijd geen deel meer uitmaakt van de afdeling wetgeving; dat die beoordeling integendeel steunt op het feit dat verzoeker in 1989 uit de afdeling wetgeving verwijderd moest worden en hij er sindsdien ook niet meer teruggekeerd is; dat verzoeker weliswaar aanvoert dat de wijzigingen die de wetgever in 1999 en 2003 in de werking van de afdeling wetgeving heeft aan- gebracht, in eenklank waren met de benadering van verzoeker zelf, maar dat hij die stelling niet nader toelicht, laat staan dat hij zou aantonen dat de bevestiging door de wetgever van de zienswijze van verzoeker van die aard zou zijn dat zij het “riskante” karakter van een benoeming van verzoeker zou wegnemen; Overwegende dat het advies ervan uitgaat dat een benoeming van de tussenkomende partij niet “riskant” is, op grond dat deze partij tijdens haar werkzaamheden in de afdeling wetgeving blijk gegeven heeft van “ernst en toewijding” bij het behandelen van adviesaanvragen “in vaak moeilijke omstandigheden”; Overwegende dat de auditeur-generaal aldus, met betrekking tot de werkzaamheden van die twee kandidaten in de afdeling wetgeving, een duidelijk verschil vaststelt: terwijl verzoeker uit de afdeling wetgeving verwijderd moest worden, is de tussenkomende partij er tot voldoening van haar sectieoverste blijven werken tot aan haar benoeming tot auditeur; dat het advies op dit punt, in strijd met wat het middel aanvoert, de titels en de verdiensten van de twee kandidaten wel degelijk heeft afgewogen; dat het middel in dit onderdeel feitelijke grondslag mist; IX-4007-13/15 4.2.2.
- Overwegende, wat betreft de derde grief, dat de in het middel bedoelde “specifieke vaardigheden” het voorwerp uitmaken van een “profiel van de eerste auditeur-afdelingshoofd”, gevoegd als bijlage bij de oproeping tot de kandidaten; dat dit profiel een algemene, dus niet speciaal voor de betrokken vacature geschreven tekst is uit 1997, waarin de taken van de eerste auditeurs- afdelingshoofden omschreven worden; dat de oproeping vermeldt dat de kandidaturen met redenen omkleed moeten zijn, en dat het profiel “tot alle nuttige doeleinden” wordt meegedeeld, zoals dat ook bij eerdere vacatures is gebeurd; dat die context laat uitschijnen dat het om loutere informatie ging ten behoeve van de kandidaten; dat uit de toezending van dit profiel aan de kandidaten in elk geval niet kan worden afgeleid dat de kandidaten slechts in functie van de daarin beschreven taken beoordeeld zouden worden; dat het advies de vergelijking van de titels en de verdiensten van verzoeker en de tussenkomende partij dan ook op andere gegevens mocht steunen, verband houdend met de bekwaamheid om de aanpassingen ten gevolge van de wet van 2 april 2003, overigens een wet van na het opstellen van het genoemde profiel, te begeleiden en te sturen; dat het middel in dit onderdeel niet kan worden aangenomen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. IX-4007-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 21 juni 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-4007-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.528 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.