id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.529 Rolnummer: A. 91672/VII-21298 Zaak: Arrest 172529 - Milieuvergunningen - 21/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-30 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 06:50 Fiche Arrest nr 172.529 van 21 juni 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.529 van 21 juni 2007 in de zaak A. 91.672/VII-21.298 In zake : de b.v.b.a. ZANDGROEVEN ROELANTS, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat 165. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. ZANDGROEVEN ROELANTS op 9 mei 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 4 maart 2000 waarbij de beroepen van derden belanghebbenden ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 19 augustus 1999 gedeeltelijk worden ingewilligd en wijzigingen worden aangebracht in de bijzondere voorwaarden voor de exploitatie van de inrichting van de verzoekende partij, een zandgroeve gelegen aan de Aardebrug/Boskant te Lubbeek; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 11 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; VII-21.298-1/20 Gelet op de beschikking van 23 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 maart 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERHELST die, loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat N. SCHEEPMANS die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de voornaamste feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij exploiteert een zandgroeve aan de Aardebrug te Lubbeek waarvoor op 10 mei 1962 door de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant een exploitatievergunning werd verleend voor een termijn die verstrijkt op 1 september 2011. 1.2. Op 7 april 1999 dient zij een milieuvergunningsaanvraag in met als voorwerp het veranderen van haar inrichting door toevoeging van de percelen kadastraal gekend 57b, 58e, 59g, 59k, 62g, 62h, 64k, 64l, 65l, 85e en 85f. 1.3. Op 19 augustus 1999 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde vergunning voor een termijn die eindigt op 1 september 2011. Volgende bijzondere vergunningsvoorwaarde wordt opgelegd : "artikel 5 Bij het heraanvullen van de ontgonnen zones is het gebruik van asfalt, zoals o.a. afbraakasfalt van wegen, verboden". Deze vergunning wordt bekendgemaakt vanaf 13 september tot 13 oktober 1999. VII-21.298-2/20 1.4. Op 6 en 13 oktober 1999 tekenen derden belanghebbenden Hubert LEYSEN, Erik DEPRE, de v.z.w. R.S.L. en Maggie LENAERTS beroep aan tegen voormelde beslissing. In het beroepschrift van Hubert LEYSEN wordt het volgende voorgesteld : "Wij (hadden) graag asbest tot de verboden te gebruiken stoffen gezien voor heraanvulling". Op 28 oktober en 4 november 1999 worden de vier ingediende beroepen ontvankelijk verklaard. 1.5. Op 4 en 5 november 1999 maakt de verwerende partij met vier afzonderlijk ter post aangetekende zendingen aan de verzoekende partij de vier beroepschriften over. In het begeleidend schrijven deelt zij mee dat het beroep, waarvan kopie in bijlage, ontvankelijk werd bevonden en dat het zal worden afgehandeld overeenkomstig de ter zake van toepassing zijnde procedure met als startdatum van de voorziene behandelingstermijn 13 oktober 1999. 1.6. Op 24 november en 9 december 1999 adviseert de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie gunstig. 1.7. Op 1 december 1999 laat de verzoekende partij aan de voorzitter van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie weten zich te willen verdedigen tegen de vier administratieve beroepen die werden ingesteld. Zij vraagt door de commissie te worden gehoord. 1.8. Op 15 december 1999 adviseert de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van ROHM deels gunstig en deels ongunstig. 1.9. Op 17 december 1999 stuurt de verzoekende partij aan de voorzitter van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie volgende toelichtende nota : "Door middel van ons aangetekend schrijven dd. 01/12/99 hebben wij de wens uitgedrukt een verdediging op te stellen met betrekking tot het vergun- ningsbesluit van de Bestendige Deputatie van Vlaams-Brabant dd. 19/08/99 aan de b.v.b.a. Zandgroeven Roelants, waartegen door derden beroep werd aangetekend. De op datum van 19/08/99 verleende milieuvergunning heeft betrekking op het uitbreiden van een bestaande zandgroeve, die volgens het gewestplan Aarschot-Diest gelegen is in een ontginningsgebied met nabestemming agrarisch gebied. VII-21.298-3/20 De uitbreiding van de bestaande groeve vloeit voort uit de op 26 juni 1996 doorgevoerde gewestplansherziening voor het ontginningsgebied waarin de zandgroeve gelegen is. Daarbij werd het oorspronkelijke ontginningsgebied vergroot in noordelijke richting en werd het gebied ook ingekleurd als gebied voor inerte opvulling. Het noordelijk deel van de zandgroeve dat aansluit op het aangrenzende natuurgebied heeft als nabestemming groengebied. Het zuidelijk deel heeft als nabestemming agrarisch gebied. Deze vergunning werd verleend op basis van uitsluitend gunstige adviezen. Dit van de gemeente Lubbeek, de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, de Afdeling Milieuvergunningen van Aminal, de Vlaamse Milieumaatschappij, de OVAM, de Afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie en het gunstig advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie. Aan de milieuvergunningsaanvraag werd tevens een op datum van 20/10/98 door de Cel MER van Aminal conform verklaard MER-rapport toegevoegd. Door enkele buurtbewoners werd tegen het vergunningsbesluit van de Bestendige Deputatie beroep aangetekend. De buurtbewoners beroepen zich hoofdzakelijk op volgende argumenten : - Onwettigheid van het conform verklaarde MER-rapport; - De vergunning beperken in termijn en niet voor alle aangevraagde percelen verlenen; - Verkeersoverlast en onaangepast rijgedrag van de chauffeurs; - Niet naleven van de voorwaarden uit Vlarem en de openingsuren; In navolging van ons schrijven dd. 01/12/1999 wensen wij aangaande deze tegenwerpingen de hiernavolgende argumentatie te plaatsen. A. Onwettigheid van het conform verklaarde MER-rapport Door de beroepers wordt het conform zijn van het op datum van 20/10/98 conform verklaarde MER-rapport in twijfel getrokken en worden de vaststel- lingen en resultaten van de erkende MER-deskundigen als onjuist beschouwd. Het opmaken van een MER-rapport neemt, zoals u uiteraard zelf weet, veel tijd in beslag en wordt samengesteld door erkende MER-deskundigen die ieder gespecialiseerd zijn in hun eigen discipline. Het in twijfel trekken van de deskundigheid van deze mensen is een grove belediging aan het adres van de deskundigen. Het MER-rapport werd door de Cel MER van Aminal conform verklaard. Het in twijfel trekken van de deskundigheid van de mensen van de Cel MER, is een zware beschuldiging. Men kan er toch van uitgaan dat het opstellen van een MER-rapport steeds met de nodige zorgen gebeurt en dat de MER-deskundigen met alle mogelijke situaties terdege rekening houden. Aangezien het MER-rapport conform werd verklaard, mogen we stellen dat dit wel degelijk op een kritische manier werd bekeken, geëvalueerd en goedgekeurd. B. Het beperken van de vergunning in termijn en niet voor alle gevraagde percelen verlenen Voor het uitbaten van deze zandwinning is er steeds een grote oppervlakte in ontginning omdat de 3 aanwezige materialen (Klei van Boom, Zanden van Berg en Zanden van Binkom) op verschillende manieren dienen ontgonnen te worden. Het is dan ook noodzakelijk dat de aangevraagde percelen allen gelijktijdig vergund zijn, zodat de goede werking van de zandwinning niet in het gedrang komt. Ons inziens werd reeds een zeer beperkte vergunningstermijn voorzien, namelijk tot 01/09/2011 en kan de nabestemming van de in die tijdsspanne ontgonnen zone tegen die termijn slechts gedeeltelijk worden gerealiseerd. VII-21.298-4/20 C. Verkeersoverlast en onaangepast rijgedrag van de chauffeurs Door de Mer-deskundige in de discipline verkeer wordt gesteld dat de huidige uitbating van de zandgroeve geen wezenlijke verkeershinder veroor- zaakt. Na uitbreiding van de zandgroeve zal de bestaande verkeerssituatie nauwelijks wijzigen. De capaciteit van de zandgroeve wordt immers niet opgedreven en ook het afzetgebied van het zand zal niet significant wijzigen. Het komt hier eigenlijk enkel neer op het op eenzelfde manier verder exploite- ren van een bestaande groeve. In het vergunningsbesluit van de Bestendige Deputatie wordt tevens gesteld dat het rijgedrag van de chauffeurs en de schade aan huizen die hieruit voortvloeit buiten het beoordelingskader van de milieuaanvraag valt en dat de vrachtwagenbestuurders op de openbare weg het verkeersreglement dienen na te leven. Ook het parkeren van vrachtwagens langs de openbare weg valt onder het verkeersreglement. D. Niet naleven van de voorwaarden van Vlarem II en de openingsuren In het vergunningsbesluit van de Bestendige Deputatie van Vlaams-Brabant wordt duidelijk gesteld dat de huidige inrichting wordt uitgebaat conform de gestelde eisen van Vlarem II en dat de ontginning wordt uitgevoerd overeenkomstig een goedgekeurd werkplan en tot op heden aan de voorwaarden betreffende de ontginningswerken wordt voldaan. Het toezicht op het naleven van de uitbatingsvoorwaarden is trouwens een bevoegdheid van de afdeling Milieu-inspectie van Aminal. Tot slot wensen wij ook op te merken dat een aantal buurtbewoners van de b.v.b.a. Zandgroeven Roelants er steeds weer een genoegen in scheppen om tegen elk vergunningsbesluit van de firma een beroep in te stellen. In deze beroepen worden steeds dezelfde argumenten opgeworpen, welke inmiddels al meerdere malen werden weerlegd. Gelet op het voorgaande durven wij dan ook vragen, Geachte Heer Voorzitter en Commissieleden, onderhavig dossier met de nodige objectiviteit te willen onderzoeken, zodat hieraan een positief advies kan worden gegeven zodat artikel 1 van het besluit van de Bestendige Deputatie van Vlaams-Brabant dd. 19/08/99 kan worden bevestigd". 1.10. Op 9 en 17 december 1999 adviseert de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) de beroepen gedeeltelijk gegrond te verklaren en artikel 5 van de bijzondere vergunningsvoorwaarden als volgt te wijzigen : "Artikel 5. De ontgonnen zones mogen op heden enkel opgevuld worden met voornoemde afgegraven kleilagen en met niet-verontreinigde gronden, dit is grond vrij van stenen of andere fysische verontreinigingen en voor zover die aangevoerde grond voldoet aan de Vlarea-normen voor gebruik als bodem, zoals bepaald in bijlage 4.2.3. van het Vlarea, of voor wat de organische parameters betreft, aan de ontwerpnormen (Vlarebo-bis) voor vrij gebruik als bodem. Dit artikel vervalt van zodra het vrij gebruik als bodem wettelijk is geregeld". 1.11. Op 17 december 1999 adviseert het hoofdbestuur van AMINAL- milieuvergunningen de beroepen gedeeltelijk gegrond te verklaren. VII-21.298-5/20 1.12. Op de zitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van 20 december 1999 wordt de verzoekende partij gehoord. 1.13. Op 20 december 1999 adviseert de Gewestelijke Milieu- vergunningscommissie de beroepen van de derden belanghebbenden gedeeltelijk in te willigen en de bijzondere vergunningsvoorwaarden onder meer als volgt te wijzigen : "Artikel 5. De ontgonnen zones mogen enkel opgevuld worden met voornoemde afgegraven kleilagen en met niet-verontreinigde gronden als bedoeld in het Bodemsaneringsdecreet". 1.14. Op 4 maart 2000 wordt het bestreden besluit genomen. De vergunning van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 19 augustus 1999 wordt onder meer als volgt gewijzigd : "5/ in artikel 4, 2/ 'Bijzondere vergunningsvoorwaarden' wordt artikel 5 vervangen door wat volgt : 'Artikel 5. De ontgonnen zones mogen enkel opgevuld worden met voornoemde afgegraven kleilagen en met niet-verontreinigde gronden. De opvulling mag slechts aangevat worden nadat de vereiste milieuvergunning voor het storten van dergelijk afval is bekomen'". In het bestreden besluit wordt onder meer het volgende overwogen : "Overwegende dat de heraanvulling van de groeve zal gebeuren, enerzijds met de ter plaatse (in het noordelijke deel) afgegraven kleilaag (ca. 8 m dik met slechte bouwkundige kenmerken) en anderzijds met grondoverschotten (vrij van stenen) van infrastructuurwerken en grondwerken; dat dient opgemerkt dat het storten van niet verontreinigde restgronden een vergunningsplichtige activiteit is, vermits deze als afval dienen beschouwd te worden gelet op de omschrijvingen vervat in art. 5.2.4.1.5 van titel II van het Vlarem en in het Vlarea (definiëring afvalstof); dat dit bevestigd wordt door het arrest dd. 5 januari 1999 van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen (97/3811) inzake het storten van opvulgronden door de firma Stallaert in een oude ontginningsput van de firma Swenden te Rumst; dit arrest bepaalt dat het storten van grond al of niet verontreinigd met stenen krachtens art. 14 van het afvalstoffendecreet een milieuvergunningsplichtige activiteit is; Overwegende dat het bijgevolg aangewezen is in het bestreden besluit te vermelden dat de opvulling slechts kan na het verkrijgen van de vereiste milieuvergunning". 1.15. Met een besluit van de Vlaamse regering van 31 mei 2002, verschenen in het Belgisch Staatsblad op 19 juni 2002, wordt aan de indelingslijst in bijlage I bij Vlarem I een rubriek 60 toegevoegd waardoor volgende activiteit VII-21.298-6/20 vergunningsplichtig wordt : "Geheel of gedeeltelijk opvullen met niet verontreinigde uitgegraven bodem van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, met inbegrip van waterplassen en vijvers"; 2. De gegrondheid 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 24, § 2, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (milieuvergunningsdecreet), van artikel 52, 1/, c), van Vlarem I, van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, en van machtsoverschrijding, doordat zij niet binnen de in artikel 52, 1/, c), van Vlarem I voorziene termijn van de beroepen, inclusief de bijlagen, tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 19 augustus 1999 in kennis is gesteld; Overwegende dat zij stelt dat het bestreden besluit op bladzijde 2 vermeldt dat aanplakking gebeurd is vanaf 13 september 1999, dat de aanplakkingsdatum van 30 kalenderdagen bijgevolg verstrijkt op 13 oktober 1999, dat in elk geval de notificaties van 4 november en 5 november 1999 van de beroepschriften laattijdig gebeurd zijn, terwijl artikel 52, 1/, c), van Vlarem I de bevoegde Vlaamse minister of de gemachtigde ambtenaar de verplichting oplegt om, in zoverre het beroep niet door de exploitant is ingediend, deze laatste binnen veertien kalenderdagen na het verstrijken van de periode van bekendmaking bedoeld in artikel 31 van Vlarem I, per ter post aangetekend schrijven van het ontvankelijk beroep kennis te geven; dat zij doet gelden dat dit een substantiële vormvereiste is aangezien, vooreerst, het ter kennis brengen van het beroepschrift er toe strekt de exploitant op de hoogte te brengen dat de in eerste aanleg genomen beslissing niet definitief is en, vervolgens, om reden dat de in artikel 52, 1/, c), van Vlarem I vervatte regel er toe strekt de exploitant in te lichten over de in het beroep aangevoerde middelen en argumenten tegen de afgegeven vergunning, zodat hij daarop met kennis van zaken kan reageren, en bijvoorbeeld in een toelichtend schrijven de opmerkingen kan maken die hij wenselijk acht of een nota kan neerleggen op de hoorzitting, dat van een zorgvuldig bestuur mag worden verwacht dat ze de exploitant van het beroep in kennis stelt en dat deze kennisgeving tijdig en volledig gebeurt, dat zij niet overeenkomstig artikel 52, 1/, c), van Vlarem I in kennis is gesteld, aangezien de bij het beroepschrift horende bijlagen niet gevoegd waren, en de kennisgeving zelf laattijdig is gebeurd, dat zij aldus niet heeft kunnen nagaan of de ingestelde beroepen wel ontvankelijk waren, dat de miskenning van dit VII-21.298-7/20 substantieel vormvoorschrift tot gevolg heeft dat de beroepen onontvankelijk zijn, de minister niet bevoegd was om nog te beslissen en de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant definitief is geworden; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat artikel 24, § 2, van het milieuvergunningsdecreet niet geschonden kan zijn omdat dit artikel enkel bepaalt dat de Vlaamse regering beslist over de wijze van bekendmaking en behandeling van het beroep; dat de verzoekende partij de inhoud van artikel 52, 1/, c), van Vlarem I verkeerd heeft weergegeven, dat zij er ten onrechte van uitgaat dat de termijn van veertien kalenderdagen ook voor de kennisgeving aan de exploitant begint te lopen na het verstrijken van de periode van bekendmaking bedoeld in artikel 31 van Vlarem I, dat deze termijn van veertien kalenderdagen begint te lopen vanaf de datum van de beslissing waarbij het beroep ontvankelijk werd bevonden, dat dit eenvoudig geïllustreerd kan worden aan de hand van het arrest nr. 64.971 van de Raad van State, dat dit arrest bepaalt dat artikel 19bis, § 4, van het milieuvergunningsdecreet en artikel 52, 1/, c), van Vlarem I niet op elkaar afgestemd zijn; Overwegende dat zij in ondergeschikte orde stelt dat het moeilijk te betwisten lijkt dat het tijdig meedelen van een ontvankelijk bevonden beroep een substantiële vormvereiste is, dat in de oudere rechtspraak van de Raad van State met betrekking tot exploitatievergunningen geregeld in het ARAB, het tijdstip van betekening niet als substantieel werd aanzien zodat een eventuele laattijdigheid van de kennisgeving niet kon leiden tot de nietigverklaring van het bestreden besluit; Overwegende dat zij voorts doet gelden dat de vaststelling dat een substantiële vormvereiste geschonden is, er niet automatisch toe leidt dat het bestreden besluit om die reden moet worden nietigverklaard, dat de verzoekende partij het vormgebrek niet met goed gevolg kan inroepen wanneer het niet nakomen van de vorm haar in haar belangen niet heeft geschaad, dat in casu haar belangen op geen enkele wijze werden geschaad, dat de verplichte kennisgeving van het beroep aan de exploitant immers tot doel heeft, vooreerst, deze laatste ervan op de hoogte te brengen dat de in eerste aanleg verleende vergunning niet definitief is en, vervolgens, hem in te lichten over de in beroep aangevoerde argumenten zodat hij daarop met kennis van zaken kan reageren; dat wat de eerste doelstelling van de verplichte kennisgeving betreft de verwerende partij stelt dat bij ontstentenis van kennisgeving van een ontvankelijk bevonden beroep de exploitant gerechtigd is ervan uit te gaan dat de in eerste aanleg verleende vergunning definitief is en de VII-21.298-8/20 exploitatie van de inrichting zonder risico kan worden aangevat, dat het belang van de exploitant erin bestaat tijdig te weten wanneer hij zijn exploitatie zonder risico kan aanvatten zodat hij niet te lang in onzekerheid wordt gelaten, dat in casu echter moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij helemaal niet heeft gewacht op deze kennisgeving van de overheid met betrekking tot een eventueel hoger beroep om haar exploitatie op de percelen waarvoor zij de uitbreiding heeft aangevraagd aan te vatten en haar exploitatie evenmin heeft stopgezet, dat, aangezien zij de aanvang van de exploitatie op geen enkele wijze heeft laten afhangen van een eventueel beroep tegen de haar toegekende milieuvergunning en de kennisgeving hieromtrent evenmin de verderzetting van de exploitatie heeft belet, zij op generlei wijze in haar belangen geschonden is door een mogelijk ietwat laattijdige kennisgeving van het beroep; dat wat de tweede doelstelling van de verplichte kennisgeving betreft de verwerende partij stelt dat er geen betwisting bestaat over het feit dat de verzoekende partij kennis heeft gekregen van de in beroep aangevoerde argumenten en dat zij daarop met kennis van zaken heeft kunnen reageren, dat er bijgevolg geen sprake kan zijn van enige schending van haar rechten van verdediging, zodat ook op dit vlak haar belangen niet geschonden zijn; Overwegende dat zij ten slotte stelt dat de verzoekende partij ten onrechte beweert dat zij niet heeft kunnen onderzoeken of de ingestelde beroepen wel ontvankelijk waren aangezien zij kennis heeft gekregen van de beroepschriften, waarop de datum vermeld werd, en kennis had van de periode van aanplakking van het besluit, dat artikel 52, 1/, c), van Vlarem I enkel voorziet in het overmaken van een afschrift van het beroepschrift en niet in het verplicht overmaken van de bijlagen bij dat beroepschrift, dat het doel van de kennisgevingsplicht immers is gelegen in het kenbaar maken van de argumenten van de beroepsindiener zodat de exploitant hierop met kennis van zaken kan reageren, dat door het meedelen van een afschrift van het beroepschrift dit doel perfect wordt bereikt; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord stelt dat de Vlaamse regering krachtens artikel 24, § 2, van het milieuvergunningsdecreet, artikel 52, 1/,
- c)in Vlarem I heeft ingevoerd, dat indien deze laatste bepaling geschonden is, dit impliceert dat ook de bepaling waaruit de bevoegdheid van de Vlaamse regering voortvloeit en overeenkomstig dewelke de Vlaamse regering ertoe gehouden is de verdere procedureregeling van het beroep te regelen, geschonden wordt; VII-21.298-9/20 Overwegende dat zij voorts betoogt dat de Raad van State er wel degelijk vanuit gaat dat het beroepschrift binnen de veertien kalenderdagen na het verstrijken van de bekendmakingstermijn van de in eerste aanleg genomen beslissing aan de exploitant dient te worden overgemaakt, dat de Raad van State heeft vastgesteld dat artikel 19 bis, 4/, van het milieuvergunningsdecreet en artikel 52, 1/, c), van Vlarem I niet op elkaar zijn afgestemd, dat immers de toepassing van artikel 19 bis, § 4, van het milieuvergunningsdecreet ertoe kan leiden dat op het ogenblik dat het vereiste betalingsbewijs bij het beroepschrift wordt gevoegd, de in artikel 52, 1/, c), van Vlarem I vervatte termijn verstreken is, dat uit deze vaststelling dient te worden afgeleid dat de beroepschriften binnen een termijn van veertien dagen na het verstrijken van de periode van bekendmaking van de beslissing van eerste aanleg aan de exploitant dienen te worden overgemaakt, dat indien men zoals de verwerende partij zou oordelen dat de termijn van veertien dagen slechts vanaf de ontvankelijkverklaring van het ingestelde beroep zou aanvangen, de vastgestelde anomalie zich dan niet zou stellen en artikel 19 bis, § 4, van het milieuvergunningsdecreet en artikel 52, 1/, c), van Vlarem I wel op elkaar zouden zijn afgestemd, dat de Raad van State niet heeft overwogen dat uit de vastgestelde anomalie zou moeten volgen dat de notificatietermijn voor kennisgeving van het ontvankelijk beroep pas begint te lopen vanaf de beslissing van ontvankelijkverklaring van het administratief beroep, dat aangezien de termijn voor bekendmaking van het deputatiebesluit verstreek op 13 oktober 1999, zijnde 30 kalenderdagen vanaf 13 september 1999, en aangezien de notificatietermijn bedoeld in artikel 52, 1/, c), van Vlarem I verstreek op 27 oktober 1999, zijnde veertien kalenderdagen na het verstrijken van de periode van bekendmaking bedoeld in artikel 31 van Vlarem I, de notificaties van 4 en 5 november 1999 laattijdig zijn; Overwegende dat ten slotte zij doet gelden dat het tijdig en volledig meedelen van het beroepschrift een substantieel vormvoorschrift is, dat wat de doelstelling betreft tot het verstrekken van inlichtingen over het feit dat de in eerste aanleg verkregen vergunning nog niet verworven is, zij hier wel degelijk een belang bij heeft, aangezien zij, bij gebreke van een dergelijke tijdige inlichting, reeds tot de exploitatie kon overgaan daar zij terecht in de overtuiging verkeerde en kon verkeren dat de vergunning definitief was, dat de bewering als zou zij geen belang hebben, aangezien de exploitatie zou zijn verdergezet nadat het beroepschrift is genotificeerd, niet relevant is, vermits de in eerste aanleg verleende vergunning reeds onmiddellijke werking had vanaf 19 augustus 1999 en een administratief beroep van derden geen schorsende werking heeft, dat de bijlagen integraal deel uitmaken van het beroepschrift zodoende dat een beroepschrift slechts volledig aan VII-21.298-10/20 de exploitant zal zijn meegedeeld indien ook de bijlagen zijn bijgevoegd, dat de termijn van veertien kalenderdagen om de beroepen van derden aan de aanvrager mee te delen een vervaltermijn is, zodat na het verstrijken ervan de overheid in beroep niet meer op een wettige manier uitspraak kan doen over de beroepen; 2.1.4. Overwegende dat de verzoekende partij in de laatste memorie volhardt in haar argumentatie; 2.1.5. Overwegende dat op 4 en 5 november 1999 de verwerende partij met vier ter post aangetekende zendingen aan de verzoekende partij kopie van elk van de beroepschriften integraal heeft overgemaakt met de mededeling dat het beroep ontvankelijk werd bevonden; Overwegende dat artikel 52, 1/, c), van Vlarem I luidt als volgt : "wordt het beroep ontvankelijk bevonden, dan wordt de indiener van het beroep door de Vlaamse minister of de in sub
- a)vermelde gemachtigde ambtenaar binnen veertien kalenderdagen na het verstrijken van de periode van bekendmaking bedoeld in artikel 31 hiervan per ter post aangetekend schrijven in kennis gesteld; in zoverre het beroep niet door de exploitant is ingediend, wordt deze laatste binnen dezelfde termijn door voormelde Vlaamse minister of gemachtigde ambtenaar per ter post aangetekend schrijven kennis gegeven van het ontvankelijk beroep"; Overwegende dat uit deze bepaling volgt dat de termijn van veertien dagen om het beroep aan de exploitant te betekenen, ingaat na afloop van de termijn van bekendmaking van de beroepen beslissing; dat vaststaat dat de verwerende partij ongeveer één week na het verstrijken van de voorgeschreven termijn de beroepen van de derden belanghebbenden aan de verzoekende partij heeft betekend; dat uit voormelde bepaling nergens kan worden afgeleid dat de termijn van veertien kalenderdagen slechts begint te lopen vanaf de datum waarop het beroep na ontvangst van het attest van bekendmaking ontvankelijk werd verklaard; dat het ontbreken van voornoemd attest niet kan worden aangegrepen om de kennisgeving van het beroep aan de exploitant te laten geschieden buiten de termijnen vastgelegd in artikel 52, 1/, c), van Vlarem I; Overwegende dat artikel 52, 1/, c), van Vlarem I geen gevolgen verbindt aan het overschrijden van de termijnen van betekening van het beroep aan de exploitant; dat de betekeningstermijn bijgevolg geen vervaltermijn is waarvan het overschrijden er steeds moet toe leiden dat de beroepsinstantie geen uitspraak meer VII-21.298-11/20 kan doen over het ingestelde beroep en de in eerste aanleg verleende vergunning definitief wordt; Overwegende dat de in Vlarem I opgelegde verplichting om het ontvankelijk bevonden beroep binnen een bepaalde termijn ter kennis van de exploitant te brengen, tot doel heeft deze laatste ervan op de hoogte te brengen dat de in eerste aanleg genomen beslissing niet definitief is en aldus de exploitatie van de inrichting niet zonder risico kan worden aangevat en hem tijdig in te lichten over de in het beroep tegen de afgegeven vergunning aangevoerde middelen en argumenten zodat hij daarop met kennis van zaken kan reageren; dat, wanneer het niet naleven van de in Vlarem I opgelegde kennisgevingstermijn het bereiken van die dubbele finaliteit niet in de weg heeft gestaan en dienvolgens de belangen van de exploitant niet heeft geschaad, het niet voldoen aan die voorwaarden niet kan leiden tot de conclusie dat de beroepsinstantie niet meer op wettige wijze uitspraak kan doen over de beroepen; Overwegende dat de in eerste aanleg verleende vergunning een loutere uitbreiding betreft van een vergunning aan de verzoekende partij verleend op 10 mei 1962 door de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant voor de exploitatie van een zandgroeve en voor een termijn die pas verstrijkt op 1 september 2011; dat op het ogenblik waarop de betekeningstermijn voor het indienen van het beroep was verstreken, de verzoekende partij nog op basis van zijn herhaaldelijk aangepaste basisvergunning zonder risico de zandgroeve verder kon exploiteren; dat het feit dat het bestreden besluit andere bijzondere exploitatievoorwaarden oplegt dan de in eerste aanleg verleende vergunning losstaat van de finaliteit van artikel 52, 1/, c), van Vlarem I; dat uit de brieven die de verzoekende partij op 1 en 17 december 1999 aan de voorzitter van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie heeft gestuurd en uit haar optreden op de zitting van deze commissie blijkt dat zij op adequate en uitgebreide wijze heeft kunnen reageren op de beroepschriften; dat de vrij beperkte overschrijding van de termijn voor het meedelen van de ingestelde beroepen en het bezorgen van de beroepschriften aan de verzoekende partij, de finaliteit van het vormvoorschrift neergelegd in artikel 52, 1/, c), van Vlarem I niet in de weg heeft gestaan en bijgevolg niet tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden; dat het eerste middel niet gegrond is; VII-21.298-12/20 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending inroept van artikel 52, 3/, b), van Vlarem I, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 13 van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse Regering, van artikel 1, a), van de Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, van de artikelen 2, 1/, en 14 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen (afvalstoffendecreet), van de artikelen 1.1.1., § 1, en 1.2.1. van Vlarea en van het motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, doordat de minister er zich in het bestreden besluit toe beperkt te verwijzen naar de omschrijvingen vervat in artikel 5.2.4.1.5. van Vlarem II, de omschrijvingen vervat in Vlarea wat betreft de definiëring van afvalstof en een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 5 januari 1999 om te concluderen dat de niet-verontreinigde grond afval is en er bijgevolg een voorafgaande milieuvergunningsaanvraag ingediend moet worden voor de heropvulling van de groeven, terwijl een motivering duidelijk en precies moet zijn; Overwegende dat zij stelt dat Vlarea zelf geen definitie van afvalstof bevat, dat de in het afvalstoffendecreet vervatte definitie van toepassing is, dat het begrip afvalstof in artikel 2, 1/, van dit decreet wordt gedefinieerd als zijnde elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, dat aangezien deze definitie een aanzienlijk gebrek in duidelijkheid vertoont, men in de rechtspraak en rechtsleer criteria heeft uitgewerkt om uit te maken of een stof al dan niet als een afvalstof beschouwd dient te worden, dat er slechts van een afvalstof sprake zal zijn als de houder zich van de stof moet ontdoen omdat de stof in het decreet of in zijn uitvoeringsbepalingen expliciet als een afvalstof is gedefinieerd en dit ongeacht de aanwendingswijze die de houder eraan denkt te geven, dat er eveneens van een afvalstof sprake is als de houder de intentie heeft zich van een stof te ontdoen, omdat hij geen legale aanwending van de stof als product of als grondstof ter beschikking heeft, of omdat hij het product niet als grondstof wenst aan te wenden, dat de aanwending in het productieproces rechtstreeks dient te gebeuren en legaal moet gebeuren, dat zo niet de betrokken materie afvalstof is; Overwegende dat zij voorts doet gelden dat het in casu grond betreft die op zich geen afvalstof uitmaakt, dat de grond wordt aangewend voor een legale activiteit, met name het op een vergunde wijze opvullen van een zandgroeve, VII-21.298-13/20 zodat de gewestplanbestemming gerealiseerd kan worden, dat de grond hier rechtstreeks voor wordt aangewend zodat het in casu geen afvalstof betreft, dat het aanhalen van één niet-gepubliceerd vonnis van een rechtbank van eerste aanleg onvoldoende is om het besluit te motiveren, dat een gerechtelijke beslissing van de gewone rechtbanken enkel inter partes geldt en niet zomaar ten aanzien van andere instanties en partijen, dat recentere rechtspraak van het Hof van Beroep van Antwerpen deze stelling weerlegt, dat dit Hof in een arrest van 29 juni 1999 geoordeeld heeft dat zuivere grond geen afvalstof is, dat het bestreden besluit, door als bijkomende vergunningsvoorwaarde op te leggen dat bij opvulling een afzonderlijke milieuvergunning moet worden aangevraagd en verkregen de in het middel aangehaalde wetsbepalingen schendt; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat het haar niet geheel duidelijk is om welke reden de verzoekende partij artikel 13 van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse Regering geschonden acht aangezien het bestreden besluit geen rechtsgevolgen beoogt te hebben voor één of meer besturen of voor een ander bestuur; Overwegende dat zij stelt dat het bestreden besluit de toevoeging van artikel 5 als bijzondere voorwaarde als volgt motiveert : "Overwegende dat de heraanvulling van de groeve zal gebeuren, enerzijds met de ter plaatse (in het noordelijke deel) afgegraven kleilaag (ca. 8 m dik met slechte bouwkundige kenmerken) en anderzijds met grondoverschotten (vrij van stenen) van infrastructuurwerken en grondwerken; dat dient opgemerkt dat het storten van niet-verontreinigde restgronden een vergunningsplichtige activiteit is, vermits deze als afval dienen beschouwd te worden gelet op de omschrijvingen vervat in art. 5.2.4.1.5 van titel II van het Vlarem en in het Vlarea (definiëring afvalstof); dat dit bevestigd wordt door het arrest dd. 5 januari 1999 van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen (97/3811) inzake het storten van opvulgronden door de firma Stallaert in een oude ontginningsput van de firma Swenden te Rumst; dit arrest bepaalt dat het storten van grond al of niet verontreinigd met stenen krachtens art. 14 van het afvalstoffendecreet een milieuvergunningsplichtige activiteit is; Overwegende dat het bijgevolg aangewezen is in het bestreden besluit te vermelden dat de opvulling slechts kan na het verkrijgen van de vereiste milieuvergunning"; dat zij zich baseert op het advies verstrekt door OVAM, die uitdrukkelijk verwijst naar de in het bestreden besluit aangehaalde gerechtelijke uitspraak; VII-21.298-14/20 Overwegende dat zij stelt dat artikel 14 van het afvalstoffendecreet uitdrukkelijk bepaalt dat het verwijderen van afvalstoffen een vergunningsplichtige handeling als bedoeld in het milieuvergunningsdecreet is, dat zij zich heeft gebaseerd op artikel 2 van het afvalstoffendecreet, dat de heraanvulling van de ontginningsputten gebeurt met twee soorten materialen, enerzijds met ter plaatse afgegraven klei en anderzijds met grondoverschotten afkomstig van infrastructuurwerken en grondwerken van het bedrijf van de verzoekende partij zelf, dat beide stoffen materialen zijn waarvan de verzoekende partij zich wil ontdoen; dat de verwerende partij verder stelt dat een stof een afvalstof is indien de houder zich van de stof moet ontdoen omdat de stof in het decreet of in zijn uitvoeringsbepalingen expliciet gedefinieerd is als een afvalstof en dit ongeacht de aanwendingswijze die de houder eraan geeft of denkt te geven en hiervoor verwijst naar artikel 5.2.4.1.5., §1, a), van Vlarem II, de artikelen 3, § 2, 2, en 3, §5, f), van het afvalstoffendecreet en naar de bijlage 1.2.1. bij Vlarea, meerbepaald de rubrieken 01 en 17 van de afvalstoffencatalogus; Overwegende dat zij vervolgens stelt dat er tevens sprake is van een afvalstof indien de houder zich ontdoet of voornemens is zich te ontdoen van de stof omdat hij geen legale aanwending van de stof als product of als grondstof ter beschikking heeft of omdat hij niet tot de aanwending als product of als grondstof wenst over te gaan, dat de aanwending van de stof rechtstreeks in het productieproces dient te gebeuren zonder separate scheiding en/ of voorbehandeling en legaal moet zijn, dat de verzoekende partij niet tot de aanwending als product of als grondstof wenst over te gaan, dat er geen sprake is van een rechtstreekse aanwending nu de grond afkomstig van onder andere structuurwerken eerst dient te worden gesorteerd , dat er wel degelijk eerst een voorbehandeling voor de storting is, dat indien de verzoekende partij werkelijk van oordeel is dat de heropvulling op zich niet vergunningsplichtig is, het zeer eigenaardig is dat zij beweert er toch uitdrukkelijk vergunning voor te hebben gevraagd; dat de verwerende partij er verder op wijst dat de verzoekende partij bij besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 6 augustus 1996 vergunning heeft verkregen voor onder meer een stortplaats van categorie 3 - inerte afvalstoffen : "(...) dat de stortplaats een vergunde zandwinning betreft waarop een opvulverplichting rust; dat teneinde de nabestemming van de groeve volgens het gewestplan te realiseren werd geopteerd voor het opvullen van de kuil door middel van inerte afvalstoffen afkomstig van de bouw, de afbraak, de herstelling en het onderhoud van gebouwen, wegen alsook zand-, klei- en grindafzettingen", VII-21.298-15/20 en dat in hoger vermeld besluit van 6 augustus1996 werd opgemerkt dat een deel van de te ontginnen en ontgonnen gronden wel degelijk verontreinigd zijn : "Overwegende dat in de zandgroeve enkel inerte afvalstoffen mogen gestort worden die noch door uitloging, noch door interactie met andere processen nadelige gevolgen mogen hebben voor de bodem en het grondwater; dat op het terrein 4 peilputten zijn aangebracht; dat uit een hydrogeologische studie blijkt dat voor de parameters N03, Fe en PAK's overschrijdingen zijn vastgesteld van de Vlarem grenswaarden (...)", dat aangezien een deel van deze opgegraven grond in principe wordt gebruikt voor de heropvulling, het duidelijk is dat deze verontreinigde grond als afvalstof dient te worden gekwalificeerd, dat indien het storten van niet-verontreinigde gronden ontheven zou worden van vergunningsplicht, dit een hypotheek zou leggen op een gericht toezicht op de kwaliteit van deze afvalgronden, vermits hierdoor de toezichtmogelijkheden van de afdeling Milieu-inspectie fors worden ingeperkt, dat zij derhalve terecht heeft beslist dat de grond in kwestie als afvalstof dient te worden gekwalificeerd; Overwegende dat zij ten slotte stelt dat de juridische basis van de milieuvergunningsplicht artikel 14 van het afvalstoffendecreet is, dat conform de wet van 21 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, deze grondslag expliciet in het bestreden besluit wordt vermeld, dat de omstandigheid dat het gaat om het verwijderen van stoffen op afdoende wijze blijkt uit de uiteenzetting van de gegevens in het bestreden besluit, dat zij duidelijk maakt dat het gaat om afvalstoffen door een verwijzing naar de definitie van afvalstof in de terzake geldende reglementering, dat de verwijzing naar een gerechtelijke uitspraak niets anders is dan een bijkomend argument, dat noch de wet van 21 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, noch het motiveringsbeginsel zijn geschonden, aangezien de motivering draagkrachtig is zowel op feitelijk als juridisch vlak, dat ook artikel 52, 3/, b), van Vlarem I niet is geschonden aangezien dit artikel enkel voorziet dat de minister op gemotiveerde wijze uitspraak moet doen over de bezwaren van de beroepsindieners en geen betrekking heeft op de adviezen; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord in essentie geen wezenlijk nieuwe elementen meer toevoegt aan haar argumentatie; VII-21.298-16/20 2.2.4. Overwegende dat de verzoekende partij in de laatste memorie volhardt in haar argumentatie; 2.2.5. Overwegende dat artikel 52, 3/, b), van Vlarem I bepaalt dat de uitspraak van de Vlaamse minister over het beroep tegen een door de bestendige deputatie in eerste aanleg genomen beslissing over een ingediende milieuvergunningsaanvraag een gemotiveerde beslissing dient te omvatten over de aanspraken en bezwaren die door de indieners van het beroep werden gesteld; dat luidens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen alle bestuurshandelingen met individuele strekking uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd en luidens artikel 3 van die wet, de motivering de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat de motivering afdoende moet zijn; dat de belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht is gelegen in de beschouwing dat de betrokken bestuurde in het hem aanbelangende besluit zelf, de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan het werd genomen, onder meer opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is het besluit met een annulatieberoep te bestrijden; dat het noodzakelijk doch voldoende is dat het besluit duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom bepaalde door de bestuurde verdedigde stellingen niet worden gevolgd of waarom de adviezen in andersluidende zin niet worden gevolgd; Overwegende dat zowel in het advies van OVAM als in het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie is voorgesteld om in artikel 5 van de bijzondere vergunningsvoorwaarden te bepalen dat de ontgonnen zones enkel mogen worden opgevuld met de afgegraven kleilagen en met niet-verontreinigde gronden; dat het bestreden besluit iets wezenlijks anders bepaalt door zowel de afgegraven kleilagen als de niet-verontreinigde gronden te bestempelen als afval en te stellen dat de opvulling slechts mag worden aangevat nadat de vereiste milieuvergunning voor het storten van dergelijk afval is bekomen; dat het bestreden besluit voornoemde beslissing motiveert door te overwegen dat " niet verontreinigde restgronden (...) als afval dienen beschouwd te worden gelet op de omschrijvingen vervat in artikel 5.2.4.1.5 van titel II van het Vlarem en in het Vlarea (definiëring afvalstof)"; VII-21.298-17/20 Overwegende dat artikel 5.2.4.1.5. van Vlarem II ten tijde van het bestreden besluit luidde als volgt : "§ 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 5.2.4.1.2 kunnen, voor zover uitdrukkelijk bepaald in de milieuvergunning, op een categorie 3 stortplaats strikt inerte afvalstoffen worden gestort die noch door uitloging, noch door interactie met biologische processen of ingevolge natuurlijke verschijnselen nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken. Het betreft meer bepaald volgende afvalstoffen :
- a)afvalstoffen, afkomstig van de bouw, de afbraak, de herstelling en het onderhoud van gebouwen, wegen, constructies en kunstwerken met uitzondering van asbesthoudende afvalstoffen, asfalt, hout, plastiek en andere kunststoffen aangewend in de bouwsector;
- b)afvalstoffen, afkomstig van het uitgraven van materialen of stoffen in hun natuurlijke staat, voor zover ze afkomstig zijn van geologische afzettingen die tot het tertiair of kwartair tijdperk behoren (zand-, klei-, leem, mergel en grindafzettingen). § 2. Als beperking op § 1 mogen op een categorie 3 stortplaats slechts die afvalstoffen worden aanvaard die uitdrukkelijk in de milieuvergunning zijn toegelaten. Indien in de milieuvergunning niet bepaald is welke afvalstoffen mogen worden gestort, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de vergunningsaanvraag zijn vermeld"; dat deze bepaling geen definitie van het begrip afvalstof bevat; dat het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 1997 tot vaststelling van het Vlaams Reglement inzake afvalvoorkoming en - beheer (Vlarea) evenmin een definitie van het begrip afvalstof bevat; dat artikel 1.1.1., § 1, van laatstgenoemd besluit bepaalt dat de definities vermeld in het afvalstoffendecreet ook van toepassing zijn op dit besluit; dat naar het voorbeeld van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, het afvalstoffendecreet het begrip afvalstof definieert als elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen; dat de kwalificatie als afvalstof vooral afhangt van het gedrag van de houder en van de betekenis van de term "zich ontdoen van"; dat een bepaalde stof enkel kan worden vastgesteld als een afvalstof vanuit een nauwgezette analyse van de feitelijke omstandigheden; Overwegende dat in het bestreden besluit geen concrete feitelijke gegevens worden vermeld waaruit blijkt dat de niet-verontreinigde grond die de verzoekende partij afgraaft en daarna gebruikt voor de opvulling van de ontgonnen zones moet worden beschouwd als een stof waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen; dat een verwijzing naar een niet-gepubliceerde uitspraak van een gewone rechter in een andere zaak daartoe niet kan volstaan; dat het tweede middel gegrond is in de mate dat daarin de schending wordt aangevoerd van artikel 52, 3/, b), van Vlarem I en van de artikelen 2 en 3 van VII-21.298-18/20 de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 3. Overwegende dat de verzoekende partij ter terechtzitting verklaart niet meer aan te dringen op het stellen van de door haar gesuggereerde prejudiciële vraag, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 4 maart 2000 waarbij de beroepen van derden belanghebbenden ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 19 augustus 1999 gedeeltelijk worden ingewilligd en wijzigingen worden aangebracht in de bijzondere voorwaarden voor de exploitatie van de inrichting van de b.v.b.a. ZANDGROEVEN ROELANTS, een zandgroeve gelegen aan de Aardebrug/Boskant te Lubbeek. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. VII-21.298-19/20 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig juni tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-21.298-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.529 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div