← België

Arrest 172530 - Milieuvergunningen - 21/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.530 Rolnummer: A. 112095/VII-24916 Zaak: Arrest 172530 - Milieuvergunningen - 21/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-30 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 06:50 Fiche Arrest nr 172.530 van 21 juni 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.530 van 21 juni 2007 in de zaak A. 112.095/VII-24.916. In zake : de n.v. WESTERN HORSES, die woonplaats kiest bij advocaat W. DE CUYPER, kantoor houdende te SINT-NIKLAAS, Vijfstraten 57 tegen : de deputatie van de provincie ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. WESTERN HORSES op 29 oktober 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 2 augustus 2001 waarbij haar beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Herentals van 12 maart 2001, waarbij haar de vergunning wordt geweigerd tot het exploiteren van een inrichting voor het houden en fokken van paarden met dressuurpiste, gelegen Dikberd 29 te Herentals, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 103.562 van 14 februari 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, ingediend op 21 maart 2002 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; VII-24.916-1/10 Gelet op de beschikking van 27 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 7 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 juni 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN DE SIJPE die, loco advocaat W. DE CUYPER verschijnt voor de verzoekende partij, en van bestuurssecretaris M. MICHIELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de voornaamste feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij dient op 30 november 2000 bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Herentals een milieuvergunningsaan- vraag in voor de "exploitatie van een nieuwe inrichting: regularisatie van een bestaand bedrijf" gelegen te Herentals, Dikberd 29. Zij omschrijft haar aanvraag, blijkens het titelblad ervan, als de "regularisatie" van een "paardenhouderij". 1.2. Bijlage 2 bij de vergunningsaanvraag omvat volgende beschrij- ving van de exploitatie en de inrichting : "Bijlage 2. Beschrijving exploitatie en inrichting Bijlage 2.01 Doel aanvraag Doel van de aanvraag is de regularisatie van de uitbreiding van bestaande paardenstallen horend bij een paardenfokkerij. Paarden worden gekweekt en VII-24.916-2/10 getraind voor zowel dressuur als springsport. Na voltooiing van de training worden de paarden verkocht in binnen en buitenland. Volgens artikel 39, 6/ kunnen deze paardenstallen geregulariseerd worden indien zij de afgelopen jaren in exploitatie waren. Dit bedrijf voldoet hier perfect aan. De oefenruimten zijn enkel bestemd voor particulier gebruik. Er worden geen openbare manifestaties georganiseerd en het bedrijf is niet vrij toegankelijk voor derden. Achteraan de oefenruimte bevindt zich een opslagplaats voor hooi en stro. Bijlage 2.02 Beschrijving rubrieken Rubriek 9.4.3.c)1/ : Stallen voor grote zoogdieren in agrarisch gebied : Op het bedrijf zijn 74 paardenboxen aanwezig voor het stallen van paarden. De paarden staan in verscheidene stallen. Eén stal is gelegen langsheen de oefenruimte in goed verluchte boxen. Er bevinden zich verder boxen in een aparte stal langsheen de open oefenruimte. Tussen de paardenboxen bevinden zich op geregelde tijdstippen verzorgingsruimten zoals zadelkamers, wasplaatsen en solariums. Rubriek 28.2.c)1/ : Opslagplaats voor stalmest : De strorijke mest wordt opgeslagen in een mestvaalt tot het moment van afvoer. De mestvaalt bevindt zich rechts vooraan het bedrijf. Bijlage 2.03 Definities van toepassing op de inrichting (volgens Vlarem II) I nieuwe inrichting Het bedrijf wordt strikt genomen beschouwd als een nieuwe inrichting ondanks het feit dat de inrichting reeds lang in exploitatie is. De huidige uitbaters baten het bedrijf sinds meer dan 10 jaar uit. Het bedrijf is sindsdien continu in exploitatie geweest. Zoals u in bijlage 5 kan zien, werden toen reeds de nodige procedures opgestart. Bijlage 2.04 Ligging van de inrichting De ligging van de inrichting is in gewoon agrarisch gebied. Er zijn geen specifieke afstands- of verbodsregels van toepassing". 1.3. Op 12 maart 2001 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning. In de weigeringsmotieven staat enerzijds dat de inrichting een manege betreft die niet strookt met de bestemming agrarisch gebied van het gewestplan, en anderzijds "dat de inrichting niet voldoet aan artikel 36, 6/ van het nieuwe Mestdecreet van 3.3.2000 en derhalve (...) de aanvraag niet verenigbaar (

  1. is)met artikel 33ter, §1, 1/,
  2. c)van het Mestdecreet". 1.4. Met een aangetekend schrijven van 13 april 2001 gaat de verzoekende partij in beroep tegen deze weigeringsbeslissing. 1.5. In het kader van de beroepsprocedure wordt een reeks adviezen uitgebracht : (
  3. a)De afdeling Milieuvergunningen van AMINAL stelt voor de vergunning te verlenen voor de opslag van dierlijke mest doch ze te weigeren voor het stallen van 74 paarden. VII-24.916-3/10 (
  4. b)De afdeling ROHM van AMINAL adviseert ongunstig. In het advies wordt er op gewezen dat de inrichting volgens het gewestplan Herentals-Mol ligt in een agrarisch gebied en wordt de inhoud van het bestemmingsvoorschrift weergegeven. Voorts luidt het advies als volgt : "Wat de bouwvergunningstoestand betreft, kan ik het volgende meedelen : ! 11 december 1991 : weigering van een paardenfokkerij; ! 8 april 1997 : weigering door de minister van een paardenfokkerij (huidige overdekt(
  5. e)oefenruimte en paardenboxen); ! 8 april 1997 : weigering door de minister van de regularisatie nieuwbouw stallingen en uitbreiding verbruikzaal. Op 5 juli 1996 werd naar de Procureur des Konings een vordering ingediend tot herstel in de vorige staat (verwijderen van alle constructies). Op 19 september 2000 werd de nodige PV opgesteld. Daar voor de constructies van de inrichting geen enkele bouwvergunning kan voorgelegd worden, de inrichting in strijd is met de voorschriften van het gewestplan (inrichting is in feite een manège), een vordering van herstel tot de oorspronkelijke staat en zodoende de inrichting één grote bouwovertreding is, adviseer ik de milieuvergunning ONGUNSTIG". (
  6. c)De Vlaamse Landmaatschappij adviseert ongunstig. (
  7. d)De Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert ongunstig. 1.6. Op 2 augustus 2001 wordt het bestreden besluit genomen, waarvan de motivering als volgt luidt : "Overwegende dat artikel 36, 6/ van het Mestdecreet bepaalt dat milieuvergunningen voor paardenstallen behorende bij maneges die in 1996, 1997, 1998 en 1999 in exploitatie waren, kunnen worden verleend in zoverre de milieuvergunning vóór 1 december 2000 wordt aangevraagd; dat de exploitant ter zitting van de PMVC een bundel facturen heeft neergelegd waaruit zou moeten blijken dat de inrichting in exploitatie was in 1996, 1997, 1998 en 1999; dat deze facturen de aankoop betreffen van paardenvoeders in de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999; dat deze facturen als voldoende bewijs van exploitatie gedurende voormelde jaren kan gelden, aangezien artikel 36, 6/ van het Mestdecreet geen specifieke vereisten hieromtrent bepaalt; dat uit deze facturen echter duidelijk blijkt dat de hoeveelheid merrievoeding - nodig voor een paardenfokkerij - (cfr. 'PE-H.F. merries & veulens' en 'PO-paardenkorrel onderhoud') ten opzichte van de manegevoeding (cfr. 'PH-horse food manege', 'PV-paardenvlokken sport' en 'haver geplet') steeds slechts een fractie uitmaakt; dat de hoeveelheid merrievoeding trouwens sinds 1996 in de loop der jaren zelfs een steeds kleinere fractie is gaan uitmaken; dat de exploitant in zijn aanvraagdossier weliswaar vermeldt dat de inrichting een paardenfokkerij betreft, maar dat uit de bijgevoegde bouwweigeringen telkens blijkt dat de inrichting geen paardenfokkerij betrof, maar een manege; dat de inrichting nog altijd als manege blijkt geëxploiteerd te worden als men de verhouding van de voeders in de neergelegde facturen beschouwd; VII-24.916-4/10 dat de stelling van de exploitant ter zitting van de PMVC dat 'het lokaal dat aanwezig is niet als cafetaria beschouwd (dient) te worden, maar wel als een ontmoetingsruimte voor eventuele klanten, zodat het volgens hem wel degelijk een paardenfokkerij betreft en geen manege', in het licht van het voorgaande dan ook niet overtuigt en de inrichting wel degelijk als een manege beschouwd dient te worden; dat dit ook nog eens bevestigd wordt door de omschrijving van het doel van de naamloze vennootschap Western Horses in de statuten (cfr. aanvraagdossier) : 'Het fokken, africhten, verzorgen en trainen van paarden, de handel in paarden en alle artikelen welke betrekking hebben op of verband houden met de paardensport, het ter beschikking stellen van de nodige accommodatie voor de beoefening van deze sport. De uitbating van een herberg, taverne, verbruikssalon. Het organiseren van allerhande activiteiten, onder andere beurzen, manifestaties, demonstraties, shows, feesten, verkoopactiviteiten, culturele- en sportactiviteiten zonder dat deze opsomming beperkend weze. (...)'. Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Herentals - Mol, waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn : agrarisch gebied; Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, niet verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; dat de Omzendbrief dd. 8 juli 1997 betreffende de toepassing van de gewestplannen en de ontwerp-gewestplannen immers, met verwijzing naar rechtspraak van de Raad van State, verduidelijkt dat maneges niet als para- agrarische bedrijven beschouwd kunnen worden en dus onverenigbaar zijn met de bestemming agrarisch gebied; dat, indien de milieuvergunningsaanvraag afstuit op een planologische onverenigbaarheid, de bestendige deputatie de gevraagde vergunning wel moét weigeren; Overwegende dat uit het dossier blijkt dat de bouwvergunning voor deze inrichting trouwens definitief geweigerd is en de milieuvergunning, omwille van de koppeling van de bouw- en milieuvergunning, dus niet kan verleend worden; Overwegende dat de elementen, aangebracht door de aanvrager/de beroeper en het gemeentebestuur, gehoord door de PMVC, als volgt kunnen geëvalueerd worden : hiervoor kan verwezen worden naar voorgaande overwegingen; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het ingediende beroep ongegrond te verklaren, de vergunning te weigeren en bijgevolg het besluit van het schepencollege te bevestigen"; 2. De gegrondheid 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (milieuvergunningsdecreet), van artikel 50, 3/, b), van Vlarem I en van het motiveringsbeginsel en het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag; VII-24.916-5/10 Overwegende dat in de toelichting bij het tweede middel de verzoekende partij in essentie doet gelden dat zij een milieuvergunning heeft aangevraagd met als voorwerp het exploiteren van een inrichting voor het houden en fokken van paarden met dressuurpisten, inzonderheid "stallen met plaats voor 74 paarden (9.4.3.c.1/)" en "de opslag van 200 m³ dierlijke mest (28.2.c.1/)", dat in deze aanvraag het uitbaten van een rijschool, inrichting voor ruiter-, draf-, ren- en mensport of inrichting voor verhuur en africhting van paarden en andere zadeldieren (opgenomen in rubriek 32.4) niet is opgenomen, dat uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij, nadat zij de stedenbouwkundige onverenigbaarheid van maneges vaststelt met de bestemming agrarisch gebied, omwille van een planologische onverenigbaarheid de milieuvergunning voor de aangevraagde rubrieken weigert, dat deze motivering uiteraard niet afdoende, noch juridisch draagkrachtig is, vermits niet de planologische onverenigbaarheid van een manege (niet aangevraagde rubriek 32.4) dient aangetoond, doch wel deze van de aangevraagde stallen voor het houden van paarden en mestopslag, horende bij een niet-vergunningsplichtige inrichting voor het houden en fokken van paarden, dat aangehaalde motieven dan ook niet rechtstreeks in verband staan met het voorwerp van de aanvraag, dat deze motieven daarenboven uitsluitend refereren naar een bestaande toestand, doch dat zij geen rekening houden met de mogelijkheid de aangevraagde inrichting naar de toekomst toe in overeenstemming met de planologische voorschriften uit te baten hetgeen, rekening houdend met de aangevraagde rubrieken, perfect mogelijk is, dat het houden en fokken van paarden immers niet onlosmakelijk verbonden is met het uitbaten van een manege welke gebeurlijk omwille van zonevreemdheid niet in aanmerking komt voor het verlenen van een milieuvergunning, dat in de mate dat manegeactiviteiten worden aangehouden de overheid overigens beteugelend kan optreden; Overwegende dat zij voorts stelt dat zelfs indien de aanwezigheid van gebeurlijke manegeactiviteiten relevant zou zijn bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag, de motivering van het bestreden besluit dan nog niet afdoende is, dat uit niets blijkt dat zij uitsluitend manegeactiviteiten zou ontwikkelen en geen fokkerijactiviteiten, dat uit de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen blijkt dat paardenfokkerijen met uitgeruste stallen voor minstens 20 fokmerries met gebeurlijk een manege in een agrarisch gebied kunnen worden toegelaten; Overwegende dat zij voorts doet gelden dat met betrekking tot de aangevraagde opslag van 200 m³ mest niet het minste motief voor het weigeren van VII-24.916-6/10 de vergunning wordt aangegeven, hoewel het geenszins evident is dat deze opslag strijdig is met het agrarisch gebied; Overwegende dat zij ten slotte stelt dat daarenboven de motieven, individueel bekeken, evenmin afdoende zijn om aan te tonen dat de aangevraagde stallen en de opslag van dierlijke mest omwille van planologische onverenigbaarheid niet vatbaar zijn voor vergunning, dat, ten eerste, uit de facturatie van de voeders niet kan worden afgeleid dat geen fokkerijactiviteiten aanwezig zijn, dat in ieder geval een deel merrievoeding wordt omgezet in de inrichting en het aanwenden van zogenaamde manegevoeding niet uitsluit dat wordt gefokt met de paarden die deze voeding krijgen, dat uit het voeder niet blijkt dat de stallen in de toekomst niet zouden worden aangewend voor het fokken van paarden, dat, ten tweede, de in het verleden geweigerde bouwvergunningen geen motief vormen om de milieuvergunning te weigeren, dat de bouwaanvragen slaan op een manege, en daarop de milieuvergunningsaanvraag geen betrekking heeft, dat, ten derde, het motief inzake de ruimte welke als cafetaria of ontmoetingsruimte voor eventuele klanten wordt aangeduid evenmin geldig is, nu de aangevraagde inrichting perfect kan worden uitgebaat zonder een dergelijke ruimte, dat, ten vierde, uit haar maatschappelijk doel, dat zeer uitdrukkelijk het fokken van paarden omvat, niet kan worden afgeleid dat de inrichting uitsluitend zou worden aangewend als manege, dat ten vijfde, gelet op de koppelingsregeling neergelegd in artikel 5 van het milieuvergunningsdecreet de weigering van een bouwvergunning geen afdoend motief kan vormen voor het weigeren van een milieuvergunning, dat de paardenfokkerij in casu niet het voorwerp uitmaakt van een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord overgaat tot een globale weerlegging van alle aangevoerde middelen; dat zij repliceert als volgt : "Uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt voldoende waarom de bestendige deputatie het bedrijf beschouwt als een manege, en niet als een paardenfokkerij. Deze manege is niet vergunbaar om stedenbouwkundige redenen. Ook dit element is voldoende gemotiveerd. De regularisatiemogelijkheid van art. 36 betreft stallen bij o.a. maneges. Aangezien de manege onwettig wordt geëxploiteerd en aangezien deze illegale toestand niet kan vergund worden, moet deze activiteit gestopt worden. Dientengevolge is de regularisatie van de paardenstallen horend bij deze manege evenmin aanvaardbaar"; VII-24.916-7/10 2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord geen wezenlijk nieuwe elementen meer toevoegt aan haar argumentatie; 2.4. Overwegende dat de verzoekende partij in de laatste memorie geen bijkomende argumenten toevoegt; 2.5. Overwegende dat de verwerende partij van oordeel is dat de inrichting van de verzoekende partij als een manege dient te worden beschouwd en dat zij bijgevolg onverenigbaar is met het bestemmingsvoorschrift agrarisch gebied; dat de partijen niet betwisten dat de inrichting in een agrarisch gebied ligt; dat indien de vergunningsaanvraag inderdaad op een manege betrekking zou hebben, de verwerende partij overeenkomstig artikel 11.4.1. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen, terecht van oordeel is dat de inrichting niet thuishoort in een agrarisch gebied; dat in casu de vraag rijst of de vergunningsaanvraag daarop betrekking heeft; Overwegende dat in de vergunningsaanvraag van de verzoekende partij uitdrukkelijk sprake is van de indelingsrubrieken 9.4.3.c)1/, stallen voor inheemse grote zoogdieren in agrarisch gebied, en 28.2.c)1/, opslagplaats van dierlijke mest in een agrarisch gebied; dat van de indelingsrubriek 32.4, die in de bijlage van Vlarem I omschreven wordt als "rijscholen, inrichtingen voor ruiter-, draf-, ren- en mensport, inrichtingen voor verhuur en africhting van paarden en andere zadeldieren" geen sprake is; dat maneges onder de indelingsrubriek 32.4 vallen, terwijl paardenfokkerijen onder de indelingsrubriek 9.4.3 vallen; dat formeel de vergunningsaanvraag van de verzoekende partij geen betrekking heeft op een manege en de indelingsrubriek 32.4, zodat de verwerende partij de vergunning niet kon weigeren op grond van het motief dat een manege onverenigbaar is met het bestemmingsvoorschrift agrarisch gebied; Overwegende dat de verwerende partij alle documenten van het aanvraagdossier in rekening dient te nemen en dat zij desnoods de indelingsrubrieken en de omschrijving van de aard van de activiteiten die een aanvrager opgaf, kan herkwalificeren; dat in casu de zaken niet zo duidelijk zijn; dat uit het aanvraagdossier niet zonder meer kan worden afgeleid dat de exploitant een manege zal uitbaten; dat dit niet blijkt uit de omschrijving van de activiteiten noch uit de opgegeven indelingsrubrieken, maar dat ook de andere stukken van de VII-24.916-8/10 milieuvergunningsaanvraag geen doorslaggevende aanwijzingen in die richting geven; dat weliswaar uit de plannen blijkt dat er een oefenruimte en een rijpiste voor de stallen is voorzien, doch dat het fokken van paarden ook het africhten van de dieren met het oog op de verkoop kan omvatten; dat er een soort overlapping kan zijn tussen wat men als "fokactiviteiten" en "manegeactiviteiten" zou kunnen omschrijven, doch dat het marginaal uitoefenen van manegeactiviteiten niet meteen een paardenfokkerij in haar wezenskenmerken als fokkerij aantast; dat overigens men in de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen als voorbeeld van "andere para- agrarische bedrijven, die minder afgestemd zijn op de grondgebonden landbouw", "paardefokkerijen met uitgeruste stallen voor minstens 20 fokmerries met gebeurlijk een manège" opgeeft; Overwegende dat uit een aantal bouwvergunningsweigeringen en uit de voeding die overwegend aan de paarden werd verschaft blijkt dat het mogelijk is dat de verzoekende partij in het verleden manegeactiviteiten uitoefende; dat zulks in de toekomst niet noodzakelijk het geval hoeft te zijn; dat de overheid steeds kan controleren of de verzoekende partij de perken van de verleende vergunning (paardenfokkerij) niet te buiten gaat, en dat men bezwaarlijk op voorhand kan stellen dat zij een manege zal uitbaten en zich niet zal houden aan de verleende vergunning; Overwegende dat het maatschappelijk doel van de verzoekende partij zowel het fokken van paarden als het uitoefenen van manegeactiviteiten toelaat; dat aangezien de verzoekende partij niet alle activiteiten die in haar maatschappelijk doel staan opgesomd effectief moet uitoefenen, er in dat maatschappelijk doel geen argument gevonden kan worden om te stellen dat de verzoekende partij wel degelijk een manege zal uitbaten; dat de verzoekende partij daarnaast geen vergunning vroeg voor het uitbaten van een cafetaria en deze haar ook niet werd verleend; Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, er niet kan worden van uitgegaan dat de vergunningsaanvraag geen betrekking heeft op een paardenfokkerij; dat het stedenbouwkundig weigeringsmotief bijgevolg niet deugt; dat alleen al uit de indelingsrubriek 9.4.3.c), van Vlarem I blijkt dat zulke inrichtingen thuishoren in agrarisch gebied; dat dit eveneens meebrengt dat voor de weigering van de opslag van dierlijke mest geen deugdelijk weigeringsmotief voorhanden is; Overwegende dat het tweede middel gegrond is, VII-24.916-9/10 BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 2 augustus 2001 waarbij het beroep, ingesteld door de n.v. WESTERN HORSES tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Herentals van 12 maart 2001, waarbij haar de vergunning wordt geweigerd tot het exploiteren van een inrichting voor het houden en fokken van paarden met dressuurpiste, gelegen Dikberd 29 te Herentals, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig juni tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-24.916-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.530 Gerelateerde publicatie(
  8. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.103.562 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.