id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.580 Rolnummer: A. 183986/XII-5131 Zaak: Arrest 172580 - Kansspelen - 21/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-26 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 20:57 Fiche Arrest nr 172.580 van 21 juni 2007 Justitie - Kansspelen Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.580 van 21 juni 2007 in de zaak A. 183.986/XII-
- In zake : Sabine TIMMERS, die woonplaats kiest bij advocaat C. Gysen, kantoor houdende te Mechelen, Antwerpsesteenweg 16-18 tegen :
- de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie,
- de KANSSPELCOMMISSIE bij de federale overheidsdienst Justitie, die woonplaats kiezen bij advocaat B. Bronders, kantoor houdende te Oostende, F. Beernaertstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Sabine Timmers op 12 juni 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 6 juni 2007 van de kansspelcommissie tot intrekking van haar vergunning voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse II te Genk, Hoevezavellaan 7, en “voor zover als nodig”, van “de beslissing van de kansspelcommissie van 6 juni 2007 houdende over te gaan tot intrekking van de vergunning B 16954 voor de exploitatie van de kansspelinrichting Klasse II, ‘Fortuna’, gelegen te 3600 Genk, Hoevezavellaan 7”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 juni 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 juni 2007, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-5131-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat H. Porters en van advocaat T. Ryckalts, loco advocaat C. Gysen, voor verzoekster, en van advocaat B. Bronders, die verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De voorgaanden
- Verzoekster bezit een vergunning klasse B voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse II op het adres Hoevezavellaan 7 te Genk. Met een brief van 6 juli 2005 brengt de kansspelcommissie haar ter kennis dat, bij controle ter plaatse en naar aanleiding van verhoren, “mogelijke” tekortkomingen aan de bepalingen van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (hierna: de kansspelwet) en de uitvoeringsbesluiten ervan zijn vastgesteld, waarvoor wordt overwogen als sanctie de intrekking van de vergunning op te leggen. Op 7 december 2005 beslist de kansspelcommissie een eerste keer om verzoeksters vergunning in te trekken. De beslissing wordt door de Raad van State in haar tenuitvoerlegging geschorst bij arrest nr. 153.124 van 22 december
- Dientengevolge trekt de kansspelcommissie de beslissing op 4 januari 2006 in en besluit zij een nieuwe sanctieprocedure tegen verzoekster te starten. De nieuwe procedure resulteert in een nieuwe intrekking van verzoeksters vergunning, bij beslissing van 29 maart
- Ook die intrekking wordt door de Raad van State geschorst, bij arrest nr. 157.578 van 13 april
- Op 5 juli 2006 trekt de kansspelcommissie de beslissing van 29 maart 2006 in en besluit zij eens te meer tot het instellen van een sanctieprocedure tegen verzoekster. Op 13 november 2006 wordt verzoeksters vergunning voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse II een derde keer ingetrokken. De XII-5131-2/7 intrekking wordt bij arrest van de Raad van State, nr. 165.239 van 28 november 2006, in haar tenuitvoerlegging geschorst. Weer volgen, op 10 januari 2007, een intrekking van het geschorste besluit en een nieuwe beslissing tot het starten van een sanctieprocedure tegen verzoekster. Op 9 mei 2007 trekt de kansspelcommissie een vierde keer verzoeksters vergunning klasse B in. De intrekking wordt bij arrest nr. 171.569 van 25 mei 2007 door de Raad van State geschorst en op 6 juni 2007 door de kansspelcommissie ingetrokken. “Aangezien”, aldus het verslag van de zitting van 6 juni 2007 van de kansspelcommissie, “de termijn zoals voorzien in artikel 5 van het KB van 20 juni 2002 betreffende de sancties die de kansspelcommissie kan opleggen nog niet is verlopen, [...] kan de kansspelcommissie binnen deze sanctieprocedure terug overgaan tot het nemen van een beslissing.” Die beslissing bestaat erin dat verzoeksters vergunning een vijfde keer wordt ingetrokken. Het voorwerp van de vordering
- Volgens de verwerende partijen betreft “de tweede aangevochten beslissing enkel een verslag van de vergadering” en is de vordering op dat punt onontvankelijk.
- In de tweede bestreden beslissing lijkt de kansspelcommissie alleen maar uiting te geven aan haar voornemen een beslissing te nemen, welk voornemen zij met de eerste bestreden beslissing uitvoert. In de huidige stand van de procedure wordt het tweede voorwerp van de vordering dan ook geacht met het eerste voorwerp samen te vallen. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid besloten worden onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de XII-5131-3/7 bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is.
- De voorwaarde van een ernstig middel. Verzoekster voert in een vierde middel onder meer de schending aan van artikel 5 van het koninklijk besluit van 20 juni 2002 betreffende de sancties die de kansspelcommissie kan opleggen. Verzoekster licht toe dat zij op 6 juli 2005 een eerste maal in kennis is gesteld van het starten van een sanctieprocedure, dat de initiële beslissing tot het starten van de sanctieprocedure niet werd ingetrokken, dat ondertussen “de termijn van zes maanden in toepassing van artikel 5 van het K.B. van 20.06.2002 reeds lang overschreden is”, en dat artikel 6 van het koninklijk besluit “uitdrukkelijk [stelt] dat de termijn bepaald in artikel 5 op straffe van nietigheid moet worden nageleefd”.
- Verwerende partijen betwisten in de eerste plaats dat verzoekster belang heeft bij het middel : “Het gegeven dat er ten gevolge van de procedures bij Uw Raad ondertussen enige tijd is verstreken tussen het vaststellen van de inbreuken op de Kansspelwet en de daaruit voortvloeiende uiteindelijke sanctiebeslissing is [...] enkel in het voordeel van verzoekende partij, die haar kansspelinrichting door het uitblijven van een beslissing ondertussen gewoonweg verder kan exploiteren, en daarvan verder de inkomsten kan genieten”. Voorts wijzen verwerende partijen er op dat het koninklijk besluit van 20 juni 2002 in een strikte procedure voorziet, met bij elke procedurestap welbepaalde termijnen die moeten worden nageleefd en die bovendien op mekaar zijn afgestemd, dat dit tot gevolg heeft “dat indien één van de procedurestappen dient te worden overgedaan, zoals in casu wegens een schorsingsarrest van Uw Raad en een daaropvolgende intrekkingsbeslissing van de kansspelcommissie, de procedure doorgans de facto volledig moet worden hernomen, teneinde de noodzakelijke procedurestappen tijdig te kunnen voldoen”, dat de kansspelcommissie verplicht was wegens het gezag van gewijsde van de arresten van de Raad van State om verzoeker opnieuw te horen en om nieuwe benoemingsbesluiten uit te vaardigen, dat daaruit logischerwijze volgt dat zij tevens verplicht was om de sanctieprocedure volledig te hernemen, dat de intrekking van de sanctiebeslissing impliciet eveneens de intrekking meebracht van de beslissing tot het starten van de sanctieprocedure en de opheffing van de kennisgeving van de beslissing om de sanctieprocedure te starten, dat hoe dan ook geen enkele bepaling XII-5131-4/7 verbiedt om een nieuwe sanctieprocedure te starten indien de vorige overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 juni 2002 geacht wordt nietig te zijn.
- Luidens artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 juni 2002 betreffende de sancties die de kansspelcommissie kan opleggen, stelt de kansspelcommissie de betrokken houder van de vergunning bij ter post aangetekend schrijven in kennis van 1/ alle ten laste gelegde feiten; 2/ de maatregel die de commissie voornemens is op te leggen; 3/ het recht van de betrokkene om zijn dossier in te zien; 4/ het recht van de betrokkene zich te laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat naar zijn keuze; 5/ de plaats van inzage van het dossier. Artikel 5 schrijft voor dat de commissie een beslissing neemt binnen zes maanden te rekenen van de kennisgeving per aangetekend schrijven. Naar eis van artikel 6 moet de termijn op straffe van nietigheid van de procedure worden nageleefd.
- Op het eerste gezicht strekken de artikelen ertoe de betrokken vergunninghouder een spoedige uitspraak over de bestraffen van de hem ten laste gelegde feiten te garanderen. Het gaat op het eerste gezicht dan ook niet op om, zoals verwerende partijen doen, verzoekster belang bij het middel te ontzeggen “gezien de tijd enkel in haar voordeel speelt”. De exceptie lijkt haaks op de ratio van de in het middel aangevoerde onwettigheid te staan. Zij wordt vooralsnog als ongegrond verworpen.
- De kansspelcommissie heeft verzoekster een eerste keer de kennisgeving, bedoeld in het voormeld artikel 1, gedaan met een aangetekend schrijven van 6 juli
- Ten onrechte meent verwerende partijen dat met die kennisgeving geen rekening mag worden gehouden omdat de kansspelcommissie verplicht was, ten gevolge van de schorsing van haar sanctiebeslissing van 7 december 2005, de procedure volledig te hernemen en omdat in die omstandigheden de intrekking van de geschorste beslissing ook impliciet de kennisgeving ongedaan zou hebben gemaakt. Die zienswijze lijkt niet juist. Het is op het eerste gezicht een misvatting dat de schorsing van de beslissing van 7 december 2005 -omdat verzoekster niet naar behoren was gehoord-, de kansspelcommissie ertoe verplichtte XII-5131-5/7 om een nieuwe beslissing te nemen, laat staan nog om de sanctieprocedure volledig te hernemen. Ten hoogste lijkt eruit te volgen dat, índien de geschorste beslissing zou worden ingetrokken en indien de kansspelcommissie zou wensen opnieuw verzoeksters vergunning opnieuw in te trekken, zij niet tot die intrekking mag overgaan dan na verzoekster, dit keer, eerst behoorlijk te hebben gehoord. Het arrest verantwoordt op het eerste gezicht niet dat de intrekking van de sanctiebeslissing van 7 december 2005 de kennisgeving van 6 juli 2005 mag doen voorbijzien.
- Het koninklijk besluit van 20 juni 2002 voorziet niet in de mogelijkheid voor de kansspelcommissie om, eens zij een sanctieprocedure heeft gestart, die procedure te herbeginnen, te dezen zelfs tot drie keer toe. De mogelijkheid om zich -steeds weer- een nieuwe termijn van zes maanden toe te kennen, weze het omdat de vorige sanctieprocedure “wordt geacht nietig te zijn”, is voor de kansspelcommissie ongetwijfeld gemakkelijk, maar evengoed van aard om de ingestelde termijnregeling van haar zin te beroven.
- Verzoekster lijkt terecht aan te voeren dat, nu zij op 6 juli 2005 in kennis werd gesteld van het starten van de sanctieprocedure, de kansspelcommissie vanwege het verstrijken van de termijn van zes maanden niet wettig nog op 6 juni 2007 kon beslissen haar vergunning in te trekken. Het middel is ernstig.
- De voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel en van de dringende noodzakelijkheid. Verzoekster zet uiteen dat zij op uiterst korte termijn in haar voorbestaan bedreigd wordt, dat een faillissement, met onder meer het verlies van aanzienlijke investeringen, onvermijdelijk is, dat zij dan ook een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt, en dat een schorsing volgens de gewone procedure “ontegensprekelijk te laat” zal komen.
- Verwerende partijen verklaren zich terzake naar de wijsheid van de Raad te gedragen.
- De Raad van State ziet geen reden om terzake anders te oordelen dan hij deed in zijn arresten met nrs. 153.124, 157.578 en 165.239 en 171.
- Mede gelet op verzoeksters stavingsstukken worden ook de tweede en derde voorwaarde voor een schorsing vervuld geacht. XII-5131-6/7 OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De tenuitvoerlegging van de beslissing van 6 juni 2007 van de kansspelcommissie tot intrekking van de aan Sabine Timmers verleende vergunning voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse II te Genk, Hoevezavellaan 7, wordt geschorst. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig juni 2007, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5131-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.580 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.472 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.