id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.623 Rolnummer: A. 57242/X-9402 Zaak: Arrest 172623 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-29 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 21:00 Fiche Arrest nr 172.623 van 22 juni 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.623 van 22 juni 2007 in de zaak A. 57.242/X-9402. In zake : 1. Simon VAN DER HEYDEN, wonende te 9860 OOSTERZELE, Roosbloemstraat 3, 2. Guy DE SCHRYVER, wonende te 9300 AALST, Hertshage 64/5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij, advocaat P. TAELMAN, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. tussenkomende partij: Christel LEUS, wonende te 9860 OOSTERZELE, Roosbloemstraat 8c. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Simon VAN DER HEYDEN en Guy DE SCHRYVER op 31 maart 1994 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 oktober 1993 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden houdende verwerping van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 18 februari 1993 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost- Vlaanderen waarbij het beroep door de heer en mevrouw VAN BEVER-LEUS ingesteld tegen de beslissing van 23 november 1992 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oosterzele tot weigering van de bouwvergunning voor het oprichten van een aardappelloods op een perceel gelegen te Oosterzele, Roosbloemstraat, kadastraal bekend sectie A, nr. 691, ingewilligd wordt; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 5 januari 1995 ingediend door Christel LEUS; X-9402-1/6 Gelet op de beschikking van 11 januari 1995 die de tussenkomst van Christel LEUS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 5 april 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 januari 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 16 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. GIJSEL, die verschijnt voor de eerste verzoekende partij, van advocaat I. BOCKSTAELE, die loco advocaat P. TAELMAN verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat E. RENTMEESTERS, die loco advocaat W. DE CUYPER verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verwerende partij met een brief van 1 februari 2007 een uittreksel uit het bevolkingsregister van de gemeente Oosterzele heeft neergelegd waaruit blijkt dat de tweede verzoeker niet meer woonachtig is te Oosterzele, Roosbloemstraat 10; dat de tweede verzoeker ter terechtzitting niet is verschenen noch vertegenwoordigd was; dat hij niet meer doet blijken van het rechtens vereiste actueel belang; dat het beroep in zijnen hoofde niet ontvankelijk is; X-9402-2/6 Overwegende dat de verwerende partij een exceptie van niet- ontvankelijkheid ratione temporis opwerpt; dat zij uiteenzet dat “belanghebbende derden (...) een eventueel annulatieverzoek (dienen) in te dienen binnen een termijn van 60 dagen ingaande vanaf het ogenblik waarop zij kennis hebben of dienden te hebben van de bestreden beslissing”, dat de verzoekende partijen zelf aangeven dat de kwestieuze loods werd opgericht midden januari 1994, en dat het beroep werd ingesteld op 30 maart 1994, dat “de termijn van 60 dagen (...) dan ook ruimschoots (
- is)verstreken na kennisname van de bouwactiviteiten op het betrokken perceel”; Overwegende dat de bestreden bouwvergunning noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend diende te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop verzoekers er kennis van hebben gehad of geacht moeten worden er kennis van te hebben gehad; dat het evenwel niet in de macht van een potentiële verzoeker mag liggen, wanneer hij in de mogelijkheid is om kennis te nemen van een bestuurshandeling die hij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen van dien; dat het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, meebrengen dat degene die meent te worden benadeeld door een bouwvergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de mogelijkheid die hem door artikel 2 van het alsdan geldende koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, werd geboden om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven bouwvergunning; dat eens die redelijke termijn verstreken, de termijn van 60 dagen om annulatieberoep in te dienen, een aanvang neemt; X-9402-3/6 Overwegende dat de verzoekende partijen op 5 maart 1994 mede een brief hebben ondertekend, gericht aan de toenmalige ombudsman van de Vlaamse Gemeenschap; dat in deze brief wordt gesteld dat “ongeveer 2 jaar na het optrekken van een eerste grootschalige loods in onze straat, (...) er plots midden januari 1994 een tweede loods in dit schitterend landelijk landschap (kwam)”; dat aldus vaststaat dat de eerste verzoeker op dat ogenblik kennis had van het oprichten van de betrokken loods en derhalve wist of alleszins moest weten dat er voor deze loods een bouwvergunning was of alleszins diende te zijn verleend; dat de eerste verzoeker geen stukken bijbrengt waaruit blijkt dat hij het nodige heeft gedaan om, nadat hij op het terrein de oprichting van de loods had vastgesteld, op grond van voormeld artikel 2 van het alsdan geldende koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, binnen een redelijke termijn ten gemeentehuize inzage te nemen van de inhoud van de afgegeven bouwvergunning; dat hij integendeel slechts met een op 29 maart 1994 ter post aangetekende brief, dit is méér dan zestig dagen na de vaststelling, het gemeentebestuur voor het eerst om inzage in het betreffende dossier heeft gevraagd; dat in tegenstelling tot hetgeen de eerste verzoeker in zijn laatste memorie lijkt aan te nemen, waar hij aanvoert dat hij op het ogenblik van het instellen van het beroep slechts over “de summiere informatie van het overzicht” beschikte en dat “de regelgeving inzake ruimtelijke ordening (...) dermate complex en weinig transparant (
- is)dat het voor leken een huzarenstukje wordt om informatie te verwerven en aan de weet te komen of een vergunning al dan niet terecht is toegekend”, het niet op het ogenblik is waarop een verzoeker kennis krijgt van de eventuele onwettigheid van een beslissing dat de beroepstermijn een aanvang neemt; dat in zoverre de eerste verzoeker in zijn laatste memorie nog aanvoert dat “de aarzeling om effectief de stap naar de Raad van State te zetten (...) enkel (was) gebaseerd op het feit dat wij geen kennis hadden van de letterlijke inhoud van de beslissingen en adviezen in dit dossier” hij zichzelf tegenspreekt nu hij in zijn verzoekschrift uitdrukkelijk verwijst naar “de opeenvolging van negatieve adviezen van de terzake bevoegde instanties”, en meer bepaald zelf de ongunstige adviezen van de gemachtigde ambtenaar van 13 november 1992 en 31 maart 1993 aanhaalt, en zelfs in een derde middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht “doordat het bestreden besluit (...) niet opgeeft waarom van het advies van de gemachtigde ambtenaar van de Ruimtelijke Ordening wordt afgeweken”; dat de eerste verzoeker, ondanks de opgeworpen exceptie van laattijdigheid en het verslag van het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het auditoraat, waarin deze exceptie gegrond wordt bevonden, in zijn laatste memorie de Raad van State nog steeds in het ongewisse laat omtrent het X-9402-4/6 ogenblik waarop hij dan wel kennis heeft gekregen van de bestreden bouwvergunning en de inhoud ervan, kennis die hij blijkens de uiteenzetting van de middelen op het ogenblik van het instellen van het beroep wel degelijk had; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de eerste verzoeker reeds midden januari 1994 kennis had van de oprichting van de betrokken loods; dat hij moest weten dat er voor een bouwwerk zoals deze loods een voorafgaande bouwvergunning vereist is; dat hij heeft nagelaten binnen een redelijke termijn ten gemeentehuize kennis te gaan nemen van de bouwvergunning; dat het beroep slechts is ingesteld op 31 maart 1994, d.i. méér dan zestig dagen na het verstrijken van de redelijke termijn om kennis te nemen van de bestreden bouw- vergunning; dat het beroep laattijdig is ingesteld; dat de exceptie van niet- ontvankelijkheid gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-9402-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-9402-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.623 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div