id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.679 Rolnummer: A. 131576/X-11284 Zaak: Arrest 172679 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-09 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 21:01 Fiche Arrest nr 172.679 van 25 juni 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK.nr. 172.679 van 25 juni 2007 in de zaak A. 131.576/X-11.
- In zake : Florimond DE WEIRT, die woonplaats kiest bij advocaat K. BOUVE, kantoor houdende te 8420 DE HAAN, Mezenlaan 9 tegen:
- de STAD DIKSMUIDE, die woonplaats kiest bij advocaat G. AMPE, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, Kerkstraat 8 b1
- het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- verzoekster in tussenkomst: de n.v. COSMAT, die woonplaats kiest bij advocaten D. COOL en T. VANCOILLIE kantoor houdende te 8610 KORTEMARK, Torhoutstraat
- DE RAAD VAN STATE, Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Florimond DE WEIRT op 8 januari 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 13 november 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Diksmuide, waarbij aan de n.v. COSMAT de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het verbouwen van een ex-veevoederfabriek tot een ecologisch centrum met natuurklassen en jeugdherberg, op een perceel gelegen te Diksmuide, Grote Dijk 5-6, kadastraal bekend sectie A, nr. 320/a2; X-11.284-1/5 Gelet op het arrest nr. 119.845 van 23 mei 2003 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt bevolen; Gelet op het arrest nr. 161.250 van 11 juli 2006 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 18 oktober 2006 die de neerlegging ter griffie van het aanvullend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 8 februari 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 2 maart 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. VANDEN BERGHE, die loco advocaat K. BOUVE verschijnt voor de verzoeker, van advocaat J. JOOS, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat I. HAMEEUW, die loco advocaten D. COOL en T. VANCOILLIE verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur S. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de hoofdgriffier bij de kennisgeving van het arrest houdende schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit aan de verwerende partijen en aan degene die belang heeft bij de beslechting van de zaak melding heeft gemaakt van artikel 17, § 4bis, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 15bis, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kortgeding voor de Raad van State; X-11.284-2/5 Overwegende dat naar luid van voornoemd artikel 17, § 4bis, de Raad van State de akte of het reglement kan nietig verklaren waarvan de schorsing gevorderd wordt indien, binnen dertig dagen te rekenen van de kennisgeving van het arrest waarbij de schorsing wordt bevolen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging is ingediend door de verwerende partij of degene die belang heeft bij de beslechting van de zaak; Overwegende dat de verwerende partijen geen verzoek tot voortzetting hebben ingediend; Overwegende dat de verzoekster in tussenkomst op 1 juli 2003 een verzoek tot tussenkomst in de annulatieprocedure en tot voortzetting van het geding heeft ingediend; dat de beslissing tot tussenkomst in en tot voortzetting van het geding is genomen op 28 juni 2003 door de buitengewone algemene vergadering van de verzoekster in tussenkomst; Overwegende dat artikel 522, §2, van het Wetboek van vennootschappen het volgende bepaalt: “De raad van bestuur vertegenwoordigt de vennootschap jegens derden en in rechte als eiser of als verweerder. De statuten kunnen echter aan een of meer bestuurders bevoegdheid verlenen om alleen of gezamenlijk de vennootschap te vertegenwoordigen. Zodanige bepaling kan aan derden worden tegengeworpen. De statuten kunnen aan deze bevoegdheid beperkingen aanbrengen, maar deze beperkingen kunnen, evenmin als de eventuele verdeling van de taken door de bestuurders overeengekomen, niet aan derden worden tegengeworpen, ook al is die beperking of verdeling openbaar gemaakt”; Overwegende dat artikel 17, tweede alinea van de statuten van de verzoekster in tussenkomst, onder de titel “de machten van de raad van beheer”, bepaalt dat “twee beheerders bevoegd (zijn) om alleen de vennootschap te vertegenwoordigen jegens derden en in rechte als eiser of verweerder op te treden”; Overwegende dat de bevoegdheid tot het vertegenwoordigen van de vennootschap in rechte, als eiser of als verweerder, niet kan afgesplitst worden van de bevoegdheid tot het nemen van de beslissing in rechte te treden; Overwegende dat uit de samenlezing van artikel 522, §2, van het Wetboek van vennootschappen en artikel 17, tweede alinea van de statuten van de verzoekster in tussenkomst blijkt dat de beslissing om in rechte te treden moest X-11.284-3/5 worden genomen door de raad van bestuur of minstens door twee personen in hun hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap; dat die beslissing echter is genomen door de buitengewone algemene vergadering van de vennootschap; dat ze dan ook niet regelmatig in rechte is getreden; Overwegende dat de verzoekster in tussenkomst zich niet met goed gevolg kan beroepen op de beschikking van 8 juli 2003 waarbij haar verzoek tot tussenkomst toelaatbaar wordt verklaard; dat dergelijke beschikking slechts een voorlopig karakter heeft; dat pas in het eindarrest definitief over de ontvankelijkheid van het verzoek tot tussenkomst wordt beslist; dat zij zich evenmin vermag te beroepen op het tussenarrest nr. 161.250; dat dit arrest immers geen uitspraak bevat over de rechtsgeldigheid van het verzoek tot tussenkomst; Overwegende dat de verwijzing van de verzoekster in tussenkomst naar de artikelen 178 en 198, §2, lid 3, van het Wetboek van vennootschappen, de rechtspraak van het Hof van Cassatie en de rechtsleer m.b.t. het vereiste van gerechtelijke vaststelling van de nietigheid van het besluit van de algemene vergadering evenmin ter zake dienend is; dat de ontvankelijkheid van een verzoek om voor de Raad van State in rechte te treden de openbare orde raakt; dat de vennootschapsrechtelijke bepalingen met betrekking tot de nietigheid of het verval van beslissingen van organen van de vennootschap ten aanzien van derden in zoverre ze onverenigbaar zijn met de procedureregels voor de Raad van State, niet tegen deze regels kunnen worden ingeroepen; Overwegende dat de verzoekster in tussenkomst zich ten slotte ook niet kan beroepen op het feit dat personen die de beslissing als lid van de algemene vergadering hebben genomen en ondertekend ook lid zijn van haar raad van bestuur; dat de raad van bestuur en de algemene vergadering onderscheiden organen van een vennootschap zijn, met verschillende bevoegdheden en werkwijze; dat het feit dat leden van het ene orgaan ook lid zijn van het andere hieraan geen afbreuk doet; dat de Raad van State niet vermag uit te maken of de beslissing indien ze zou zijn genomen door het daartoe bevoegde orgaan dezelfde zou zijn geweest als deze genomen door het onbevoegde orgaan; Overwegende dat bijgevolg de partij die belang heeft bij de beslechting van de zaak niet rechtsgeldig in de annulatieprocedure is tussengekomen en evenmin binnen de termijn van dertig dagen een rechtsgeldig verzoek tot X-11.284-4/5 voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend; dat er reden is om de beslissing waarvan de schorsing van de tenuitvoerlegging is bevolen nietig te verklaren, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 13 november 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Diksmuide, waarbij aan de n.v. COSMAT de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het verbouwen van een ex-veevoederfabriek tot een ecologisch centrum met natuurklassen en jeugdherberg, op een perceel gelegen te Diksmuide, Grote Dijk 5- 6, kadastraal bekend sectie A, nr. 320/a
- Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig juni 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.284-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.679 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.119.845 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.250 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div