id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.685 Rolnummer: A. 91366/IX-2365 Zaak: Arrest 172685 - Voedselveiligheid (FAVV) - 25/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-02 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 21:02 Fiche Arrest nr 172.685 van 25 juni 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.685 van 25 juni 2007 in de zaak A. 91.366/IX-2365. In zake : Louis VAN DEN BROECK, die woonplaats kiest bij advocaat M. GEYSKENS, kantoor houdende te MEERHOUT, Groenstraat 34 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landbouw en Middenstand, thans het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV), die woonplaats kiest bij advocaat J. FRANSEN, kantoor houdende te OVERPELT, Burgemeester Van Lindtstraat 61. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Louis VAN DEN BROECK op 29 april 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : - de beslissing van 3 maart 2000 waarbij aan zijn bedrijf het residustatuut R40 wordt toegekend, - de beslissing van 13 maart 2000 van de inspecteur-dierenarts van het ministerie van Landbouw waarbij alle voorgedrukte saniteletiketten van alle varkens op zijn bedrijf voorlopig in beslag genomen worden met de bedoeling ze te merken met het R40-statuut voor de duur van 8 weken vanaf 3 maart 2000 en waarbij verzoeker het verbod wordt opgelegd zich van zijn dieren te ontdoen in afwachting van de merking; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de beschikking van 19 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-2365-1/14 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 26 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 april 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. GEYSKENS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat B. VAN TASSEL die, loco advocaat J. FRANSEN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. In het kader van “de programmatie residuplan in toepassing van de richtlijn 96/23/EG en de beschikking 98/179/EG” wordt op 22 juni 1999 door het Instituut voor Veterinaire Keuring (IVK) in een slachthuis te Bavegem een monster- neming “varkens” uitgevoerd op een aantal dieren afkomstig van het bedrijf “nr. 101-42677”. Uit de analyse van het monster -verslag van 6 januari 2000- blijkt dat het teveel kiemgroeiremmende stoffen bevat. Er wordt met name een concentratie van 6571 :g/kg sulfadimethoxine vastgesteld, terwijl de norm 100 :g/kg bedraagt. Het gaat om een residu van een toegestane stof als gevolg van de toediening van een geneesmiddel. Het IVK deelt op 11 februari 2000 het resultaat van het onderzoek mee aan de veterinaire diensten van het ministerie van Landbouw. 1.2. In verband met de gedane vaststellingen wordt verzoeker verhoord op 2 maart 2000. In zijn verklaring stelt hij het volgende : IX-2365-2/14 “(...) Ik ben de verantwoordelijke van dit bedrijf. Volgens mijn permanente inventaris zijn er inderdaad op 22-06-1999 negen zeugen verkocht aan Swaegers uit Rijkevorsel met bestemming slachthuis. Het product sulfadimethoxine ken ik niet. Het is wel zo dat gespeende zeugen behandeld worden met een mengsel van sulfapreparaat maar deze zeugen worden normaal niet geslacht maar klaargemaakt om terug gedekt te worden. Op het bedrijf komen 2 dierenartsen namelijk Dr. J. Creemers en Dr. J. Van Broeckhoven. Het zou ook kunnen dat 1 van de dierenartsen dit product heeft ingespoten maar als ik weet dat een zeug ingespoten is zal ze blijven zitten en niet geslacht worden. Ik lever vleesvarkens met een attest vrij van toegediende stoffen. Hierop word ik regelmatig gecontroleerd telkens met negatief resultaat (...).”. 1.3. Met een brief van 3 maart 2000 deelt de veterinaire dienst van het bestuur voor de Dierengezondheid en de Kwaliteit van de Dierlijke Produkten van het ministerie van Landbouw aan verzoeker de uitslag van het onderzoek mee. Met verwijzing naar het analyseresultaat en het verhoor van verzoeker wordt gesteld : “(...) Wordt in toepassing van K.B. van 08/09/97 (betreffende maatregelen inzake de verhandeling van landbouwdieren, ten aanzien van bepaalde stoffen of residu’s daarvan met farmacologische werking) en M.B. van 10/09/97 (houdende uitvoering van het koninklijk besluit betreffende maatregelen inzake de verhandeling van landbouwdieren, ten aanzien van bepaalde stoffen of residu’s daarvan met farmacologische werking) aan uw bedrijf het residustatuut R40 toegekend dat zal worden vermeld op het vignet van uw varkensbeslag. Dit merken zal worden aangehouden gedurende een periode van 8 weken. Deze periode wordt verlengd tot 26 weken indien in de loop ervan een nieuwe inbreuk wordt vastgesteld. Eens de bedoelde periode is verstreken kan de verantwoordelijke nieuwe vignetten laten aanmaken op zijn kosten. Bedrijven met een R-statuut hebben geen handelsbelemmeringen. Bij aankoop van dieren uit een bedrijf met R00-statuut krijgen deze automatisch het R-statuut. Bij verkoop van dieren met een R-statuut zullen deze in het beslag van de overnemer automatisch het R00-statuut krijgen. Bij slachting (zullen) in toepassing van het K.B. van 11 oktober 1997 dat het K.B. van 9 maart 1953 o.a. aanvult met een art. 21ter laboratoriumonderzoeken uitgevoerd worden op één geslacht dier per 10 of fractie van 10 ter slachting aangeboden dieren uit hetzelfde beslag.” Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.4. Met toepassing van het koninklijk besluit van 8 september 1997 betreffende de maatregelen inzake de verhandeling van landbouwhuisdieren, ten aanzien van bepaalde stoffen of residu’s daarvan met farmacologische werking, deelt de inspecteur-dierenarts met een pro justitia van 13 maart 2000 de beslissing mee “om alle voorgedrukte saniteletiketten van alle varkens voorlopig in beslag te nemen met de bedoeling deze te merken op zijn/haar kosten met het R40-statuut voor de duur van 8 weken beginnend vanaf 03/03/2000 omwille van : IX-2365-3/14 1. Een positief analyseresultaat van (een) monster(
- s)genomen op datum 22/06/1999 in het slachthuis van Bavegem (kopie resultaat in bijlage). 2. De enquête uitgevoerd door dr J Meynen, sanitaire dierenarts op 02/03/2000 (in bijlage)”. Er wordt nog meegedeeld dat verzoeker “zich om geen enkele reden mag ontdoen van zijn/haar dieren en dat hij/zij er zorg moet voor dragen in afwachting van de merking (sanitelprint in bijlage)”. Dit is de tweede bestreden beslissing. 1.5. Bij beschikking van 13 april 2000 van de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout, rechtsprekend in kort geding, is de schorsing bevolen van de beslissing van 3 maart 2000. 2.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 2, e), van de Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in producten daarvan en tot intrekking van de Richtlijnen 85/358/EEG en 86/469/EEG en de Beschikkingen 89/187/EEG en 91/664/EEG (hierna: de Richtlijn), doordat die bepaling een “officieel monster” definieert, terwijl hij ontoereikende informatie gekregen heeft over de herkomst van het onderzochte staal en het moment van de monstername en terwijl er onzekerheid bestaat over de wijze waarop het afgenomen monster bewaard werd tussen 22 juni 1999 en 11 februari 2000, zodat de monsterneming niet conform de Richtlijn gebeurd is; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat, aangezien verzoeker op grond van de permanente inventaris van zijn bedrijf op 2 maart 2000 heeft kunnen bevestigen dat hij op 22 juni 1999 negen zeugen verkocht heeft met bestemming slachthuis en aangezien het klopnummer van het bemonsterd dier overeenstemt met het klopnummer van de varkens die van zijn bedrijf afkomstig waren, er over de herkomst van het monster geen twijfel bestaat, dat het monster in een gespecialiseerd laboratorium bewaard geworden is, dat verzoeker het resultaat van het onderzoek niet betwist heeft en hij ook geen tegenonderzoek gevraagd heeft, hoewel dit mogelijk was; dat zij besluit dat niet bewezen is dat het staal niet volgens de bestaande wetgeving genomen zou zijn; IX-2365-4/14 2.3. Overwegende dat verzoeker repliceert dat de verwerende partij tekort gekomen is aan de op haar rustende informatieverplichting, die door de Richtlijn ingevoerd is ten voordele van degene die door een monstername benadeeld zou kunnen worden, aangezien hij geen informatie gekregen heeft over de aard van het monster of de wijze van verpakken of bewaren van het staal en dat hij slechts op 2 maart 2000 in kennis gesteld werd van het bestaan van een positief staal; 2.4.1. Overwegende dat verzoeker aanvoert dat het monster, dat aan de basis ligt van de bestreden beslissing, niet voldoet aan de vereisten die de Richtlijn stelt om te kunnen gewagen van een “officieel monster” dat rechtsgeldig tot maatregelen tegen hem kon leiden; dat hij zich in wezen verzet tegen het feit dat hij, als eigenaar van een bemonsterd dier, lange tijd in onwetendheid gehouden is over de monsterneming zelf en over de weg die het monster gevolgd heeft vooraleer hem het onderzoeksresultaat medegedeeld is; 2.4.2. Overwegende dat, daargelaten de vraag of verzoeker de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan verkrijgen op grond van de miskenning van een definitie opgenomen in een Europese richtlijn die tot de lidstaten gericht is en die nog in de nationale rechtsorde omgezet moet worden, uit de Richtlijn in ieder geval niet blijkt dat de rechtsgeldigheid van een monster afhangt van het verstrekken van bepaalde informatie aan de eigenaar van het dier, laat staan dat die informatieverstrekking binnen een bepaalde termijn na de monsterneming zou moeten gebeuren; dat artikel 2, e), van de Richtlijn een “officieel monster” immers omschrijft als een monster “waarop zowel gegevens inzake de diersoort, de aard van het monster, de hoeveelheid en de wijze van monsterneming (
- en)gegevens ter identificatie van het geslacht van het dier alsmede van de oorsprong van het dier (...) zijn vermeld”; Overwegende dat uit het “inlichtingsformulier” dat het IVK in het kader van de Richtlijn op 7 januari 2000 opgemaakt heeft, blijkt dat het monster met nummer VP/vlees/DEP/99/25/030, bestaande uit “nier en vlees”, waarvan het laboratorium hem op 6 januari 2000 het analyseresultaat had bezorgd, op 22 juni 1999 afgenomen was van een varken, afkomstig van het bedrijf met beslagnummer 101-42677 en dat het monster betrekking had op het klopnummer 2NV2; dat verzoeker die vaststellingen niet betwist en dat hij bij zijn verhoor op 2 maart 2000 ook niet ingegaan is op het aanbod om “bepaalde opsporings- of onderzoeks- handelingen” te vragen, met name of de vaststellingen van de inspecteur wel IX-2365-5/14 correspondeerden met de vermeldingen op het monster; dat hij integendeel op dat ogenblik bevestigd heeft dat op 22 juni 1999 negen zeugen van zijn bedrijf naar het slachthuis vertrokken zijn en dat gespeende zeugen behandeld worden met een sulfapreparaat, terwijl hij ook niet betwist heeft dat het klopnummer dat op het monster aangebracht werd overeenstemt met het nummer dat aan de lading van zijn bedrijf gegeven is; dat met die gegevens voor ogen aangenomen kan worden dat het positief bevonden monster voldeed aan de voorwaarden die de verwerende partij toelieten om het als feitelijke grondslag van de bestreden beslissing in overweging te nemen; dat het middel niet gegrond is; 3.1. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit van 8 september 1997 betreffende maatregelen inzake de verhandeling van landbouwdieren, ten aanzien van bepaalde stoffen of residu’s daarvan met farmacologische werking (hierna: het koninklijk besluit van 8 september 1997), doordat die bepaling het bestuur verplicht tot een enquête in het beslag van herkomst teneinde de oorzaak van de aanwezigheid van residuen te bepalen, terwijl in zijn geval dergelijk onderzoek, wegens de laattijdige en onvolledige informatie waarover hij in maart 2000 nog beschikte, alleen maar tot hypothesen heeft kunnen leiden waardoor de overheid louter arbitrair en zonder dat de oorzaak werd bepaald, het R-statuut kon opleggen; dat hij in dat verband erop wijst dat het hoog gehalte van de gevonden stof in het monster dat van zijn beslag afkomstig zou zijn (6571 microgram terwijl slechts 100 microgram toegelaten is), erop wijst dat het dier recent vóór het slachten een injectie gekregen heeft, hetgeen erop kan wijzen dat de veekoopman het dier misschien met een gecontamineerde spuit ingespoten heeft alvorens het in het slachthuis te lossen; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit van 8 september 1997 tot doel heeft een verklaring te vinden voor de aangetroffen residu’s van toegestane stoffen en dat verzoeker ter zake een verklaring afgelegd heeft waarin hij niet uitsluit dat een bedrijfsdierenarts het product ingespoten zou hebben maar dat zulks dan buiten zijn weten gebeurd is; dat zij stelt dat artikel 4, § 2, “in zijn geheel gelezen moet worden”, in die zin dat daarin twee los van elkaar staande maatregelen worden voorzien: enerzijds het voeren van een enquête in het beslag van herkomst en anderzijds -ongeacht of de oorzaak op dat ogenblik al dan niet voldoende gekend is- het merken van alle dieren van het beslag of van de identificatiedocumenten; dat volgens haar het opleggen van het R-statuut een maatregel is die wel degelijk kadert in de bescherming van de IX-2365-6/14 volksgezondheid doordat de betrokken veestapel onder verhoogde controle gebracht wordt om aldus zekerheid te verkrijgen dat de veestapel vrij is van residu’s; dat zij van oordeel is dat die maatregel zijn doel niet mist omdat hij “enige tijd na de vaststellingen” uitgevoerd wordt; 3.3. Overwegende dat verzoeker repliceert dat de maatregel tot doel heeft de producent erop te wijzen dat hij, bij een vastgestelde overtreding, de volksgezondheid in gevaar gebracht heeft en dat hij zijn attitude moet veranderen, maar dat in zijn geval sinds de monstername reeds verschillende ronden varkens geslacht zijn zonder dat nog een overtreding vastgesteld is kunnen worden, wat erop wijst dat hij zich niet foutief gedraagt; dat hij van oordeel is dat, aangezien een onderzoek na verloop van een lange periode het niet meer mogelijk maakt uit te maken hoe het product in het bemonsterde dier geraakt is, de regelgeving wegens de -trage- werkwijze van de verwerende partij, haar doel voorbijschiet; 3.4. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog betoogt dat de monstername gebeurde tijdens een routineonderzoek in het slachthuis en dat, in een dergelijk geval, de eigenaar van het dier altijd slechts van de uitslag wordt verwittigd nadat de resultaten bekend zijn en dat in geval van positieve uitslag, het bestuur verplicht is het R-statuut op te leggen; 3.5.1. Overwegende dat artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit van 8 september 1997 de overheid ertoe verplicht, wanneer residu’s van een toegelaten stof in een niet-toegelaten hoeveelheid worden vastgesteld, over te gaan “tot een enquête in het beslag van herkomst om de oorzaak van de aanwezigheid van residu’s van de toegestane stof te bepalen en tot de merking van alle landbouwdieren van dezelfde soort van het beslag (...)”; dat die bepaling de omzetting is, in het Belgisch recht, van artikel 18 van de Richtlijn, naar luid waarvan een positief monster leidt tot een onderzoek op het bedrijf van herkomst aangaande “de redenen van de overschrijding”, waarna de bevoegde overheid “afhankelijk van het resultaat van dat onderzoek (...), alle maatregelen neemt die nodig zijn om de volksgezondheid te beveiligen” en die kunnen inhouden dat de dieren het bedrijf gedurende een bepaalde periode niet mogen verlaten, met dien verstande dat in geval van een “herhaaldelijk” overschrijden van de vastgestelde norm, de dieren van het bedrijf gedurende ten minste zes maanden “extra gecontroleerd moeten worden” waarbij de karkassen in afwachting van de uitkomst van de analyse van de monsters worden vastgehouden en die karkassen, in geval de IX-2365-7/14 analyse positief uitvalt, niet meer voor menselijke consumptie bestemd mogen worden; dat de Richtlijn duidelijk het opleggen van maatregelen ter beveiliging van de volksgezondheid koppelt aan de uitslag van het onderzoek, terwijl de verwerende partij geen enkele verantwoording geeft -en er ook geen zinvolle verantwoording te bedenken is- voor haar stelling dat een positieve analyse onmiddellijk uitloopt op twee onderscheiden maatregelen, enerzijds een onderzoek naar de oorzaken van de contaminatie en anderzijds het opleggen van het R-statuut, een preventieve maatregel waarbij het bedrijf verplicht wordt de dieren die ter slachting worden aangeboden, een verscherpte controle te laten ondergaan; dat overigens de verwerende partij in dit geval zelf de merking slechts heeft uitgevoerd nadat het resultaat van de enquête op het bedrijf gebeurd was en rekening houdend met de resultaten van dat onderzoek; Overwegende dat voornoemd artikel 4, § 2, dan ook aldus moet begrepen worden dat het R-statuut opgelegd wordt wanneer uit het onderzoek ter plaatse blijkt dat er inderdaad onregelmatigheden begaan zijn die een verscherpte controle op de bedrijfsvoering noodzakelijk maken; dat de verwerende partij dat bewijs moet leveren; 3.5.2. Overwegende dat in dit geval door de sanitaire dierenarts een onderzoek ingesteld werd op 2 maart 2000; dat dit onderzoek bestond uit een verhoor van verzoeker; dat dit verhoor opgenomen is in een proces-verbaal, waarin verzoeker geen enkele bemerking formuleert ten aanzien van de vastgestelde onregelmatigheid -noch over de identificatie van het monster, noch over de analyse- of ten aanzien van de feiten; dat tijdens dat verhoor verzoeker geen enkele allusie gemaakt blijkt te hebben op de onmogelijkheid om, acht maanden na de levering van de dieren, zich nog relevante feiten te herinneren die de inbreuk vergoelijken, maar dat hij enkel betwist heeft dat hij normaal varkens laat afslachten wanneer zij met een sulfapreparaat behandeld zijn en een hypothese geformuleerd heeft over inspuitingen die buiten zijn weten om zouden gebeurd zijn door een dierenarts; dat de verwerende partij, met de gegevens waarover zij aldus beschikte, geredelijk kon aannemen dat er op het bedrijf van verzoeker een onregelmatigheid was begaan, zodat het R-statuut diende opgelegd te worden; dat de verwerende partij, eens de inbreuk van verzoeker bewezen, verplicht was het R-statuut toe te kennen, ongeacht de termijn die sinds de monsterneming verstreken was; dat het middel niet gegrond is; IX-2365-8/14 IX-2365-9/14 4.1. Overwegende dat verzoeker in het derde middel aanvoert dat het bestreden besluit de geest van de Richtlijn en van het koninklijk besluit van 8 september 1997 miskent, doordat die bepalingen erop gericht zijn de volksgezondheid te vrijwaren van residu’s van antibiotica in vlees voor menselijke consumptie, terwijl in zijn geval de maatregel slechts acht maanden na de vaststelling getroffen is en zijn beslag op dat ogenblik bijna geen gelijkenis meer had met het beslag waartoe het bemonsterde varken behoorde, zodat het opleggen van het R-statuut de volksgezondheid niet meer kan beschermen en de bestreden maatregel er enkel toe strekt hem ernstig in zijn belangen te schaden, wat een onwettig motief is dat machtsafwending uitmaakt; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat het niet de bedoeling van de regelgever was uitsluitend de dieren van een bepaalde ronde te treffen, maar wel het veebeslag waaruit het dier afkomstig is gedurende een bepaalde termijn aan verhoogde controle te onderwerpen; 4.3. Overwegende dat verzoeker repliceert dat de toekenning van het R-statuut niets meer kan bijbrengen aan de volksgezondheid, aangezien tussen de monsterneming en de maatregel reeds twee ronden varkens afgeslacht en ge- consumeerd zijn, en dat bijgevolg de enige bedoeling van de verwerende partij kan geweest zijn hem te treffen in zijn financiële belangen; 4.4. Overwegende dat artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit van 8 september 1997 de omzetting is van artikel 18 van de Richtlijn; dat uit die laatste bepaling opgemaakt kan worden dat de maatregelen die genomen moeten worden in geval van vastgestelde overschrijding van de hoeveelheid residu’s van een toegelaten stof, minder streng zijn dan de maatregelen die in geval van een illegale behandeling opgelegd moeten worden, welke opgenomen zijn in de artikelen 15, lid 3, eerste alinea, en 23 van de Richtlijn en die betrekking hebben op het buiten de handel houden van de dieren zelf waarop het monster genomen is en het in quarantaine stellen van de dieren van het betrokken beslag; dat het opleggen van het R-statuut op grond van artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit van 8 september 1997 wel degelijk de volksgezondheid beschermt doordat het een bedrijf, waarop een inbreuk vastgesteld werd die geen onmiddellijke bedreiging voor de volksgezondheid vormt, preventief onder controle plaatst; dat het middel niet gegrond is; IX-2365-10/14 5.1. Overwegende dat verzoeker in het vierde middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheids-, het vertrouwens- en het redelijkheidsbeginsel, doordat de Belgische regeling niet voorziet in een termijn tussen “het moment van monstername en de vaststelling van de overschrijding van de residuwaarde”, hetgeen arbitrair optreden van de overheid mogelijk maakt; dat hij betoogt dat de verwerende partij, door na te laten hem reeds op 22 juni 1999 in kennis te stellen van de monsterneming, hem “nu voor voldongen en niet meer te controleren feiten plaatst”; 5.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat slechts één laboratorium het onderzoek kan uitvoeren en er doorgaans vrij lange wachttijden in acht genomen moeten worden om de analyseresultaten te verkrijgen, dat zij onmiddellijk na het bekend raken van de analyse de nodige maatregelen genomen heeft en verzoeker dan ook niet lang in het ongewisse gelaten heeft; dat zij daaraan toevoegt dat het om een niet-systematisch routineonderzoek ging op karkassen die niet geblokkeerd werden en dat de betrokkene van dergelijke monsternames niet verwittigd wordt; dat zij besluit dat het ogenblik van de kennisgeving van het resultaat van het onderzoek verzoeker geen schade toegebracht kan hebben, aangezien de inhoud en de duur van de opgelegde maatregel niet verschilt naar gelang het tijdstip van de kennisgeving van het resultaat van het onderzoek; 5.3. Overwegende dat verzoeker repliceert dat de overheid tot taak heeft de burger tijdig en zorgvuldig in te lichten, dat de ontstentenis van een termijn waarbinnen een kennisgeving moet gebeuren niet betekent dat zij op een laattijdige kennisgeving niet aangesproken kan worden en dat in dit geval onredelijk lang gewacht is met de mededeling, hetgeen niet de bedoeling van de Richtlijn geweest kan zijn; 5.4. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie herhaalt dat de eigenaar van een dier, in geval van een routine-monstername in het slachthuis, slechts van de monsterneming wordt verwittigd wanneer de resultaten bekend zijn, dat er inderdaad lange wachttijden zijn maar dat zulks te wijten is aan de omstandigheid dat slechts één laboratorium het onderzoek kan verrichten en dat het geen verschil uitgemaakt zou hebben als verzoeker eerder kennis had gekregen van de monsterneming, aangezien het positief resultaat in ieder geval moest leiden IX-2365-11/14 tot de oplegging van het R-statuut; dat zij nog benadrukt dat de oorzaak van de aanwezigheid van residu’s in dit geval wel degelijk bepaald is, te weten “het feit dat de bedrijfsdierenartsen mogelijk het product toegediend zouden hebben”; 5.5.1. Overwegende dat verzoeker niet betwist dat in geval van monsternemingen op karkassen in het kader van de toepassing van artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit van 8 september 1997 -een monsterneming die volgens de Richtlijn bij steekproef onaangekondigd, onverwacht en op verschillende tijdstippen moet gebeuren-, de overheid als regel aanneemt dat de eigenaar van het bemonsterde dier niet verwittigd wordt van de monsterneming en dat hij enkel gecontacteerd wordt wanneer de analyse positief is; dat verzoeker niet aanvoert dat het bestuur daarmee enige rechtsregel zou miskennen; dat hij de verwerende partij verwijt dat zij in zijn geval onzorgvuldig en onredelijk is geweest en dat zij zijn gewekt vertrouwen miskend heeft door de laattijdige kennisgeving van de gepleegde inbreuk waardoor hij de feiten niet meer kon controleren; 5.5.2. Overwegende, wat de schending van het vertrouwensbeginsel betreft, dat rekening houdend met de hiervóór vermelde werkwijze die de verwerende partij in het algemeen hanteert, verzoeker in het uitblijven van een bericht van de verwerende partij niet mocht afleiden dat er geen monster was genomen van de varkens die van zijn beslag afkomstig waren of dat er met het vlees van die varkens geen probleem was; dat er geen sprake is van de miskenning van enig gewekt vertrouwen; 5.5.3. Overwegende, wat de schending van het redelijkheidsbeginsel betreft, dat de verwerende partij, nadat zij op 11 februari 2000 in kennis gesteld was van het positief resultaat van het monster, op 2 maart 2000 met verzoeker contact heeft opgenomen; dat haar op dat vlak geen onredelijk optreden verweten kan worden; dat zulks evenwel niet uitsluit dat zij, in het kader van de verplichting om haar bevoegdheid uit te oefenen volgens de regels van behoorlijk bestuur, volledig verantwoordelijk was voor de vertraging die de zaak opgelopen had wegens het uitblijven van het resultaat van de analyse; dat zij aldus oog moest hebben voor het feit dat, lang na een vaststelling waarop overigens niet onmiddellijk de aandacht van de betrokkene gevestigd werd, de herinneringen zodanig vervaagd konden zijn dat de betrokkene eigenlijk geen verweer meer kon bieden; dat de verwerende partij terecht opmerkt dat het, volgens de reglementering, voor wat de aard van de op te IX-2365-12/14 leggen maatregel en de duur ervan betreft, geen verschil uitmaakt of verzoeker nu kort na de monstername dan wel enige tijd later wordt verwittigd, maar dat verzoeker aan het bestuur een onredelijk handelen verwijt in het licht van de bewijsmoeilijkheden die hij door het uitblijven van een tenlastelegging ondervonden heeft; dat het onderzoek van het redelijkheidsbeginsel, aldus begrepen, samenvalt met dat van de verplichting tot zorgvuldigheid bij de feitenvinding; Overwegende dat ook te dien aanzien opgemerkt moet worden dat verzoeker in zijn verklaring aan de sanitaire dierenarts de feiten niet betwist heeft en dat hij toen ook niet aangevoerd heeft dat hij, omdat hij slechts na zes maanden verhoord is, geen bewijsgegevens kon aanvoeren waaruit zijn onschuld zou kunnen blijken; dat hij integendeel de tenlastelegging gewoon aanvaard heeft met als mogelijke verklaring de verwijzing naar handelingen van een van zijn dierenartsen; dat de verwerende partij zich, geplaatst voor die verklaring die neerkomt op een bekentenis, dan ook niet hoefde af te vragen of verzoeker wel al zijn middelen van verdediging ten volle heeft kunnen benutten; dat zij met de gegevens waarover zij beschikte de inbreuk voor bewezen mocht houden en op grond daarvan aan zijn bedrijf rechtsgeldig het R-statuut kon opleggen; dat het middel niet gegrond is; 6.1. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord een nieuw middel aanvoert, geput uit de schending van artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit van 8 september 1997, doordat krachtens die bepaling de Veterinaire Diensten van het ministerie van Landbouw een onderzoek op het bedrijf instellen, terwijl het onderzoek bij hem ingesteld is door een dierenarts die geen politionele bevoegdheid heeft; 6.2.1. Overwegende, daargelaten de vraag of, gelet op het feit dat verzoeker op 2 maart 2000 een kopie ontvangen heeft van het proces-verbaal van zijn verhoor, dergelijk middel nog in het stadium van de memorie van wederantwoord aangevoerd kan worden, dat artikel 5 van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten, de erkende dierenartsen aangewezen door de minister van Landbouw bevoegd maakt om overtredingen van de wet en haar uitvoeringsbesluiten op te sporen en vast te stellen; dat het koninklijk besluit van 8 september 1997 zijn rechtsgrond in die wet vindt; dat artikel 1, 5/, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 houdende organiek reglement van de Veterinaire Diensten de “aangeduide dierenarts” definieert als de IX-2365-13/14 “plaatsvervangend inspecteur-dierenarts, sanitaire dierenarts of controledierenarts” en dat artikel 3, § 3, van hetzelfde besluit bepaalt dat de erkende dierenartsen tijdens de duur van hun verbintenis met het ministerie de titel van sanitaire dierenarts dragen; Overwegende dat artikel 12 van laatstgenoemd besluit bepaalt dat de “aangeduide dierenartsen” processen-verbaal kunnen opstellen maar dat zij die stukken slechts aan het parket kunnen overmaken na ze aan de voor hen bevoegde inspecteur-dierenarts te hebben voorgelegd; 6.2.2. Overwegende dat in dit geval dierenarts J. MEYNEN als sanitaire dierenarts het onderzoek tegen verzoeker gevoerd heeft; dat uit de stukken van het dossier ook blijkt dat de inspecteur-dierenarts de verantwoordelijkheid voor het optreden van deze sanitaire dierenarts op zich genomen heeft, aangezien hij zowel de mededeling van 3 maart 2000 aan verzoeker met betrekking tot de vastgestelde inbreuk als het bevel van 13 maart 2000 om de saniteletiketten te merken met het R 40-statuut ondertekend heeft; dat derhalve niet blijkt dat de sanitaire dierenarts op enige wijze zijn bevoegdheid te buiten gegaan zou zijn; dat het middel niet gegrond is; 7.1. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog een tweede nieuw middel aanvoert, geput uit “de schending van zijn rechten van verdediging door het laattijdig informeren”; dat dit middel in het verzoekschrift aangevoerd had kunnen worden; dat het niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. IX-2365-14/14 IX-2365-15/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 25 juni 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-2365-16/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.685 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div