id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.686 Rolnummer: A. 101436/IX-2756 Zaak: Arrest 172686 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 25/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-03 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 21:03 Fiche Arrest nr 172.686 van 25 juni 2007 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.686 van 25 juni 2007 in de zaak A. 101.436/IX-
- In zake : Peter SEBREGTS, wonende te SINT-NIKLAAS, Breedstraat 199 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Peter SEBREGTS op 8 maart 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 20 december 2000 van de stafchef van de marine waarbij zijn kandidatuur voor overgang bij wege van sociale promotie, sessie 2001, van het kader van de aanvullingsonderofficieren naar het kader van de beroepsonderofficieren wordt geweigerd en van de daarin besloten beslissing om hem uit te sluiten van deelname aan de selectieproeven en klassering door het bevoegde selectiecomité; Gelet op het arrest nr. 96.554 van 18 juni 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 12 juli 2001 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 25 augustus 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-2756-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 april 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MALUMGRÉ, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van luitenant-kolonel militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur St. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Op 4 februari 1985 neemt verzoeker, geboren op 7 juli 1966, dienst voor twee jaar in de hoedanigheid van tijdelijk vrijwilliger bij de Zeemacht. Op 28 augustus 1985 wordt de dienstneming van rechtswege verbroken en treedt hij in dienst voor een onbepaalde duur waardoor de ganse vormingsperiode als kandidaat-beroepsonderofficier bij de Zeemacht wordt gedekt. Op 25 juni 1990 verliest verzoeker de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier. Hij is gehouden een diensttijd van drie jaar te vervullen in de hoedanigheid van kandidaat tijdelijk onderofficier. Op 27 september 1991 wordt verzoeker benoemd tot de graad van tweede meester en opgenomen in het kader der tijdelijke onderofficieren. Op 25 juni 1993 gaat verzoeker een wederdienstneming aan voor één jaar. Op 25 juni 1994 gaat hij over naar het kader der aanvullingsonderofficieren. Op 27 september 1996 wordt verzoeker benoemd tot de graad van meester. 1.
- Op 26 mei 1998 ondergaat verzoeker een periodiek onderzoek voor “medische geschiktheid marinepersoneel”. Hij wordt geschikt verklaard voor dienst op zee. IX-2756-2/8 1.
- Op 23 november 1999 ondergaat verzoeker opnieuw het periodiek medisch onderzoek. Het diensthoofd van het Medisch Centrum van de Marine verwijst verzoeker naar de Medische Commissie voor de Geschiktheid voor de dienst op Zeedienst. Op 24 januari 2000 oordeelt de Medische Commissie voor Geschiktheid voor de Zeedienst dat verzoeker ongeschikt is voor dienst op zee. De factor “G” wordt beoordeeld met het cijfer 5, dit is “ongeschikt voor de dienst op zee”. 1.
- Op 28 juli 2000 verspreidt de chef van de generale staf een instructie betreffende de overgangen en sociale promoties 2001 voor officieren, onderofficieren en vrijwilligers van het actief kader. Er worden voor wat de marine betreft 7 betrekkingen voor Nederlandstaligen en 7 betrekkingen voor Franstaligen opengesteld. 1.
- Op 19 september 2000 vraagt verzoeker om deel te nemen aan de wedstrijd in 2001 met het oog op zijn opname in het kader van de beroepsonderofficieren. De hiërarchische oversten van verzoeker brengen een gunstig advies uit. Op 20 december 2000 beslist de stafchef van de marine evenwel de kandidatuur van verzoeker te weigeren. Hij noteert op het aanvraagformulier als motivering: “Ongeschikt dienst op zee”. Dit is de bestreden beslissing. Verzoeker krijgt er kennis van op 19 januari
- 1.
- Op 7 augustus 2001 aanvaardt de minister van Landsverdediging de aanvullingsonderofficieren J. DEBUYSSCHER, L. VAN DE VELDE, M. SINNAEVE, P. EEREBOUT, P. DEGRYSE, W. PIRET, B. LENAERS, P. MUSTAPIC en C. SERON als kandidaat beroepsonderofficieren, in toepassing van artikel 14, eerste lid, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 betreffende de overgang binnen dezelfde personeelscategorie van de sociale promotie naar een hogere personeelscategorie. Blijkens het Bulletin van het Personeel nr. 10/2003 van 17 april 2003 zijn bij ministerieel besluit nr. 84.260 van 18 maart 2003 de volgende IX-2756-3/8 onderofficieren overgegaan van het aanvullings- naar het beroepskader: de Nederlandstaligen L. VAN DE VELDE, P. DEGRYSE, P. EEREBOUT, B. LENAERS, W. PIRET, M. SINNAEVE en J. DE BUYSSCHER en de Franstalige C. SERON. Blijkens het Bulletin van het Personeel nr. 31/2003 van 9 oktober 2003 is bij ministerieel besluit nr. 85.440 van 29 september 2003 ook de Franstalige P. MUSTAPIC naar het beroepskader overgeplaatst. Laatst vermelde beslissing vertoont geen belang voor het onderzoek van de onderhavige zaak. Al die overplaatsingen hebben uitwerking op 31 december
- 2.
- Overwegende, wat de ontvankelijkheid betreft, dat verzoeker de vernietiging nastreeft van de beslissing waarbij zijn kandidatuur voor overgang van het aanvullingskader naar het beroepskader geweigerd wordt omdat hij ongeschikt is voor dienst op zee; dat hij met die beslissing uitgesloten wordt van deelname aan de proeven in 2001; dat buiten betwisting staat dat de overgang van het aanvullingskader naar het beroepskader gelimiteerd is tot een aantal plaatsen dat de minister van Landsverdediging vaststelt, dat in het onderhavig geval het aantal plaatsen voor de sessie 2001 binnen het korps van de marine vastgesteld is op zeven Nederlands-taligen en zeven Franstaligen en dat verzoeker Nederlandstalig is; dat verzoeker ook niet betwist dat hij kennis had van het feit dat er, voor de groep waartoe hij behoort, zeven betrekkingen waren opengesteld; Overwegende dat verzoeker de nietigverklaring niet gevorderd heeft van de beslissing waarbij de zeven plaatsen die voor Nederlandstaligen op het kader van de beroepsofficieren beschikbaar werden gesteld, definitief toegewezen zijn, met name het ministerieel besluit van 18 maart 2003; dat hij evenmin de vernietiging gevraagd heeft van enige beslissing die daaraan voorafgaat, zoals de aanvaarding van de kandidaturen voor deelneming aan de proeven, de beslissing waarbij de kandidaten door het selectiecomité batig gerangschikt zijn of de ministeriële beslissing van 7 augustus 2001 waarbij zeven Nederlandstalige onderofficieren van het aanvullingskader aanvaard worden als kandidaat- beroepsonderofficier, waarmee zij toegelaten worden tot de vorming die in geval van positief resultaat uitloopt op de definitieve overgang naar het beroepskader; dat aldus uit geen enkel gegeven opgemaakt kan worden dat verzoeker na het indienen van het onderhavig beroep nog stappen ondernomen heeft -of dat hij ooit die bedoeling gehad zou hebben- om te beletten dat een van de plaatsen die hij op het beroepskader ambieerde, definitief bezet zou worden; dat, bij gebrek aan beschikbare plaats, verzoeker geen voordeel kan halen uit de vernietiging van de IX-2756-4/8 beslissing waarbij hij geweerd wordt van de toegang tot dat beroepskader; dat de Raad van State ambtshalve dient te onderzoeken of verzoeker nog een actueel belang heeft; 2.2.
- Overwegende dat, in de concrete omstandigheden van de voorliggende zaak, het gebrek aan persoonlijk belang slechts aan verzoeker tegengeworpen kan worden wanneer blijkt dat hij nagelaten heeft de nietigverklaring te vragen van de beslissingen die geleid hebben tot het bezetten van de zeven betrekkingen voor Nederlandstaligen, terwijl die beslissingen hem terdege bekend waren; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij er niet toe verplicht was verzoeker, die de vereiste benoemingsvoorwaarden niet vervulde en die daarom van meet af aan uit de benoemingsprocedure gesloten is, individueel in kennis te stellen van het eindresultaat van de benoemingsprocedure; dat zij ook niet aantoont dat zij buiten elke reglementaire verplichting om, verzoeker formeel in kennis gesteld heeft van de ministeriële beslissing van 18 maart 2003 waarbij zeven Nederlandstalige aanvullingsonderofficieren overgaan naar het beroepskader, van de beslissing van het selectiecomité om zeven Nederlandstalige aanvullingsonderofficieren batig te rangschikken, of van de ministeriële beslissing van 7 augustus 2001 waarbij de aldus gerangschikten werden aanvaard als kandidaat-onderofficier; dat zij enkel het bewijs voorlegt dat het eindbesluit van 18 maart 2003 bekendgemaakt is in het Bulletin van het Personeel nr. 10/2003 van 17 april 2003; Overwegende dat de vraag rijst of die bekendmaking voor verzoeker de termijn heeft doen ingaan om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 18 maart 2003; dat in bevestigend geval uit het ontbreken van dergelijke vordering afgeleid zal moeten worden dat de zeven beschikbare plaatsen op het kader van de beroepsonderofficieren definitief ingenomen zijn en verzoeker derhalve geen belang meer heeft bij de vernietiging van de weigering om hem aan de selectie 2001 te laten deelnemen; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker betoogt dat niet aangetoond kan worden dat de bekendmaking in het Bulletin van het Personeel “dermate regelmatig is dat (hij) zich had dienen te verontrusten en de gepaste stappen had moeten zetten” om kennis te kunnen nemen van de overplaatsing van de aanvullingsonderofficieren naar het beroepskader, terwijl er geen bekendmaking in het Belgisch Staatsblad IX-2756-5/8 plaatsgevonden heeft; dat hij wel niet betwist dat dergelijke bekendmaking in het Belgisch Staatsblad niet reglementair voorgeschreven is; Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat het Bulletin van het Personeel binnen het ministerie een zeer ruime verspreiding kent, met name “tot op het niveau van de korpscommandanten”, dat blijkens de vermelding op elk bulletin alle personeelsleden “geacht worden ervan kennis te nemen”, dat de overgang naar het beroepskader van zeven Nederlandstalige en twee Franstalige aanvullingsonderofficieren op 17 april 2003 en 9 oktober 2003 in het Bulletin van het Personeel gepubliceerd is en dat de beroepstermijn voor verzoeker ingegaan is op het ogenblik van die publicatie; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij niet aantoont dat het Bulletin van het Personeel op grond van enige wettelijke of reglementaire bepaling ingesteld is als het officieel medium waarmee personeelsbewegingen binnen de krijgsmacht worden bekendgemaakt; dat aan de vermelding op het Bulletin dat “elke militair geacht (wordt) kennis te nemen van het Bulletin van het Personeel”, geen juridische waarde gehecht kan worden; Overwegende evenwel dat de overheid bij wege van een bijzondere interne bekendmaking de ambtenaren die effectief in een bepaalde dienst zijn tewerkgesteld, erover kan inlichten dat bepaalde bevorderingen in de dienst gebeurd zijn; dat een dergelijke bekendmaking, voor zover ze gebruikelijk is en door de ambtenaren van de dienst gekend is, het vermoeden doet ontstaan dat de bedoelde ambtenaren feitelijk kennis gekregen hebben van de bedoelde bevorderingen; dat die bekendmaking in beginsel dan ook de termijn voor het instellen van het beroep bij de Raad van State doet ingaan; dat een verzoeker het vermoeden van bekendheid met het bestreden besluit evenwel kan weerleggen door aan te tonen dat het in zijn geval niet mogelijk was om door de bijzondere bekendmaking van het bekendgemaakte kennis te nemen; 2.2.
- Overwegende dat in het Bulletin van het Personeel nr 10/2003 van 17 april 2003, onder de hoofding “verandering van kader” de namen vermeld zijn van de aanvullingsofficieren die voordien op 7 augustus 2001 door de minister aanvaard waren als kandidaat-beroepsonderofficier; dat uit de desbetreffende tabel opgemaakt kan worden dat zeven onderofficieren met de graad van meester of van IX-2756-6/8 meester-chef, behorend tot de categorie GOO (aanvullingsonderofficier/Nederlands- talig) door het ministerieel besluit van 18 maart 2003 met behoud van hun graad overgeplaatst worden naar de categorie BOO (beroepsonderofficier) met ingang van 31 december 2002; dat, hoewel verzoeker voorheen nooit in kennis was gesteld van de namen van de militairen die aan de betreffende proeven zouden deelnemen of van de namen die door het selectiecomité batig gerangschikt waren en als kandidaat- beroepsonderofficier werden aanvaard -waardoor zijn zoektocht naar beslissingen over de opvulling van het kader van de beroepsonderofficieren gewis sterk bemoeilijkt werd-, die bekendmaking voldoende duidelijk was opdat verzoeker, als onmiddellijk geïnteresseerde, eruit kon opmaken dat de betrekking die hij ambieerde daarmee definitief ingenomen werd of dat zij minstens bij hem ernstige twijfel moest oproepen die hem moest aanzetten tot het inwinnen van nadere inlichtingen bij het bestuur; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker niet betwist dat de verwerende partij het militair personeel door middel van een mededeling in het Bulletin van het Personeel in kennis stelt van de overgang van militairen van een kader naar een ander; dat die gebruikelijke handelwijze binnen de Krijgsmacht een bekendmaking vormt die het vermoeden doet ontstaan dat verzoeker rond 17 april 2003 kennis gekregen heeft van de ministeriële beslissing van 18 maart 2003 zodat de beroepstermijn voor het indienen van een annulatieberoep dan aangevangen is; dat verzoeker niet aantoont en zelfs niet beweert dat hij, in het algemeen, niet de kans krijgt om kennis te nemen van het Bulletin van het Personeel of dat bijzondere redenen tot gevolg hebben gehad dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het Bulletin van het Personeel van 17 april 2003; dat het vermoeden van bekendheid tegen verzoeker ingeroepen kan worden; Overwegende aldus dat verzoeker door de bekendmaking in het Bulletin van het Personeel een voldoende kennis heeft gekregen van het ministerieel besluit van 18 maart 2003; dat door niet binnen de voorgeschreven termijn de vernietiging van die beslissing te vragen, hij zichzelf elk uitzicht op een overgang naar het kader van de beroepsonderofficieren ontnomen heeft, zodat de vernietiging van de bestreden beslissing hem geen voordeel meer kan opleveren; IX-2756-7/8 Overwegende dat verzoeker ook niet uiteenzet dat hij met de vernietiging van het bestreden besluit nog een ander voordeel beoogt dan te mogen overgaan naar het beroepskader en dat rechtstreeks verband houdt met de vernietiging van de weigering om hem aan de selectie 2001 voor de overgang naar het beroepskader te laten deelnemen; dat het beroep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. Het door verzoeker op zijn verzoekschriften teveel gekweten recht ten belope van 24,79 euro, wordt hem terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 25 juni 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-2756-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.686 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.96.554 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.