← België

Arrest 172688 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 25/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.688 Rolnummer: A. 181757/IX-5605 Zaak: Arrest 172688 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 25/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-29 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 21:04 Fiche Arrest nr 172.688 van 25 juni 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.688 van 25 juni 2007 in de zaak A. 181.757/IX-

  1. In zake : Guido ULENS, die woonplaats kiest bij advocaat E. DE RIDDER, kantoor houdende te MECHELEN, Leopoldstraat 64 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGS/DSJ, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Guido ULENS op 16 maart 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de hem op 18 januari 2007 ter kennis gebrachte voorlopige beslissing van de directie recrutering en selectie van de federale politie om hem niet uit te nodigen voor de persoonlijkheidstesten van het examen voor aspirant-commissaris van politie, evenals van de hem op 13 februari 2007 ter kennis gebrachte definitieve beslissing dat hij, wegens zijn klassering, niet meer kon deelnemen aan de verdere selectie; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 22 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 juni 2007; IX-5605-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. SIMEONS die, loco advocaat E. DE RIDDER verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST HET VOLGENDE ARREST : De feiten 1.
  3. Verzoeker is hulpagent van politie in de politiezone Mechelen. 1.
  4. Met een brief van 2 augustus 2006 nodigt de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie (hierna: DPR) verzoeker uit voor het eerste deel van de cognitieve vaardigheidsproef in het raam van het vergelijkend examen aspirant-commissaris op basis van een diploma niveau 1, sessie
  5. Met betrekking tot een dergelijk examen bepalen het RPPol en het ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna : het ministerieel besluit van 28 december 2001) onder meer wat volgt: - de minister bepaalt jaarlijks, per taalstelsel en per opleidingscyclus, hoeveel kandidaten kunnen worden toegelaten (art. IV.I.3, eerste lid, RPPol). Voor de sessie 2006 worden 14 plaatsen voor Nederlandstaligen opengesteld; - de selectieprocedure omvat een proef die toelaat de noodzakelijke cognitieve vaardigheden te beoordelen, een persoonlijkheidsproef met aan het ambt aangepaste selectietechnieken, een fysiek-medische geschiktheidsproef en een selectiegesprek met de betrokken selectiecommissie (art. IV.I.15, eerste lid, 1/tot 4/ RPPol). Het is niet mogelijk aan een proef deel te nemen zonder de voor de voorafgaande selectieproef bepaalde minimumdrempel te hebben behaald IX-5605-2/7 (art. IV.I.16 RPPol). De selectiecommissie beslist of de kandidaat al dan niet geschikt wordt bevonden op grond van artikel IV.I.15, eerste lid, 1/ tot 4/ (art. IV.I.17 RPPol); - de selectie van de kandidaten-commissaris van politie aangeworven op basis van een diploma niveau 1 geschiedt onder de vorm van een vergelijkend examen, zonder wervingsreserve; de laureaten van de selectieproeven worden per taalstelsel gerangschikt in volgorde van de behaalde resultaten; nuttig gerang- schikt zijn de kandidaten die aan de voorwaarden voldoen en wier rangschik- kingsnummer de in artikel IV.I.3 bedoelde aantallen niet overschrijdt (art. IV.I.32 RPPol); - de proef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 1/ RPPol omvat de volgende sub- proeven: 1/ de bepaling van het potentieel van de kandidaat tot het volgen van de basisopleiding, 2/ de evaluatie van de kennis van de taal waarin de selectieproe- ven waarvoor de kandidaat zich heeft ingeschreven worden georganiseerd en 3/ het opstellen van een verslag dat de essentiële elementen herneemt van een voorheen aan de kandidaat vertoonde video. De sub-proeven grijpen derwijze plaats dat het niet mogelijk is aan de derde sub-proef deel te nemen zonder de voor de eerste en tweede sub-proef bepaalde minimumdrempels te hebben behaald (art. IV.5, eerste en tweede lid ministerieel besluit 28 december 2001). De kandidaten die zich minder dan één standaardafwijking onder het gemiddelde van de referentiepopulatie bevinden, bereiken de minimumdrempel voor de proef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 1/ RPPol (art. IV.28 ministerieel besluit 28 december 2001); - de selectiecommissie stelt, op basis van de proeven bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 2/ en 4/ RPPol, twee lijsten op van respectievelijk de geschikt bevonden kandidaten en de ongeschikt bevonden kandidaten; de geschikt bevonden kandidaten worden gerangschikt in functie van de resultaten die zij behalen op de proef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 1/ RPPol (art. IV.31 ministerieel besluit 28 december 2001). 1.
  6. Met een brief van 31 augustus 2006 deelt de directeur DPR aan verzoeker mee dat hij op het eerste deel van de cognitieve vaardigheidsproef de vooropgestelde minimumscore om te slagen (score van 40 op elk van de onderdelen) behaalde, met name 41 op de psycho-technische proeven en 57 op de kennis van de Nederlandse taal; hij wordt uitgenodigd voor het tweede deel van de cognitieve vaardigheidsproef. IX-5605-3/7 1.
  7. Met een brief van 11 oktober 2006 deelt de directeur DPR aan verzoeker mee dat hij op het tweede deel van de cognitieve vaardigheidsproef de vooropgestelde minimumscore om te slagen

(40)heeft behaald, met name een score van 43,
  1. In fine van de brief wordt gesteld: “U zal, in functie van de door u behaalde scores op de voorgaande testen, al dan niet worden uitgenodigd voor de persoonlijkheidsproef”. 1.
  2. Met een brief van 13 januari 2007 deelt verzoeker aan de DPR mee dat hij tot op heden nog geen uitnodiging ontving voor de persoonlijkheids- proef. Hij vraagt zich af of er een administratieve vergissing is gebeurd. 1.
  3. Met een brief van 18 januari 2007 deelt de directeur DPR aan verzoeker mee : “Met dit schrijven wens ik te bevestigen dat u inderdaad in het kader van het aangehaald examen deelnam aan het tweede deel van de cognitieve vaardig- heidstesten op 13 september
  4. Hierbij haalde u een T-score van 47,
  5. De reden waarom u geen uitnodiging kreeg voor de persoonlijkheidstesten ligt hem in het feit dat een minimumscore van 50 noodzakelijk was om verder uitgenodigd te worden.” Verzoeker duidt “de beslissing meegedeeld bij schrijven dd. 18 januari 2007” aan als het eerste voorwerp van zijn vordering tot schorsing. 1.
  6. Met een brief van 13 februari 2007 deelt de directeur DPR aan verzoeker mee : “Het spijt ons u te melden dat, naar aanleiding van de toebedeling van de voorziene 14 vacante plaatsen, het voornoemd vergelijkend examen wordt afgesloten. Rekening houdend met uw klassering, die zich onder de laatst geklasseerde laureaat bevindt, zal u niet verder worden uitgenodigd voor het vervolg van de selectieprocedure.” Verzoeker duidt “de beslissing meegedeeld bij schrijven dd. 13 februari 2007” aan als het tweede voorwerp van zijn vordering tot schorsing. IX-5605-4/7 De ontvankelijkheid van de vordering
  7. De verwerende partij voert in haar nota met opmerkingen aan dat de vordering niet ontvankelijk is aangezien de schorsing van de bestreden beslissing verzoeker geen voordeel kan opleveren. Overeenkomstig artikel IV.I.15, eerste lid, 1/ RPPol worden de laureaten van de selectieproeven gerangschikt in volgorde van de behaalde resultaten op de cognitieve proef, maar krachtens artikel IV.I.32, § 3, RPPol en artikel IV.31, tweede lid, van het ministerieel besluit van 28 december 2001 wordt de rangschikking beperkt tot het aantal opengestelde plaatsen. Verzoeker is niet nuttig gerangschikt; hij behaalde op de proef cognitieve vaardigheden wel een voldoende score (47,08), maar die score laat geen nuttig klassement toe, aangezien 136 kandidaten een hogere score behaalden dan hij en er slechts 14 plaatsen vacant waren. In eerste instantie zijn enkel de 114 kandidaten die een score van 50 behaalden uitgenodigd om deel te nemen aan de verdere selectie en daarvan zijn er uiteindelijk 18 geschikt bevonden. Vermits er slechts 14 vacante plaatsen beschikbaar waren, had het geen zin meer om de geslaagden voor de cognitieve proef die een lagere score behaalden -waaronder verzoeker- nog verder op te roepen. Met andere woorden, was verzoeker nog uitgenodigd voor de volgende proef en slaagde hij, dan nog kwam hij niet in aanmerking, aangezien 18 geschikt bevonden kandidaten op de cognitieve proef hoger gescoord hebben dan hij, zodat zij hoger gerangschikt zijn en aldus beletten dat verzoeker een van de 14 vacante plaatsen kan innemen;
  8. Wegens de bestreden beslissingen heeft verzoeker, hoewel zulks juridisch niet uitgesloten was, eerst voorlopig en vervolgens definitief niet mogen deelnemen aan de proeven waarmee hij zijn geschiktheid had kunnen aantonen. De reden daarvan ligt in een opportuniteitsbeslissing van de verwerende partij om, in een eerste fase, voor de geschiktheidsproeven enkel de kandidaten uit te nodigen die op de cognitieve proeven een score van 50 hadden behaald -dat waren er 114 voor 14 beschikbare plaatsen-, terwijl verzoeker een score van 47,08 behaald had. Aangezien het bestuur er blijkens de sub 1 in herinnering gebrachte regeling -waarvan de wettigheid niet betwist wordt-, toe gehouden is de eindrangschikking van de kandidaten vast te stellen op basis van hun score in de cognitieve proeven, kan aan het bestuur niet verweten worden dat het de praktische organisatie van de geschiktheidsproeven afstemt op de reeds gekende rangschikking voor de cognitieve proeven, wat de verwerende partij te dezen gedaan heeft door alleen de kandidaten die minstens een score 50 behaalden, uit te nodigen. Immers, het geschikt bevinden IX-5605-5/7 van 14 onder hen betekent dat er geen ruimte meer is om verzoeker nog batig te rangschikken. De tweede bestreden beslissing steunt op de vaststelling dat inderdaad meer dan 14 beter gerangschikten geschikt bevonden zijn. De schorsing van de beslissingen waarbij verzoeker -eerst voorlopig en vervolgens definitief- uitgesloten wordt van deelneming aan de geschiktheidsproeven kan hem geen enkel voordeel opleveren, aangezien zulks niet tot een batige rangschikking kan leiden. Verzoeker mist het vereiste belang bij de vordering.
  9. De tweede bestreden beslissing betreft de definitieve uitsluiting van verzoeker uit de selectieprocedure, nadat de verwerende partij heeft kunnen vaststellen dat een voldoende aantal kandidaten, die beter gerangschikt waren dan verzoeker, geschikt waren bevonden. Ook een schorsing van die beslissing betekent niet dat verzoeker nog batig gerangschikt kan worden.
  10. De schorsing van de bestreden beslissingen kan verzoeker geen voordeel opleveren. Hij heeft geen belang bij de vordering. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  11. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  12. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-5605-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 25 juni 2007, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5605-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.688 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.988 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.