← België

Arrest 172692 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 25/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.692 Rolnummer: A. 68513/IX-1512 Zaak: Arrest 172692 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 25/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-05 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 06:51 Fiche Arrest nr 172.692 van 25 juni 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.692 van 25 juni 2007 in de zaak A. 68.513/IX-

  1. In zake : Willy SCHOLLAERT, die woonplaats kiest bij advocaat L. VAN HOUT, kantoor houdende te BERLAAR, Markt 78 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Economie, die woonplaats kiest bij advocaat P. LAMBERT, kantoor houdende te BRUSSEL, Nieuwenhovestraat 14A. tussenkomende partij : Leslie PAESSCHIERSSENS, wonende te LEUVEN, ’s Hertogenlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Willy SCHOLLAERT op 11 april 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 16 januari 1996 houdende benoeming van Leslie PAESSCHIERSSENS tot de graad van directeur met ingang van 1 december 1994; Gelet op het arrest nr. 61.706 van 12 september 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 21 november 1996; Gelet op de beschikking van 2 december 1996 die de tussenkomst van Leslie PAESSCHIERSSENS toelaat; IX-1512-1/6 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 17 november 1998 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 20 april 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 juni 2007; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. VAN HOUT die verschijnt voor de verzoeker en van advocaat P. QUADFLIEG die, loco advocaat P. LAMBERT verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Bij dienstorder van 4 augustus 1994 wordt aan het personeel meegedeeld dat sollicitaties kunnen worden ingediend voor de betrekking van directeur bij de Centrale Dienst voor Contingenten en Vergunningen -Hoofdbestuur-Contingenten en Commissies (hierna: CDCV) in het ministerie van Economische Zaken. IX-1512-2/6 Verzoeker en de tussenkomende partij dienen hun kandidatuur in samen met 37 andere collega's. 1.
  5. De directieraad onderzoekt de kandidaturen in zijn vergadering van 11 oktober
  6. Na een beschrijving van de taken van de directeur en een opsomming van de noodzakelijke eigenschappen waaraan de kandidaat moet voldoen worden de kandidaten besproken. Over verzoeker en de benoemde luiden de notulen als volgt : “De heer STULENS vestigt de aandacht (...) op de heer PAESSCHIERSSENS die daar zeer geschikt voor zou zijn. De heer LOUVET is van mening dat de heer PAESSCHIERSSENS de dienst zeer goed zou kunnen leiden. (...) De heer BOURLET is van oordeel dat, indien deze betrekking in zijn bestuur wordt opgenomen, de heer SCHOLLAERT een zeer geschikt kandidaat zou zijn; hij is vertrouwd met de materie en is zeer ervaren op communautair gebied.” Bij geheime stemming worden vijf kandidaten voorgedragen. Zij worden onderling gerangschikt waarbij verzoeker op de eerste en de tussenkomende partij op de tweede plaats worden voorgedragen. Deze rangschikking wordt bij schrijven van 14 oktober 1994 meegedeeld aan de kandidaten. 1.
  7. In zijn vergadering van 22 november 1994 onderzoekt de directieraad de bezwaarschriften die tegen deze voordracht werden ingediend en besluit de initiële voordrachten te behouden. Tijdens de discussie vermeldt een lid nog uitdrukkelijk de doeltreffende hulp die hij van verzoeker heeft gekregen bij het omzetten van Europese richtlijnen. Tijdens dezelfde vergadering onderzoekt de directieraad de kandidaturen voor een betrekking van adviseur-hoofd van dienst bij de Administratie van de Nijverheid - Externe Nijverheidspolitiek - voedingsnijverheid. Voor deze betrekking wordt de tussenkomende partij als eerste kandidaat voorgedragen. Dit blijft zo na het tweede onderzoek van de kandidaturen op de vergadering van 24 januari
  8. IX-1512-3/6 1.
  9. Op 28 november 1994 wordt het benoemingsdossier voorgelegd aan de minister. Bij koninklijk besluit van 30 maart 1995 wordt de tussenkomende partij benoemd tot directeur met ingang van 1 december
  10. Dit besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 juni
  11. 1.
  12. Verzoeker stelt tegen dat besluit een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. Op 25 september 1995 maakt het Auditoraat op basis van artikel 94 van het procedurereglement een verslag op waarin het beroep kennelijk gegrond wordt bevonden wegens gebrek aan formele motivering. Een koninklijk besluit van 16 januari 1996 trekt dan het bestreden besluit van 29 juni 1995 in “gelet op de niet conformiteit aan de gestelde wettelijke vereisten”. Bij koninklijk besluit van eveneens 16 januari 1996 wordt de tussenkomende partij opnieuw bevorderd tot directeur. Het besluit bevat naast de verwijzing naar de juridische grondslag de volgende motivering : “Gelet op zijn ervaring met de administratieve en rechtskundige behandeling van de dossiers, zijn kritische geest en zijn zin voor synthese en zijn belangrijke zin voor organisatie en menselijke betrekkingen waardoor zijn kandidatuur als gelijkwaardig dient te worden beschouwd aan deze van de kandidaat die door de Directieraad als eerste werd voorgedragen en omwille van zijn betere rangschikking in het jaarboek van het personeel, dient in het belang van de dienst voorkeur gegeven te worden aan bovenvermelde kandidatuur;” Dit is de bestreden beslissing.
  13. De ontvankelijkheid van de vordering. Overwegende dat bij koninklijk besluit van 29 april 2005 met ingang van 1 augustus 2005 aan verzoeker eervol ontslag uit zijn functies is verleend, hij ertoe gemachtigd wordt om de titel van zijn ambt eershalve te voeren en hij zijn aanspraak op het pensioen mag laten gelden; dat het door verzoeker nagestreefde rechtsherstel bestaat hem te zien benoemen in de graad van directeur in de plaats van Leslie PAESSCHIERSSENS; dat zijn vordering dus maar uit het IX-1512-4/6 oogpunt van belang ontvankelijk is wanneer het gegrond bevinden ervan hem in die gelegenheid stelt; dat zijn annulatievordering echter niet meer rechtstreeks tot het door hem beoogde effect kan leiden; dat hij immers niet aantoont dat op de overheid een rechtsplicht rustte om hem in de door hem geambieerde betrekking te benoemen; dat verzoeker alleen dan belang heeft bij de door hem gevorderde nietigverklaring wanneer deze kan leiden tot het rechtsherstel dat hij beoogt; dat dit te dezen niet het geval is en dat overigens niet wordt ingezien hoe verzoeker, die thans omwille van zijn oppensioenstelling geen ambtenaar meer is, nog zou kunnen aanspraak maken op die benoeming zodat een rechtsherstel hoe dan ook niet meer mogelijk is; dat aldus de vraag rijst of hij nog het rechtens vereiste belang heeft om de door hem bestreden beslissing te zien vernietigen; dat over dit belang bijgevolg een ernstige twijfel is ontstaan; dat het in de eerste plaats zaak van verzoeker is te pogen die twijfel weg te werken door te verklaren dat en waarom naar zijn oordeel hij nog steeds belang heeft, objectief en subjectief, bij zijn beroep; dat ter terechtzitting uitdrukkelijk gevraagd is naar het actuele belang van verzoeker daaromtrent maar dat geen klaarheid is geschapen; dat verzoeker aldus de gelegenheid heeft laten voorbijgaan om de twijfel weg te nemen die gerezen is over het voortbestaan van zijn belang als objectief gegeven; dat het beroep uit het oogpunt van het belang als niet langer ontvankelijk dient te worden beschouwd; Overwegende dat het verlies aan belang niet rechtstreeks aan verzoeker te wijten is zodat het past de kosten van het annulatieberoep ten laste te leggen van de verwerende partij, BESLUIT: Artikel
  14. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. IX-1512-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 25 juni 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1512-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.692 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1996:ARR.61.706 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.