id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.693 Rolnummer: A. 99456/IX-2672 Zaak: Arrest 172693 - Tucht (openbaar ambt) - 25/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-06 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 21:04 Fiche Arrest nr 172.693 van 25 juni 2007 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.693 van 25 juni 2007 in de zaak A. 99.456/IX-
- In zake : Jan PEETERS, die woonplaats kiest bij advocaat H. KETSMAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat 29/1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid, die woonplaats kiest bij advocaten E. MARON en M. UYTTENDAELE, kantoor houdende te BRUSSEL, Bronstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan PEETERS op 16 januari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 december 2000 van de minister van Wetenschappelijk Onderzoek, waarbij tegen hem de tuchtstraf "afzetting" wordt uitgesproken; Gelet op het arrest nr. 95.814 van 28 mei 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 13 juli 2001 door verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 18 september 2002 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-2672-1/16 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 2 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 april 2007; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. GRYSOLLE, die loco advocaat H. KETSMAN verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J.-F. DE BOCK, die loco advocaten E. MARON en M. UYTTENDAELE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- Verzoeker is adjunct-technicus der vorsing bij het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, waar hij is tewerkgesteld bij de documentatiedienst. 1.
- Op 4 september 1996 verkoopt verzoeker een collectie boeken van Prof. VAN BENEDEN aan een derde voor een som van 50.000 frank zonder machtiging om die collectie te verkopen en zonder dat een factuur of kwitantie wordt opgesteld. De geldsom overhandigt hij op 6 september 1996, nadat de koper over de omstandigheden van de koop contact heeft opgenomen met het Instituut. Na klacht bij het parket legt de gerechtelijke politie in de woonplaats van verzoeker beslag op enkele honderden boeken, die ofwel waren IX-2672-2/16 ingeschreven in de inventaris van de bibliotheek van het Instituut, ofwel deel uitmaakten van de publicaties van het Instituut en bestemd waren voor de verkoop of voor de ruil. 1.
- Op 15 oktober 1996 formuleert de directeur van het Instituut een voorstel tot afzetting van verzoeker. 1.
- Op 25 oktober 1996 beslist de directieraad eenparig een definitief voorstel tot afzetting van verzoeker aan de minister voor te leggen. 1.
- Bij ministerieel besluit van 13 november 1996 wordt verzoeker in het belang van de dienst geschorst. 1.
- Bij ministerieel besluit van 20 januari 1997 wordt verzoeker omwille van voormelde feiten afgezet. 1.
- Bij arresten nr. 67.211 van 30 juni 1997 en nr. 69.739 van 24 november 1997 wordt het ministerieel besluit van 20 januari 1997 tot afzetting van verzoeker achtereenvolgens door de Raad van State geschorst en vernietigd, om reden dat de feiten waarvoor verzoeker werd afgezet het voorwerp waren van een tegen hem ingestelde strafvervolging, zodat de tuchtprocedure en de tuchtuitspraak waren geschorst. 1.
- Op 11 oktober 1999 deelt het parket bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel aan de raadsman van de verwerende partij mede dat de klacht tegen verzoeker zonder gevolg werd geklasseerd en haar machtiging tot inzage en afschrift van het dossier wordt toegestaan. 1.
- Bij nota van 26 januari 2000 formuleert het Hoofd van de Algemene, Administratieve en Logistieke Diensten een voorlopig voorstel tot afzetting van verzoeker. 1.
- Op 10 februari 2000 wordt verzoeker door het Hoofd van de Algemene, Administratieve en Logistieke Diensten over het voorlopig voorstel tot afzetting gehoord. IX-2672-3/16 1.
- Bij nota van 21 februari 2000 maakt het Hoofd van de Algemene, Administratieve en Logistieke Diensten het voorstel tot afzetting van verzoeker over aan de voorzitter van de directieraad. 1.
- Op 14 maart 2000 wordt verzoeker door de directieraad gehoord. De directieraad beslist eenparig een definitief voorstel tot afzetting van verzoeker bij de minister in te dienen. 1.
- Bij brief van 3 april 2000 dient verzoeker tegen het voorstel tot afzetting beroep in bij de raad van beroep. 1.
- Op 24 oktober 2000 wordt verzoeker door de raad van beroep gehoord. De raad van beroep adviseert met acht stemmen tegen vijf dat het beroep van verzoeker ongegrond is. 1.
- Door het ministerieel besluit van 5 december 2000 wordt tegen verzoeker de tuchtstraf “afzetting” uitgesproken. Dit is de bestreden beslissing.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 81, § 5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, doordat de tuchtvordering werd ingesteld meer dan zes maanden nadat het openbaar ministerie de einduitspraak van het gerecht aan de minister ter kennis bracht, zodat de tuchtvordering laattijdig is; dat verzoeker hierbij verwijst naar de brief van 22 juni 1999 van de raadsman van de verwerende partij aan de Diensten van de Eerste Minister-Wetenschappelijke, Technische en Culturele Aangelegenheden, waarvan een kopie door de secretaris- generaal aan de raadsman van verzoeker werd overgemaakt, waarin aan de verwerende partij onder meer werd medegedeeld dat de zaak zonder gevolg geklasseerd werd; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de brief van 22 juni 1999 alsmede alle verwijzingen ernaar uit de debatten moeten worden geweerd, omdat de briefwisseling tussen een advocaat en zijn cliënt strikt vertrouwelijk is en door een derde niet mag gebruikt worden; dat in ondergeschikte IX-2672-4/16 orde de verwerende partij argumenteert dat, zelfs indien de verwerende partij naar aanleiding van informele contacten of op officieuze wijze in kennis zou zijn gesteld van het resultaat van het strafonderzoek, de termijn van zes maanden voor het instellen van de tuchtvordering slechts begint te lopen wanneer de tuchtoverheid met zekerheid over het strafonderzoek wordt geïnformeerd en er dus een officiële kennisgeving van de beslissing van de procureur des Konings is geweest; dat in casu die kennisgeving gebeurde op 11 oktober 1999 en de tuchtprocedure werd ingesteld in de loop van de maand januari 2000; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker hierop repliceert dat er voor de feiten waarop de tuchtsanctie is gebaseerd nooit een strafvordering is geweest, zodat de feiten die aan de basis liggen van de thans bestreden tuchtstraf zich situeren buiten de termijn van zes maanden; dat hij herhaalt dat de tuchtoverheid uiterlijk op 22 juni 1999 in kennis was gesteld van het feit dat de zaak zonder gevolg werd geklasseerd en zij dan ook had moeten weten dat er geen sprake kon zijn van “een einduitspraak van het gerecht”; dat het hier geen informatie uit tweede of derde hand betrof, maar informatie van de bevoegde instantie, namelijk het parket van de procureur des Konings; dat deze informatie aan geen enkele vormvoorwaarde is gebonden en ook mondeling gegeven kan worden; dat hij ook nog opmerkt dat, zelfs indien zou worden aangenomen dat er lastens hem een strafvordering aanhangig was, deze enkel het meenemen van boeken naar huis betrof, maar de overige elementen ter verantwoording van de tuchtstraf, met name de beweerde diefstallen in 1994 en 1995 en de verkoop van het werk van VAN BENEDEN, buiten het strafonderzoek vielen en derhalve reeds verjaard waren; 2.1.
- Overwegende dat luidens artikel 18, § 5, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel de tuchtvordering alleen betrekking mag hebben op feiten die zich hebben voorgedaan binnen een termijn van zes maanden voorafgaande aan de datum waarop de vordering wordt ingesteld en, in geval van strafvordering en wanneer het openbaar ministerie de einduitspraak van het gerecht ter kennis heeft gebracht van de minister onder wiens gezag de ambtenaar staat, de tuchtvordering ingesteld moet worden binnen zes maanden na de datum van de kennisgeving; dat met de kennisgeving van de “einduitspraak van het gerecht” ook de kennisgeving vanwege de procureur des Konings van een sepotbeslissing is bedoeld, die de voornoemde termijn van zes maanden doet lopen; dat uit voormeld artikel 81, § 5, tweede lid, moet worden afgeleid dat de tuchtoverheid dient te beschikken over informatie die uitgaat van de gerechtelijke overheid zelve en dat informatie uit tweede of derde hand niet volstaat IX-2672-5/16 om de verjaringstermijn van zes maanden te doen ingaan, zodat de brief van de raadsman van de verwerende partij van 22 juni 1999 te dezen niet dienstig is om de aanvang van de verjaringstermijn vast te stellen; dat de verjaringstermijn eerst is ingegaan op het ogenblik dat de verwerende partij kennis heeft kunnen nemen van het officieel bericht van seponering; dat dit bericht dateert van 11 oktober 1999; dat voorts de bewering van verzoeker dat er nooit een “strafvordering” geweest zou zijn, en dat, indien er toch sprake was van een strafonderzoek, dit enkel betrekking zou hebben gehad op het meenemen van een aantal boeken naar huis, ingaat tegen het gezag van gewijsde van het arrest nr. 69.739, van 24 november 1997 waarbij het vorige afzettingsbesluit van verzoeker vernietigd werd, omwille van het feit dat een tuchtstraf uitgesproken was, terwijl de tuchtvordering door de strafvordering was geschorst; dat trouwens uit artikel 81, § 3 en § 5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel moet worden afgeleid dat de term “strafvordering” in ruime zin moet worden begrepen en dat de termen “einduitspraak van het gerecht” moeten worden geacht elke handeling te omvatten waarbij een rechterlijke overheid zich omtrent een strafvervolging heeft uitgesproken; dat de kennisgeving door de procureur des Konings, waarbij aan het bestuur wordt meegedeeld dat het tegen de betrokken ambtenaar geopende dossier zonder gevolg wordt gerangschikt, de in artikel 81, § 5, tweede lid, bedoelde termijn doet lopen; dat in casu uit de door de gerechtelijke politie in verband met de zaak opgestelde processen-verbaal blijkt dat een onderzoek gevoerd werd in opdracht van onderzoeksrechter BULTHÉ; dat bovendien uit deze processen-verbaal blijkt dat dit onderzoek niet alleen betrekking had op het meenemen van een aantal boeken naar huis, maar ook op de wederrechtelijke verkoop van een collectie boeken van het instituut; dat het trouwens naar aanleiding van deze verkoop was dat tot de huiszoeking bij verzoeker werd overgegaan en werd vastgesteld dat verzoeker een groot aantal boeken naar huis had meegenomen; dat derhalve moet worden geconcludeerd dat de verjaringstermijn slechts is ingegaan met de mededeling van het bericht van 11 oktober 1999 zodat de tuchtvordering met het voorlopig voorstel van 26 januari 2000 tijdig is ingesteld; dat het middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van “het algemeen beginsel van de redelijke termijn”, doordat “de tuchtoverheid niets heeft ondernomen om de procedure binnen de voorgeschreven redelijke termijn te laten verlopen, doch integendeel een strikt passieve houding heeft aangenomen en onredelijk lang heeft gewacht met het opvragen van het resultaat van de strafrechtelijke procedure”; dat hij hierbij uiteenzet dat de tuchtvordering betrekking heeft op feiten van september 1996 en dat de verwerende IX-2672-6/16 partij heeft nagelaten tijdig bij het openbaar ministerie over de stand van het dossier te informeren, maar integendeel abnormaal lang heeft stilgezeten en niets heeft ondernomen om de procedure binnen een redelijke termijn te laten verlopen, terwijl de boeken reeds geruime tijd aan de overheid gerestitueerd waren; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoeker ook bij dit middel verwijst naar vertrouwelijke briefwisseling tussen de verwerende partij en haar advocaat; dat de verwerende partij vervolgens uiteenzet dat zij diverse stappen ondernomen heeft om over het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek te worden geïnformeerd, maar hiervan pas op 11 oktober 1999 in kennis werd gesteld; dat zij subsidiair stelt dat verzoeker zelf het initiatief had kunnen nemen om het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek te kennen en aldus kon vermijden dat hij in een situatie van rechtsonzekerheid zou verkeren; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord beklemtoont dat de tuchtoverheid het resultaat van de strafvordering niet lijdzaam mag afwachten, maar dat zij integendeel zelf navraag moet doen over het verloop van de procedure; dat in casu de tuchtoverheid aan haar informatieplicht te kort is geschoten, en dat daardoor de redelijke termijn is overschreden; 2.2.
- Overwegende dat de tuchtprocedure en de tuchtuitspraak te dezen op grond van artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel geschorst waren door de strafvordering; dat eventuele vertragingen in de strafprocedure in een dergelijk geval niet aan de tuchtoverheid kunnen worden toegerekend, en dat de termijn gedurende welke de tuchtvordering geschorst is voor de beoordeling van het redelijk karakter van de termijn van de tuchtprocedure niet in aanmerking kan worden genomen; dat evenwel, nu geen bepaling voorschrijft dat het openbaar ministerie de eindbeslissing over de strafvordering binnen een bepaalde termijn aan de tuchtoverheid ter kennis moet brengen, deze laatste de nodige diligentie aan de dag moet leggen om zich te informeren over de stand van de strafrechtelijke procedure; Overwegende dat de tuchtvordering te dezen pas kon worden ingesteld nadat de verwerende partij bij schrijven van het parket bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 11 oktober 1999 officieel in kennis was gesteld van de seponering van de tegen verzoeker ingestelde klacht: dat de omstandigheid dat de tuchtvordering betrekking heeft op feiten gepleegd in 1996 dan ook op zichzelf niet strijdig is met het vereiste van de redelijke termijn; dat voorts uit het IX-2672-7/16 administratief dossier blijkt dat de verwerende partij niet op een passieve wijze het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek heeft afgewacht, maar dat zij integendeel via haar raadsman zowel telefonisch als schriftelijk bij het parket naar de stand van zaken heeft geïnformeerd: dat aan de verwerende partij dan ook niet verweten kan worden dat zij niet binnen een redelijke termijn is opgetreden; dat het middel niet gegrond is; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel aanvoert dat departementshoofd J. VAN GOETHEM heeft deelgenomen aan de vergadering van de directieraad van 14 maart 2000 en dat, gelet op het feit dat de huidige tuchtprocedure teruggaat op de tuchtprocedure, die in 1996 geïnitieerd werd door dezelfde persoon hetgeen geleid heeft tot het ministerieel besluit van 20 januari 1997 houdende beslissing tot afzetting, de deelname van J. VAN GOETHEM aan vernoemde vergadering van de directieraad in strijd is met artikel 79, § 2, van het reeds genoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1937; 2.3.
- Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt dat J. VAN GOETHEM bij de eerste afzettingsprocedure inderdaad onterecht zitting had in de directieraad aangezien hij tegelijk de initiatiefnemer was van de tuchtprocedure, maar dat dit in het kader van de huidige tuchtprocedure niet meer het geval is en de regels inzake de samenstelling van de tuchtorganen strikt werden nageleefd; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat het feit dat J. VAN GOETHEM geen initiatiefnemer was niet alleen weinig geloofwaardig is, gelet op de actieve rol die hij in de ganse procedure speelde, maar ook zonder belang aangezien de tweede tuchtprocedure niets anders is dan het hernemen van de eerste procedure; 2.3.
- Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat het tuchtvoorstel van 15 oktober 1996 is ingediend door G. VAN DER VEKEN, de onmiddellijke hiërarchische overste van verzoeker, en door J. VAN GOETHEM, departementshoofd; dat tijdens de zitting van de directieraad van 25 oktober 1996 J. VAN GOETHEM er de functie waarnam van secretaris; dat, na de vernietiging van het ministerieel besluit van 20 januari 1997, het tuchtvoorstel van 26 januari 2000 is ingediend door G. VAN DER VEKEN, de onmiddellijke hiërarchische overste van verzoeker; dat J. VAN GOETHEM in de directieraad van 14 maart 2000 zitting had en dat verzoeker er gehoord werd; dat diezelfde J. VAN GOETHEM IX-2672-8/16 door de directieraad is aangewezen om de tuchtmaatregel te verdedigen voor de raad van beroep; dat verzoeker zich voor de raad van beroep heeft verdedigd; dat hij evenwel noch voor de directieraad noch voor de raad van beroep opmerkingen heeft geformuleerd nopens de aanwezigheid en de deelname van J. VAN GOETHEM aan de werkzaamheden van de directieraad en van de raad van beroep en dat hij zulks ontegensprekelijk had kunnen doen; dat hij dat thans voor de eerste maal doet voor de Raad van State; dat dit middel bijgevolg als onontvankelijk wordt afgewezen; 2.4.
- Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van het recht van verdediging; dat hij in een eerste onderdeel laat gelden dat in de loop van de tuchtprocedure de tenlasteleggingen verschillende malen werden gewijzigd zodanig dat het geenszins duidelijk is waarop de tuchtstraf uiteindelijk is gebaseerd; dat zulks volgens verzoeker blijkt uit een vergelijking van de tenlasteleggingen zoals geformuleerd in het voorlopig voorstel van 26 januari 2000, het definitief voorstel van de directieraad van 14 maart 2000 en het bestreden ministerieel besluit van 5 december 2000; dat verzoeker stelt dat zijn recht van verdediging werd geschonden omdat hij zich tegen de gewijzigde tenlastelegging voor de directieraad niet heeft kunnen verdedigen en hij evenmin werd gehoord over de antecedenten die door de directieraad bij het bepalen van de strafmaat in aanmerking werden genomen; dat hij in een tweede onderdeel aanvoert dat het tuchtdossier onvolledig was, zowel bij de inzage van het voorlopig voorstel als bij de inzage van het definitief voorstel, omdat een aantal stukken betreffende de tuchtprocedure die geleid heeft tot het vernietigde ministerieel besluit van 20 januari 1997 niet bij het dossier waren gevoegd; dat bovendien in strijd met artikel 89 van het statuut van het rijkspersoneel niet het volledig dossier aan de raad van beroep werd overgemaakt; 2.4.
- Overwegende dat de verwerende partij betwist dat er onzekerheid zou hebben bestaan over de feiten die aan verzoeker ten laste werden gelegd en die tot de tuchtstraf hebben geleid, en stelt dat verzoeker in gebreke blijft aan te tonen dat hij niet de kans zou hebben gekregen om zich te verdedigen; dat de verwerende partij eveneens betwist dat de dossiers niet volledig zouden zijn geweest; dat zij aanvoert dat verzoeker ook niet aantoont dat de beweerde verschillen in de samenstelling van de dossiers enige relevantie zouden hebben gehad; 2.4.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord staande houdt dat het in de loop van de procedure voor hem moeilijk was om uit te maken of het hoofdzakelijk ging om zaken die het voorwerp waren geweest van het IX-2672-9/16 opsporingsonderzoek ingevolge de huiszoeking dan wel over de verkoop van een collectie boeken aan een derde; dat bovendien het feit dat de verwerende partij nalaat alle stukken incluis inventaris voor te leggen, de impliciete erkenning inhoudt dat het middel gegrond is; 2.4.
- Overwegende, wat betreft het eerste onderdeel, dat in het voorlopig voorstel van 26 januari 2000 aan verzoeker ten laste gelegd wordt dat hij geen toelating had om enkele honderden boeken, die ofwel ingeschreven waren in de inventaris van de bibliotheek ofwel bestemd waren voor de verkoop of de ruil, naar zijn woonplaats mee te nemen en nog minder om ze te verkopen of uit te delen, dat hij in weerwil van duidelijke richtlijnen talrijke boeken die in de catalogi als uitgeput staan vermeld, heeft achtergehouden en deze vondsten niet heeft gemeld aan zijn meerderen, dat hij vijf delen van een werk heeft verkocht tegen een door hem willekeurig vastgestelde prijs, zonder dat hij de toelating had om deze verkoop uit te voeren, zonder iemand van deze transactie te verwittigen en zonder een kwitantie of ontvangstbewijs af te leveren aan de koper, dat hij de opbrengst van de verkoop pas in de late namiddag van 6 september 1996 heeft overhandigd, terwijl hij wel degelijk aanwezig was op 5 september 1996 en het Instituut inmiddels door de koper verwittigd was van deze verkoop en het bedrag ervan, en verzoeker zelf door de koper van deze mededeling in kennis was gesteld; dat de tenlasteleggingen in het definitief voorstel van de directieraad van 14 maart 2000 als volgt luiden: “1/ In weerwil van duidelijke richtlijnen bij het op orde brengen van de voorraad boeken van het Instituut, werden talrijke boeken die in de catalogi als uitgeput vermeld staan, achtergehouden en hun bestaan werd niet medegedeeld. 2/ Betrokkene heeft op datum van 4 september 1996, in de lokalen van het Instituut, de 5 delen van het werk 'Description des ossements fossiles des environs d Anvers' van P.J. VAN BENEDEN (Annales du Musée royal d Histoire naturelle de Belgique, Brussel, 1878) verkocht aan dhr. Eric WILLE (Oude Baan 60, 2990, Gooreind-Wuustwezel) tegen de som van vijftigduizend frank. De prijs was op eigen initiatief bepaald : er was geen toestemming voor de verkoop en er werd geen kwitantie of ontvangstbewijs afgeleverd aan de koper. Betrokkene heeft de verkoop achteraf niet gemeld bij zijn overste. 3/ Behoud van de verkoopsom die pas na aandringen op 6 september 1996 in de late namiddag, zijnde 48 uur na de feiten, werd overhandigd aan het Instituut. 4/ Het zich toeëigenen van een 600-tal boeken van het Instituut (waaronder boeken die ingeschreven zijn in de inventaris van het Instituut en nieuwe boeken nog in hun verpakking die bestemd zijn voor verkoop of ruil) zoals bleek bij een huiszoeking die door de gerechtelijke politie uitgevoerd werd bij hem thuis”; dat te dezen niet ingezien wordt hoe het voorlopig en definitief strafvoorstel zozeer van elkaar verschillen dat van nieuwe tenlasteleggingen gesproken zou kunnen IX-2672-10/16 worden; dat bovendien de feiten waarvoor verzoeker ter verantwoording is geroepen telkens met de vereiste duidelijkheid aan verzoeker zijn ter kennis gebracht; dat de omstandigheid dat het definitief tuchtvoorstel, geformuleerd door de directieraad, niet identiek is met het voorlopig strafvoorstel van verzoekers hiërarchische meerdere, op zich geen schending van het recht van verdediging tot gevolg kan hebben gehad; dat trouwens het definitief tuchtvoorstel aan verzoeker ter kennis werd gebracht en verzoeker zich ertegen voor de raad van beroep heeft kunnen verdedigen; Overwegende, wat betreft het tweede onderdeel van het middel, dat verzoeker noch bij de hoorzitting op 10 februari 2000 noch bij zijn verhoor door de directieraad op 14 maart 2000 enige opmerking heeft gemaakt in verband met het ontbreken van de stukken betreffende de tuchtprocedure die geleid heeft tot het vernietigde afzettingsbesluit van 20 januari 1997; dat bovendien niet blijkt dat aan de raad van beroep slechts een onvolledig dossier zou zijn toegezonden; dat uit het loutere feit dat de griffier van de raad van beroep bij zijn verslag een aantal documenten uit het tuchtdossier heeft gevoegd niet volgt dat de raad van beroep van de overige stukken van het tuchtdossier geen kennis heeft kunnen nemen; Overwegende dat het middel, in geen van zijn onderdelen gegrond is; 2.5.
- Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel de schending aanvoert van “de bewijsplicht”, omdat volgens hem de feiten die hem in het definitief strafvoorstel van de directieraad ten laste werden gelegd niet bewezen werden; dat verzoeker hierbij uiteenzet dat wat het eerste feit betreft, met name het “achterhouden van talrijke boeken”, de tenlastelegging te vaag was; dat hij opmerkt dat hij verklaard heeft dat hij bezig was bulletins te ordenen en boeken te sorteren en dat een lijst zou overhandigd worden aan J. VAN GOETHEM, en dat de tuchtoverheid niet het bewijs geleverd heeft dat hij de intentie zou hebben gehad bepaalde werken achter te houden; dat wat het tweede en het derde ten laste gelegde feit betreft, hij niet betwist dat hij vijf boekdelen voor de prijs van 50.000 frank verkocht heeft; dat hij deze verkoop echter spontaan aan zijn hiërarchische meerdere heeft gemeld en de verkoopsom overhandigd heeft, zodat niet bewezen is dat hij de intentie zou hebben gehad de verkoop en de opbrengst ervan achter te houden; dat wat het vierde ten laste gelegde feit betreft, verzoeker meent dat de tuchtoverheid niet bewezen heeft dat hij zich boeken zou hebben toegeëigend, terwijl hij deze mee IX-2672-11/16 naar huis genomen heeft om een inventaris en een geactualiseerde prijslijst op te maken; 2.5.
- Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt dat de feiten moeilijk betwistbaar zijn en de door verzoeker aangebrachte nuances “onjuist en/of irrelevant zijn”; dat wat betreft de tenlastelegging “het achterhouden van talrijke boeken” er geen ambiguïteit kan zijn omtrent de bedoelde boeken, omdat daarvan een inventaris door de gerechtelijke politie is opgemaakt, die door verzoeker nooit werd betwist; dat wat de tweede tenlastelegging betreft, de houding van verzoeker op zijn minst dubieus was en hij niet kan verklaren waarom hij het initiatief heeft genomen om de boeken te verkopen zonder zijn meerderen te informeren; dat hetzelfde geldt voor de derde tenlastelegging; dat wat de vierde tenlastelegging betreft, de stelling van verzoeker dat geen rekening werd gehouden met het feit dat het zijn bedoeling geweest zou zijn een inventaris op te maken niet overtuigend is en uit het dossier blijkt dat verzoeker zelf erkend heeft dat zijn uitleg hierover ongeloofwaardig was; 2.5.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de verwerende partij dient te bewijzen dat hij te kwader trouw was, en dit zowel voor het meenemen van de boeken naar zijn woonplaats, als voor de verkoop van een collectie boeken aan een derde; dat uit het opsporingsonderzoek bleek dat hij niet de bedoeling had om zich iets onregelmatig toe te eigenen, hetgeen bevestigd wordt door het feit dat er nooit een strafvervolging werd ingesteld; dat in de loop van de procedure trouwens is bevestigd dat verzoeker niets met de diefstallen in de periode 1994-1995 te maken had; 2.5.
- Overwegende dat de Raad van State bij het onderzoek van dit middel alleen vermag na te gaan of de tuchtoverheid naar recht en redelijkheid tot haar voorstelling van de feiten is gekomen, dan wel of de tuchtstraf gegrond is op onbestaande of niet voldoende bewezen feiten; dat het advies van de raad van beroep met betrekking tot de ten laste gelegde feiten als volgt luidt: “Wat de feiten aangaat : de heer Jan PEETERS kan niet ernstig voorhouden dat de overheid zou tekortschieten in het bewijs van het feit dat hij talrijke boeken heeft achtergehouden. Het bestuur merkt met reden op dat de betrokkene een fantasierijke versie van de gebeurtenissen naar voren brengt waar hij beweert dat hij uit pure bekommernis om het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen de boeken mee naar huis nam ten einde ze beter te kunnen inventariseren. De ongeloofwaardigheid van deze uitleg geeft hij zelf toe in zijn verklaringen aan IX-2672-12/16 de politie in het P.V. van 3 oktober 1996, waar hij volgend antwoord aan de ondervrager geeft : 'U zegt verder dat indien het mijn bedoeling zou geweest zijn het archief te computeriseren, ik onmogelijk alle boeken mee naar huis had kunnen nemen en dat u aldus mijn argumentatie als ongeloofwaardig beschouwt. Ik ben het eens met uw stelling en kan geen verdere verklaring geven (...)'. De bibliotheek van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen omvat honderdduizenden boeken en staat uiteraard reeds op inventaris. Het is absurd te stellen dat de heer Jan PEETERS de opdracht zou gekregen hebben deze inventaris te maken en dat hij daartoe de toelating zou gekregen hebben om de boeken mee naar zijn appartement te nemen. Men ziet overigens niet in welke objectiviteit kan worden toegeschreven aan een inventaris die door een ambtenaar wordt opgemaakt, als hij de publicaties in kwestie heeft meegenomen zonder dat het bestuur hiervan kennis heeft en zonder dat hij enig ontvangstbewijs heeft afgeleverd. Zie het antwoord van de betrokkene aan de ondervrager : 'U vraagt mij waarom ik de boeken niet eenvoudigweg op geschreven lijsten heb gebracht en deze dan thuis op computer heb overgeschreven? Ik heb daar geen antwoord op (...)'. Het stemt tot nadenken dat bij de huiszoeking voornamelijk zeldzame en kostbare boeken werden gevonden en dat er vaak meerdere exemplaren waren van eenzelfde werk. Zie het antwoord van betrokkene aan de ondervrager : 'U zegt mij verder dat ik vijf- tot zesmaal dezelfde boeken heb meegenomen en dat zulks niet strookt met de bedoeling om listings te maken. Dat is juist, ik heb daar vermoedelijk niet op gelet'. Kortom, de feiten worden door de heer Jan PEETERS in zijn eigen bewoordingen tijdens het verhoor van 3 oktober 1996 aldus samengevat en erkend : 'Ik geef toe dat ik zonder toelating van mijn hiërarchie en zonder enige opdracht daartoe regelmatig boeken heb meegenomen naar huis. U zegt mij dat ongeveer negentien kartons boeken afkomstig van het Instituut werden gevonden en dat het nadeel door het Instituut tussen de 500.000 en één miljoen Belgische frank werd begroot. Ik aanvaard deze estimatie. Ik ben begonnen met boeken mee te nemen uit het archief sedert begin 1995'”; dat verzoeker de feiten zelf waarop de raad van beroep steunt, niet betwist; dat de beoordeling van de feiten door de raad van beroep niet kennelijk onredelijk is; dat het middel niet gegrond is; 2.6.
- Overwegende dat verzoeker in een zesde middel de schending aanvoert van het evenredigheidsbeginsel; dat hij laat gelden dat de tuchtstraf afzetting niet evenredig is met de feiten omdat, in tegenstelling tot de tuchtprocedure die in 1996-1997 werd gevoerd, hem niet meer wordt ten laste gelegd dat hij de boeken die hij naar huis heeft meegenomen heeft verkocht en hij ook niet meer strafrechtelijk vervolgd wordt; dat, hoewel de tuchtoverheid niet gebonden is door de uitslag van de strafprocedure en de opschorting van de uitspraak niet belet dat de tuchtoverheid de zwaarste tuchtsanctie uitspreekt, de tuchtoverheid niettemin zal moeten aantonen waarom zij de zwaarste tuchtsanctie oplegt; dat verzoeker tenslotte uiteenzet dat er geen bewijs is van kwaad opzet, omdat hij gedreven werd door IX-2672-13/16 goede intenties, en dit zowel wat betreft het meenemen van de boeken naar huis als wat de verkoop van de boeken op 4 september 1996 betreft; dat hij besluit dat de tuchtsanctie van de afzetting in kennelijke wanverhouding staat tot de feiten; 2.6.
- Overwegende dat de verwerende partij hierop in essentie antwoordt dat uit de seponering van de strafklacht niet kan worden afgeleid dat het evenredigheidsbeginsel geschonden werd; dat de materialiteit van de feiten volstaat om de sanctie te verantwoorden; 2.6.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord laat gelden dat indien, gelet op de verjaringstermijn van zes maanden, enkel nog rekening mag worden gehouden met de feiten die het voorwerp waren van het opsporingsonderzoek, alleen het meenemen van de boeken naar huis als een inbreuk kan worden weerhouden; dat, daar er geen bewijs is van enige bedoeling om zich deze boeken toe te eigenen, de uitgesproken tuchtstraf een schending inhoudt van het evenredigheidsbeginsel; 2.6.
- Overwegende dat de overheid bij het bepalen van de strafmaat over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt; dat de Raad van State enkel een kennelijk volkomen in wanverhouding tot de fout staande straf als onwettig kan beschouwen, dit wil zeggen een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die fout zou opleggen; dat voorts de beslissing van het openbaar ministerie om een zaak te seponeren de tuchtoverheid niet verhindert om, wat ook de reden van de seponering geweest mag zijn, de zaak tuchtrechtelijk te onderzoeken, de inbreuk op de tuchtrechtelijke regels bewezen te achten en te besluiten dat er redenen zijn om een tuchtstraf op te leggen, dat de opportuniteitsredenen die het openbaar ministerie in aanmerking neemt om tot strafrechtelijke seponering te besluiten in beginsel niet gelden bij de uitoefening van de tuchtrechtelijke bevoegdheid en dat de beslissing tot seponering geen gezag van gewijsde heeft; dat de omstandigheid dat het openbaar ministerie de zaak heeft geseponeerd niet betekent dat de feiten als niet bestaande moeten worden beschouwd en evenmin dat de beoordelingsbevoegdheid van de tuchtoverheid op het stuk van de strafmaat beperkt wordt; dat de raad van beroep te dezen in zijn advies overweegt dat de feiten “in hun geheel en in hun onderdelen van zeer ernstige aard (zijn) en zij onmiddellijk en fataal de vertrouwensrelatie die tussen de ambtenaar en het bestuur moet bestaan (verstoren)”; dat de raad van beroep zich voorts aansluit bij het standpunt van de directieraad, die vastgesteld heeft “dat, ondanks het feit dat de directie betrokkene reeds kansen heeft geboden, opnieuw inbreuken werden IX-2672-14/16 gepleegd”, en die geconcludeerd heeft dat de directie geen vertrouwen meer kon hebben in verzoeker; dat de bestreden beslissing onder meer verwijst naar dit advies van de raad van beroep en ook nog stelt dat “betrokkene elke samenwerking onmogelijk maakte door het maken van een zware fout”; dat de tuchtoverheid aldus niet onredelijk is geweest door aan verzoeker de tuchtstraf van afzetting op te leggen; dat bij de bespreking van het eerste middel is vastgesteld dat het strafonderzoek zowel betrekking had op het meenemen van boeken naar huis als op de verkoop van een collectie aan een derde; dat het middel niet gegrond is; 2.7.
- Overwegende dat verzoeker in een zevende middel de schending aanvoert van de formele motiveringsplicht, zoals voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat uit de bestreden beslissing niet blijkt welke feiten precies in aanmerking werden genomen, er niet is aangetoond waarom de zwaarste sanctie wordt opgelegd en geenszins blijkt dat het verweer van verzoeker in de beslissing werd betrokken; 2.7.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt, samengevat, dat uit de motivering van het bestreden besluit duidelijk blijkt waarom de tuchtstraf afzetting werd opgelegd en er geen twijfel kon bestaan over de tenlasteleggingen die tot de tuchtsanctie hebben geleid; 2.7.
- Overwegende dat de formele motiveringsplicht de betrokkene moet toelaten de concrete redenen te achterhalen die de overheid tot de beslissing hebben gebracht; dat zulks in tuchtzaken betekent dat de motivering de betrokkene duidelijk moet maken welke feiten de overheid in aanmerking heeft genomen, waarom die feiten, wanneer zulks niet duidelijk is, een inbreuk op de tuchtrechtelijke regels uitmaken en waarom zij de opgelegde straf verantwoorden; dat de motiveringsplicht wat dit laatste punt betreft stringenter moet worden opgevat wanneer het gaat om tuchtstraffen die, zoals de afzetting, sterk op de persoonlijke levenssituatie van de betrokken ambtenaar ingrijpen; dat de bestreden beslissing als volgt wordt gemotiveerd : “Aangezien betrokkene elke samenwerking onmogelijk maakte door het maken van een zware fout, namelijk het ongeoorloofd wegnemen in de loop van 1994 en 1995 van enkele honderden boekwerken uit de bibliotheek van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen die eigendom zijn van de Staat en waarvan hij er ook een aantal op eigen initiatief verkocht op 4 september 1996; Aangezien een aantal van deze werken in zijn privé woning werden aangetroffen tijdens een huiszoeking op 27 september 1996; IX-2672-15/16 Aangezien betrokkene de feiten heeft toegegeven, onder meer in zijn brief van 13 september; Aangezien de omstandigheid dat het dossier van een ambtenaar door de gerechtelijke instanties zonder gevolg wordt geklasseerd, niet belet dat de feiten op tuchtrechtelijk vlak wel gevolgen kunnen hebben voor betrokkene”; dat verzoeker aldus niet ernstig staande kan houden dat hij niet zou weten voor welke feiten hij gestraft wordt en waarom hem voor die feiten de zwaarste tuchtstraf wordt opgelegd; dat voorts het verweer van verzoeker daadwerkelijk is onderzocht en beantwoord in het advies van de raad van beroep, waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 25 juni 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2672-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.693 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.95.814 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.