id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.737 Rolnummer: A. 158132/XII-4319 Zaak: Arrest 172737 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 26/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-02 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 06:51 Fiche Arrest nr 172.737 van 26 juni 2007 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 172.737 van 26 juni 2007 in de zaak A. 158.132/XII-
- In zake : Rita VAN DEN BERGH, wonende te Zoersel, Van der Graesenlaan 22 tegen :
- de VZW RAAD VOOR INSPECTIE EN BEGELEIDING NIET-CONFESSIONELE ZEDENLEER,
- het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de SCHOLENGROEP AGORA
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rita Van Den Bergh op 6 december 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissingen : “
- De beslissing van de Raad van Bestuur van de R.I.B.Z. van 15 september 2004, meegedeeld met gewone brief van 5 oktober 2004, waarbij de beslissing werd meegedeeld dat er geen wijziging nodig is van de fundamentele feiten aangebracht door inspecteur-adviseur R. JONCRET, zij haar vroeger standpunt behoudt en de beslissing van voornoemde inspecteur- adviseur onderschrijft, met name dat de voordracht van verzoekster tot aanstelling voor het schooljaar 2003-2004 en/of schooljaar 2004-2005 wordt ingetrokken en derhalve de beslissingen om verzoekster voor de betrokken ambten en betrokken schooljaren niet voor te dragen;
- De beslissing van 17 juni 2003 van de inspecteur-adviseur niet- confessionele zedenleer Robert JONCRET waarbij de voordracht tot aanstelling van verzoekster tot leermeester niet-confessionele zedenleer wordt ingetrokken;
- De beslissing sine dato van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, meer bepaald de beslissing van de Algemeen Directeur van de scholengroep AGORA III van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, waartoe de B.S. ‘Klim Op’ te Zoersel behoort, om verzoekster niet aan te stellen als leermeester niet-confessionele zedenleer voor 8 u., voor het schooljaar 2003- 2004 en derhalve de beslissing sine dato waarbij een onbekend iemand werd aangesteld in haar plaats;
- De beslissing sine dato van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, meer bepaald de beslissing van de Algemeen Directeur van de scholengroep AGORA III van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, waartoe de B.S. ‘Klim Op’ te Zoersel behoort, om verzoekster niet aan te stellen als leermeester niet-confessionele zedenleer voor 8 u., voor het schooljaar 2004- 2005 en derhalve de beslissing sine dato waarbij een onbekend iemand werd aangesteld in haar plaats.”; XII-4319-1\15 Gelet op het arrest nr. 145.508 van 7 juni 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien het verzoek van verzoekster tot voortzetting van de procedure; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 20 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Guffens, die loco advocaat K. Maenhout verschijnt voor verzoekster, van advocaat R. Rombaut, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat W. Vandenberghe, die loco advocaat P. Van Gheem verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
- Overwegende dat verzoekster gedurende de schooljaren 2000- 2001 tot 2002-2003 voor acht uur is aangesteld als leermeester niet-confessionele XII-4319-2\15 zedenleer aan de basisschool “Klim Op” te Zoersel, behorende tot de scholengroep Agora 3 van het Gemeenschapsonderwijs; Overwegende dat verzoekster op 29 april 2003 door de directeur van de basisschool “Klim Op” wordt beoordeeld als “voldoet”; dat verzoekster diezelfde dag een aanvraag doet voor tijdelijke aanstelling voor het schooljaar 2003- 2004; Overwegende dat de inspecteur-adviseur niet-confessionele zedenleer na een inspectiebezoek op 5 mei 2003 een verslag opstelt met als conclusie “ik stel mijn beoordeling uit. Een nieuwe inspectie zal volgen”; dat verzoekster op dit verslag noteert er niet mee in te stemmen om volgende redenen: “Dit is volgens mij een subjectief verslag omdat er een probleemsituatie is op dit moment. Ik heb reeds 2x geprobeerd om dit conflict op humane manier op te lossen, doch zonder resultaat”; Overwegende dat de inspecteur-adviseur na een tweede inspectiebezoek op 26 mei 2003, aan verzoekster op 27 mei 2003 een eindbeoordeling “onvoldoende” geeft en stelt dat zij mag blijven fungeren tot 30 juni 2003; dat hij in zijn verslag nog schrijft: “Naar volgend schooljaar toe geef ik haar de raad om naar een ander ambt of naar een ander beroep uit te kijken”; dat verzoekster op 4 juni 2003 het inspectieverslag tekent voor kennisname en, zonder verdere opgave van redenen, zich niet akkoord verklaart met de beoordeling; Overwegende dat verzoekster in het inleidend verzoekschrift het vervolg van de feiten aldus weergeeft: zij “vernam dan niets meer, doch werd niet aangesteld als leermeester niet-confessionele zedenleer voor het schooljaar 2003- 2004; ondanks haar aanvraag van 29 april 2003 [voor een tijdelijke aanstelling], werd enige beslissing haar daaromtrent niet meegedeeld”; Overwegende dat de hiervoor genoemde beoordelingen en inspectieverslagen aan de algemeen directeur van de scholengroep Agora worden opgestuurd op 17 juni 2003; dat de inspecteur-adviseur in het begeleidend schrijven stelt : “Op 05 mei en op 26 mei 2003 heb ik haar bezocht en geëvalueerd. Aangezien zij op 26 mei 2003 de beoordeling ‘onvoldoende’ heeft bekomen wordt haar voordracht tot aanstelling ingetrokken. Zij zal dus op XII-4319-3\15 01 september 2003 niet meer in aanmerking komen voor een aanstelling als leermeester n.-c. zedenleer in Uw Scholengroep”; Overwegende dat de inspecteur-adviseur op 28 augustus 2003 K. Van Nerum bij de directeur van de basisschool “Klim Op” voordraagt “als tijdelijke leermeester n.-c. zedenleer voor alle beschikbare lestijden n.-c. zedenleer in uw school” en met een mailbericht van 30 augustus 2004 aan de directeur meedeelt dat de aanstelling van K. Van Nerum “blijft doorlopen naar volgend schooljaar toe”; Overwegende dat verzoekster op 26 april 2004 een aanvraag indient “tot het bekomen van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in het schooljaar 2004-2005 voor Scholengroep 3”; dat zij in het inleidend verzoekschrift schrijft “en opnieuw werd haar geen enkele beslissing meegedeeld”; dat zij zelf op 12 mei 2004 contact opneemt met de Raad voor inspectie en begeleiding niet-confessionele zedenleer (hierna ook: RIBZ); Overwegende dat de RIBZ op 5 oktober 2004 aan verzoekster antwoordt, met afschrift van de reeds geciteerde brief van de inspecteur-adviseur van 17 juni 2003 in bijlage : “Hiermede heb ik de eer u te melden dat de Raad van Bestuur, zoals eerder medegedeeld, in haar zitting van 15/09 ll. uw schrijven heeft onderzocht. De Raad van Bestuur is de mening toegedaan dat uw schrijven geen wijziging brengt aan de fundamentele feiten aangebracht door inspecteur- adviseur R. Joncret. Daarom behoudt de Raad zijn vroeger standpunt en onderschrijft de beslissing van voornoemd inspecteur-adviseur”; De ontvankelijkheid van het beroep ratione temporis 2.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij het beroep “manifest laattijdig” acht; dat die exceptie logischerwijze niet aan de orde zou komen als de Raad van State te dezen zonder rechtsmacht is, zoals de eerste verwerende partij eveneens betoogt; dat de exceptie over de rechtsmacht evenwel niet de bestreden beslissingen van de algemeen directeur betreft en bovendien gepaard gaat met mogelijke prejudiciële vraagstellingen aan het Grondwettelijk Hof; dat het in die omstandigheden past, om reden van proceseconomie, de ontvankelijkheid ratione temporis toch vooraf uit te klaren zodat geen procedurestappen gezet worden die naderhand toch nutteloos zouden blijken; XII-4319-4\15 2.
- Overwegende dat verzoekster reeds in het inleidend verzoekschrift verklaart dat de bestreden beslissingen van de scholengroep betreffende haar niet- aanstelling haar nooit ter kennis werden gebracht en, wat de beslissingen van of namens de RIBZ betreft, dat de beslissing van de inspecteur-adviseur van 17 juni 2003 en de beslissing van de RIBZ van 15 september 2004 haar eerst werden meegedeeld met brief van 5 oktober 2004 en “dat geenszins enige beroepsmogelijkheid bij de Raad van State wordt vermeld, zodat de termijn van 60 dagen nooit wordt geacht een aanvang te hebben genomen”; dat de overtuigingsstukken die verzoekster bij haar verzoekschrift voegt die verklaring staven, terwijl de eerste verwerende partij in haar administratief dossier geen stuk overlegt dat die verklaringen tegenspreekt; dat de tweede verwerende partij zelfs geen administratief dossier heeft neergelegd; dat dienvolgens hoe dan ook niet het bewijs voorligt dat ook maar één van de bestreden beslissingen ooit aan verzoekster is ter kennis gebracht mét vermelding van de beroepsmogelijkheden overeenkomstig artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat bij niet-naleving van dit voorschrift zoals het gold ten tijde van het treffen van de bestreden beslissingen en het indienen van het voorliggende beroep, de verjaringstermijnen geen aanvang nemen; dat die regel, zoals de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State heeft uiteengezet in het arrest nr. 134.024, Lecocq, van 19 juli 2004, van openbare orde is; dat tegen het voorliggend beroep geenszins het verstrijken van de verjaringstermijn kan worden tegengeworpen; De rechtsmacht van de Raad van State 3.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij de bevoegdheid van de Raad van State betwist om kennis te nemen van het beroep, wat betreft de van haar uitgaande beslissingen; dat zij toelicht ontstaan te zijn uit louter privé initiatief, de taak te vervullen van “erkende” instantie van de niet-confessionele gemeenschap in het kader van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken (hierna: het inspectiedecreet) en van “bevoegde” instantie in het kader van de rechtspositiedecreten van 27 maart 1991 personeelsleden gemeenschapsonderwijs en personeelsleden gesubsidieerd onderwijs en als vzw niet onder de bevoegdheid te vallen van de Raad van State; dat zij ter staving van haar betoog steunt op de artikelen 21 en 181, § 1, van de Grondwet, op cassatierechtspraak (in het bijzonder arresten van 3 juni 1999 en 20 oktober 1994), op rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (nr. 18/93 van 4 maart XII-4319-5\15 1993) en van de Raad van State (nr. 25.995, Van Peteghem, 20 december 1985) en op rechtsleer over kerk-staatverhoudingen; dat zij betoogt, samengevat, dat regels van behoorlijk bestuur, rechtsbescherming tegen willekeurige disciplinaire maatregelen, verbod van discriminatie op grond van het geslacht enz. tegen kerkelijke beslissingen niet afdwingbaar zijn bij de hoven en rechtbanken op voorwaarde dat de beslissing werd genomen door een bevoegde overheid binnen de kerkelijke organisatie; dat zij meent zich per analogie te mogen beroepen op dezelfde vrijheid tegen overheidsinmenging en onafhankelijkheid als de kerkgenootschappen genieten op het stuk van de leer, de organisatie, de benoeming en de afzetting van hun bedienaren; dat zij meer in het bijzonder argumenteert dat het grondwettelijk beginsel van de niet-inmenging ook toepasselijk is op het godsdienstonderricht in het gemeenschapsonderwijs en, bij uitbreiding, op het onderricht in de niet-confessionele zedenleer zodat “het enkel aan de niet- confessionele gemeenschap toekomt toe te zien op de aanstelling en afzetting van haar onderwijsinspecteurs, en toezicht te houden op de levensbeschouwelijke authenticiteit van haar leraars en leermeesters niet-confessionele zedenleer” en de functies “niet het voorwerp [kunnen] uitmaken van enige controle van overheidswege”; Overwegende dat zij voorts nog argumenteert dat de RIBZ niet in te passen is in of onder te brengen bij de onderwijsinstellingen, opgericht door privé-personen, waarvan sommige handelingen met toepassing van de zogenaamde “Meulenijzer-rechtspraak” van het Hof van Cassatie (Cass. 6 september 2002) het voorwerp kunnen zijn van een nietigverklaring door de Raad van State; dat zij onder meer toelicht geen organieke openbare dienst te zijn noch een functionele openbare dienst, niet “erkend” te zijn door de overheid in de zin van de bedoelde cassatierechtspraak noch “onder de controle” te staan van de overheid of zelfs maar te kúnnen staan, gezien het gememoreerde beginsel van niet-inmenging; Overwegende dat volgens de RIBZ zijn erkenning “louter het bewerkstellingen van uniciteit [beoogt]” omdat het de wens van de decreetgever is “dat de inspectie op de levensbeschouwelijke vakken in handen ligt van één duidelijk aanwijsbaar ‘hoofd van de eredienst’ per levensbeschouwing” maar dat de regering daarbij “niet overgaat tot een toetsing aan de hand van materiële criteria”; dat zijn erkenning bij ministerieel besluit volgens de RIBZ “impliceert conform artikel 6, § 1 van het Inspectiedecreet dat deze Raad de werking bepaalt van de inspectie en de begeleiding van de niet-confessionele zedenleer” waarbij artikel 6, XII-4319-6\15 § 2, van het inspectiedecreet het begrip “werking” zo omschrijft dat deze taken aansluiten bij de volledige vrijheid van interne werking die conform artikel 21 van de Grondwet aan de levensbeschouwingen toekomt, dat de erkenning waarop zijn opdrachten in het kader van het inspectiedecreet zijn gebaseerd “louter declaratief van aard is, waardoor ten zeerste betwijfeld kan worden of sprake is van een ‘erkenning’ door de openbare macht in de zin van het arrest-Meulenijzer”, dat het slechts een reglementering is van private activiteiten en niet de toewijzing van een openbare dienst, dat immers de taken van de RIBZ “alle inherent verbonden zijn aan de grondwettelijk gegarandeerde vrijheid van organisatie van de levensbeschou- wingen” en “op geen enkele wijze geacht worden te behoren tot het takenpakket van de overheid, waarvan onderdelen kunnen worden opgedragen aan ondergeschikte openbare diensten”; dat de RIBZ een bijkomend argument ziet voor zijn stellingname in het ontbreken van eindtermen voor het vak niet-confessionele zedenleer; Overwegende dat de RIBZ in de memorie van antwoord tenslotte de volgende twee prejudiciële vragen formuleert die hij verzoekt aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen indien de Raad tot zijn rechtsmacht zou besluiten : “Schendt artikel 5 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, in zoverre uit de daarin vervatte erkenningsprocedure ten aanzien van de bevoegde instanties of verenigingen zou voortvloeien dat alle of bepaalde van deze instanties of verenigingen gekwalificeerd moeten worden als administratieve overheid in de zin van artikel 14 van de wetten op de Raad van State, artikel 19 van de Grondwet, doordat het rechterlijke controle ten gronde en desgevallend staatsinmenging toelaat in de vrije organisatie van de levensbeschouwingen ?”, “Schendt artikel 5 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, in zoverre geïnterpreteerd dat uit de daarin vervatte erkenningsprocedure zou voortvloeien dat enkel de instantie, bevoegd voor de niet-confessionele zedenleer, gekwalificeerd wordt als administratieve overheid in de zin van artikel 14 van de wetten op de Raad van State, artikel 10 en 11 van de Grondwet, doordat dergelijke kwalificatie niet zou worden opgedrongen aan de instanties of verenigingen van de overige levensbeschouwingen ?”; 3.
- Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord het wettelijk kader schetst waarin de RIBZ opereert en argumenteert dat, vermits de beoordelingen kunnen leiden tot de niet-aanstelling van een tijdelijk personeelslid XII-4319-7\15 in het gemeenschapsonderwijs, de beslissingen van de RIBZ als administratieve beslissingen van een administratieve overheid te beschouwen zijn en aldus vatbaar voor vernietiging; dat verzoekster opmerkt dat de RIBZ op zijn website een deontologische code vermeldt waarin de beroepsprocedure is opgenomen voor het geval een personeelslid niet wordt voorgedragen voor (weder)aanstelling of voor vaste benoeming en waarin meer bepaald is te lezen “Vanaf de datum van de betekening van de beslissing [van de raad van bestuur van de RIBZ] kan de indiener van het bezwaar een beroep instellen bij de Raad van State” zodat de RIBZ in de huidige procedure komt pleiten tegen zijn eigen deontologische code in; Overwegende dat volgens verzoekster ten gronde artikel 26, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (hierna : het rechtspositiedecreet) cruciaal is, welk artikel de RIBZ een bevoegdheid verleent die bindend is voor de tweede verwerende partij, dat anders oordelen haar in het gemeenschapsonderwijs minder rechtsbescherming zou geven dan haar collega’s “gewone vakken”, dat dit een ongeoorloofde discriminatie zou uitmaken en dat wanneer een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof “zich zou opdringen”, deze “eveneens over dit aspect [moet] gaan”; 3.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in de laatste memorie er in volhardt dat de beslissingen van de RIBZ en van de inrichtende macht te beschouwen zijn als afzonderlijke handelingen waarbij de beslissingen van de RIBZ ontsnappen aan de rechtsmacht van de Raad van State, dat zo een beslissing niet anderen eenzijdig bindt en dat de rechtseffecten van de beslissingen van de RIBZ “pas [ontstaan] op het ogenblik dat de Inrichtende Machten deze realiseren”; dat zij voorts opmerkt dat verzoekster “kritiek -en terecht” heeft op de deontologische richtlijnen die op de website hebben gestaan, maar dat het een materiële vergissing betreft die “welhaast onbewust gebeurd [is] en na beslissing van de raad van bestuur van de RIBZ op 25 januari 2006 ondertussen met een nieuwe versie is rechtgezet”; 4.
- Overwegende dat verzoekster geen aangestelde is van de RIBZ of een anderszins met een overeenkomst verbonden werkneemster van die vereniging; dat conform artikel 17, § 5, en artikel 20, § 1, van het rechtspositiedecreet verzoekster -zoals elk ander tijdelijk personeelslid- wordt geworven door de directeur, weliswaar wat haar betreft dan op voordracht van de XII-4319-8\15 bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer; dat ook bij een eventuele latere vaste benoeming krachtens artikel 37, § 1, van het rechtspositiedecreet de voordracht is vereist van de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap maar de benoeming zelf gebeurt door de raad van bestuur van de scholengroep van het Gemeenschapsonderwijs; dat de instelling met rechtspersoonlijkheid “het Gemeenschapsonderwijs” waarvan de organen de beslissing tot aanstelling of benoeming nemen, als functioneel gedecentraliseerde dienst onbetwist een administratieve overheid is; dat verzoekster, als personeelslid van dat Gemeenschapsonderwijs, de wettigheid van de haar betreffende rechtspositionele beslissingen die uitgaan van het Gemeenschapsonderwijs aan het oordeel van de Raad van State mag onderwerpen met inachtneming van de algemene regels die de ontvankelijkheid van dergelijke beroepen beheersen; 4.
- Overwegende dat de handelingen die verzoekster te dezen mede bestrijdt, beslissingen zijn die niet uitgaan van het Gemeenschapsonderwijs, maar van organen van de RIBZ en waarbij haar voordracht voor het schooljaar 2003-2004 en voor het schooljaar 2004-2005 wordt ingetrokken of geweigerd; dat de vraag rijst of ook die handelingen onderworpen kunnen worden aan de vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State; dat immers overeenkomstig artikel 14, § 1, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, deze enkel kennis mag nemen van beroepen tot nietigverklaring, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden, alsook tegen de administratieve handelingen van wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblées, van het Rekenhof en van het Grondwettelijk Hof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad van de Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel; Overwegende dat buiten betwisting staat dat de RIBZ niet kan worden beschouwd als een openbare dienst in de organieke betekenis; dat de RIBZ een vereniging zonder winstoogmerk is die is opgericht door privé-personen; Overwegende dat een dergelijke vereniging in beginsel geen handelingen stelt die aan de wettigheidscontrole van de Raad van State zijn onderworpen; dat evenwel het enkele feit dat een instelling geen organiek verband heeft met de overheid de bevoegdheid van de Raad van State niet uitsluit; dat XII-4319-9\15 immers instellingen die zijn opgericht door privé-personen, maar erkend door de federale overheid, de overheid van de gemeenschappen en gewesten, de provincies of gemeenten, als administratieve overheden kunnen optreden in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, mits hun werking door de overheid wordt bepaald en gecontroleerd en zij beslissingen kunnen nemen die derden binden; dat handelingen door deze instellingen gesteld het voorwerp kunnen zijn van een nietigverklaring wanneer die instellingen daarbij een deel van het openbaar gezag uitoefenen; dat het feit dat de RIBZ een instelling is die is opgericht door privé-personen en door privé-personen kan worden afgeschaft, niet uitsluit dat het hem toegelaten kan zijn beslissingen te nemen die derden binden; 5.
- Overwegende dat de RIBZ zelf doet gelden de “erkende” vereniging te zijn om de taken van inspectie en begeleiding van een levensbeschouwelijk vak -de niet-confessionele zedenleer- uit te voeren in het kader van het inspectiedecreet; dat dit refereert aan de erkenning bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het inspectiedecreet : “Per erkende godsdienst en voor de niet-confessionele gemeenschap wordt slechts één instantie of één vereniging erkend door de Vlaamse regering voor het uitvoeren van de in dit decreet vermelde opdrachten”; Overwegende dat de thans voorliggende beslissing evenwel niet kadert in een van de taken die de RIBZ uitoefent op grond van het inspectiedecreet, maar wel te situeren valt in het rechtspositiedecreet; Overwegende dat de RIBZ meerdere bevoegdheden uitoefent bij de aanstelling, de benoeming, de tucht en het ontslag van de leerkrachten niet- confessionele zedenleer in het Gemeenschapsonderwijs; dat zijn interventie als “bevoegde instantie” blijkens de desbetreffende bepalingen in het toepasselijke rechtspositiedecreet meestal onontbeerlijk is opdat het schoolbestuur rechtsgeldig kan beslissen; Overwegende dat de decreetgever aldus in het rechtspositiedecreet meerdere taken specifiek heeft opgedragen aan de “bevoegde instantie” met betrekking tot de leerkrachten die instaan voor het onderricht in de niet- confessionele zedenleer dat door het Gemeenschapsonderwijs luidens artikel 24, § 1, vierde lid, van de Grondwet tot het einde van de leerplicht moet worden aangeboden; XII-4319-10\15 Overwegende dat de RIBZ deelt in de uitoefening van het openbaar gezag wanneer hij zich van de hem aldus door de decreetgever opgedragen taken kwijt; Overwegende dat de RIBZ niet betwist als bevoegde instantie door de overheid erkend te zijn; dat artikel 3, eerste lid, 32/, van het rechtspositiedecreet daarover zelfs geen twijfel laat; dat zo een erkenning niet, zoals eerste verwerende partij betoogt, een loutere reglementering en stimulering van private activiteiten beoogt, maar wel degelijk er toe strekt de RIBZ te habiliteren -en dan nog als enige voor de niet-confessionele gemeenschap- de taken uit te voeren die hem specifiek zijn opgedragen door de decreetgever bij het rechtspositiedecreet; Overwegende dat artikel 86, 9/, van het rechtspositiedecreet, gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999, luidt : “Onverminderd de bepalingen van artikel 23 in verband met de beëindiging van de tijdelijke aanstelling worden de tijdelijk aangestelde en de vast benoemde personeelsleden tenzij anders bepaald ambtshalve en zonder opzegging ontslagen : [...] 9/ vanaf het ogenblik waarop het hoofd van de betrokken eredienst of de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer [thans vervangen bij decreet van 7 juli 2006, vanaf 1 september 2006: de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of van de niet-confessionele zedenleer], aan de opdracht van de godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer of de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer een einde maakt. Indien het een vast benoemd personeelslid betreft wordt hem een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens deze opzeggingstermijn wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld, wordt het buiten kader geaffecteerd aan een instelling en tewerkgesteld door de raad van bestuur die het met een opdracht kan belasten en kan het, naar rato van de grootte van die opdracht, worden vervangen. Het geniet de bruto-wedde verbonden aan het ambt waarin het vast benoemd was”; Overwegende dat hieruit volgt dat, eenmaal is vastgesteld dat aan de in artikel 86, 9/, gestelde voorwaarden is voldaan, het schoolbestuur nog slechts beschikt over een gebonden bevoegdheid; dat de beslissing van de RIBZ dienvolgens de definitieve ambtsneerlegging van het betrokken personeelslid determineert; dat de beslissing van de RIBZ aldus verschijnt als een voor derden - inzonderheid het schoolbestuur- bindende beslissing; XII-4319-11\15 Overwegende dat te dezen aan de opdracht van verzoekster weliswaar geen onmiddellijk einde is gemaakt en zij van de inspecteur het schooljaar nog mocht beëindigen; dat dit slechts een kwestie van gradatie is; dat immers voor een aanstelling in het daaropvolgende schooljaar óók een voordracht vereist was van de RIBZ en uit de feiten blijkt dat de inspecteur die voordracht heeft geweigerd, of, met zijn woorden: ze heeft “ingetrokken”; dat die intrekking voor het volgende schooljaar in dezelfde mate rechtstreeks op het decreet gesteunde verplichtingen doet ontstaan ten aanzien van het schoolbestuur, nu verzoekster met de woorden van de inspecteur immers “niet meer in aanmerking [zal] komen voor een aanstelling als leermeester n.-c. zedenleer in [de] Scholengroep”; dat inderdaad het schoolbestuur door het intrekken van die voordracht niet rechtsgeldig nog de aanstelling van verzoekster mocht verlengen; Overwegende dat de RIBZ dienvolgens beantwoordt aan het voor de rechtsmacht van de Raad van State uiteindelijk determinerende criterium, met name de vraag of hij beslissingen kan nemen die derden kunnen binden; 5.
- Overwegende dat hetgeen voorafgaat tot de conclusie voert dat een beslissing waarbij de RIBZ ten aanzien van het Gemeenschapsonderwijs de voordracht van een leermeester niet-confessionele zedenleer intrekt en aan de opdracht een einde maakt, een rechtshandeling is die het voorwerp kan zijn van een nietigverklaring door de Raad van State; dat de Raad van State bevoegd is om van het beroep kennis te nemen; 6.
- Overwegende dat thans de noodzaak wordt onderzocht van de door de RIBZ voorgestelde prejudiciële vraagstelling aan het Grondwettelijk Hof, ten aanzien van de zienswijze, “dat enkel de instantie, bevoegd voor de niet- confessionele zedenleer, gekwalificeerd wordt als administratieve overheid in de zin van artikel 14 van de wetten op de Raad van State” en dat “dergelijke kwalificatie niet zou worden opgedrongen aan de instanties of verenigingen van de overige levensbeschouwingen”, en de volgens de RIBZ daaruit voortvloeiende schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet die hem er toe brengen de tweede hiervoor sub 3.
- geciteerde vraag aan het Grondwettelijk Hof gesteld te willen zien; 6.
- Overwegende dat de voorgaande conclusie evenwel niet was dat de RIBZ in alle omstandigheden een administratieve overheid is, maar wel dat hij optreedt “als” administratieve overheid voor bepaalde van zijn beslissingen of ten XII-4319-12\15 minste voor de in de huidige zaak bestreden beslissingen, zodat die beslissingen het karakter hebben van aanvechtbare administratieve rechtshandelingen; Overwegende dat de redenering die tot de voorgaande conclusie heeft geleid, niet anders is dan die welke toegepast zou moeten worden op een gelijkaardige beslissing, getroffen krachtens dezelfde bepalingen van het rechtspositiedecreet, over een godsdienstleerkracht in het Gemeenschapsonderwijs, die uitgaat van de bevoegde instantie van een erkende eredienst; dat immers dezelfde regelgeving die hier is besproken de erkenning regelt van die bevoegde instanties en hun werking bepaalt binnen het raam van het rechtspositiedecreet; dat ook de derdenbindende werking van dergelijke beslissing identiek is; dat de Raad van State overigens in zijn arrest nr. 135.938, Van Butsele, van 12 oktober 2004 tot een gelijke behandeling heeft besloten, waar hij heeft overwogen “dat de Raad van State voor de voorliggende zaak dan ook de leer handhaaft, en gelet op de uitdrukkelijk gewilde gelijkstelling van de situatie van de leerkrachten levensbeschouwelijke vakken in artikel 86, 9/, van het rechtspositiedecreet bij artikel 89 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende het onderwijs XI (zie ook Parl. St. Vl.P. 1998-1999, nr. 1377/2, blz. 2 en 4, en nr. 1377/3, blz. 17), te dezen tot de niet-confessionele zedenleer doortrekt, van de arresten nr. 16.993, Van Grembergen, van 25 maart 1975, nr. 24.004, Petit, van 22 februari 1984 en nr. 25.995, Van Peteghem, van 20 december 1985”; dat die overweging niet minder geldt in de voorliggende zaak; dat eerste verwerende partij dienvolgens beoogt de Raad van State een vraag te doen stellen over een interpretatie die de Raad niet bijvalt; dat er geen reden is om aan het Grondwettelijk Hof een “prejudiciële” vraag te stellen over een vermeende, maar niet aangetoonde ongelijke behandeling van de RIBZ tegenover “de instanties of verenigingen van de overige levensbeschouwingen”; dat de tweede door de RIBZ voorgestelde vraag niet ontvankelijk is; 7.
- Overwegende dat eerste verwerende partij ook voor de eerste door haar voorgestelde, sub 3.
- geciteerde vraag aan het Grondwettelijk Hof waarin zij een toetsing voorstelt aan artikel 19 van de Grondwet, uitgaat van de verkeerde premisse dat zij “als administratieve overheid” wordt gekwalificeerd; dat, als gezien, enkel bepaalde van door haar gestelde handelingen onder de vernietigings- bevoegdheid van de Raad van State worden geacht te komen; XII-4319-13\15 Overwegende dat de Raad ten overvloede bedenkt dat hij in eerdere arresten, hiervoor vermeld, al heeft aangegeven dat het bestuur zich niet in de plaats van de levensbeschouwelijke instantie uit te spreken heeft over de kern van de betrokken levensbeschouwing of om de authenticiteit en geloofwaardigheid vast te stellen van degenen die het levensbeschouwelijk onderricht geven, mits de instantie binnen de perken van de haar gegeven bevoegdheid blijft; dat de Raad dat in de voorliggende zaak niet anders ziet; dat hij daarenboven ook de eigen opdracht als annulatierechter niet ruimer opvat; Overwegende dat uit het hiervoor sub 4.
- en volgende overwogene hoe dan ook blijkt dat op geen enkel ogenblik artikel 5 van het inspectiedecreet dienstig was om tot ’s Raads rechtsmacht te kunnen besluiten; dat integendeel de bestreden beslissing geheel vreemd is aan het inspectiedecreet en kadert in het rechtspositiedecreet; dat de voorgestelde prejudiciële vraag omtrent artikel 5 van het inspectiedecreet dan ook niet rechtens relevant is; dat ze niet wordt gesteld, BESLUIT: Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak. XII-4319-14\15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juni 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4319-15\15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.737 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.508 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.903 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.