← België

Arrest 172738 - O.C.M.W. - 26/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.738 Rolnummer: A. 111231/XII-4785 Zaak: Arrest 172738 - O.C.M.W. - 26/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-13 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-29 06:51 Fiche Arrest nr 172.738 van 26 juni 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 172.738 van 26 juni 2007 in de zaak A. 111.231/XII-

  1. In zake : Freddy VERVISCH, die woonplaats kiest bij advocaat P. Defreyne, kantoor houdende te Izegem, Papestraat 9 tegen :
  2. het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN WERVIK, dat woonplaats kiest bij advocaat J. Vandenbraembussche, kantoor houdende te Wervik, Nieuwstraat 38,
  3. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Freddy Vervisch op 8 oktober 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van:
  5. “het Besluit van 31.05.2001 van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn van Wervik houdende behandeling van het hoger beroep dd. 31.01.2001 tegen de ongunstige evaluatie door OCMW-secretaris dd. 12.01.2001”;
  6. “het Besluit van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn van Wervik van 13.06.2001 houdende het ontslag van een op proef benoemde statutaire directeur facility-veiligheidsverantwoordelijke”;
  7. “het Besluit van 17.08.2001 van de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid houdende goedkeuring van het Besluit van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn van Wervik van 13.06.2001 houdende het ontslag van een op proef benoemde statutaire directeur facility-veiligheidsverantwoordelijke”; XII-4785-1/41 Gelet op het arrest nr. 104.278 van 4 maart 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 30 april 2002 ingediend door verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 16 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 april 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Defreyne, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat A. Coppens, die loco advocaat J. Vandenbraembussche verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat I. Vandenbon, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, XII-4785-2/41 WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De gegevens van de zaak
  8. Verzoeker wordt op 27 januari 2000 door de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (hierna: het OCMW) van Wervik met ingang van 14 februari 2000 op proef benoemd tot directeur facility-veiligheidsverantwoordelijke. De proeftijd duurt één jaar. Zijn functioneren tijdens de eerste zes maanden van zijn proeftijd wordt door de secretaris van het OCMW gunstig geëvalueerd, met dien verstande dat de globale score “net voldoende” is. Op 12 januari 2001 wordt zijn functioneren tijdens de tweede helft van zijn proeftijd door de secretaris negatief geëvalueerd. De eindbeoordeling is ongunstig. Bij brief van 30 januari 2001 dient verzoeker bij de raad voor maatschappelijk welzijn beroep in tegen zijn ongunstige evaluatie. Bij aangetekende brief van 7 februari 2001 wordt hij opgeroepen om op 22 februari 2001 te worden gehoord door de raad voor maatschappelijk welzijn. Er wordt meegedeeld dat “[o]p basis van genoemde ongunstige evaluatie en op basis van het verslag van de secretaris dd. 2001-02-05, waarvan kopie als bijlage, [...] de raad voor maatschappelijk welzijn verzocht [zal] worden [hem] niet te benoemen”. Op 22 februari 2001 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, gehoord. Hij legt schriftelijke conclusies neer en op zijn vraag zijn drie getuigen opgeroepen. Twee van hen zijn aanwezig en worden gehoord. Van de verhoren worden processen-verbaal opgesteld. De raad voor maatschappelijk welzijn bespreekt blijkens de notulen uitvoerig het bezwaarschrift van verzoeker, notuleert dat hij “bij deze de motivering van het ongunstig verslag tot de [zijne] maakt” en beslist op dezelfde dag verzoeker te ontslaan. Bij aangetekende brieven van 27 februari 2001 wordt XII-4785-3/41 verzoeker van dit besluit in kennis gesteld en wordt het besluit, samen met het dossier, aan de Vlaamse regering bezorgd. Op 6 maart 2001 dient verzoeker tegen zijn ontslag beroep in bij de Vlaamse regering. Na verzoeker, het OCMW van Wervik en hun respectieve raadslieden te hebben gehoord, beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport op 4 mei 2001 voormeld besluit van 22 februari 2001 niet goed te keuren. Deze beslissing steunt, samengevat, op de overweging dat uit het dossier niet blijkt of de raad voor maatschappelijk welzijn de secretaris van het OCMW als verzoekers evaluator heeft uitgenodigd om te worden gehoord en welke de waarde is van het verslag van de secretaris dat bij de oproepingsbrief van 7 februari 2001 was gevoegd, dat de oproepingsbrief “het kader waarbinnen de uitnodiging zich situeert” verkeerd weergeeft, dat het besluit van 22 februari 2001 verzoeker ontslaat, doch niet uitdrukkelijk uitspraak doet over het beroep dat hij instelde tegen zijn ongunstige evaluatie, dat verzoeker dienvolgens, overeenkomstig artikel 112 van het administratief statuut OCMW Wervik (hierna: het administratief statuut), geacht moet worden gunstig te zijn geëvalueerd, dat voor sommige stukken van verzoekers evaluatiedossier geen bewijs voorligt dat hem een afschrift ervan werd bezorgd en, ten slotte, dat verzoekers evaluatiedossier geen beslissing over zijn beroep bevat. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 17 mei 2001 wordt verzoeker een brief betekend waarin wordt betoogd dat luidens “[d]e vaste rechtspraak van de Raad van State en een eensgezinde rechtsleer [...] na een niet- goedkeuring van een beslissing wegens procedurefouten, achteraf een nieuwe beslissing kan worden genomen door het bestuur wiens beslissing niet werd goedgekeurd, op voorwaarde dat de procedurefouten aangehaald in de niet- goedkeuringsbeslissing kunnen worden rechtgezet” en dat het derhalve aangewezen is verzoekers dossier “te heropenen”. Hij wordt dan ook opgeroepen om op 31 mei 2001 door de raad voor maatschappelijk welzijn te worden gehoord “met het oog op het nemen van een beslissing over het beroep dat [hij] op 30 januari 2001 instelde tegen zijn ongunstige evaluatie van 12 januari 2001”. Hij wordt verzocht de identiteit van de getuigen die hij wenst te zien horen tijdig mee te delen zodat de nodige schikkingen kunnen worden getroffen. Daarbij wordt hem een kopie van het opnieuw samengestelde evaluatiedossier bezorgd. XII-4785-4/41 Op 31 mei 2001 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, gehoord door de raad voor maatschappelijk welzijn. Ook zijn evaluator, de secretaris van het OCMW, wordt gehoord. Verzoeker legt schriftelijke conclusies neer en van de verhoren worden processen-verbaal opgemaakt. De raad voor maatschappelijk welzijn verklaart diezelfde dag verzoekers beroep van 30 januari 2001 tegen zijn ongunstige evaluatie ongegrond en behoudt de ongunstige eindbeoordeling van zijn proeftijd. Dit besluit steunt op volgende motieven: “Gelet op het raadsbesluit van 27 januari 2000 houdende benoeming op proef van de heer Freddy Vervisch vanaf 14 februari 2000 voor één jaar. Gelet op het overleg van 10 april 2000 tussen de secretaris en betrokkene waarbij een aantal concrete afspraken werden gemaakt. Gelet op het gesprek van 10 april 2000 dat als een functioneringsgesprek dient beschouwd te worden. Gelet op het overleg van 4 mei 2000 tussen de secretaris en betrokkene waarbij opnieuw een aantal afspraken werden gemaakt. Gelet op het overleg van 18 mei 2000 tussen de secretaris en betrokkene waarbij andermaal een aantal afspraken werden gemaakt. Gelet op het functioneringsgesprek van 18 mei
  9. Gelet op het functioneringsgesprek van 19 juli
  10. Gelet op het functioneringsgesprek van 22 augustus
  11. Gelet op het evaluatiegesprek voor de periode februari-augustus
  12. Gelet op het verslag van de secretaris aan de raad voor maatschappelijk welzijn met betrekking tot de eerste evaluatieperiode. Gelet op het raadsbesluit van 26 oktober 2000 houdende akteneming van het evaluatieverslag met betrekking tot de periode februari 2000 tot en met augustus 2000 in verband met het functioneren van Freddy Vervisch, directeur facility-veiligheidsverantwoordelijke. Gelet op de reactienota dd. 25 oktober 2000 van de heer Vervisch op het evaluatieverslag over de periode februari-augustus
  13. Gelet op het raadsbesluit van 23 november 2000 houdende akteneming van de reactie van de heer Vervisch op het eerste evaluatieverslag. Gelet op het functioneringsgesprek van 6 november
  14. Gelet op het evaluatiegesprek voor de periode 14 augustus 2000 tot en met 13 februari
  15. Gelet op het evaluatieverslag (periode 14 augustus 2000 tot en met 13 februari 2001) voor ontvangst ondertekend door betrokkene op 16 januari 2001 en hem tevens overgemaakt per aangetekend schrijven van 17 januari
  16. Gelet op het aangetekend schrijven van de heer Peter Defreyne, advocaat, dd. 30 januari 2001, waarin medegedeeld wordt dat de heer Freddy Vervisch beroep aantekent tegen de ongunstige eindbeoordeling van de secretaris tav de heer Vervisch en hij wenst gehoord te worden door de raad voor maatschappelijk welzijn. Gelet op de door betrokkene ingediende rapporten met betrekking tot de voortgang van zijn werkzaamheden van 18 augustus 2000, 3 oktober 2000, 20 november 2000 en 22 december
  17. Gelet op het aangetekend schrijven van het OCMW Wervik van 7 februari 2001 waarbij betrokkene werd uitgenodigd naar een hoorzitting op 22 februari 2001 en waarbij hem medegedeeld werd dat hij zich tijdens deze XII-4785-5/41 horing mocht laten bijstaan door zijn raadsman of een ander persoon van zijn keuze en dat hem tevens de mogelijkheid geboden wordt getuigen te horen. Gelet op het aangetekend schrijven dd. 7 februari 2001 van het OCMW aan advocaat Defreyne waarin hem medegedeeld wordt dat de heer Freddy Vervisch uitgenodigd wordt om gehoord te worden op de raadszitting dd. 22 februari 2001 en het hem vrij staat zich tijdens deze horing te laten bijstaan door zijn raadsman of een ander persoon van zijn keuze en hem tevens de mogelijkheid geboden wordt getuigen op te roepen. Gelet op het feit dat een getuigenverhoor niet gebruikelijk is in een ongunstige evaluatieprocedure, maar het OCMW aan het personeelslid maximale rechten van verdediging wou geven. Gelet op het schrijven van de heer Peter Defreyne, advocaat, dd. 17 februari 2001 waarin medegedeeld wordt dat de heer Freddy Vervisch volgende personen als getuigen wenst te laten horen: Dries Cuvelier, Marc Vercruysse en Jenny Warnez. Gelet op het aangetekend schrijven van 21 februari 2001 waarin de heer Marc Vercruysse op verzoek van meester Defreyne door het OCMW uitgenodigd wordt om gehoord te worden tijdens de zitting van 22-02-2001 en diezelfde dag meedeelde aanwezig te zullen zijn op de zitting. Gelet op het schrijven van 21 februari 2001 waarin mevrouw Jenny Warnez op verzoek van meester Defreyne door het OCMW uitgenodigd wordt om gehoord te worden tijdens de zitting van 22 februari 2001 en ons op 22 februari 2001 schriftelijk liet weten niet aanwezig te zullen zijn op de hoorzitting. Gelet op het schrijven van 21 februari 2001 waarin de heer Cuvelier Dries op verzoek van meester Defreyne door het OCMW uitgenodigd wordt om gehoord te worden tijdens de zitting van 22 februari 2001 en diezelfde dag nog tekende voor ontvangst. Gelet op het raadsbesluit van 22 februari 2001 houdende bekrachtiging aanstelling van meester Vandenbraembussche als raadsman voor het OCMW in het dossier Freddy Vervisch. Gelet op het proces verbaal van de hoorzitting dd. 22 februari 2001 van Freddy Vervisch, bijgestaan door zijn raadsman Defreyne. Gelet op de getuigenverklaringen van Marc Vercruysse en Dries Cuvelier dd. 22 februari
  18. Gelet op het besluit van 22 februari 2001 waarbij de raad voor maatschappelijk welzijn de heer Vervisch niet benoemde in vast dienstverband maar hem ontsloeg, besluit dat op 27 februari 2001 aangetekend verstuurd werd naar Freddy Vervisch, Peter Defreyne en de Vlaamse regering. Gelet op het beroep dat de betrokkene bij brief van 6 maart 2001 indiende tegen voormeld besluit bij het ministerie van de Vlaamse gemeenschap. Gelet op de beslissing, na verhoor op 11 april 2001 van betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman meester Defreyne, mevrouw Deloddere en de raadsman van het OCMW, meester Vandenbraembussche, van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden van 4 mei 2001 houdende de niet-goedkeuring van het raadsbesluit van 22 februari 2001 waartegen beroep. Overwegende dat deze ministeriële niet-goedkeuringsbeslissing aan de raad voor maatschappelijk welzijn van Wervik werd betekend hij aangetekend schrijven van 4 mei 2001, ingekomen bij het OCMW op 7 mei
  19. Overwegende dat de ministeriële beslissing om het besluit van 22 februari 2001 niet goed te keuren hoofdzakelijk gestoeld was op het feit dat de raad niet op expliciete wijze uitspraak heeft gedaan over het beroep dat de betrokkene had ingesteld tegen zijn ongunstige evaluatie; eveneens dat uit het dossier niet bleek dat de raad voor maatschappelijk welzijn ook de secretaris XII-4785-6/41 in haar hoedanigheid van evaluator van betrokkene zou gehoord hebben; tenslotte omdat het dossier een aantal stukken bevatte waarvan niet bewezen was dat betrokkene er een afschrift van had ontvangen. Gelet op het schrijven van 17 mei 2001 aan de heer Freddy Vervisch waarbij betrokkene opnieuw uitgenodigd wordt om gehoord te worden door de raad voor maatschappelijk welzijn ‘in het kader van zijn beroep tegen de ongunstige evaluatie van 12 januari 2001, beroep dat dateert van 30 januari 2001 en ontvangen werd op 31 januari 2001.’ en waarbij hem medegedeeld wordt dat het hem vrij staat zich tijdens deze horing te laten bijstaan door zijn raadsman of een ander persoon van zijn keuze en hem tevens de mogelijkheid geboden wordt getuigen op te roepen. Overwegende dat dit schrijven aan de betrokkene werd betekend bij deurwaardersexploot van 17 mei 2001; dat de instrumenterende gerechtsdeurwaarder het exploot weliswaar niet aan betrokkene persoonlijk heeft kunnen ter hand stellen, maar dat het besluit onder gesloten omslag werd achtergelaten; dat bovendien de uitnodigingsbrief van 17 mei 2001 op dezelfde dag bij aangetekend schrijven aan de raadsman van betrokkene werd toegestuurd. Overwegende dat betrokkene in bovenvermeld schrijven uitgenodigd werd op de hoorzitting van 31 mei
  20. Overwegende dat er uiteraard geen discussie kan ontstaan over het feit dat betrokkene de uitnodiging voor de hoorzitting tijdig heeft ontvangen, vermits hij samen met zijn raadsman op de zitting van 31 mei 2001 is verschenen en zijn verdediging zonder voorbehoud heeft gevoerd. Gelet op het schrijven van 17 mei 2001 aan mevrouw Myriam Deloddere, secretaris van het OCMW, waarin zij overeenkomstig art. 112 van het administratief statuut voor het OCMW personeel, wordt uitgenodigd naar dezelfde hoorzitting teneinde gehoord te worden met betrekking tot de ongunstige evaluatie van Freddy Vervisch. Gelet op de besluiten die voor betrokkene werden neergelegd door zijn raadsman meester Defreyne. Gelet op het proces-verbaal van verhoor van Freddy Vervisch en Myriam Deloddere dd. 31 mei 2001 door henzelf en door meester Defreyne, raadsman van Freddy Vervisch, door meester Vandenbraembussche, raadsman van het OCMW, door Dany Verhaeghe, voorzitter, en door Frieda Pype, tijdelijk secretaris, ondertekend. Wat de procedure betreft Overwegende dat, zoals hoger reeds werd gesteld, bij ministeriële beslissing van 4 mei 2001 het raadsbesluit van 22 februari 2001 houdende het ontslag van Freddy Vervisch niet werd goedgekeurd omwille van het niet respecteren van een aantal procedurevoorschriften. Overwegende dat een eerste element uit voormeld ministerieel besluit betrekking had op het niet afzonderlijk en uitdrukkelijk beslissen door de raad voor maatschappelijk welzijn over het door de betrokkene ingediende beroep tegen zijn ongunstige evaluatie. Overwegende dat de vaste rechtspraak van de raad van state stelt dat na de niet-goedkeuring van een besluit wegens procedurefouten de overheid het recht heeft het dossier te hernemen op voorwaarde dat die overheid de procedure onmiddellijk na kennisname van het niet-goedkeuringsbesluit herbegint en de procedurefout herstelt (Steyles & Dudicq, nr. 10.363 van 9 januari1964; Godbille, nr. 13.507 van 18 april 1969; Meyers, nr. 33.572 van 8 december 1989; Leenders, nr. 27.113 van 29 mei 1991). Overwegende dat de raad van state verder stelt dat de procedure niet noodzakelijkerwijze helemaal opnieuw moet worden overgedaan, maar dat ze enkel moet worden hernomen vanaf het ogenblik dat ze ontspoorde (De Bergh, nr. 9.298 van 10 april 1962). XII-4785-7/41 Overwegende dat in casu het dossier is ontspoord bij de behandeling van het dossier op de zitting van 22 februari 2001 waar de OCMW raad de betrokkene ontsloeg daar waar het ministerieel niet-goedkeuringsbesluit statueerde dat vooraleer tot ontslag over te gaan eerst een uitdrukkelijke beslissing diende getroffen te worden over het beroep dat betrokkene had ingesteld tegen zijn ongunstige eindbeoordeling. Overwegende dat het bijgevolg zou kunnen volstaan de raad opnieuw te laten stemmen over ten eerste de negatieve evaluatie en ten tweede het ontslag, de benoeming of de verlenging van de benoeming op proef; dat de raad evenwel meer heeft gedaan en beslist heeft de betrokkene opnieuw te horen over het ingestelde beroep. Overwegende dat de vaste rechtspraak van de raad van state, met betrekking tot de termijn waarbinnen een nieuwe beslissing dient getroffen te worden, ondermeer in een arrest Van Bever van 10 januari1984 (arrest 23.870), stelde dat ‘wanneer een rechtshandeling wordt vernietigd die moest gesteld worden binnen een bepaalde termijn het bestuur na de vernietiging opnieuw over de volle termijn beschikt om een nieuwe beslissing te nemen’. Overwegende dat dit in casu betekent dat na de kennisname op 7 mei 2001 door het OCMW van Wervik van het ministerieel niet-goedkeuringsbesluit van 4 mei 2001 het OCMW derhalve over een nieuwe termijn van 30 dagen beschikte om een beslissing te treffen over het door de betrokkene ingestelde beroep tegen zijn ongunstige evaluatie. Overwegende dat de stelling van de verdediger van betrokkene dat de raad niet de mogelijkheid zou hebben om het dossier te hernemen omdat de ministeriële niet-goedkeuringsbeslissing betrekking had op het ontslag van betrokkene en niet op een uitspraak in beroep tegen de ongunstige evaluatie, niet kan worden volgehouden. Overwegende immers dat de minister stelde dat de raad voor maatschappelijk welzijn niet onmiddellijk tot ontslag kon overgaan zonder zich eerst uit te spreken over het beroep van de betrokkene tegen zijn ongunstige evaluatie. Overwegende dat derhalve het niet uitdrukkelijk nemen van een beslissing over dit beroep, voorafgaandelijk aan de beslissing houdende het ontslag, aan de basis lag van deze niet-goedkeuring; dat de minister daarmee duidelijk heeft willen aantonen dat een element in het dossier ontbrak om rechtsgeldig tot dit ontslag te kunnen overgaan. Overwegende dat dit ontbrekende element, met name de uitdrukkelijke beslissing over het beroep tegen de ongunstige evaluatie, het uiteindelijke besluit van het ontslag aantastte. Overwegende dat het toch overduidelijk is dat de beslissing met betrekking tot het beroep en de beslissing tot het ontslag één onlosmakelijk geheel uitmaken in dit dossier. Overwegende immers dat slechts tot ontslag kon worden overgegaan nadat de raad voor maatschappelijk welzijn had vastgesteld dat de proefperiode van de betrokkene als ongunstig diende te worden beoordeeld; dat anderzijds, mocht de raad het niet eens zijn geweest met het besluit van de evaluator van betrokkene, hij niets anders kon dan betrokkene vast te benoemen. Overwegende dat uit de motivering van de beslissing van 22 februari 2001 overduidelijk blijkt dat de raad voor maatschappelijk welzijn het volkomen eens was met het evaluatievoorstel van de secretaris dat voorstelde betrokkene te ontslaan; dat hij anders vanzelfsprekend niet tot ontslag zou zijn overgegaan. Overwegende dat de raad voor maatschappelijk welzijn enkel heeft nagelaten dit akkoord met de ongunstige evaluatie van de betrokkene formeel en uitdrukkelijk te bevestigen in een afzonderlijk besluit naar aanleiding van het tegen de ongunstige evaluatie ingestelde beroep van de betrokkene. XII-4785-8/41 Overwegende dat derhalve moet worden geconcludeerd dat, opnieuw verwijzend naar de hierboven vermelde rechtspraak van de raad van state, de raad voor maatschappelijk welzijn ongetwijfeld de mogelijkheid heeft om deze procedurefout recht te zetten en dus een nieuwe, thans afzonderlijke beslissing te treffen met betrekking tot het beroep tegen de ongunstige evaluatie van de heer Vervisch; dat deze beslissing een onderdeel is van het gehele dossier en dus in zijn totaliteit moet worden bekeken met betrekking tot het eventuele ontslag, vaste benoeming, of verlenging van de proefperiode van de betrokkene. Overwegende dat een tweede element uit het ministerieel besluit van 4 mei 2001 houdende niet-goedkeuring van het raadsbesluit van 22 februari 2001 was dat uit het dossier niet duidelijk bleek dat de evaluator van betrokkene, met name de OCMW-secretaris, gehoord was geworden met betrekking tot haar evaluatieverslag. Overwegende dat ook deze door de minister aangehaalde procedurefout werd rechtgezet, aangezien mevrouw Deloddere, zoals hoger gesteld, bij brief van 17 mei 2001 uitdrukkelijk werd uitgenodigd teneinde gehoord te worden en uitleg te verstrekken over haar evaluatieverslag; dat zoals blijkt uit het proces-verbaal van verhoor van 31 mei 2001 mevrouw Deloddere ter zitting is verschenen en de haar gevraagde uitleg heeft verstrekt. Overwegende tenslotte dat het derde door de heer minister aangewende middel betrekking had op het niet conform samengesteld zijn van het dossier. Overwegende dat de minister ondermeer vaststelde dat zich in het dossier een aantal stukken bevonden waarvan geen bewijs voorhanden was dat deze stukken op de datum waarop ze werden gedateerd ook aan de betrokkene werden overgemaakt. Overwegende dat uit de brief van 17 mei 2001 waarmee betrokkene werd uitgenodigd op de hoorzitting van 31 mei 2001, blijkt dat het evaluatiedossier werd hersamengesteld en dat de volgende stukken uit het dossier werden gelicht: -nota van 5 januari 2001 van de heer Dany Verhaeghe, voorzitter, aan de secretaris omtrent de moeilijkheden met de heer Volckaert en de heer Garrein -nota van 5 januari 2001 van de heer Rik Leroy aan de secretaris omtrent de rampenplannen voor Het Pardoen en Ter Beke -e-mail van 12 januari 2001 van de heer Frans Degroote aan de secretaris omtrent de opleiding ‘rampenplannen’ -e-mail van 12 januari 2001 van de heer lvo Depoorter aan de secretaris omtrent de opleiding ‘rampenplannen’ -nota van de heer Dany Verhaeghe aan de secretaris omtrent de moeilijkheden met de heer Volckaert -verslag van 5 februari 2001 van Myriam Deloddere aan de raad - eindverslag Freddy Vervisch, directeur facility-veiligheidsverantwoordelijke -tabel: taken Freddy Vervisch: opdracht versus realisatie Overwegende derhalve dat ook dit door de minister vastgestelde gebrek werd rechtgezet. Overwegende tenslotte dat, wat de procedure betreft, de raadsman van de betrokkene nog opmerkt dat de raad voor maatschappelijk welzijn, indien hij toch de procedure zou hernemen ook opnieuw alle getuigen zal dienen te horen die de betrokkene had verzocht om gehoord te worden tijdens de raadzitting van 22 februari 2001; dat deze getuigen niet opnieuw werden opgeroepen voor de hoorzitting van 31 mei 2001; dat echter de door de twee getuigen afgelegde verklaringen zich in het dossier bevinden (de derde uitgenodigde getuige is niet verschenen); dat niet ingezien wordt waarom deze getuigen thans, wanneer zij opnieuw zouden zijn opgeroepen een andere verklaring zouden hebben afgelegd dan destijds; dat de elementen uit het dossier immers onveranderd gebleven zijn. XII-4785-9/41 Overwegende bovendien dat in de uitnodiging van 17 mei 2001 nogmaals werd vermeld dat betrokkene de kans had getuigen te laten horen, op voorwaarde dat de identiteit van de door hem gevraagde getuigen tijdig werd opgegeven zodat de nodige schikkingen konden worden getroffen om deze getuigen op te roepen. Dat betrokkene dit niet heeft gedaan. Dat betrokkene zich ter zitting louter heeft beperkt tot het neerleggen van besluiten waarin laconiek werd gesteld dat alle getuigen opnieuw dienden gehoord te worden, zonder tijdens de behandeling van de zaak daarop nogmaals aan te dringen en zonder toe te lichten waarom dit plots noodzakelijk ware, daar waar meester Defreyne tijdens de hoorzitting integendeel liet verstaan geen zin te hebben in het herbehandelen van de evaluatie in beroep. Dat de laattijdige schriftelijke vraag vanwege betrokkene klaarblijkelijk enkel tot doel heeft het de raad voor maatschappelijk welzijn onmogelijk te maken alsnog uitspraak te doen binnen de voorgeschreven termijn. Wat de inhoud betreft Overwegende dat de betrokkene in zijn op 30 januari 2001 ingediende beroep tegen zijn ongunstige evaluatie een aantal elementen aangeeft die volgens hem moeten aanleiding geven tot de inwilliging van dit beroep. Leidinggevende vaardigheden 1 Heeft tijd en aandacht voor de begeleiding van de medewerkers Uit het verhoor van betrokkenen van heden blijkt dat Freddy Vervisch inderdaad slechts één overlegvergadering organiseerde (waarvan geen verslag werd gemaakt) en geen enkel evaluatiegesprek met zijn medewerkers voerde, alhoewel de eerste evaluatieperiode voor alle mensen langer dan 1 jaar in dienst eindigde eind augustus 2000; dat bovendien blijkt dat Freddy Vervisch evenmin functioneringsgesprekken voerde waarin zijn medewerkers hun problemen konden voorleggen, bespreken en via actieplannen konden aanpakken; dat de door Freddy Vervisch in zijn beroep gevoerde verdediging helemaal niet wijst op een gestructureerde vorm van leidinggeven. De heer Vervisch ontwikkelde inderdaad een aantal schema’s in verband met het personeelstekort in de wasserij, waarbij geen duidelijk resultaat van de analyse werd gevoegd. Hij formuleerde evenwel geen enkel voorstel ter oplossing van de problemen. Hij wekte integendeel alleen valse hoop op. De raad is van oordeel dat de score ‘onvoldoende’ niet moet gewijzigd worden. 2 Verstrekt tijdig de nodige informatie aan de medewerkers De mondelinge verspreiding van de richtlijnen waarop allusie wordt gemaakt in het beroep van de heer Vervisch kunnen niet bewezen worden. Feit is dat weinig bewijsstukken bestaan als zou de heer Vervisch regelmatig zijn medewerkers informeren. Dit gebeurde in elk geval niet via structurele info of overlegmomenten. Vast staat dat Pedro Decock, geschoold arbeider in de technische dienst, geen antwoord kreeg op zijn vraag naar compensatie voor de avondopleiding die hij volgde (de voorzitter verwijst naar de raadzitting van 29 januari 2001 waar dit punt ter sprake kwam) en dat Marc Vercruysse, ploegbaas in de technische dienst zich uiteindelijk naar de secretaris wendde om antwoord te krijgen op zijn vraag of hij al dan niet een examen diende af te leggen om te kunnen bevorderen. Wat de rampenplannen betreft dateren de in het beroep vermelde infosessies van eind 2000 waar zoals blijkt uit de in de aanvang van dit besluit vermelde overlegmomenten de opdracht tot het opmaken/bekendmaken van de rampenplannen al gegeven werd begin april
  21. De raad is van oordeel dat de score ‘beperkt’ niet moet gewijzigd worden. 3 Gaat conflictsituaties niet uit de weg, maar onderneemt gepaste acties Het feit dat medewerkers zich niet expliciet zouden beklagen over het functioneren van de heer Vervisch wordt door de raad niet ervaren als een XII-4785-10/41 reden om aan te nemen als zou de heer Vervisch goed functioneren. De definitieve oplevering waarnaar wordt verwezen, lijken de raad niet meer dan normaal voor een directeur facility. Raadslid Vanhollebeke herinnert zich opleveringen waarbij de heer Vervisch weinig actief was. Het feit dat bepaalde opdrachten tot een goed einde werden gebracht, doet niets af van het feit dat uit het dossier voldoende blijkt dat een aantal belangrijke opdrachten ondermaats werden afgehandeld. De raad is van oordeel dat de score ‘voldoende’ niet moet gewijzigd worden. 4 Is besluitvaardig Het tijdstip waarop het dossier meubilair onthaal Ter Beke aan Freddy Vervisch werd toevertrouwd wordt door hem betwist. Het is inderdaad zo dat er geen feitelijk bewijs van bestaat. Het lijkt de raad onrealistisch dat aan het eigen personeel voor iedere opdracht een schriftelijk ‘bevel tot aanvang van de werken’ wordt gegeven. De voorzitter stelt dat Rik Leroy beweert dat Freddy Vervisch reeds opmetingen deed vóór hij met vakantie ging. In zijn verslag van stand van zaken van 20 november 2000 vermeldt de heer Vervisch dat de plannen klaar zijn en dat de offertes nog die week binnen zullen komen. Het lijkt de raad onwaarschijnlijk dat dit dossier al zover zou zijn afgewerkt als de opdracht pas midden november werd gegeven. De raad ziet geen reden om te twijfelen aan de woorden van de secretaris. De gunning van de opdracht kon niet behandeld worden door de raad in zitting van 29 januari 2001 omdat één van de mededingende firma’s een klacht had ingediend. Eén firma diende twee prijsvoorstellen in, waarvan de heer Vervisch er in zijn prijsvergelijk slechts één weerhield. De voorzitter verwijst in deze naar de raadzitting van 22 februari 2001 waar deze zaak behandeld werd. Hij herinnert de raad aan zijn opmerking van toen, namelijk dat de heer Vervisch -zonder daartoe enige instructie gekregen te hebben- de firma Serviceflats Invest voorstelde om het aantal toiletten in de serviceflats te wijzigen. Dit zou als een (weliswaar misplaatst) bewijs van besluitvaardigheid kunnen beschouwd worden, ware het niet dat door deze ingreep bij planaanpassing de toiletten niet langer zouden toegankelijk zijn voor mindervaliden. De raad is van oordeel dat de score ‘onvoldoende’ niet moet gewijzigd worden. Deskundigheid 5 Beheerst de kennis zoals in het profiel omschreven Freddy Vervisch behaalde voor het examen 19/30 (63 %) voor het onderdeel ‘overheidsopdrachten’. Aangezien vooral de bouwdossiers hem werden toevertrouwd is de kennis van deze wet essentieel. De secretaris wees hem op verschillende tijdstippen op zijn gebrek aan kennis daaromtrent en stimuleerde hem voortdurend om zich terzake bij te scholen of contact te nemen met deskundigen. Voor het onderdeel ARAB en Codex welzijn op het werk behaalde de heer Vervisch op het examen 4/
  22. De voorzitter herinnert zich dat de secretaris hem rond het einde van het jaar 2000 meedeelde dat Freddy Vervisch de codexen terzake die voor hem ter beschikking lagen in het kantoor van Marc Vercuysse, nog steeds niet had afgehaald. De door de verdediging gestelde vraag hoe andere afdelingshoofden geëvalueerd worden, lijkt de raadsleden niet relevant. De raad is van oordeel dat de score ‘onvoldoende’ niet moet gewijzigd worden. 6 Past de kennis vlot toe in de werking van de dienst Het feit dat Freddy Vervisch de opdracht ‘vervangingsnieuwbouw Het Pardoen’, waar het OCMW topprioriteit aan geeft (zie evaluatieverslag), wegens tijdsgebrek en omwille van andere opdrachten toevertrouwt aan een medewerker, wordt door de raad niet als een pluspunt ervaren. XII-4785-11/41 De raad is van oordeel dat de score ‘onvoldoende’ niet moet gewijzigd worden. 7 Kan nieuwe informatie en documentatie gemakkelijk verwerken, interpreteren en integreren in de praktijk De aangehaalde argumentatie doet niets af van de stellingen die de secretaris in haar evaluatieverslag verwoordde. De raad is van oordeel dat de score ‘onvoldoende’ niet moet gewijzigd worden. 8 Is leergierig en heeft interesse voor bijscholing Freddy Vervisch volgde inderdaad de opleiding ‘leidinggeven’ onmiddellijk bij zijn indiensttreding, dit werd in het eerste evaluatieverslag vermeld. Hij volgde de opleiding op voorstel van de secretaris. Uit de tweede evaluatie blijkt niet duidelijk dat de heer Vervisch vruchten uit deze opleiding geplukt heeft. Feit blijft dat hij zelf aandrong op het niet volgen van een opleiding ‘overheidsopdrachten’, hoewel de lacunes in zijn kennis terzake manifest zijn. De raad is van oordeel dat de score ‘voldoende’ niet moet gewijzigd worden. Organisatorische vaardigheden 9 Kan zelfstandig het werk plannen en afwerken De raad is het er mee eens dat het opmaken van rampenplannen geen eenvoudige taak is. Precies omdat een aantal complexe zaken moesten uitgewerkt worden, werd voor facility een functie op A niveau voorzien. Dit betekent voor het OCMW een zware investering. Het bereikte resultaat wordt niet in verhouding geacht. Wat de inventarisatie van de opleveringen van alle opdrachten betreft, werd nooit bewijs geleverd dat deze werd opgemaakt. De diskette waarnaar verwezen wordt, is niet in het bezit van de secretaris. Er bestond een inventaris vóór de indiensttreding van de heer Vervisch. Uit geen enkel document in het dossier blijkt dat de secretaris op de hoogte gebracht werd van de actualisatie ervan. De raad is van oordeel dat de score ‘onvoldoende’ niet moet gewijzigd worden. 10 Controleert de taken die aan de medewerkers worden opgelegd en geeft tijdig instructies met betrekking tot eventuele bijsturing/aanpassing 11 Verdeelt de taken fair en evenwichtig onder de verschillende medewerkers 12 Ziet snel leemten en nieuwe mogelijkheden Rekening houdend met het eerste evaluatieverslag (waar de heer Vervisch voor deze items ook ‘voldoende’ scoorde), lijkt het de raad logisch dat opnieuw deze score gehanteerd wordt, aangezien Freddy Vervisch op geen enkel terrein blijk gaf van een duidelijke positieve evolutie. De raad is van oordeel dat de score ‘voldoende’ niet moet gewijzigd worden. 13 Brengt nieuwe ideeën aan ter verbetering van de kwaliteit van de dienst en/of dienstverlening De raad wenst te nuanceren dat de secretaris in haar verslag vermeldt dat de heer Vervisch geen toepasbare nieuwe ideeën aanbracht. Er wordt één voorbeeld gegeven waarbij betrokkene inderdaad naar behoren presteerde. De raad is van oordeel dat de score ‘beperkt’ niet moet gewijzigd worden. 14 Beheerst de werkzaamheden in de dienst op zelfstandige en systematische wijze De raad is van oordeel dat de score ‘onvoldoende’ zeker niet moet gewijzigd worden (zie onderdeel ‘kan zelfstandig het werk plannen en afwerken’). De tijdsinvestering van de secretaris inzake bijsturing is immens geweest. Communicatieve/relationele vaardigheden 15 Gaat op een aangename, vriendelijke en respectvolle manier om met de medewerkers De raad is van oordeel dat de score ‘goed’ niet moet gewijzigd worden. XII-4785-12/41 16 In geval van klacht/kritiek wordt er geluisterd en wordt een goede relatie bewaard met de melder De raad neemt akte van de bewering dat Freddy Vervisch de heer Berten antwoord verschafte naar aanleiding van zijn klacht. Wat de klacht van de heer Volckaert betreft, verklaart de voorzitter formeel dat hij nooit in kennis werd gesteld van het gevolg dat aan deze klacht werd gegeven. Uit de lijst van functioneringsgesprekken, overlegmomenten, rapporten, ... blijkt duidelijk dat de secretaris de heer Freddy Vervisch voldoende in kennis stelde van het feit dat men teleurgesteld was over zijn functioneren en dat men, rekening houdend met zijn ervaring, meer van hem verwachtte. Uit alle opgesomde documenten valt geenszins af te leiden dat men tevreden zou geweest zijn. Als Freddy Vervisch desondanks toch overtuigd was van zijn goed-presteren, bevestigt dit eerder de stelling van de secretaris als zou de heer Vervisch een uiterst positief zelfbeeld hebben, wat bijsturing uiterst moeilijk maakt. De raad is van oordeel dat de score ‘onvoldoende’ niet moet gewijzigd worden. 17 Rapporteert op een vlotte, duidelijke en overzichtelijke wijze zowel mondeling als schriftelijk naar de verschillende doelgroepen (overheid, medewerkers, derden) De raad beoordeelt de schriftelijke rapporten die als stuk 12 aan het beroep werden toegevoegd. Men is van oordeel dat dit grotendeels antwoorden zijn op wat tijdens de overlegmomenten met de secretaris schriftelijk werd afgesproken. De raad is van oordeel dat de score ‘voldoende’ niet moet gewijzigd worden. 18 Stimuleert medewerkers tot inzet en accuraat werken Uit de proces verbaal van het verhoor van de getuigen Marc Vercruysse en Dries Cuvelier op 22 februari 2001 blijkt geenszins dat de heer Vervisch een stimulerende invloed heeft op hun inzet en accuraatheid. De raad is van oordeel dat de score ‘beperkt’ niet moet gewijzigd worden. 19 Wordt door de medewerkers aanvaard als chef, wekt geen weerstand op De raad is van oordeel dat de score ‘voldoende’ niet moet gewijzigd worden. 20 Is contactvaardig, ziet het belang van goede verhoudingen in, is verdraagzaam en geduldig De raad is van oordeel dat de score ‘goed’ niet moet gewijzigd worden. 21 Schat eigen rol en plaats goed in en past zich aan in verschillende omstandigheden De raad is van oordeel dat de score ‘voldoende’ niet moet gewijzigd worden. 22 Is stuwende kracht achter de samenwerking in de dienst De stelling dat Freddy Vervisch dagelijks contact heeft met het personeel van de technische dienst, impliceert volgens de raad niet dat hij daardoor de samenwerking in de dienst bewerkstelligt. Zoals het hoofd van de technische dienst het bij zijn verhoor op 22 februari letterlijk zegt ‘Overleg is samen aan tafel gaan zitten en tot oplossingen komen, niet zo maar babbelen’. De raad neemt er akte van dat er één formeel overlegmoment geweest is. De raad is van oordeel dat de score ‘beperkt’ niet moet gewijzigd worden. Klantgerichtheid (intern/extern) 23 Gebruikt begrijpelijke taal bij contact men publiek/klant De raad is van oordeel dat de score ‘zeer goed’ niet moet gewijzigd worden. 24 Ziet de behoeften van de klant en reageert er vlot en accuraat op De raad is van oordeel dat de score ‘goed’ niet moet gewijzigd worden. 25 Behandelt de klant vriendelijk, beleefd en met respect De raad is van oordeel dat de score ‘goed’ niet moet gewijzigd worden. 26 Zorgt er voor dat alles wat onder ogen van het publiek komt verzorgd gepresenteerd is XII-4785-13/41 De raad is van oordeel dat de score ‘voldoende’ niet moet gewijzigd worden. 27 Geeft correct informatie De raad is van oordeel dat de score ‘voldoende’ niet moet gewijzigd worden. Gelet op de besluiten die de heer Defreyne op 22 februari 2001 neerlegde en die bij het proces verbaal van het verhoor van de heer Vervisch dd. 22 februari 2001 werden gevoegd. De raad is van oordeel dat uit al het voorgaande duidelijk blijkt dat de heer Vervisch intensief werd begeleid, dat hem voldoende vorming werd aangeboden, dat met hem op geregelde tijdstippen constructief overleg werd gepleegd en dat desondanks de heer Vervisch niet beantwoordt aan het functieprofiel, zelfs niet nadat de hem opgelegde verantwoordelijkheden beperkt werden tot 3 van de oorspronkelijk 7 items (patrimoniumbeheer, catering, onderhoud en informatiemanagement werden aan anderen toevertrouwd). Uit al het voorgaande blijkt ook duidelijk dat in de evaluatieprocedure de bepalingen van het administratief statuut werden gevolgd en in de gevallen waar dit niet zou gebeurd zijn, was dit te wijten aan overmacht zoals opgenomen in het proces verbaal van verhoor van 31 mei 2001, waar trouwens ook duidelijk gesteld wordt dat het in art. 103 van het administratief statuut vereiste gesprek wel degelijk gevoerd werd. Gelet op al het voorgaande. Gelet op de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de OCMW’s en alle latere wijzigingen. Op de vraag of de raadsleden zich akkoord kunnen verklaren met het evaluatieformulier, zoals opgemaakt door Myriam Deloddere, OCMW secretaris, op 12 januari 2001 en het als bijlage toegevoegde verslag waarvan Freddy Vervisch op 16 januari 2001 kennis nam, resulterende in een ‘onvoldoende’ evaluatie van de heer Freddy Vervisch, op proef benoemd directeur facility-veiligheidsverantwoordelijke. Gaat over tot de geheime stemming. Elf stembrieven worden rondgedeeld, ingezameld, geopend en geteld. De uitslag blijkt de volgende te zijn: tien ja stemmen, één onthouding. Er zijn geen ongeldige stemmen”. Dit is het eerste bestreden besluit. Op 13 juni 2001 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn verzoeker omwille van de ongunstige evaluatie van zijn proeftijd te ontslaan. Dit besluit steunt op volgende motieven: “Gelet op het nieuw personeelsstatuut voor het personeel van het OCMW Wervik, goedgekeurd op 15 september 1999 door de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden met uitzondering van de functies van contractueel stafmedewerker A1-2, tijdelijk statutair administratief medewerker C1-3, technisch coördinator C1-3, diëtiste BV1-2 en contractueel jurist-schuldbemiddelaar A1-
  23. Gelet op het bericht van 16 september 1999 van de provinciegouverneur dat het nieuw personeelsstatuut uitwerking mag hebben, rekening houdend met het goedkeuringsbesluit van de Vlaamse minister en met een aantal opmerkingen, die intussen werden verwerkt. Gelet op het raadsbesluit van 27 januari 2000 houdende benoeming op proef van de heer Freddy Vervisch als VT directeur facility- veiligheidsverantwoordelijke niveau A vanaf 14 februari 2000 voor één jaar. XII-4785-14/41 Gelet op het overleg van 10 april 2000 tussen de secretaris en betrokkene waarbij een aantal concrete afspraken werden gemaakt. Gelet op het gesprek van 10 april 2000 dat als een functioneringsgesprek dient beschouwd te worden. Gelet op het overleg van 4 mei 2000 tussen de secretaris en betrokkene waarbij opnieuw een aantal afspraken werden gemaakt. Gelet op het overleg van 18 mei 2000 tussen de secretaris en betrokkene waarbij andermaal een aantal afspraken werden gemaakt. Gelet op het functioneringsgesprek van 18 mei
  24. Gelet op het functioneringsgesprek van 19 juli
  25. Gelet op het functioneringsgesprek van 22 augustus
  26. Gelet op het evaluatiegesprek voor de periode februari-augustus
  27. Gelet op het verslag van de secretaris aan de raad voor maatschappelijk welzijn met betrekking tot de eerste evaluatieperiode. Gelet op het raadsbesluit van 26 oktober 2000 houdende akteneming van het evaluatieverslag met betrekking tot de periode februari 2000 tot en met augustus 2000 in verband met het functioneren van Freddy Vervisch, directeur facility-veiligheidsverantwoordelijke. Gelet op de reactienota dd. 25 oktober 2000 van de heer Vervisch op het evaluatieverslag over de periode februari-augustus
  28. Gelet op het raadsbesluit van 23 november 2000 houdende akteneming van de reactie van de heer Vervisch op het eerste evaluatieverslag. Gelet op het functioneringsgesprek van 6 november
  29. Gelet op de door betrokkene ingediende rapporten met betrekking tot de voortgang van zijn werkzaamheden van 18 augustus 2000, 3 oktober 2000, 20 november 2000 en 22 december
  30. Gelet op het evaluatiegesprek dd. 12 januari 2001 voor de periode 14 augustus 2000 tot en met 13 februari 2001, het evaluatieformulier en het erbij horend evaluatieverslag, per aangetekend schrijven gestuurd naar Freddy Vervisch op 17 januari
  31. Gelet op het aangetekend schrijven dd. 30 januari 2001 van de heer Peter Defreyne, advocaat, waarin medegedeeld wordt dat de heer Freddy Vervisch beroep aantekent tegen de ongunstige eindbeoordeling van de secretaris ten aanzien van de heer Vervisch en hij wenst gehoord te worden door de raad voor maatschappelijk welzijn. Gelet op het aangetekend schrijven van het OCMW Wervik van 7 februari 2001 waarbij betrokkene werd uitgenodigd naar een hoorzitting op 22 februari 2001 en waarbij hem medegedeeld werd dat hij zich tijdens deze horing mocht laten bijstaan door zijn raadsman of een ander persoon van zijn keuze en dat hem tevens de mogelijkheid geboden wordt getuigen te horen. Gelet op het aangetekend schrijven dd. 7 februari 2001 van het OCMW aan advocaat Defreyne waarin hem medegedeeld wordt dat de heer Freddy Vervisch uitgenodigd wordt om gehoord te worden op de raadzitting van 22 februari 2001 en het hem vrij staat zich tijdens deze horing te laten bijstaan door zijn raadsman of een ander persoon van zijn keuze en hem tevens de mogelijkheid geboden wordt getuigen op te roepen. Gelet op het feit dat een getuigenverhoor niet gebruikelijk is in een ongunstige evaluatieprocedure, maar het OCMW aan het personeelslid maximale rechten van verdediging wou geven. Gelet op het schrijven dd. 17 februari 2001 van de heer Peter Defreyne, advocaat, waarin medegedeeld wordt dat de heer Freddy Vervisch volgende personen als getuigen wenst te laten horen: Dries Cuvelier, Marc Vercruysse en Jenny Warnez. Gelet op het aangetekend schrijven van 21 februari 2001 waarin de heer Marc Vercruysse op verzoek van meester Defreyne door het OCMW XII-4785-15/41 uitgenodigd wordt om gehoord te worden tijdens de zitting van 22 februari 2001 en diezelfde dag meedeelde aanwezig te zullen zijn op de zitting. Gelet op het schrijven van 21 februari 2001 waarin mevrouw Jenny Warnez op verzoek van meester Defreyne door het OCMW uitgenodigd wordt om gehoord te worden tijdens de zitting van 22 februari 2001 en ons op 22 februari 2001 schriftelijk liet weten niet aanwezig te zullen zijn op de hoorzitting. Gelet op het schrijven van 21 februari 2001 waarin de heer Cuvelier Dries op verzoek van meester Defreyne door het OCMW uitgenodigd wordt om gehoord te worden tijdens de zitting van 22 februari 2001 en diezelfde dag nog tekende voor ontvangst. Gelet op het raadsbesluit van 22 februari 2001 houdende bekrachtiging aanstelling van meester Vandenbraembussche als raadsman voor het OCMW in het dossier Freddy Vervisch. Gelet op het proces verbaal van de hoorzitting dd. 22 februari 2001 van Freddy Vervisch, bijgestaan door zijn raadsman Defreyne. Gelet op de getuigenverklaringen van Marc Vercruysse en Dries Cuvelier dd. 22 februari
  32. Gelet op het besluit van 22 februari 2001 waarbij de raad voor maatschappelijk welzijn de heer Vervisch niet benoemde in vast dienstverband maar hem ontsloeg, besluit dat op 27 februari 2001 aangetekend verstuurd werd naar Freddy Vervisch, Peter Defreyne en de Vlaamse regering. Gelet op het beroep dat de betrokkene bij brief van 6 maart 2001 indiende tegen voormeld besluit bij het ministerie van de Vlaamse gemeenschap. Gelet op de beslissing, na verhoor op 11 april 2001 van betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman meester Defreyne, mevrouw Deloddere en de raadsman van het OCMW , meester Vandenbraembussche, van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden van 4 mei 2001 houdende de niet-goedkeuring van het raadsbesluit van 22 februari 2001 waartegen beroep. Overwegende dat deze ministeriële niet-goedkeuringsbeslissing aan de raad voor maatschappelijk welzijn van Wervik werd betekend bij aangetekend schrijven van 4 mei 2001, ingekomen bij het OCMW op 7 mei
  33. Overwegende dat de ministeriële beslissing om het besluit van 22 februari 2001 niet goed te keuren hoofdzakelijk gestoeld was op het feit dat de raad niet op expliciete wijze uitspraak heeft gedaan over het beroep dat de betrokkene had ingesteld tegen zijn ongunstige evaluatie; eveneens dat uit het dossier niet bleek dat de raad voor maatschappelijk welzijn ook de secretaris in haar hoedanigheid van evaluator van betrokkene zou gehoord hebben; tenslotte omdat het dossier een aantal stukken bevatte waarvan niet bewezen was dat betrokkene er een afschrift van had ontvangen. Gelet op het schrijven van 17 mei 2001 aan de heer Freddy Vervisch waarbij betrokkene opnieuw uitgenodigd wordt om gehoord te worden door de raad voor maatschappelijk welzijn ‘in het kader van zijn beroep tegen de ongunstige evaluatie van 12 januari 2001, beroep dat dateert van 30 januari 2001 en ontvangen werd op 31 januari 2001’ en waarbij hem medegedeeld wordt dat het hem vrij staat zich tijdens deze horing te laten bijstaan door zijn raadsman of een ander persoon van zijn keuze en hem tevens de mogelijkheid geboden wordt getuigen op te roepen. Overwegende dat dit schrijven aan de betrokkene werd betekend bij deurwaardersexploot van 17 mei 2001; dat de instrumenterende gerechtsdeurwaarder het exploot weliswaar niet aan betrokkene persoonlijk heeft kunnen ter hand stellen, maar dat het besluit onder gesloten omslag werd achtergelaten; dat bovendien de uitnodigingsbrief van 17 mei 2001 op XII-4785-16/41 dezelfde dag bij aangetekend schrijven aan de raadsman van betrokkene werd toegestuurd. Overwegende dat betrokkene in bovenvermeld schrijven uitgenodigd werd op de hoorzitting van 31 mei
  34. Gelet op het schrijven van 17 mei 2001 aan mevrouw Myriam Deloddere, secretaris van het OCMW, waarin zij overeenkomstig art. 112 van het administratief statuut voor het OCMW personeel, wordt uitgenodigd naar dezelfde hoorzitting teneinde gehoord te worden met betrekking tot de ongunstige evaluatie van Freddy Vervisch. Gelet op het proces-verbaal van verhoor van Freddy Vervisch en Myriam Deloddere dd. 31 mei 2001 ondertekend door henzelf, door meester Defreyne, raadsman van Freddy Vervisch, door meester Vandenbraembussche, raadsman van het OCMW, door Dany Verhaeghe, voorzitter, en door Frieda Pype, tijdelijk secretaris. Gelet op de besluiten die voor de heer Freddy Vervisch werden neergelegd ter zitting van 31 mei 2001 door zijn raadsman meester Defreyne. Gelet op het raadsbesluit van 31 mei 2001 waarbij het hoger beroep door de heer Freddy Vervisch ingesteld op 30 januari 2001 tegen zijn ongunstige evaluatie van 12 januari 2001 ongegrond wordt verklaard en waarbij de raad voor maatschappelijk welzijn duidelijk motiveert waarom de ongunstige eindbeoordeling ongewijzigd behouden blijft. Overwegende dat dit raadsbesluit van 31 mei 2001 op 5 juni 2001 betekend werd aan Freddy Vervisch, aan zijn raadsman meester Defreyne, aan de raadsman van het OCMW meester Vandenbraembusche en tevens ter informatie werd gestuurd naar de Vlaamse regering. Gelet op artikel 110 B 2 van het administratief statuut voor het personeel van het OCMW Wervik dat de gevolgen stipuleert van een ongunstige evaluatie voor het op proef benoemd personeel: hetzij ontslag mits het respecteren van de opzegtermijn, hetzij éénmalige verlenging van de proeftijd met ten hoogste dezelfde duur bij uitzonderlijke omstandigheden en mits gemotiveerd besluit. Overwegend dat de raad voor maatschappelijk welzijn van oordeel is dat, rekening houdend met het professioneel verleden van de heer Vervisch, de kwaliteiten waarvan de heer Vervisch getuigde in zijn vroeger professioneel leven niet relevant zijn voor de huidige situatie, dat men enkel kan oordelen over de prestaties van Freddy Vervisch bij het OCMW Wervik. Overwegend dat de raad voor maatschappelijk welzijn, rekening houdend met de familiale tegenslagen die betrokkene kende en met het feit dat hij inderdaad kostwinner is in een gezin met opgroeiende kinderen, toch de mening is toegedaan dat deze motieven niet kunnen opwegen tegen de belasting die het disfunctioneren van de heer Vervisch in dergelijke strategisch belangrijke functie voor het OCMW betekent. Overwegend dat uit de evaluaties van de prestaties van de heer Vervisch in het OCMW Wervik, duidelijk blijkt dat hij niet beantwoordt aan het vooropgestelde functieprofiel. Overwegend dat intussen het vertrouwen in de capaciteiten en in de attitude van de heer Vervisch in die mate geschonden blijkt dat men het niet mogelijk acht dat hij in een verlengde proeftijd naar behoren zou kunnen functioneren en een meerwaarde zou kunnen betekenen voor het OCMW. Op de vraag of de raadsleden van mening zijn dat er afdoende motieven zijn om de proeftijd van de heer Vervisch, op proef benoemd [...] directeur facility-veiligheidsverantwoordelijke niveau A, wegens uitzonderlijke omstandigheden te verlengen voor één jaar. Gelet op de organieke wet van 1976-07-08 betreffende de OCMW’s inclusief alle latere wijzigingen. De heer Rik Braem, afgevaardigd schepen verlaat de raadzaal. XII-4785-17/41 Gaat over tot de geheime stemming. Elf stembiljetten worden rondgedeeld, ingezameld en geopend. De stemopneming luidt als volgt: 11 neen stemmen. Er zijn geen ongeldige stembiljetten. Overwegend dat men derhalve dient te beslissen over het niet-benoemen en het ontslag van de heer Freddy Vervisch, op proef benoemd directeur facility-veiligheidsverantwoordelijke niveau A. Overwegend dat in voorkomend geval de opzegtermijn moet gerespecteerd worden. Gaat over tot geheime stemming. Elf stembiljetten worden rondgedeeld, ingezameld en geopend. De stemopneming luidt als volgt: 11 ja stemmen. Er zijn geen ongeldige stembiljetten”. Dit is het tweede bestreden besluit. Bij aangetekende brieven van 19 juni 2001 dient verzoeker bij de gouverneur van West-Vlaanderen bezwaar in tegen het besluit van 31 mei 2001 en dient hij bij de Vlaamse regering beroep in tegen het besluit van 13 juni
  35. Na verzoeker, het OCMW van Wervik en hun respectieve raadslieden te hebben gehoord, beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid op 17 augustus 2001 het besluit van 13 juni 2001 goed te keuren. Dit besluit steunt op volgende motieven : “Gelet op de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, zoals gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999, inzonderheid de artikelen 43 bis e.v.; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de Leden van de Vlaamse regering, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 15 oktober 1999, 14 april 2000, 26 mei 2000, 10 mei 2001, 11 mei 2001 en 18 mei 2001; Gelet op het besluit van 13 juni 2001, ingekomen bij het ministerie van de Vlaamse gemeenschap op 19 juni 2001, waarbij de Raad voor Maatschappelijk Welzijn van Wervik besluit tot het ontslag van de heer Freddy Vervisch, in dienst sedert 14 februari 2000 als op proef benoemde statutaire directeur facility-veiligheidsverantwoordelijke; Gelet op het beroepsschrift van 19 juni 2001, ingediend door Mr. Peter Defreyne als raadsman van de heer Freddy Vervisch en ingekomen bij het Ministerie van de Vlaamse gemeenschap op 20 juni 2001; Overwegende dat de Raad voor Maatschappelijk Welzijn van Wervik met het bedoelde ontslagbesluit van 13 juni 2001 een einde maakte aan de benoeming op proef van de heer Freddy Vervisch als directeur facility- veiligheidsverantwoordelijke, in dienst sedert 14 februari 2000, en dit op grond van de negatieve beoordeling van de wijze van dienen van de heer Vervisch gedurende de proeftijd; dat dit besluit van 13 juni 2001 onder het toepassingsgebied valt van de artikelen 43bis tot en met 43quinquies van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, zoals gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999; dat XII-4785-18/41 dit besluit aan de Vlaamse Regering en aan de heer Freddy Vervisch werd betekend per aangetekende zending op 15 juni 2001; Gelet op de aangetekende brief van 26 juni 2001 waarbij de heer Vervisch wordt uitgenodigd op de hoorzitting van donderdag 12 juli 2001 om 13.30 uur; Gelet op de aangetekende brief van 26 juni 2001 waarbij aan de Raad voor Maatschappelijk Welzijn van Wervik een voor eensluidend verklaard afschrift van het beroepsschrift van de betrokkene wordt toegestuurd en waarbij het gemeentebestuur wordt uitgenodigd op de hoorzitting van donderdag 12 juli 2001 om 13.30 uur; Gelet op het proces-verbaal van verhoor van mr. Peter Defreyne, de raadsman van de heer Vervisch, van 12 juli 2001; Gelet op het proces-verbaal van verhoor van mevrouw Myriam Deloddere, OCMW-secretaris, als vertegenwoordiger van het OCMW van Wervik, en mr. J. Vandenbraembussche, raadsman van het OCMW van Wervik, van 12 juli 2001; Gelet op het aangetekend schrijven van 17 januari 2001 aan de heer Vervisch waarbij hij in kennis werd gesteld van de ongunstige evaluatie op het einde van de proeftijd; Gelet op het aangetekend schrijven van 30 januari 2001 van de heer Vervisch waarbij hij volgens de artikelen 52 en 53 van het administratief statuut een gemotiveerd beroep instelt bij de Raad voor Maatschappelijk Welzijn; Gelet op het ministerieel besluit van 4 mei 2001 houdende niet-goedkeuring van het besluit van 22 februari 2001 waarbij de Raad voor Maatschappelijk Welzijn van Wervik een op proef benoemde statutaire directeur facility- veiligheidsverantwoordelijke ontslaat; Gelet op de hoorzitting van 31 mei 2001 waarbij de Raad voor Maatschappelijk Welzijn van Wervik zowel de heer Vervisch als zijn evaluator gehoord heeft in het kader van het beroep tegen de ongunstige evaluatie; Gelet op het besluit van 31 mei 2001 waarbij de Raad voor Maatschappelijk Welzijn de ongunstige evaluatie van de heer Vervisch ongewijzigd behoudt; Gelet op de klacht van de heer Vervisch van 21 juni 2001 bij de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen tegen deze beslissing van 31 mei 2001; Gelet op onze brief van heden waarin wij meedelen dat de toezichthoudende overheid tegen dit besluit van 31 mei 2001 geen toezichtsmaatregelen zal nemen omdat het besluit de wet niet schendt of het algemeen belang niet schaadt; Overwegende dat de Raad tijdens de zitting van 13 juni 2001 bespreekt wat de gevolgen zijn van de ongunstige evaluatie van de heer Vervisch, in beroep behandeld op 31 mei 2001, nl. hetzij éénmalige verlenging van de proeftijd, hetzij niet benoemen en ontslag; dat na beraad de Raad besloten heeft de proeftijd van de heer Vervisch niet te verlengen en dat hij niet zal worden benoemd en zal worden ontslagen; dat deze beslissing werd genomen conform de artikelen van het administratief statuut; dat ze afdoende gemotiveerd is”. Dit is het derde bestreden besluit. De grond van de zaak Ten aanzien van het besluit van 31 mei 2001 XII-4785-19/41 2.1.
  36. Met betrekking tot het eerste bestreden besluit voert verzoeker in een eerste middel aan dat dit besluit onwettig is omdat het artikel 112 van het administratief statuut schendt. Krachtens voornoemde bepaling moet de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn over zijn beroep geacht worden gunstig te zijn, daar binnen de voorgeschreven termijn van een maand over dat beroep geen uitspraak werd gedaan. Ook de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport is in zijn besluit van 4 mei 2001 tot deze conclusie gekomen. De raad voor maatschappelijk welzijn moest er bij het opnieuw nemen van zijn niet-goedgekeurde besluit van 22 februari 2001 dan ook rekening mee houden dat hij inmiddels een gunstige evaluatie had gekregen. De mogelijkheid voor de raad voor maatschappelijk welzijn om zijn niet-goedgekeurde besluit opnieuw te nemen kan dan ook enkel betrekking hebben op wat niet werd goedgekeurd, zijn ontslag, en niet op zijn evaluatie. 2.1.
  37. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van “het algemeen rechtsbeginsel van de formele en materiële motiveringsplicht [...] [en] van het gezag van gewijsde van het Besluit van de Minister van 04.05.2001 houdende niet-goedkeuring van het ontslag van 22.02.2001”. De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport heeft in de motivering van zijn besluit van 4 mei 2001 uitdrukkelijk gesteld dat verzoekers evaluatie sinds 2 maart 2001 geacht moet worden gunstig te zijn. Doordat het bestreden besluit daaraan voorbijgaat, wordt het gezag van gewijsde van voormeld besluit van de minister miskend. Bovendien mag het terugwerken in de tijd van het besluit van de minister niet tornen aan “verkregen rechtssituaties of bestaande rechtsverhoudingen”. Dat besluit mag dan ook geen afbreuk doen aan de gunstige evaluatie die hij geacht moet worden te hebben gekregen. Indien de raad voor maatschappelijk welzijn dan toch deed wat hij niet mocht doen, namelijk een nieuwe beslissing nemen over zijn evaluatie, had hij opnieuw alle getuigen moeten horen die voor verhoor tijdens de zitting van 22 februari 2001 werden opgeroepen. Dit geldt des te meer omdat de raad voor maatschappelijk welzijn, na zijn herinstallatie in april 2001, anders was samengesteld dan op 22 februari
  38. De raad voor maatschappelijk welzijn had minstens de getuige moeten oproepen die verstek liet gaan voor de hoorzitting van 22 februari
  39. Ten slotte was, aangezien zijn oorspronkelijke evaluatie onwettig was, ook de bevestiging daarvan na beroep onwettig. Hij ziet die onwettigheid hierin gelegen : - zijn eerste evaluatie is niet gedateerd; zij zou hebben plaatsgevonden in oktober 2000 terwijl zij had moeten plaatsvinden voor 14 augustus 2000; de overmacht die XII-4785-20/41 de raad voor maatschappelijk welzijn inroept blijkt nergens uit en is geen “in het Statuut aanvaarde rechtvaardiging”; - zijn tweede evaluatie dateert van 16 januari 2001 zodat zijn beroep niet meer binnen de door het statuut voorgeschreven termijn kon worden behandeld; - zijn vragen of opmerkingen met betrekking tot zijn twee evaluaties werden, in strijd met artikel 103 van het administratief statuut, niet genotuleerd; - zijn tweede evaluatie heeft betrekking op een langere periode dan statutair bepaald, namelijk op de periode van augustus 2000 tot februari 2001, terwijl volgens het administratief statuut de tweede evaluatie betrekking heeft op de periode die aanvangt vanaf de eerste evaluatie; - uit zijn evaluatiedossier blijkt dat hem ooit een blaam zou zijn gegeven, hij werd daarover echter nooit gehoord en deze beslissing werd hem nooit betekend. 2.1.
  40. In een derde middel stelt verzoeker dat er sprake is van een “[o]nwettige samenstelling van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn - inbreuk op art. 6 §1 iuncto van de OCMW-wet - inbreuk op art. 45 §1 van de OCMW-Wet”. Hij stelt dat de raadsman van het OCMW van Wervik heeft deelgenomen aan de vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn terwijl geen enkele wetsbepaling hierin voorziet. De aanwezigheid van een technisch raadgever moet zich beperken tot “de duur die voor het geven van de gewenste inlichtingen noodzakelijk is”. Te dezen is de raadsman evenwel veel langer aanwezig geweest dan nodig. Krachtens artikel 45, §1, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna: de OCMW- wet) is het overigens de taak van de secretaris om de raad voor maatschappelijk welzijn “in voorkomend geval [...] te herinneren aan de geldende rechtsregels”. Ten slotte wijst hij erop dat ook zijn evaluator als niet-raadslid aanwezig was tijdens de vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn. Gezien haar vervanging door een tijdelijke secretaris, had de secretaris van het OCMW de vergadering moeten verlaten zodra zij door de raad was gehoord over verzoekers evaluatie. Daardoor zijn niet enkel de regels inzake de samenstelling van de raad voor maatschappelijk welzijn geschonden, doch ook deze betreffende het besloten karakter van de zittingen van de raad. 2.1.
  41. In een vierde middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 100, 103 en 104 van het administratief statuut. Eerstgenoemde bepaling is geschonden doordat het formulier dat bij zijn evaluatie werd gebruikt niet overeenstemt met het evaluatieformulier dat samen met het administratief statuut werd bezorgd. Aldus werd rekening gehouden met andere functionele criteria dan XII-4785-21/41 bepaald in het voorgeschreven evaluatieformulier zodat niet uitgesloten is dat indien hij was geëvalueerd conform het voorgeschreven evaluatieformulier, het globale resultaat van zijn evaluatie anders was geweest of, minstens, dat de raad voor maatschappelijk welzijn in de plaats van tot ontslag, tot het verlengen van zijn proeftijd had beslist. Tweede genoemde bepaling werd geschonden doordat zijn ongunstige evaluatie hem noch op 16 januari 2001, noch op 31 mei 2001 werd meegedeeld in een gesprek waarbij hij de mogelijkheid kreeg bijkomende uitleg te vragen en argumenten aan te brengen. De derde bepaling acht hij geschonden doordat de na beroep tot stand gekomen ongunstige evaluatie hem niet ter ondertekening werd voorgelegd. 2.1.
  42. Met betrekking tot het eerste middel antwoordt eerste verwerende partij dat beide bestreden besluiten van de raad voor maatschappelijk welzijn steunen op de vaste rechtspraak van de Raad van State “dat het OCMW gerechtigd is na een ministeriële niet-goedkeuring wegens een procedurefout het dossier te hernemen op voorwaarde dat de overheid de procedure onmiddellijk na het niet- goed-keuringsbesluit herbegint en de procedurefout herstelt” en “dat wanneer een rechtshandeling wordt vernietigd die moest gesteld worden binnen een bepaalde termijn, het bestuur na de vernietiging opnieuw over de volle termijn beschikt om een nieuwe beslissing te nemen”. Het ontslag- en het evaluatiebesluit zijn, doordat eerstgenoemd besluit uit laatstgenoemd besluit voortvloeit, zo nauw met elkaar verbonden dat het evident is dat de raad voor maatschappelijk welzijn bij niet- goedkeuring van het ontslagbesluit, de procedure, met inbegrip van de evaluatie, kan hernemen vanaf het ogenblik waarop zij is ontspoord. Verzoekers standpunt dat de minister enkel zijn ontslag niet goedkeurde zodat de raad voor maatschappelijk welzijn enkel een beslissing kon nemen over zijn ontslag, gaat niet op. Verzoekers onderscheid tussen het evaluatie- en het ontslagbesluit is kunstmatig “nu het in wezen gaat over een ontslagprocedure waarin de evaluatiebeslissing slechts één schakel is”. Overigens kan er te dezen niet de minste twijfel over bestaan dat het niet-goedgekeurde besluit van 22 februari 2001 “zowel het ontslag als de evaluatie betrof”, alleen heeft de raad voor maatschappelijk welzijn in dat besluit geen uitdrukkelijke beslissing genomen over verzoekers evaluatie. Na de niet-goedkeuring ervan kon de raad voor maatschappelijk welzijn echter ter rechtzetting van de gemaakte procedurefouten “een expliciete beslissing over de evaluatie toevoegen”. XII-4785-22/41 Verzoeker voelt zich ten onrechte gesteund door het besluit van 4 mei 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport waarin wordt overwogen dat het besluit van 22 februari 2001 geen uitspraak deed over zijn evaluatie zodat die evaluatie geacht moet worden gunstig te zijn. De minister kon immers slechts rekening houden met de gegevens die op 4 mei 2001 gekend waren. Inmiddels heeft de raad voor maatschappelijk welzijn de procedure hernomen en verbeterd en bestaat er wel degelijk een uitdrukkelijke beslissing over verzoekers beroep tegen zijn ongunstige evaluatie. 2.1.
  43. Met betrekking tot het tweede middel herhaalt eerste verwerende partij vooreerst dat de overweging van het besluit van 4 mei 2001 dat er op dat ogenblik geen uitspraak bestond over verzoekers beroep tegen zijn ongunstige evaluatie, zodat die evaluatie geacht werd gunstig te zijn, niet impliceerde dat het OCMW de procedure niet kon hernemen en verbeteren en er niet voor kon zorgen dat er wel een uitdrukkelijke beslissing werd genomen over verzoekers beroep binnen de “heropende” termijn na het ministeriële besluit. Ingevolge de niet- goedkeuring van haar besluit van 22 februari 2001 was zij verplicht andermaal een beslissing te nemen en zij kon op wettige wijze dezelfde beslissing nemen, mits eerbiediging van de overwegingen van het niet-goedkeuringsbesluit. Haar nieuwe beslissing en de goedkeuring daarvan door de minister werken geenszins terug in de tijd. Verzoekers beklag over het feit dat de eerder opgeroepen getuigen niet opnieuw werden gehoord is volgens eerste verwerende partij “potsierlijk, oneerlijk en alleszins ten zeerste illustratief voor de houding van [verzoeker]”: - in de brief van 17 mei 2001 waarin hij werd opgeroepen voor de hoorzitting van 31 mei 2001, werd verzoeker gevraagd tijdig de identiteit mee te delen van de getuigen die hij gehoord wenste te zien, verzoek waaraan hij geen gevolg heeft gegeven; ook tijdens zijn verhoor heeft hij niet gevraagd dat nog getuigen zouden worden gehoord; enkel in de schriftelijke conclusies die hij tijdens de hoorzitting heeft neergelegd, maar niet heeft toegelicht, heeft hij toch nog een getuigenverhoor gevraagd, klaarblijkelijk met de enkele bedoeling zichzelf “een nieuw proceduraal argument” te verschaffen, uiteraard was het toen niet meer mogelijk tijdig een getuigenverhoor te organiseren; - de vroegere getuigenverklaringen zaten in het evaluatiedossier, zodat de nieuwe leden van de raad voor maatschappelijk welzijn er kennis van hebben kunnen nemen; XII-4785-23/41 - dat één van de door verzoeker opgegeven getuigen op 22 februari 2001 niet is verschenen, is niet haar schuld. Nog steeds volgens eerste verwerende partij klaagt verzoeker ten onrechte de onwettigheid van de oorspronkelijke evaluatie aan, waardoor ook de evaluatie in beroep onwettig zou zijn: - de eerste evaluatie kon ingevolge de vakantieperiode en de drukte kort daarna pas plaatsvinden in oktober 2000, aangezien die eerste evaluatie gunstig was, heeft verzoeker geen reden om zich te beklagen over die geringe vertraging; dat de eerste evaluatie niet is gedateerd, is irrelevant daar alle partijen het erover eens zijn dat zij gebeurde op 18 oktober 2000 en niet valt in te zien hoe verzoeker benadeeld zou zijn door het niet-vermelden van die datum op het evaluatieformulier; - de tweede evaluatie gebeurde overeenkomstig het voorschrift van artikel 97 van het administratief statuut één maand voor het einde van de proefperiode, namelijk op 12 januari 2001 en niet op 16 januari 2001 zoals verzoeker beweert; het administratief statuut voorziet niet in een sanctie voor een laattijdige evaluatie; bovendien valt niet in te zien hoe verzoeker benadeeld zou kunnen zijn door een vertraging van enkele dagen; - verzoekers functioneren werd steeds zeer uitvoerig met hem besproken; toen de secretaris hem op de hoogte bracht van de ongunstige evaluatie, heeft hij geen uitleg gevraagd of argumenten aangevoerd die overeenkomstig artikel 103 van het administratief statuut moesten worden genoteerd; - het voorschrift van artikel 93 van het administratief statuut dat “de evaluatie betrekking heeft op de periode vanaf de vorige evaluatie” strekt ertoe dat de evaluatieperiodes op elkaar zouden aansluiten, wat te dezen het geval is daar de eerste evaluatie betrekking had op de periode februari 2000 - juli 2000 en de tweede evaluatie op de periode augustus 2000 - februari 2001; - verzoeker werd nooit een blaam bij tuchtmaatregel opgelegd, hij diende dan ook niet te worden gehoord; de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn om hem een blaam te geven werd hem door de secretaris mondeling ter kennis gebracht en werd later tussen beiden uitvoerig en diepgaand besproken. 2.1.
  44. Met betrekking tot het derde middel antwoordt eerste verwerende partij dat de raad voor maatschappelijk welzijn op 22 februari 2001 de beslissing van zijn voorzitter om bij het behandelen van verzoekers dossier een beroep te doen op een raadsman heeft bekrachtigd. De taak van die raadsman bestond in “het verlenen van bijstand aan het OCMW op proceduraal vlak teneinde voorliggende zaak op een XII-4785-24/41 correcte en foutloze wijze te laten beslechten door de Raad”. De raadsman heeft verzoekers dossier begeleid tot op het ogenblik van beraadslaging en stemming. Zijn aanwezigheid bleef beperkt tot de duur die voor het geven van de gewenste inlichtingen noodzakelijk of nuttig was. De aanwezigheid van een raadsman tijdens de hoorzitting is aanvaardbaar en de taak die krachtens artikel 45, §1, van de OCMW-wet aan de secretaris van het OCMW toekomt, vormt geen beletsel voor het consulteren van een technische raadsman. Het valt bovendien niet in te zien hoe verzoeker gegriefd zou zijn door de tussenkomsten van de raadsman van het OCMW tijdens de hoorzittingen van 22 februari 2001 en 31 mei
  45. Verzoeker heeft overigens tijdens de hoorzitting van 31 mei 2001 geen bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van de raadsman en hij heeft de vermeende onregelmatige samenstelling van de raad voor maatschappelijk welzijn ook niet aangeklaagd in zijn bezwaar bij de gouverneur en in zijn beroep bij de minister. Wat de aanwezigheid van verzoekers evaluator tijdens de hoorzitting van 31 mei 2001 betreft, verwijst eerste verwerende partij naar artikel 112 van het administratief statuut naar luid waarvan het beroepsorgaan de evaluator kan horen en om uitleg vragen. 2.1.
  46. Met betrekking tot de in het vierde middel aangevoerde schending van artikel 100 van het administratief statuut, erkent eerste verwerende partij dat het te dezen gehanteerde evaluatieformulier niet overeenstemt met het evaluatieformulier dat bij het administratief statuut is gevoegd. Krachtens artikel 42, vijfde lid, van de OCMW-wet is zij er echter toe gehouden hetzelfde evaluatieformulier te gebruiken als de stad Wervik en bovendien is het evaluatieformulier dat bij het administratief statuut is gevoegd slechts een ontwerp dat nog niet voor goedkeuring aan de toezichthoudende overheid werd voorgelegd, wat overigens niet kan zolang het door de stad Wervik niet is overgenomen of zolang het, gezien het specifieke karakter van sommige diensten en instellingen van het OCMW, niet is aanvaard als een noodzakelijke afwijking van het statuut van het gemeentepersoneel. Ook de aangevoerde schending van artikel 103 van het administratief statuut kan niet staande worden gehouden: op 16 januari 2001 werd het ongunstige evaluatieverslag door de secretaris aan verzoeker toegelicht. Verzoeker heeft toen laten weten dat hij het daarbij niet zou laten en is verdwenen, hij heeft dus geen vragen gesteld of argumenten aangevoerd die door de secretaris overeenkomstig voormeld artikel 103 hadden moeten worden genoteerd. Ten slotte is het zo dat verzoekers ongunstige evaluatie door hem op 16 januari 2001 “voor kennisname” en “voor ontvangst” werd ondertekend, zodat niet kan worden begrepen welke schending van artikel 104 van het administratief statuut verzoeker meent te kunnen ontwaren. XII-4785-25/41 2.1.
  47. Tweede verwerende partij betoogt dat verzoeker uitgaat van een verkeerde lezing van het besluit van 4 mei 2001 wanneer hij meent dat uit dat besluit volgt dat hij moet worden geacht gunstig te zijn geëvalueerd. Voornoemd besluit keurde verzoekers ontslag niet goed, “niet omdat de evaluatie van [verzoeker] diende geacht te worden gunstig te zijn, maar enkel en alleen omdat er aangaande de evaluatie niet was geëxpliciteerd”. Toen de minister op 17 augustus 2001 diende te oordelen over het besluit van 13 juni 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn, moest hij vaststellen dat er inmiddels wel een expliciete beslissing was genomen over verzoekers beroep tegen zijn ongunstige evaluatie en dat die beslissing door de toezichthoudende overheid niet was geschorst of vernietigd, zodat het ontslagbesluit kon worden goedgekeurd. 2.1.
  48. Met betrekking tot het eerste middel antwoordt verzoeker in zijn memorie van wederantwoord dat een niet-goedkeuring van een overheidsbesluit een andere rechtshandeling is dan de vernietiging ervan. De niet-goedkeuring heeft de werking van een opschortende voorwaarde en geldt ex nunc, terwijl de vernietiging de werking heeft van een ontbindende voorwaarde en ex tunc geldt. De vernietiging heeft terugwerkende kracht omdat de onwettigheid die aanleiding geeft tot de vernietiging werd gepleegd op het ogenblik dat de vernietigde rechtshandeling werd gesteld, terwijl de niet-goedkeuring door de minister kadert in een beroepsprocedure, waarbij de minister oordeelt op het ogenblik van de niet-goedkeuring zelf. Het argument van eerste verwerende partij dat het bestuur na de vernietiging van een rechtshandeling die binnen een bepaalde termijn moet worden gesteld over een volledig nieuwe termijn beschikt om een beslissing te nemen, gaat te dezen niet op omdat enkel zijn ontslag het voorwerp uitmaakte van de niet-goedkeuring, ontslag dat niet termijngebonden was. Hij betwist ook dat het besluit van 22 februari 2001 impliciet een uitspraak zou hebben ingehouden over zijn beroep tegen zijn ongunstige evaluatie. De minister heeft in zijn besluit van 4 mei 2001, waarin eerste verwerende partij heeft berust, gesteld dat dit niet zo was en dat een dergelijke impliciete beslissing volgens het statuut ook niet mogelijk was. Ten slotte gaat eerste verwerende partij er ten onrechte van uit dat de procedure is “ontspoord” toen zij heeft nagelaten een uitdrukkelijke beslissing te nemen over zijn beroep tegen zijn ongunstige evaluatie. Het niet-behandelen van een beroep tegen een ongunstige evaluatie binnen de voorgeschreven termijn is geen onwettige handeling, doch leidt er slechts toe dat de evaluatie krachtens het administratief statuut moet worden geacht gunstig te zijn. De minister heeft in zijn besluit vastgesteld dat ontslag niet mogelijk is omdat zijn evaluatie wegens het ontbreken van een uitdrukkelijke beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn over zijn beroep daartegen, XII-4785-26/41 geacht moet worden gunstig te zijn. Na het niet-goedkeuringsbesluit kon de raad voor maatschappelijk welzijn enkel een nieuwe beslissing nemen over de wijze van beëindiging van zijn proeftijd, doch niet over de evaluatie ervan. Ook in zijn laatste memorie, die nog enkel op dit aspect nader ingaat, benadrukt verzoeker andermaal dat de gunstige evaluatie die hij “moet geacht worden bekomen te hebben”, door de ministeriële niet-goedkeuring van het eerdere ontslag niet uit het rechtsverkeer wordt gehaald. Inzake het tweede middel voert verzoeker geen wezenlijk nieuwe argumenten aan. Hij bekritiseert de wijze waarop de getuigen werden opgeroepen voor het verhoor op 22 februari 2001, namelijk met de vermelding dat het verhoor kaderde in een procedure waarbij de secretaris voorstelde hem niet te benoemen en met de vraag schriftelijk te bevestigen indien aan het verzoek te getuigen gevolg zou worden gegeven. Aldus bevatte de oproeping niet de minste aansporing om te getuigen en kon zij ertoe leiden dat wie toch kwamen getuigen geneigd was negatief te zijn over hem teneinde de secretaris niet af te vallen. Voor zijn initiële ongunstige evaluatie werd de juiste werkwijze niet gevolgd: het evaluatiegesprek diende plaats te vinden voor de evaluatie, hetgeen niet is gebeurd. Hij werd geconfronteerd met een evaluatie, waardoor het geen zin had meer te verklaren dan dat hij er niet mee akkoord kon gaan. Indien hij vooraf was gehoord, had hij heel wat opmerkingen kunnen formuleren en had de evaluatie gunstiger of genuanceerder kunnen zijn. Betreffende het derde middel betoogt verzoeker dat de raad voor maatschappelijk welzijn niet voorafgaandelijk heeft beslist meester Vandenbraembussche tot de raad voor maatschappelijk welzijn toe te laten en dat zijn evaluator de zitting langer dan noodzakelijk heeft bijgewoond voor het toelichten van zijn ongunstige evaluatie. De samenstelling van publiekrechtelijke organen raakt de openbare orde, zodat de betrokken regels strikt moeten worden geïnterpreteerd en elke inbreuk erop tot de onwettigheid van de tot stand gekomen beslissing leidt. Bijgevolg is het niet relevant te weten of hij zich tegen de aanwezigheid van derden op de raadszitting heeft verzet. Ten aanzien van het vierde middel argumenteert verzoeker dat in het administratief statuut niet is bepaald dat de procedureregels inzake evaluatie enkel van toepassing zouden zijn op de evaluatie in eerste aanleg en niet op de evaluatie in beroep. Bijgevolg dienden deze procedureregels in beide gevallen te worden nageleefd. Hij volhardt voorts dat zijn evaluatie had moeten gebeuren op grond van het evaluatieformulier dat bij het administratief statuut is gevoegd. Hij XII-4785-27/41 betwist dat dit evaluatieformulier door de gouverneur niet zou zijn goedgekeurd. Tussen het personeelsstatuut van de gemeente en dat van het OCMW bestaat geen zodanige hiërarchie dat in geval van verschillen, voorrang moet worden gegeven aan het personeelsstatuut van de gemeente. 2.2.
  49. Artikel 112 van het administratief statuut bepaalt dat de uitspraak van de raad voor maatschappelijk welzijn over het beroep dat een personeelslid heeft ingesteld tegen een ongunstige evaluatie geacht wordt gunstig te zijn wanneer hij binnen de maand geen uitspraak heeft gedaan. Te dezen heeft de raad voor maatschappelijk welzijn op 22 februari 2001, zijnde binnen de maand na het indienen van verzoekers beroep tegen zijn ongunstige evaluatie, zonder expliciet die evaluatie te hebben bevestigd en dus impliciet het beroep verwerpende, besloten om verzoeker te ontslaan. De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport heeft op 4 mei 2001 zijn goedkeuring aan dat besluit onthouden, onder meer omdat er geen uitdrukkelijke beslissing was genomen over verzoekers beroep tegen zijn ongunstige evaluatie zodat bij gebrek aan een dergelijke uitdrukkelijke beslissing de uitspraak van de raad voor maatschappelijk welzijn over verzoekers beroep geacht moest worden gunstig te zijn, en omdat een impliciete beslissing over het beroep strijdt met de statutaire eis van een gemotiveerde beslissing van het beroepsorgaan die aan de beroeper betekend moet worden. Evenzeer als na een vernietiging van zijn beslissing door de toezichthoudende overheid of door de Raad van State, vermag de raad voor maatschappelijk welzijn na de betekening van het niet-goedkeuringsbesluit de procedure die tot het niet-goedgekeurde besluit had geleid, hernemen en dit met inachtneming van de redenen die tot de niet-goedkeuring hadden geleid. Aangezien de niet-goedkeuring onder meer steunde op het motief dat verzoeker niet kon worden ontslagen omdat zijn evaluatie geacht moest worden gunstig te zijn bij gebrek aan uitspraak over zijn beroep, moest de raad voor maatschappelijk welzijn een uitdrukkelijke beslissing nemen over verzoekers beroep tegen zijn ongunstige evaluatie. Er kan niet worden aangenomen, zoals verzoeker betoogt, dat zijn bevoegdheid daarvoor was uitgeput wegens het verstrijken van de initiële termijn. De raad voor maatschappelijk welzijn is immers toentertijd gedurende die termijn niet inactief gebleven, doch is, impliciet het beroep tegen de evaluatie verwerpende, onmiddellijk overgegaan tot de volgende fase van de complexe rechtshandeling, namelijk verzoekers ontslag. Ingevolge de niet-goedkeuring van deze laatste handeling, moet de raad voor maatschappelijk welzijn geacht worden over een XII-4785-28/41 nieuwe termijn te beschikken om de voorbereidende handeling van de niet goedgekeurde beslissing correct over te doen. De raad voor maatschappelijk welzijn heeft dat tijdig gedaan op 31 mei 2001 door verzoeker, uitspraak doende over zijn beroep, definitief ongunstig te evalueren en hij heeft met deze expliciete beslissing ditmaal voorkomen dat zijn uitspraak overeenkomstig artikel 112 van het administratief statuut geacht zou moeten worden gunstig te zijn. Het eerste middel is niet gegrond. 2.2.
  50. Bij de beoordeling van het eerste middel werd reeds besloten dat het besluit van 4 mei 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport niet belette dat de raad voor maatschappelijk welzijn na de betekening ervan de procedure die tot zijn niet- goedgekeurde besluit had geleid kon hernemen met inachtneming van de motieven die tot de niet-goedkeuring hadden geleid. Er valt dan ook niet in te zien hoe het bestreden besluit van 31 mei 2001, dat precies beoogt aan de bezwaren van de minister tegemoet te komen, het gezag van voormeld ministerieel besluit zou miskennen. Verzoeker gaat er overigens ten onrechte van uit dat een uitspraak van de minister over een administratief beroep zoals bedoeld in artikel 43ter van de OCMW-wet “gezag van gewijsde” zou hebben zoals een rechterlijke uitspraak. Bovendien stelt hij ten onrechte dat hij geacht moet worden gunstig te zijn geëvalueerd en dat de terugwerking in de tijd van het ministerieel besluit van 4 mei 2001 daaraan niet mag tornen. De raad voor maatschappelijk welzijn heeft een stilzwijgende gunstige evaluatie immers precies kunnen voorkomen door na de betekening van de niet-goedkeuring de procedure te hernemen vanaf het ogenblik waarop zij volgens het ministerieel niet-goedkeuringsbesluit was ontspoord. Daarenboven moest de raad voor maatschappelijk welzijn bij het hernemen van de procedure niet opnieuw de getuigen oproepen die reeds werden opgeroepen voor verhoor op 22 februari
  51. In de brief van 17 mei 2001 waarbij verzoeker werd opgeroepen voor verhoor op 31 mei 2001, werd hem immers gevraagd “tijdig” te melden of hij getuigen gehoord wenste te zien. Er blijkt niet dat hij daarop is ingegaan. Uit het proces-verbaal van het verhoor van 31 mei 2001 blijkt zelfs niet dat hij tijdens de hoorzitting nog zou hebben opgemerkt dat er getuigen dienden te worden gehoord. Enkel in de schriftelijke conclusies die hij ter gelegenheid van dat verhoor heeft neergelegd heeft hij nog vermeld dat, indien de raad zich opnieuw zou uitspreken over zijn beroep tegen zijn ongunstige evaluatie, “noodzakelijkerwijs opnieuw alle getuigen [dienden te worden gehoord] welke [verzoeker] voor 22.02.2001 verzocht om gehoord te worden”. Deze vermelding kan bezwaarlijk als XII-4785-29/41 een “tijdig” verzoek tot het horen van getuigen worden beschouwd. Bovendien kan niet worden aangenomen dat de zorgvuldigheidsplicht de raad voor maatschappelijk welzijn er wegens de wijziging van zijn samenstelling toe zou hebben verplicht de voorheen opgeroepen getuigen nogmaals en ambtshalve voor verhoor op te roepen. Het ging te dezen niet om een tuchtverhoor en de nieuwe raadsleden konden aan de hand van de processen-verbaal die op 22 februari 2001 werden opgesteld kennis nemen van de verklaringen van de getuigen die aan de oproeping gevolg hadden gegeven. Verzoeker voert geen deugdelijke reden aan waarom het enige personeelslid dat destijds aan de oproeping geen gevolg wenste te geven, een tweede maal diende te worden opgeroepen. Voorts kan uit de brieven van 21 februari 2001 waarmee de door verzoeker aangewezen getuigen werden opgeroepen geenszins worden afgeleid dat op betrokkenen op enigerlei wijze druk zou zijn uitgeoefend om niet te getuigen of om in hun getuigenis de ongunstige beoordeling van verzoekers proeftijd door de secretaris niet af te vallen. Eerste verwerende partij voert tegen verzoekers argumentatie dat de uitspraak van de raad voor maatschappelijk welzijn over zijn beroep tegen zijn ongunstige evaluatie onwettig zou zijn omdat ook de oorspronkelijke ongunstige evaluatie onwettig was, terecht aan : - dat niet valt in te zien hoe verzoeker in zijn belangen geschaad zou kunnen zijn doordat de evaluatie van zijn functioneren van februari 2000 tot en met juli 2000, die overigens gunstig was, pas in oktober 2000 plaatsvond; - dat de evaluatie van verzoekers functioneren tijdens de daaropvolgende periode conform het voorschrift van artikel 97 van het administratief statuut een maand voor het einde van de proefperiode plaatsvond, namelijk op 12 januari 2001; - dat verzoeker niet duidelijk maakt welke uitleg hij zou hebben gevraagd en welke argumenten hij zou hebben aangevoerd bij de kennisgeving van zijn ongunstige evaluatie door de secretaris; verzoeker weerlegt niet dat hij bij de mededeling van de ongunstige evaluatie door de secretaris is weggegaan zonder uitleg te vragen of argumenten aan te voeren: in dat geval kon er vanzelfsprekend niets worden genoteerd; - dat de evaluatie van 12 januari 2001 evident betrekking had op de periode die volgde op en direct aansloot bij de eerste evaluatieperiode; - dat de blaam die verzoeker werd opgelegd geen tuchtmaatregel was, doch een geformaliseerde terechtwijzing; verzoekers rechtspositie werd er niet door gewijzigd; indien hij van oordeel was dat die blaam hem toch griefde en onregelmatig tot stand was gekomen, had hij ze kunnen aanvechten met een XII-4785-30/41 beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State; aangezien hij dat niet heeft gedaan, is die individuele maatregel definitief geworden en kan hij verzoekers ongunstige evaluatie niet aantasten. Tenslotte voert verzoeker ten onrechte aan dat het evaluatie- gesprek vóór de evaluatie diende plaats te vinden en dat indien hij vooraf was gehoord, de evaluatie gunstiger of genuanceerder had kunnen zijn. Artikel 103 van het administratief statuut bepaalt immers in verband met het evaluatiegesprek : “Tijdens een gesprek deelt de evaluator de uitspraak van de evaluatie mee aan de geëvalueerde en geeft hieromtrent toelichting. De medewerker kan bij elk punt bijkomende uitleg vragen en argumenten aanbrengen die genoteerd worden, maar de uitspraak van de evaluatie niet kunnen wijzigen”. Uit deze bepaling blijkt manifest dat het evaluatiegesprek plaatsvindt na de uitspraak van de evaluatie en deze ook niet meer kan wijzigen. Het tweede middel is evenmin gegrond. 2.2.
  52. De artikelen 6, §1, en 45, §1, van de OCMW-wet staan er niet aan in de weg dat de raad voor maatschappelijk welzijn zich bij het onderzoek van dossiers, voorafgaandelijk aan de eigenlijke beraadslaging en stemming over de zaak, laat bijstaan en voorlichten door deskundigen of raadslieden. In dat stadium kan de raad voor maatschappelijk welzijn nog andere niet-raadsleden horen, zoals te dezen verzoekers evaluator. Weliswaar is, ter vrijwaring van de onafhankelijkheid van de raadsleden en hun recht om vrij hun stem uit te brengen, behoudens andersluidende wettelijke bepaling, vereist dat alle personen die geen raadslid zijn wegblijven uit de bespreking en de stemming in besloten vergadering. Te dezen blijkt uit de notulen van de vergadering van 31 mei 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn dat verzoekers raadsman en zijn evaluator de vergadering hebben verlaten vooraleer de beraadslaging over verzoekers beroep tegen zijn ongunstige evaluatie is aangevangen en dus ook vooraleer over dat beroep werd gestemd. Verzoeker wijst geen enkele wetsbepaling of rechtsregel aan die de raad voor maatschappelijk welzijn ertoe zou verplichten, alvorens de raadsman die hij heeft aangesteld tot de vergadering toe te laten, daaromtrent een beslissing te nemen. Voorts blijkt uit de notulen van de vergadering van 31 mei 2001 van de XII-4785-31/41 raad voor maatschappelijk welzijn niet dat de secretaris langer dan nodig op de vergadering aanwezig is geweest. Na het ondertekenen van het proces-verbaal van verhoor en voor de beraadslaging en stemming over verzoekers beroep tegen zijn ongunstige evaluatie, heeft zij -overigens gelijktijdig met verzoeker en diens raadsman- de vergadering verlaten. Het derde middel is evenmin gegrond. 2.2.
  53. Daargelaten of het evaluatieformulier dat volgens verzoeker bij het administratief statuut was gevoegd de goedkeuring van de toezichthoudende overheid heeft verkregen, kon eerste verwerende partij hoe dan ook, krachtens artikel 42, (toen) vijfde lid, van de OCMW-wet, slechts wettig gebruik maken van het evaluatieformulier waarin is voorzien door het administratief statuut van het personeel van de stad Wervik. Het blijkt immers niet dat het bij het administratief statuut gevoegde evaluatieformulier door de raad voor maatschappelijk welzijn, krachtens het (toenmalige) zesde lid van hetzelfde wetsartikel, specifiek voor verzoekers betrekking, wegens de specificiteit ervan, werd vastgesteld. Artikel 103 van het administratief statuut werd hoger reeds aangehaald. Artikel 104 van datzelfde statuut luidt: “Het personeelslid ondertekent het verslag voor kennisneming. Indien hij of zij dit weigert, wordt hiervan in het dossier melding gemaakt door de twee evaluatoren. Het personeelslid krijgt een afschrift en kan binnen de veertien kalenderdagen nog bijkomende schriftelijke opmerkingen aan de evaluator bezorgen. Deze laatste tekent voor kennisneming en voegt de opmerkingen bij het evaluatiedossier. Een kopie of afschrift hiervan wordt bezorgd door de evaluator aan de procesbewaker of evaluator 2”. Beide statutaire bepalingen zijn blijkens hun duidelijke bewoordingen onmiskenbaar van toepassing op de evaluatie van het personeelslid door zijn evaluatoren. De toepassing ervan kan, bij ontstentenis van een statutaire bepaling in die zin, niet worden uitgebreid tot de uitspraak van de raad voor maatschappelijk welzijn over het beroep van het personeelslid tegen een ongunstige evaluatie. Bij de bespreking van het tweede middel werd reeds vastgesteld dat verzoeker niet duidelijk maakt welke uitleg hij bij de kennisgeving van de ongunstige evaluatie op 16 januari 2001 zou hebben gevraagd en welke argumenten hij bij die gelegenheid zou hebben aangevoerd en dat er indien hij na de mededeling XII-4785-32/41 van de ongunstige evaluatie uit eigen beweging is weggegaan, vanzelfsprekend geen gesprek kon plaatsvinden. Het vierde middel is evenmin gegrond. Ten aanzien van het besluit van 13 juni 2001 3.1.
  54. Met betrekking tot het besluit van 13 juni 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn voert verzoeker in een eerste middel de schending aan van “de materiële en formele motiveringsplicht [...] [en] van art. 55 en van het Administratief Statuut van het OCMW Wervik”. Het besluit van 13 juni 2001 wordt gemotiveerd door de ongunstige evaluatie die hem, na beroep, is toegekend bij besluit van 31 mei 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn. Aangezien laatstgenoemd besluit onwettig is, is het ontslagbesluit niet wettig gemotiveerd. 3.1.
  55. Een tweede middel is geput uit de schending van “de zorgvuldigheidsnorm [...] [en] van de hoorplicht en van het recht gehoord te worden”. De zorgvuldigheidsnorm verplicht de overheid ertoe volledig op de hoogte te zijn van de feiten die de voorgenomen beslissing kunnen beïnvloeden en zo nodig de betrokkenen te horen. Hij werd door de raad voor maatschappelijk welzijn, zoals samengesteld op 13 juni 2001, nooit vooraf gehoord over een mogelijk ontslag. Op 22 februari 2001werd hij wel gehoord, “doch dit was enkel met betrekking tot het ontslag, dat naderhand niet-goedgekeurd werd”. Ook op 31 mei 2001 werd hij gehoord, “doch dit was in het kader van zijn beroep tegen de ongunstige evaluatie”. Het is niet uit te sluiten dat hij argumenten had kunnen inroepen die de keuze tussen ontslag en verlenging van de proeftijd hadden kunnen beïnvloeden. In zijn brief van 9 mei 2001 aan de raad voor maatschappelijk welzijn heeft hij uitdrukkelijk gevraagd te worden gehoord, doch de raad is daaraan in het besluit van 13 juni 2001 voorbijgegaan, zodat ook de formele motiveringswet is geschonden. 3.1.
  56. In een derde middel stelt verzoeker dat artikel 20 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het werk (hierna: het koninklijk besluit van 27 maart 1998) werd geschonden. Hij werd door de raad voor maatschappelijk welzijn aangesteld als directeur facility-veiligheidsverantwoordelijke en blijkens de personeelsformatie hebben de verantwoordelijkheden van de veiligheidsverantwoordelijke betrekking op brandpreventie, regelgeving inzake veiligheid, adviseren inzake veiligheidsaspecten, enz... Bijgevolg moet hij worden beschouwd als een XII-4785-33/41 preventieadviseur van de interne dienst, zoals bedoeld in artikel 2, 4/, van voornoemd koninklijk besluit. Krachtens artikel 20 van dat besluit kan een preventieadviseur slechts uit zijn functie worden verwijderd na voorafgaand akkoord van het Comité voor Preventie en Bescherming op het werk of, bij ontstentenis van een dergelijk comité, van de vakbondsafvaardiging. Zijn ontslag houdt tevens een verwijdering uit zijn functie van preventieadviseur in. Aangezien het voorafgaand akkoord van het Comité voor Preventie en Bescherming op het werk daarover niet werd gegeven, is zijn ontslag ook om die reden onwettig. 3.1.
  57. Eerste verwerende partij antwoordt met betrekking tot het eerste middel dat genoegzaam werd aangetoond dat de evaluatieprocedure volledig conform de geldende regels is verlopen en dat het besluit van 13 juni 2001 daar dan ook perfect rechtsgeldig op kan steunen. Inzake het tweede middel betoogt zij : - dat de raad voor maatschappelijk welzijn na verzoekers ongunstige evaluatie zowel de mogelijkheid hem te ontslaan, als de mogelijkheid zijn proeftijd te verlengen heeft overwogen, doch dat de raad tot de bevinding is gekomen dat geen uitzonderlijke omstandigheden voorhanden waren die een verlenging van verzoekers proeftijd met een jaar konden verantwoorden; - dat voorzover verzoeker over zijn ontslag diende te worden gehoord, een dergelijk verhoor op 22 februari 2001 heeft plaatsgevonden en er geen enkele reden was de procedure op dat punt te hernemen; dat het enkele feit dat de raad voor maatschappelijk welzijn op 13 juni 2001 gedeeltelijk anders was samengesteld niet met zich bracht dat de nieuw samengestelde raad de rechtsgeldige verrichtingen van de vorige raad diende over te doen; - dat verzoeker op 31 mei 2001 nogmaals werd gehoord en zich ook heeft verdedigd met betrekking tot zijn ontslag; - dat verzoekers brief van 9 mei 2001 niet de draagwijdte heeft die verzoeker er thans aan wil geven; dat hij, conform zijn vraag van 9 mei 2001, op 17 mei 2001 werd opgeroepen voor verhoor op 31 mei 2001 door de raad voor maatschappelijk welzijn; - dat het argument van verzoeker dat de raad voor maatschappelijk welzijn op 13 juni 2001 anders was samengesteld dan op 22 februari 2001 niet dienstig is, daar ook de nieuwe raadsleden kennis hadden van het volledige dossier, bevattend verzoekers beroepschrift van 30 januari 2001 en de schriftelijke conclusies die hij tijdens de hoorzitting van 22 februari 2001 had neergelegd en waarin telkens werd uitgeweid over de gevolgen van een mogelijk ontslag, alsook het proces-verbaal XII-4785-34/41 van zijn verhoor op 22 februari 2001 waaruit blijkt dat zijn raadsman vroeg een verlenging van verzoekers proeftijd te overwegen; - dat verzoeker niet vermeldt welk concreet argument dat invloed had kunnen hebben op de keuze van de raad tussen ontslag en verlenging van de proeftijd hij niet heeft kunnen aanvoeren voor de raad. 3.1.
  58. Met betrekking tot het eerste middel verwijst tweede verwerende partij naar de betrokken overweging van het arrest nr. 104.278 van 4 maart
  59. Wat het tweede middel betreft, wijst zij erop dat verzoeker meermaals werd gehoord over de feiten die uiteindelijk tot zijn ontslag hebben geleid. 3.1.
  60. In zijn memorie van wederantwoord voert verzoeker met betrekking tot het eerste en het tweede middel geen nieuwe argumenten aan. Inzake het derde middel doet hij nog gelden dat hem bij de betekening van het besluit van 13 juni 2001 kennis is gegeven van de beroepsmogelijkheid bij de Vlaamse regering en dat bij de betekening van het besluit van de minister melding is gemaakt van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State. De minister heeft niet verwezen naar de bevoegdheid van de arbeidsgerechten en heeft ook geen enkel voorbehoud gemaakt bij de bevoegdheid van de Raad van State. De Raad van State is bevoegd om kennis te nemen van elke vorm van onwettigheid die aan de bestreden besluiten kleeft. 3.2.
  61. Hiervoor werd reeds besloten dat verzoeker tegen het besluit van 31 mei 2001 geen enkel gegrond middel aanvoert. Derhalve kan ook niet worden besloten dat het besluit van 13 juni 2001 doordat het op die ongunstige evaluatie steunt, onwettig zou zijn. Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.
  62. De raad voor maatschappelijk welzijn legt verzoeker bij besluit van 13 juni 2001 geen tuchtmaatregel op, doch ontslaat hem wegens een ongunstige evaluatie van de proeftijd. Bijgevolg zijn de rechten van verdediging zoals zij gelden in tuchtzaken zonder uitdrukkelijk voorschrift niet van toepassing. Krachtens een beginsel van behoorlijk bestuur mag een dergelijke maatregel echter in principe slechts worden genomen nadat betrokkene in de gelegenheid is gesteld nuttig voor XII-4785-35/41 zijn belangen op te komen. Te dezen heeft verzoeker minstens tweemaal de mogelijkheid gekregen de raad voor maatschappelijk welzijn op nuttige wijze zijn standpunt met betrekking tot zijn ontslag wegens de ongunstige evaluatie van zijn proeftijd te laten kennen. Bij brief van 7 februari 2001 werd hij opgeroepen om op 22 februari 2001 door de raad voor maatschappelijk welzijn te worden gehoord, er werd meegedeeld dat op grond van de ongunstige evaluatie van zijn proeftijd “de raad voor maatschappelijk welzijn [zal] verzocht worden [hem] niet te benoemen”. Tijdens de hoorzitting van 22 februari 2001 is hij in zijn mondeling en schriftelijk verweer ingegaan op het ontslag dat hem bedreigde. Het loutere feit dat het besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn dat op zijn verhoor volgde niet werd goedgekeurd door de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport en dit omdat geen uitdrukkelijke beslissing was genomen over zijn beroep tegen zijn ongunstige evaluatie, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat verzoeker op 22 februari 2001 zijn standpunt met betrekking tot een ontslag wegens een ongunstige evaluatie van zijn proeftijd ten volle kenbaar heeft kunnen maken aan de raad voor maatschappelijk welzijn. Verzoekers standpunt blijkt uit het proces-verbaal van verhoor van 22 februari 2001 en uit de schriftelijke conclusies die hij ter gelegenheid van het verhoor heeft neergelegd. Aangezien deze stukken in het dossier werden opgenomen, heeft de nieuw samengestelde raad voor maatschappelijk welzijn, die op 13 juni 2001 besloot tot verzoekers ontslag, wel degelijk kennis kunnen nemen van dat standpunt. Verzoeker heeft overigens op 31 mei 2001 nogmaals de kans gekregen zijn standpunt aan die raad kenbaar te maken en hij heeft toen uiteengezet dat alleen een vaste benoeming mogelijk was en dat hij wat de grond van de zaak betreft, het standpunt van zijn “beroepsakte, besluiten en pleidooi” hernam. Derhalve heeft verzoeker meermaals de kans gekregen zijn standpunt met betrekking tot de voorgenomen maatregel van ontslag, op nuttige wijze te doen kennen aan de raad voor maatschappelijk welzijn. Het tweede middel is evenmin gegrond. 3.2.
  63. Inzake het derde middel is het zo dat artikel 20 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 zijn rechtsgrond blijkt te hebben in artikel 33, § 3, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Luidens artikel 79, § 1, van voormelde wet kunnen de werknemers, waarmee onder meer gelijkgesteld zijn “de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon”, “alle geschillen in verband met deze wet en haar uitvoeringsbesluiten” ter beslechting voorleggen aan de arbeidsgerechten. Door als grief aan te voeren dat de XII-4785-36/41 procedure niet is nageleefd zoals voorgeschreven bij artikel 20 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998, brengt verzoeker een geschil aan “in verband met deze wet en haar uitvoeringsbesluiten”. De bevoegdheid van de arbeidsgerechten terzake van zulke geschillen sluit de rechtsmacht van de Raad van State uit. De loutere omstandigheid dat bij de kennisgeving van de bestreden besluiten geen melding is gemaakt van de bevoegdheid van de arbeidsgerechten kan er niet toe leiden dat de Raad van State bevoegd wordt om over het derde middel uitspraak te doen. Het derde middel is derhalve niet ontvankelijk. Ten aanzien van het besluit van 17 augustus 2001 4.1.
  64. Met betrekking tot het derde bestreden besluit stelt verzoeker in een enig middel dat “de materiële en formele motiveringsplicht” werden geschonden. De motiveringsplicht moet te dezen “streng” worden beoordeeld daar het bestreden besluit betrekking heeft op een voor hem bijzonder zwaarwichtige beslissing. Het bestreden besluit geeft geen afdoende antwoord op de verschillende grieven die hij tegen zijn ontslag heeft aangevoerd. De motivering ervan is te algemeen en abstract, kan voor alle gevallen gelden en is bijgevolg een loutere stijlformule. De motivering van het besluit is bovendien “niet aanvaardbaar [...] met het oog op het beleid” aangezien zij niet strookt met de overweging van het besluit van 4 mei 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport dat het besluit van 22 februari 2001 geen uitspraak doet over zijn beroep zodat zijn evaluatie geacht moet worden gunstig te zijn. De motivering van het bestreden besluit is bovendien onwettig omdat zij verwijst naar het besluit van 31 mei 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn, besluit waarvan hij reeds heeft aangetoond dat het onwettig is. Ten slotte heeft hij zijns inziens ook geen afdoende antwoord gekregen op zijn bezwaar bij de toezichthoudende overheid tegen het besluit van 31 mei
  65. De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambte- narenzaken en Buitenlands Beleid heeft hem er bij brief van 17 augustus 2001 van in kennis gesteld dat de toezichthoudende overheid meent dat bedoeld besluit de wet niet schendt en het algemeen belang niet schaadt zodat zij er niet tegen zal optreden. Dit is alweer een te algemene en te abstracte motivering die voor alle gevallen kan gelden en bijgevolg een loutere stijlformule is. Aangezien het bestreden besluit onder meer wordt gemotiveerd door te verwijzen naar voornoemde brief, is het op zijn beurt niet afdoende gemotiveerd. XII-4785-37/41 4.1.
  66. Eerste verwerende partij werpt op dat verzoekers “administratief beroep” van 19 juni 2001 bij de gouverneur niet wettig is omdat de artikelen 43bis tot en met 43octies van de OCMW-wet voorzien in een georganiseerd administratief beroep dat “verplicht moet worden uitgeput”. Het heeft geen zin na te gaan of het antwoord van de gouverneur al dan niet gemotiveerd is, aangezien “alleen de weg van het bijzonder administratief beroep mocht gevolgd worden”. Bovendien heeft het goedkeuringstoezicht een “bijzondere finaliteit”, de goedkeuring is immers de rechtshandeling waarbij de toezichthoudende overheid verklaart dat het besluit van het onder toezicht staand bestuur uitwerking mag hebben omdat het noch de wet schendt, noch het algemeen belang schaadt. Het komt de toezichthoudende overheid niet toe de beslissing van het onder toezicht staand bestuur over te doen. Aangezien de minister te dezen volledig instemt met het aan zijn goedkeuringstoezicht onderworpen besluit, diende hij niet elke grief van verzoeker te herhalen en uiteen te zetten waarom die grief niet gegrond is. Verzoeker voerde voor de minister overigens geen argumenten aan die hij niet reeds had aangehaald voor de raad voor maatschappelijk welzijn. De minister heeft overwogen dat het besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn de wet niet schendt en het algemeen belang niet schaadt, dat het genomen is conform de voorschriften van het administratief statuut en afdoende gemotiveerd is. Hij heeft de motieven van de raad voor maatschappelijk welzijn tot de zijne gemaakt. Verzoeker kon aldus uit het bestreden besluit afleiden waarom zijn beroep werd verworpen en het besluit van 13 juni 2001 werd goedgekeurd. Er is geen tegenstrijdigheid tussen het bestreden besluit en het besluit van 4 mei 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport: op 4 mei 2001 diende de minister vast te stellen dat de raad voor maatschappelijk welzijn niet uitdrukkelijk uitspraak deed over verzoekers beroep zodat die uitspraak geacht moest worden gunstig te zijn, terwijl hij op 17 augustus 2001 diende vast te stellen dat de raad voor maatschappelijk welzijn inmiddels wel een uitspraak had gedaan. 4.1.
  67. Tweede verwerende partij stelt dat het bestreden besluit een goedkeuringsbesluit is dat slechts instemt met het besluit van het onder toezicht staande bestuur. Het moet geen motivering van verzoekers ongunstige evaluatie, noch van zijn ontslag bevatten. Het motiveert echter wel duidelijk waarom met zijn ontslag wordt ingestemd. Bovendien verplicht de formele motiveringsplicht het bestuur er niet toe alle door de partijen aangevoerde feitelijke en juridische argumenten te beantwoorden, het volstaat dat de determinerende motieven van het XII-4785-38/41 besluit worden vermeld. Het bestreden besluit is afdoende gemotiveerd door “de verwijzing naar alle feitelijke voorgaanden [...] [en] het feit dat de toezichthoudende overheid geen toezichtsmaatregel neemt tegen de beslissing tot ongunstige evaluatie van [het] OCMW Wervik omdat het besluit de wet niet schendt of het algemeen belang niet schaadt”. De onthouding van de toezichthoudende overheid om gebruik te maken van haar facultatieve schorsings- of vernietigingsbevoegdheid is geen voor nietigverklaring door de Raad van State vatbare beslissing en is niet onderworpen aan de formele motiveringsplicht. De motivering van het bestreden besluit laat afdoende blijken dat het besluit van 13 juni 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn zowel naar inhoud als vorm regelmatig is, dat verzoekers bezwaren niet worden aangenomen en dat wordt ingestemd met het verweer van het OCMW van Wervik. 4.
  68. De onthouding van de toezichthoudende overheid om in het kader van het algemeen administratief toezicht gebruik te maken van haar facultatieve schorsings- of vernietigingsbevoegdheid is geen administratieve rechtshandeling die rechtsgevolgen beoogt te hebben. Anders dan verzoeker betoogt, is zij dan ook niet onderworpen aan de formele motiveringsplicht opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Derhalve is het middel niet gegrond in zoverre het derde bestreden besluit verwijst naar of steunt op de onthouding van de toezichthoudende overheid om tegen verzoekers ongunstige evaluatie een maatregel van algemeen toezicht te nemen, wat hem apart werd meegedeeld bij brief van 17 augustus
  69. In zoverre het derde bestreden besluit goedkeuring verleent aan verzoekers ontslag wegens een ongunstige evaluatie van zijn proeftijd, vergt de motiveringsplicht niet dat in het goedkeuringsbesluit zelf de ongunstige evaluatie als zodanig of het ontslag wegens die ongunstige evaluatie zou worden gemotiveerd. Het volstaat dat het op afdoende wijze laat blijken waarom het instemt met het besluit betreffende het ontslag. Te dezen verwijst het bestreden besluit naar de onthouding van de toezichthoudende overheid om tegen het besluit van 31 mei 2001 op te treden. Uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt ook dat de toezichthoudende overheid geen bezwaren ziet tegen het besluit van 13 juni 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn, daar dat besluit is genomen “conform de artikelen van het administratief statuut [...] [en] afdoende gemotiveerd is”. Aldus voegt het bestreden besluit zich naar de motieven die de raad voor maatschappelijk welzijn in voornoemd besluit had aangehaald ter weerlegging van verzoekers argumenten tegen zijn ongunstige evaluatie en ontslag, die dezelfde zijn als die XII-4785-39/41 welke hij had aangevoerd in zijn beroep bij de minister. Verzoeker wist derhalve waarom aan zijn ontslag goedkeuring werd verleend en tegen welke motieven hij in rechte kon opkomen, wat hij overigens, zoals hiervoor is gebleken, ook heeft gedaan. Verzoeker is onterecht de mening toegedaan dat de grieven die hij in zijn beroepsschrift bij de minister aanvoerde, door de minister “zonder enige motivering” zijn verworpen. De minister heeft die grieven weliswaar niet expliciet besproken, maar hij laat wel formeel blijken dat hij er kennis van heeft genomen en dat hij zich dienaangaande schaart achter de redenen die de raad voor maatschappelijk welzijn ertoe hebben gebracht dezelfde grieven te verwerpen en tot de ongunstige evaluatie van verzoekers proeftijd en diens ontslag te besluiten. In tegenstelling tot wat verzoeker argumenteert, zijn de motieven van het bestreden besluit niet inconsistent met de overweging in het besluit van 4 mei 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport dat het besluit van 22 februari 2001 geen uitspraak deed over zijn beroep tegen zijn ongunstige evaluatie en dat de uitspraak bijgevolg geacht moest worden gunstig te zijn. Zoals hiervoor reeds werd gesteld, stond die overweging er niet aan in de weg dat de raad voor maatschappelijk welzijn, na de betekening van het niet-goedkeuringsbesluit, de procedure die leidde tot zijn niet- goedgekeurde besluit hernam met inachtneming van de redenen die tot de niet- goedkeuring hadden geleid. Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  70. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  71. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-4785-40/41 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juni 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4785-41/41 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.738 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.104.278 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.