id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.748 Rolnummer: A. 65216/X-10205 Zaak: Arrest 172748 - Architecten - 26/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-22 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 21:10 Fiche Arrest nr 172.748 van 26 juni 2007 Beroepen - Architecten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.748 van 26 juni 2007 in de zaak A. 65.216/X-10.205. In zake : de ORDE VAN ARCHITECTEN, die woonplaats kiest bij advocaat H. GEINGER, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Quatre Brasstraat 6 tegen : de gouverneur van de provincie VLAAMS-BRABANT. tussenkomende partij : Jos MOONS, die woonplaats kiest bij advocaat A.-M. VANDERLEENEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Ernest Allardstraat 35-37. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de ORDE VAN ARCHITECTEN op 18 augustus 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 16 juni 1995 van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant waarbij Jos MOONS, met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, wordt gemachtigd zelf de plannen op te maken alsmede het toezicht op de uitvoering der werken uit te oefenen voor het bouwen van een eigen woning op een perceel gelegen te Keerbergen, Koebaan, kadastraal bekend sectie D, nr. 279/m2. Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 12 maart 1996 ingediend door Jos MOONS; Gelet op de beschikking van 20 maart 1996 die de tussenkomst van Jos MOONS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; X-10.205-1/12 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de beschikking van 4 juli 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. SONCK, die loco advocaat H. GEINGER verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat A.-M. VANDERLEENEN, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. Op 13 februari 1995 richt de tussenkomende partij een omstandig schrijven naar het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Keerbergen, waarin zij verzoekt te willen voorstellen aan de verwerende partij om haar bij afwijking de toelating te verlenen om de plannen van een eigen woning op te stellen, alsook zelf het toezicht te houden over de uitvoering der werken. De tussenkomende partij steunt de gevraagde afwijking op artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect. 1.2. De tussenkomende partij verwijst in haar aanvraag naar “de gevestigde administratieve praktijk om de plano aan universitaire ingenieurs de X-10.205-2/12 ‘bouwvergunning’ uit te reiken, bekrachtigd door verscheidene arresten van de Raad van State, afdeling administratie”. 1.3. De tussenkomende partij stelt verder in voornoemd schrijven dat “de gouverneur (...) in principe aan eenieder die over voldoende kennis beschikt om plannen voor een gebouw te ontwerpen en de controle uit te oefenen op de werken, machtiging (kan) verlenen om dit te doen”. Zij voegt daaraan toe: “Daar volgens artikel 12 van de wet van 20 februari 1939 de ingenieurs uit het universitair onderwijs, nl. burgerlijk- en landbouwkundig-ingenieurs der faculteiten toegepaste- en landbouwwetenschappen (ir.) mogen optreden in hoedanigheid van architect en zich bij de Orde van Architecten op grond van hun diploma kunnen laten inschrijven zijn ze uiteraard de eersten die hiervoor in aanmerking komen”. De tussenkomende partij schrijft bovendien dat “de plannen en het lastenboek van bedoelde woning met de meeste zorg en tot in de kleinste details zijn uitgewerkt en dat de uitvoering van de werken intens zal gecontroleerd worden, dit alles op een manier zoals enkel een eigenaar en goed huisvader zich in zake tijd en moeite kan veroorloven te doen”. 1.4. De tussenkomende partij besluit als volgt: “Hij (Zij) hoopt dan ook, Mijne Heren, dat U over dit verzoek een gunstig advies moge uitbrengen, en aan de heer gouverneur zult voorstellen de bedoelde afwijking toe te staan”. 1.5. De tussenkomende partij voegt bij haar voormeld schrijven de volgende stukken: - een eensluidend verklaard afschrift van haar diploma burgerlijk ingenieur, - een eigendomsattest, - een bewijs van goed gedrag en zeden, - een verklaring aangaande haar beroepsactiviteit. 1.6. Op 23 februari 1995 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Keerbergen een gunstig advies over voormelde aanvraag voor het opmaken van de plannen voor de nieuwbouw van de tussenkomende partij. X-10.205-3/12 1.7. Op 8 maart 1995 verzoekt de verwerende partij voornoemd schepencollege om ook advies te verlenen over het verzoek van de tussenkomende partij om zelf toezicht te mogen uitoefenen op de uitvoering der werken. 1.8. Op 30 maart 1995 brengt voornoemd schepencollege een gunstig advies uit betreffende de aanvraag van de tussenkomende partij om zelf het plan te mogen opmaken voor haar nieuwbouw, alsook om zelf het toezicht te mogen uitoefenen op de uitvoering der werken. 1.9. Op 16 juni 1995 neemt de verwerende partij het bestreden besluit dat als volgt luidt: “(...) Gelet op de brief dd. 13 februari 1995, met bijlagen, gericht aan het college van burgemeester en schepenen van Keerbergen, waarbij de heer MOONS Jos wonende te 2830 Tistelt, Hoogstraat 100 A, met toepassing van het artikel 4, 2e lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, om de toelating verzoekt tot het opmaken van de plannen alsmede het toezicht over de uitvoering der werken voor het bouwen van een eigen woning te Keerbergen op een perceel bouwgrond er gelegen aan de Koebaan, gekadastreerd sectie D, nummer 279/m/2, groot 22a 18ca; Overwegende dat de verzoeker houder is van het diploma van burgerlijk elektrotechnisch-werktuigkundig ingenieur, en bijgevolg, krachtens de beschikkingen van het artikel 12 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, zou kunnen optreden als architect indien hij zou zijn ingeschreven op de Tabel van de Orde; Overwegende dat de woning die de belanghebbende wenst te bouwen uitsluitend voor zijn persoonlijk gebruik bestemd is; Gelet op het gunstig voorstel van het college van burgemeester en schepenen van Keerbergen in datum van 30 maart 1995; Gelet op het artikel 4,2e lid, van de voornoemde wet van 20 februari 1939, BESLUIT: Artikel 1 : de heer MOONS Jos, voornoemd, wordt met toepassing van het artikel 4, 2e lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, gemachtigd zelf de plannen op te maken alsmede het toezicht op de uitvoering der werken uit te oefenen voor het bouwen van een eigen woning, uitsluitend bestemd voor zijn persoonlijk gebruik, op zijn eigendom te Keerbergen, gelegen aan de Koebaan, gekadastreerd sectie D, nummer 279/m/2, groot 22a 18ca. Artikel 2 : Een eensluidend afschrift van onderhavig besluit zal gezonden worden aan: 1) de heer MOONS Jos, Hoogstraat 100 A te 2830 TISTELT, 2) het college van burgemeester en schepenen van en te 3140 KEERBERGEN 3) de heer Voorzitter van de Raad van de Orde der Architecten van Brabant, Jubelfeestlaan 71 bus 5, 1210 Brussel. (...)”; 2. Ten gronde X-10.205-4/12 2.1. Overwegende dat de verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van “de artikelen 4, inzonderheid het tweede lid, en 12 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect”; dat zij tevens machtsoverschrijding aanvoert; Overwegende dat de verzoekster dit middel als volgt adstrueert: “Doordat de verwerende partij de heer Jos MOONS machtigt, bij toepassing van voormeld artikel 4, tweede lid, zelf de plannen op te maken alsmede het toezicht op de uitvoering der werken uit te oefenen voor het bouwen van een eigen woning te Keerbergen op een perceel bouwgrond aan de Koebaan, gekadastreerd sectie D, nummer 279/m/2, groot 22 a 18 ca, op grond ‘dat de verzoeker houder is van het diploma van burgerlijk elektrotechnisch- werktuigkundig ingenieur’ en bijgevolg, krachtens de beschikkingen van het artikel 12 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, zou kunnen optreden als architect indien hij zou ‘zijn ingeschreven op de Tabel van de Orde’ en ‘dat de woning die de belanghebbende wenst te bouwen uitsluitend voor zijn persoonlijk gebruik bestemd is’, Terwijl de vragen om afwijking in de zin van artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 in elk geval afzonderlijk in concreto door de provinciegouverneur moeten worden onderzocht en beoordeeld, ook in het geval de verzoeker houder blijkt te zijn van een diploma van burgerlijk ingenieur; het louter feit dat de titularissen van de academische graad van ingenieur krachtens artikel 12 van de wet van 20 februari 1939 in de hoedanigheid van architect mogen optreden, geenszins impliceert dat voormelde afwijking hen verplicht en automatisch moet worden toegekend, vermits de wet doelt op de universitaire graden van burgerlijk ingenieur zoals deze in 1939 bestonden; de gouverneur bijgevolg, ten aanzien van de verzoeker, minstens had moeten nagaan - wat uit geen enkel stuk blijkt - of de door hem genoten opleiding tot ‘burgerlijk elektrotechnisch-werktuigkundig ingenieur’, meer bepaald aan de hand van de specifieke door hem gevolgde vakken waarover hij examens heeft afgelegd, volstaat om te besluiten dat hij de vereiste kennis en bekwaamheid op het gebied van bouwtechniek en architectuur bezit teneinde, rekening houdend met de concrete aard en omvang van het bouwwerk, hiervoor alle plannen op te stellen en toezicht op de uitvoering der werken uit te oefenen; het feit dat de op te richten woning ‘uitsluitend voor zijn persoonlijk gebruik bestemd is’ op zichzelf geen voldoende reden is om af te wijken van dit individueel en bekwaamheidsonderzoek, zodat de provinciegouverneur, door enkel te verwijzen naar het door verzoeker behaalde diploma en naar het feit dat hij, krachtens artikel 12 van de wet van 20 februari 1939 ‘zou kunnen optreden als architect indien hij zou zijn ingeschreven op de Tabel van de Orde’, zonder verzoekers aanvraag concreet te onderzoeken inzake kennis en bekwaamheid op het gebied van bouwtechniek en architectuur, de artikelen 4, tweede lid, en 12 van de wet van 20 februari 1939 schendt en machtoverschrijving pleegt”; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert: “(...) X-10.205-5/12 De verzoeker vraagt de vernietiging van mijn hiervoor vermeld besluit, dd. 16 juni 1995, wegens ‘schending van de artikelen 4, inzonderheid het tweede lid, en 12 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, en machtsoverschrijding’. Het artikel 4 van de genoemde wet van 20 februari 1939 bepaalt wat volgt: ‘De staat, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen en de particulieren moeten een beroep doen op de medewerking van een architect voor het opmaken van de plans en de controle op de uitvoering der werken, voor welke door de wetten, besluiten en reglementen een voorafgaande aanvraag om toelating tot bouwen is opgelegd. Wat betreft de openbare instellingen en de particulieren, mogen er afwijkingen toegestaan worden door de gouverneur, op voorstel van het schepencollege der gemeente waar de werken moeten uitgevoerd worden. Bij een koninklijk besluit worden de werken aangeduid waarvoor de medewerking van een architect niet verplicht zal zijn’. De vragen om afwijking gesteund op het artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 worden, zoals verzoeker voorhoudt, geval per geval door mij onderzocht en beoordeeld, ook in het geval de verzoeker houder is van een diploma van burgerlijk ingenieur. Het artikel 12 van de genoemde wet van 20 februari 1939 bepaalt wat volgt: ‘Mogen optreden in hoedanigheid van architect, doch blijven onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 5, 6 en 9 van deze wet:
- a)De ingenieurs die gediplomeerd werden overeenkomstig de wetten op het toekennen der academische graden;
- b)De ingenieurs, die hun diploma bekomen hebben aan een Belgische universiteit, zoals zij bepaald werd bij bedoelde wetten, of in een daarmede gelijkgestelde instelling;
- c)De officieren der genie of der artillerie die uit de applicatieschool komen;
- d)De personen, die door de commissie ingesteld krachtens de wet van 11 september 1933, ertoe worden gemachtigd een titel van burgerlijk ingenieur met of zonder aanduiding te voeren’. Als houder van het diploma van burgerlijk elektrotechnisch-werktuigkundig ingenieur zou de heer Jos MOONS krachtens de bepalingen van het artikel 12 van de genoemde wet van 20 februari 1939 kunnen optreden als architect, indien hij zou zijn ingeschreven op de Tabel van de Orde. Dergelijke inschrijving zou de betrokkene in staat stellen op te treden als architect van andere kandidaat -bouwers, zodat redelijkerwijze mag vooropgesteld worden dat hij a fortiori de vereiste kennis en bekwaamheid op het gebied van bouwtechniek en architectuur bezit om eenmalig zelf de plannen op te maken alsmede het toezicht op de uitvoering der werken uit te oefenen voor het bouwen van een eigen woning, uitsluitend bestemd voor zijn persoonlijk gebruik. Uw raad heeft trouwens geoordeeld dat ‘... mede gelet op het bepaalde in artikel 12 van de wet van 20 februari 1939, de toekenning aan een burgerlijk ingenieur, van de toelating om een woning bestemd voor de huisvesting van zijn gezin, te bouwen of te laten bouwen zonder de medewerking van een architect, onmiskenbaar niet strijdt met het gestelde in artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 ...’ (Arrest Baekelandt nr. 25.498 van 20 juni 1985). Uw raad oordeelde tevens dat het in hoofde van de aanvrager voorhanden zijn van kennis en bekwaamheid op het gebied van bouwtechniek en architectuur ‘wettig kan worden vermoed bij titularissen van sommige diploma’s, zoals deze van burgerlijk ingenieur - hier blijkbaar begrepen zijnde als het diploma van burgerlijk ingenieur afgegeven door een faculteit toegepaste wetenschappen - ...’ en ‘dat het in dat verband trouwens niet opgaat te stellen X-10.205-6/12 dat, omdat de titularissen van de academische graad van ingenieur krachtens artikel 12 van de wet van 20 februari 1939 in de hoedanigheid van architect mogen optreden, de afwijking hen verplicht moet worden verleend...’ (Arrest Milis nr. 26.763 van 26 juni 1986). In tegenstelling met de beweringen van verzoeker heb ik de door het artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect mogelijk gemaakte afwijking niet verplicht en automatisch aan de heer Jos MOONS verleend, maar heb ik bij het beoordelen van dit concrete afwijkingsgeval een aantal criteria in acht genomen. 1. Krachtens de beschikkingen van het artikel 12 van de genoemde wet van 20 februari 1939 zou de heer Jos MOONS als houder van het diploma van burgerlijk elektrotechnisch-werktuigkundig ingenieur kunnen optreden als architect indien hij zou zijn ingeschreven op de Tabel van de Orde; 2. Het eigendomsattest om zekerheid te hebben dat betrokkene eigenaar is van de bouwgrond; 3. Een getuigschrift van goed zedelijk gedrag in verband met de moraliteit van de aanvrager; 4. Het voorstel van het college van burgemeester en schepenen waar de werken moeten worden uitgevoerd; dit voorstel is niet gelijk te stellen met een gewoon advies; zo zal de gouverneur bv. de afwijking moeilijk kunnen toestaan als het college zich uitdrukkelijk in tegenovergestelde zin heeft uitgesproken (zie arrest van de Raad van State nr. 12.712 van 8 december 1967). Ofschoon een gunstig voorstel de gouverneur op zichzelf niet bindt tot het toestaan van de afwijking is het niettemin een belangrijk element omdat het college goed vertrouwd is met de plaatselijke omstandigheden; 5. De hierin geschetste criteria worden voor ieder geval in concreto onderzocht en het feit dat ik deze criteria beleidsmatig als uitgangspunt gebruik is enkel bedoeld om alle aanvragen op gelijke wijze te behandelen. Rekening houdend met deze beschouwingen werd mijn besluit van 16 juni 1995 regelmatig genomen, binnen de perken van mijn bevoegdheid en is het niet in strijd met de wet of genomen met machtsoverschrijding. Ik meen bijgevolg dat het verzoekschrift tot nietigverklaring ingediend door de bovengenoemde Orde van Architecten tegen mijn beslissing van 16 juni 1995 niet ingewilligd kan worden. Om deze redenen behage het de Raad van State het verzoek, dd. 18 augustus 1995, ingediend door de Orde der Architecten, in de persoon van zijn raadsman, meester René Bützler, af te wijzen en de kosten voor het geding ten laste van de verzoeker te leggen. (...)”; 2.3. Overwegende dat de verzoekster in haar memorie van wederantwoord in essentie als volgt dupliceert: -Het standpunt van de verwerende partij komt hierop neer dat zij erkent dat zij uitsluitend rekening heeft gehouden bij het nemen van het betreden besluit, met het universitair diploma waarvan de tussenkomende partij houdster is; -De afwijking die de verwerende partij toestaat moet zij “geval per geval” onderzoeken en beoordelen; X-10.205-7/12 -Het criterium kennis en bekwaamheid van de aanvrager op het gebied van bouwtechniek en architectuur ligt in de lijn van de doelstellingen van de wet van 20 februari 1939 en kan aldus als een nuttig criterium worden beschouwd; dat het voorhanden zijn van deze kennis en bekwaamheid ook nuttig kan worden vermoed bij titularissen van sommige diploma’s, zoals die van burgerlijk ingenieur, maar dat het in dit verband niet opgaat te stellen dat, omdat de titularissen van de academische graad van ingenieur krachtens artikel 12 van de wet van 20 februari 1939 in de hoedanigheid van architect mogen optreden, de afwijking hen verplicht moet worden verleend, vermits de wet doelde op de universitaire graden van burgerlijk ingenieur zoals deze in 1939 bestonden en waarvan de titularissen door de wetgever geacht werden de technische en wetenschappelijke vraagstukken in verband met de bouw voldoende te beheersen; -De verzoekster poneert dat niet blijkt uit enig aanwijsbaar en controleerbaar gegeven dat de verwerende partij de aanvraag concreet heeft onderzocht en dat een loutere verwijzing naar artikel 12 van de wet van 20 februari 1939 uiteraard niet kan volstaan, aangezien de wet daarin doelde op de universitaire graden van burgerlijk ingenieur zoals deze in 1939 bestonden; -Uit een en ander volgt dat hoegenaamd niet blijkt dat de verwerende partij de aanvraag tot afwijking op grond van artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 concreet heeft onderzocht, ondermeer aan de hand van de opleiding die de aanvrager heeft genoten op het gebied van bouwtechniek en architectuur; 2.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift en in haar memorie in essentie het volgende betoogt: -In tegenstelling met wat de verzoekster aanvoert heeft de verwerende partij de aanvraag van de tussenkomende partij in concreto onderzocht en vastgesteld dat enerzijds de tussenkomende partij houdster is van het diploma van burgerlijk elektrotechnisch-werktuigkundig ingenieur en bijgevolg krachtens artikel 12 van de wet van 20 februari 1939 zou kunnen optreden als architect indien zij zou zijn ingeschreven op de Tabel van de Orde en anderzijds dat de woning die de belanghebbende wenst te bouwen uitsluitend voor zijn persoonlijk gebruik is bestemd; -De tussenkomende partij is houdster van het diploma zoals dit in 1939 bestond en waarvan de titularis door de wetgever geacht werd de technische en wetenschappelijke vraagstukken in verband met de bouw voldoende te beheersen, zodat zij krachtens artikel 12 van de wet van 20 februari 1939 in hoedanigheid van architect kon optreden; X-10.205-8/12 -Dit wettelijk vermoeden wordt verder onderbouwd door het diploma dat bij het dossier werd gevoegd en waaruit blijkt dat de tussenkomende partij in haar opleiding kennis heeft opgedaan op het gebied van: de beginselen van de algemene bouwwijzen en de beginselen van de veerkracht, de sterkteleer en het weerstandsvermogen der bouwstoffen, de stabiliteit der bouwwerken, de elektriciteit en de toepassingen op de nijverheid, de industriële bouwwerken en dat zij praktische proeven heeft afgelegd over de plaatsbeschrijving en de grafische werken; 2.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie niets toevoegt aan hetgeen zij in haar memorie van antwoord heeft uiteengezet; 2.6. Overwegende dat het bestreden besluit in de aanhef verwijst naar de aanvraag van de tussenkomende partij en naar de toepasselijke wettelijke bepaling; dat het vervolgens overweegt dat de verzoeker (de tussenkomende partij) houder is van het diploma van burgerlijk elektrotechnisch-werktuigkundig ingenieur en bijgevolg, krachtens de bepalingen van het artikel 12 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, zou kunnen optreden als architect indien hij zou zijn ingeschreven op de Tabel van de Orde; Overwegende dat de afwijking die de tussenkomende partij vraagt, om zelf de plannen van haar woning op te maken en om toezicht uit te oefenen op de uitvoering der werken voor het bouwen van een eigen woning, dient te kaderen binnen het toepassingsgebied van artikel 12 van de wet van 20 februari 1939, omdat artikel 4 van de wet, dat de algemene regel uitmaakt, bepaalt dat: “De Staat, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen en de particulieren (...) een beroep (moeten) doen op de medewerking van een architect voor het opmaken van de plans en de controle op de uitvoering der werken, voor welke door de wetten, besluiten en reglementen een voorafgaande aanvraag om toelating tot bouwen is opgelegd. Wat betreft de openbare instellingen en de particulieren, mogen er afwijkingen toegestaan worden door (
- de)Gouverneur, op voorstel van het Schepencollege der gemeente, waar de werken moeten uitgevoerd worden (...)”; Overwegende dat artikel 12 van voornoemde wet van 20 februari 1939 op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing als volgt luidde: “Mogen optreden in hoedanigheid van architect, doch blijven onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 5, 6 en 9 van deze wet:
- a)De ingenieurs die gediplomeerd werden overeenkomstig de wetten op het toekennen der academische graden; X-10.205-9/12
- b)De ingenieurs, die hun diploma bekomen hebben aan een Belgische universiteit, zoals zij bepaald werd bij bedoelde wetten, of in een daarmede gelijkgestelde instelling;
- c)De officieren der genie of der artillerie die uit de applicatieschool komen;
- d)De personen, die door de commissie ingesteld krachtens de wet van 11 september 1933, ertoe worden gemachtigd een titel van burgerlijk ingenieur met of zonder aanduiding te voeren”; Overwegende dat op 15 juli 1986 de tussenkomende partij het diploma behaalde van burgerlijk elektrotechnisch-werktuigkundig ingenieur aan de Katholieke Universiteit Leuven, aan de faculteit van de toegepaste wetenschappen; dat dit diploma ondermeer het volgende vermeldt: “Ten bewijze waarvan wij (bedoeld wordt de examencommissie) hem (de tussenkomende partij) dit diploma hebben uitgereikt, waaruit tevens blijkt dat hij colleges heeft gevolgd aan de Katholieke Universiteit te Leuven en dat de voorschriften van de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, wat de duur der studiën en de openbaarheid der examens betreft, nageleefd werden”; Overwegende dat de verzoekster in verband met het universitaire diploma van de tussenkomende partij aanvoert dat dit moet beantwoorden aan de universitaire graad of het universitair diploma zoals die in 1939 bestonden en dat de verwerende partij dit aspect van de zaak niet heeft onderzocht; 2.7. Overwegende dat de aanvragen om afwijking, gesteund op artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, geval per geval door de provinciegouverneur dienen te worden onderzocht en beoordeeld op grond van de in de wet bepaalde vereisten; Overwegende dat het aan de verzoekster toekomt om aan te tonen dat het diploma dat de tussenkomende partij heeft behaald, niet beantwoordt aan het diploma van ingenieur zoals bedoeld in artikel 12 van voormelde wet van 20 februari 1939; dat het door de tussenkomende partij op 15 juli 1986 behaalde diploma van burgerlijk elektrotechnisch-werktuigkundig ingenieur werd afgeleverd overeenkomstig de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden, en beantwoordt aan het vereiste gesteld in voormeld artikel 12; Overwegende voorts dat de verzoekster aan de wet toevoegt, door als voorwaarde om de voormelde toelating te kunnen verkrijgen te stellen dat het niet volstaat dat de aanvrager houder is van het in artikel 12 bepaalde diploma, maar X-10.205-10/12 dat de gouverneur in concreto dient na te gaan of de vakken die door de tussenkomende partij werden gevolgd en waarover zij examen heeft afgelegd en die tot voormeld diploma hebben geleid, van die aard zijn dat eruit blijkt dat de aanvrager over voldoende kennis en bekwaamheid op het gebied van bouwtechniek en architectuur beschikt, en dat de gevolgde vakken dienen overeen te stemmen met het studieprogramma voor het behalen van het diploma van ingenieur op het ogenblik van de inwerkingtreding van voornoemde wet van 20 februari 1939; Overwegende dat de gouverneur op grond van de overweging “dat de verzoeker houder is van het diploma van burgerlijk elektrotechnisch-ingenieur, en bijgevolg, krachtens de beschikkingen van het artikel 12 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, zou kunnen optreden als architect indien hij zou zijn ingeschreven op de Tabel van de Orde” wettig heeft kunnen beslissen dat de tussenkomende partij voldoet aan de door artikel 12 gestelde vereiste om te kunnen worden gemachtigd zelf de plannen op te maken alsmede het toezicht op de uitvoering der werken uit te oefenen voor het bouwen van een eigen woning; dat het enig middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juni 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, X-10.205-11/12 Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. J. BOVIN. X-10.205-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.748 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div