← België

Arrest 172751 - Architecten - 26/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.751 Rolnummer: A. 67450/X-10218 Zaak: Arrest 172751 - Architecten - 26/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-22 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 06:51 Fiche Arrest nr 172.751 van 26 juni 2007 Beroepen - Architecten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.751 van 26 juni 2007 in de zaak A. 67.450/X-10.

  1. In zake : de ORDE VAN ARCHITECTEN, die woonplaats kiest bij advocaat H. GEINGER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Quatre Brasstraat 6 tegen : de gouverneur van de provincie VLAAMS-BRABANT. tussenkomende partij: Walter MONSIEUR, wonende te 1742 TERNAT, Sint-Katherinastraat
  2. ------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE RAAD VAN STATE, Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de ORDE VAN ARCHITECTEN op 2 februari 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 11 december 1995 van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant waarbij Walter MONSIEUR, met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, wordt gemachtigd zelf de plannen op te maken alsmede het toezicht op de uitvoering der werken uit te oefenen voor het bouwen van een eigen woning op een perceel gelegen te Ternat, wijk “Meuleveld”, kadastraal bekend wijk C, nr. 730/a; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 8 juli 1996 ingediend door Walter MONSIEUR; Gelet op de beschikking van 19 juli 1996 die de tussenkomst van Walter MONSIEUR toelaat; X-10.218-1/8 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de beschikking van 28 maart 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 8 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. SONCK, die loco advocaat H. GEINGER verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten 1.
  4. Overwegende dat op 26 april 1995 de tussenkomende partij een brief richt naar de verwerende partij, waarin zij verzoekt om gemachtigd te worden zelf de plannen te mogen opmaken en controle op de uitvoering der werken uit te oefenen voor de bouw van een eigen woning te Ternat; dat bij deze brief een kopie is gevoegd van het situatieplan, het stedenbouwkundig attest nr. 2 en een eensluidend verklaard afschrift van het diploma van industrieel ingenieur, afdeling elektriciteit, optie elektronica, van de tussenkomende partij, dat werd uitgereikt door de Industriële Hogeschool van het Rijk (Brussel) op 7 juli 1982; X-10.218-2/8 Overwegende dat op 17 mei 1995 de verwerende partij ontvangst meldt van deze aanvraag en naast andere documenten, de tussenkomende partij verzoekt om een eensluidend verklaard afschrift te versturen van haar kandidaatsdiploma van industrieel ingenieur, waarop de vakken die betrekking hebben op het bouwen worden vermeld; 1.
  5. Overwegende dat op 16 oktober 1995 de tussenkomende partij de gevraagde documenten verstuurt naar de verwerende partij, inzonderheid: een eensluidend verklaard afschrift van het diploma van kandidaat-industrieel ingenieur van het Rijk C.T.L. (Gent) uitgereikt op 4 juli 1980 en een attest van opleiding in het onderwijs voor sociale promotie met kapitaliseerbare eenheden waarin het Stedelijk Instituut voor het bouwbedrijf bevestigt dat de tussenkomende partij van “1 september 1992 tot 30 juni

(1993)” als regelmatig cursist de lessen “praktijk” heeft gevolgd als deel van de opleiding bouw; dat het gaat om een totaal aantal “lestijden” ten belope van 180 uur in de richting A4 PRAKTIJK; Overwegende dat de tussenkomende partij in haar brief van 16 oktober 1995 gericht aan de verwerende partij, de volgende vakken vermeldt die betrekking hebben op bouwen: “(...) Materialenleer: funderingen, wapeningen, metselwerken, gewelven, rioleringstechnieken en dakconstructies. Technisch tekenen bouw. Uitvoeringstechnieken bouw. Sterkteleer: berekenen puntbelasting en verdeelde belasting zowel op doorbuiging als afschuiving”; 1.
  1. Overwegende dat de verwerende partij op 19 oktober 1995 het aanvraagdossier van de tussenkomende partij meedeelt voor advies aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ternat; dat dit schepencollege op 14 november 1995 met verwijzing naar de toepasselijke reglementering een niet nader gemotiveerd gunstig advies uitbrengt; 1.
  2. Overwegende dat de verwerende partij op 11 december 1995 de gevraagde vrijstelling verleent met ondermeer de verwijzing naar artikel 4, tweede lid, van voornoemde wet van 20 februari 1939; dat dit de thans bestreden beslissing is; X-10.218-3/8
  3. Ten gronde 2.
  4. Overwegende dat de verzoekster een enig middel afleidt uit de schending van artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect; dat zij tevens machtsoverschrijding aanvoert; Overwegende dat dit middel in essentie als volgt luidt: “Aldus stelt de verzoekster in een eerste onderdeel samengevat dat artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 geschonden is, doordat de gevraagde vrijstelling wordt verleend op basis van een algemene en vage verwijzing naar behaalde diploma’s die als zodanig geen uitstaans hebben met het verwerven van specifieke kennis en bekwaamheid op het gebied van bouwtechniek en architectuur, en op basis van een verwijzing naar een ‘gevolgde’ opleiding ‘bouw’ die kennelijk geen aanleiding gaf tot het behalen van enig diploma, zonder dat concreet werd onderzocht hoe en waarom betrokkene om die reden niet alleen de nodige kennis maar ook en vooral de nodige bekwaamheid bezit op het gebied van bouwtechniek en architectuur in al hun aspecten ten einde rekening houdend met de concrete aard en omvang van het bouwwerk, met de vereiste vakkennis hiervoor, alle plannen op te stellen en toezicht uit te oefenen op de uitvoering der werken, en met verwijzing naar de bestemming voor persoonlijk gebruik zonder dat wordt aangegeven hoe dit die bekwaamheidseisen beïnvloedt. In het tweede onderdeel wordt gesteld dat artikel 4, tweede lid, ook geschonden is doordat de doorlopen studieprogramma’s en opleiding hoegenaamd niet aantonen dat de tussenkomende partij een voldoende kennis en bekwaamheid bezit inzake bouwtechniek en architectuur, laat staan voldoet aan de bekwaamheidsvereisten voor het opstellen van de plannen tot oprichting van haar privé-woning en het uitoefenen van toezicht op de uitvoering der werken. In de toelichting wordt geschreven dat deze studieprogramma’s en opleiding hoegenaamd niet aantonen dat de tussenkomende partij voldoende bekwaam zou zijn om als architect op te treden”; 2.
  5. Overwegende dat de verzoekster een laatste memorie heeft ingediend waarin zij wijst op de finaliteit van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 met name “het algemeen en privaat belang (te beschermen); i.h.b. de veiligheid, gezondheid en soliditeit van de gebouwen, en de overeenstemming met de regels van de bouwkunst en de esthetiek van de gebouwen”; dat zij daaraan toevoegt dat de afwijkende regeling van artikel 4, tweede lid, een uitzondering uitmaakt en restrictief moet worden geïnterpreteerd, omdat de tussenkomst van een architect de regel is en dat het persoonlijk gebruik van de woning bezwaarlijk kan volstaan om de afwijking te verlenen in het licht van de ratio legis van artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 die de veiligheid, X-10.218-4/8 de gezondheid en de soliditeit van de gebouwen beoogt; dat zij besluit dat de opleiding van de tussenkomende partij niet zonder meer het vermoeden inhoudt dat zij beschikt over voldoende kennis en bekwaamheid inzake aannemingswerken en architectuur en dat niet blijkt dat de verwerende partij concreet heeft onderzocht welke vakken de tussenkomende partij heeft gevolgd, die doen blijken van een voldoende kennis en bekwaamheid inzake bouwen en architectuur; 2.
  6. Overwegende dat krachtens artikel 4, eerste lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect de Staat, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen en de particulieren een beroep moeten doen op de medewerking van een architect voor het opmaken van de plannen en de controle op de uitvoering van de werken, voor welke door de wetten, besluiten en reglementen een voorafgaande aanvraag om toelating tot bouwen is opgelegd; Overwegende dat wat de openbare instellingen en de particulieren betreft er krachtens het tweede lid van voornoemd artikel 4 afwijkingen mogen worden toegestaan door de gouverneur, op voorstel van het schepencollege van de gemeente waar de werken moeten worden uitgevoerd; 2.
  7. Overwegende dat het bestreden besluit in de aanhef verwijst naar de gevraagde vrijstelling door de tussenkomende partij en naar de toepasselijke wetgeving terzake; dat het bestreden besluit vervolgens de diploma’s opsomt die de tussenkomende partij heeft behaald; dat de bestreden beslissing desbetreffend het volgende overweegt: “Overwegende dat de verzoeker houder is van het diploma van industrieel ingenieur, afdeling elektriciteit, optie elektronica, afgeleverd op 7 juli 1982 door de industriële hogeschool van het Rijk te 1070 Brussel en dat overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs van universitair niveau is; dat hij op 4 juli 1980 het diploma van kandidaat industrieel ingenieur behaalde aan de industriële hogeschool van het Rijk C.T.L. te Gent en ook een opleiding ‘bouw’ heeft gevolgd in het stedelijk instituut voor het bouwbedrijf te Gent als regelmatige cursist in het onderwijs voor sociale promotie”; Overwegende dat de verwerende partij uit de opleidingen die de tussenkomende partij heeft gevolgd afleidt “dat uit de diverse door de X-10.218-5/8 verzoeker (zijnde de tussenkomende partij) doorlopen studieprogramma’s die betrekking hebben op het realiseren van een woning redelijkerwijze kan afgeleid worden dat hij voldoende kennis en bekwaamheid bezit op het gebied van bouwtechniek en architectuur”; Overwegende dat het bestreden besluit tenslotte verwijst naar de omstandigheid dat “de woning die de belanghebbende wenst te bouwen uitsluitend voor zijn persoonlijk gebruik bestemd is” en naar het gunstig voorstel van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ternat van 14 november 1995; 2.
  8. Overwegende dat de verzoekster in essentie aanvoert dat de verwerende partij op basis van voldoende pertinente en concrete gegevens moest nagaan of de tussenkomende partij over de nodige kennis en bekwaamheid beschikt om zonder de tussenkomst van een architect te bouwen; 2.
  9. Overwegende dat het bestreden besluit in dat verband concreet verwijst naar het diploma van technisch ingenieur, afdeling elektriciteit, optie elektronica dat de tussenkomende partij op 7 juli 1982 behaalde, en stelt dat dit van universitair niveau is; dat het tevens verwijst naar het diploma van kandidaat industrieel ingenieur dat de tussenkomende partij behaalde op 4 juli 1980 en naar de opleiding bouw die de tussenkomende partij volgde, als regelmatige cursist in het onderwijs voor sociale promotie; Overwegende dat uit de door de tussenkomende partij doorlopen studieprogramma’s die voor een deel betrekking hebben op een opleiding “bouw” kan worden afgeleid, wat het bestreden besluit op goede gronden doet, dat de tussenkomende partij over voldoende kennis en bekwaamheid beschikt op het gebied van bouwtechniek en architectuur, om de plannen te maken voor een woning, bestemd voor eigen gebruik, en om toezicht uit te oefenen op de uitvoering der werken; Overwegende dat het administratief dossier de studieprogramma’s bevat van het eerste en het tweede jaar industrieel ingenieur en een lijst van de vakken die betrekking hebben op bouwen, zoals materialenleer, sterkteleer, technisch tekenen, bouw en uitvoeringstechnieken bouw; dat wordt aangenomen dat het bestreden besluit acht sloeg op deze X-10.218-6/8 pertinente elementen van het administratief dossier bij de beoordeling van de aanvraag van de tussenkomende partij; Overwegende dat op goede gronden kon worden beslist dat voornoemde door de tussenkomende partij gevolgde vakken, relevant zijn om volgens de regels van de kunst zowel in te staan voor het ontwerp van een eigen woning als voor het toezicht op de uitgevoerde bouwwerken; 2.
  10. Overwegende dat uit het administratief dossier van de verwerende partij tevens blijkt dat het bestreden besluit zorgvuldig werd voorbereid; dat hiertoe wordt verwezen naar de volgende stukken en documenten die zich in dit dossier bevinden: - de ingediende diploma’s van de tussenkomende partij die de gevolgde vakken bevatten, zodat de verwerende partij zich een exact beeld kon vormen over de inhoud van de gevolgde opleidingen en over de capaciteiten van de tussenkomende partij; - de brief van 17 mei 1995 van de verwerende partij aan de tussenkomende partij om bijkomende informatie te vragen, waarin zij benadrukt dat de ingediende diploma’s de gevolgde vakken moeten vermelden die betrekking hebben op het bouwen en dat desbetreffend de verschafte informatie zo volledig mogelijk moet zijn; - de door de verwerende partij opgevraagde informatie die door de tussenkomende partij op 16 oktober 1995 werd overgemaakt; - een verklaring op eer van de tussenkomende partij waaruit blijkt dat zij geen aannemer is van openbare of private werken en dat de op te richten woning uitsluitend bestemd is voor haar persoonlijk gebruik, die door de tussenkomende partij eveneens op 16 oktober 1995 werd overgemaakt; 2.
  11. Overwegende dat het enig middel ongegrond is, X-10.218-7/8 BESLUIT: Artikel
  12. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juni 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit: de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. J. BOVIN. X-10.218-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.751 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.