id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.754 Rolnummer: A. 69843/X-10327 Zaak: Arrest 172754 - Architecten - 26/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-22 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 21:11 Fiche Arrest nr 172.754 van 26 juni 2007 Beroepen - Architecten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.754 van 26 juni 2007 in de zaak A. 69.843/X-10.
- In zake : de ORDE VAN ARCHITECTEN, die woonplaats kiest bij advocaat H. GEINGER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Quatre Brasstraat 6 tegen : de gouverneur van de provincie VLAAMS-BRABANT. tussenkomende partij : Mohammed AZNAG, wonende te 3271 SCHERPENHEUVEL-ZICHEM, Vossekotstraat
- ------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE RAAD VAN STATE, Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de ORDE VAN ARCHITECTEN op 12 juli 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 7 mei 1996 van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant waarbij Mohammed AZNAG, met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, wordt gemachtigd zelf de plannen op te maken alsmede het toezicht op de uitvoering van de werken uit te oefenen voor het bouwen van een eigen woning, op een perceel gelegen te Zichem (Scherpenheuvel-Zichem),Vossekotstraat, kadastraal bekend wijk C, nr. 128/s(deel); Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 28 november 1996 ingediend door Mohammed AZNAG; Gelet op de beschikking van 9 december 1996 die de tussenkomst van Mohammed AZNAG toelaat; X-10.327-1/6 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de beschikking van 16 mei 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 9 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. SONCK, die loco advocaat H. GEINGER verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten 1.
- Overwegende dat op 9 april 1996 de tussenkomende partij een brief verstuurt naar het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Scherpenheuvel-Zichem waarin zij verzocht om gemachtigd te worden zelf de plannen van haar toekomstige woning te ontwerpen en te tekenen en om persoonlijk toezicht uit te oefenen op de uitvoering van de bouwwerken; dat het volgens de tussenkomende partij gaat om een ééngezinswoning voor persoonlijk gebruik gelegen te Zichem (Scherpenheuvel-Zichem) aan de Vossekotstraat; dat de tussenkomende partij in haar brief vermeldt dat zij de graad van industrieel ingenieur bezit en dat zij het beroep van aannemer niet uitoefent, noch enige andere activiteiten in opdracht van derden; dat zij in bijlage van haar brief ondermeer een eensluidend afschrift voegt van haar kandidaatsdiploma en van X-10.327-2/6 haar einddiploma van industrieel ingenieur, afdeling elektro-mechanica en een verklaring van de Katholieke Industriële Hogeschool der Kempen van 22 september 1990 waarin een lijst van de vakken is opgenomen, waarover de tussenkomende partij examen heeft afgelegd tijdens de eerste cyclus van haar studies; 1.
- Overwegende dat op 26 april 1996 het college van burgemeester en schepenen van de stad Scherpenheuvel-Zichem de aanvraag van de tussenkomende partij verstuurt naar de verwerende partij en tevens kennis geeft in dit schrijven van het gunstig advies van het college van burgemeester en schepenen van 23 april 1996; 1.
- Overwegende dat op 7 mei 1996 de verwerende partij het bestreden besluit neemt;
- Ten gronde 2.
- Overwegende dat de verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect; dat zij tevens machtsoverschrijding aanvoert; 2.
- Overwegende dat zij dit middel als volgt adstrueert: “Doordat de verwerende partij de heer AZNAG, die houder is van het diploma van ‘industrieel ingenieur, afdeling elektromechanica’, behaald op 11 juli 1992, machtigt, bij toepassing van voormeld artikel 4, tweede lid, zelf de plannen op te maken alsmede het toezicht op de uitvoering der werken uit te oefenen voor het bouwen van een eigen woning, uitsluitend bestemd voor zijn persoonlijk gebruik te Zichem op grond: dat dit diploma ‘overeenkomstig de bepalingen van het artikel 2 van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs van universitair niveau is’, dat bovendien uit de ‘door de verzoeker doorlopen studieprogramma’s die betrekking hebben op het realiseren van een woning, redelijkerwijze kan afgeleid worden dat hij voldoende kennis en bekwaamheid bezit op het gebied van bouwtechniek en architectuur’ en ‘dat de woning die de belanghebbende wenst te bouwen uitsluitend voor zijn persoonlijk gebruik bestemd is’, Terwijl, eerste onderdeel, de vragen om afwijking in de zin van artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 in elk geval afzonderlijk in concreto door de provinciegouverneur moeten worden onderzocht en beoordeeld; deze laatste zich hierbij niet kan beperken tot een onderzoek van het ‘doorlopen studieprogramma’, om te besluiten dat de verzoeker een X-10.327-3/6 ‘voldoende kennis en bekwaamheid bezit op het gebied van bouwtechniek en architectuur’, en de gouverneur niet enkel rekening dient te houden met het feit dat de op te richten woning ‘voor persoonlijk gebruik’ bestemd is; voormeld onderzoek minstens onderstelt dat de gouverneur in zijn besluit de concrete feitelijke gegevens opsomt waaruit moet blijken dat de verzoeker niet enkel een ‘voldoende kennis’, maar eerst en vooral de nodige bekwaamheid bezit op het gebied van bouwtechniek en architectuur in al hun aspecten, meer bepaald teneinde, rekening houdend met de concrete aard en omvang van het bouwwerk, met de vereiste vakkennis hiervoor alle plannen op te stellen en toezicht op de uitvoering van alle werken uit te oefenen, Zodat de provinciegouverneur, door in uiterst vage en zeer algemene bewoordingen te steunen op het door de heer AZNAG behaalde diploma en doorlopen studieprogramma, zonder enige concrete precisering betreffende voormelde bekwaamheidsvereisten, en door voor het overige enkel te verwijzen naar de bestemming voor ‘persoonlijk gebruik’, zonder aan te geven in welke mate zulks deze bekwaamheidsvereisten beïnvloedt, artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 schendt en machtsoverschrijding pleegt, Terwijl, tweede onderdeel, uit geen enkel gegeven van het aangevochten besluit blijkt dat de heer AZNAG, vanwege het door hem doorlopen studieprogramma, ‘voldoende kennis en bekwaamheid bezit op het gebied van bouwtechniek en architectuur’, laat staan voldoet aan de bekwaamheidsvereisten voor het opstellen van de plannen tot oprichting van een gebouw en voor het uitoefenen van toezicht op de uitvoering van de bouwwerken; integendeel uit de enige vermeldingen in het aangevochten besluit nopens de aard van het behaalde diploma (‘industrieel ingenieur, afdeling elektromechanica’), hoogstens volgt dat de betrokkene kan geacht worden een opleiding te hebben genoten op het gebied van de elektromechanica, doch geenszins inzake bouwtechniek en architectuur in hun diverse aspecten, Zodat de provinciegouverneur niet wettig verwijst naar dit studieprogramma - overigens zonder nadere precisering - tot staving van zijn besluit (schending van art. 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 en machtsoverschrijding)”; 2.
- Overwegende dat de raadsman van de verzoekster geen laatste memorie heeft ingediend en in zijn aangetekend schrijven met ontvangsmelding van 27 juni 2001 verzoekt om de voortzetting van de procedure, overeenkomstig artikel 14, tweede lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; 2.
- Overwegende dat krachtens artikel 4, eerste lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, de Staat, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen en de particulieren een beroep moeten doen op de medewerking van een architect voor het opmaken van de plannen en de controle op de uitvoering van de werken, X-10.327-4/6 voor welke door de wetten, besluiten en reglementen een voorafgaande aanvraag om toelating tot bouwen is opgelegd; Overwegende dat, wat de openbare instellingen en de particulieren betreft, er krachtens het tweede lid van voornoemd artikel 4 afwijkingen mogen worden toegestaan door de gouverneur, op voorstel van het schepencollege van de gemeente waar de werken moeten worden uitgevoerd; 2.
- Overwegende dat het bestreden besluit in de aanhef verwijst naar de gevraagde vrijstelling door de tussenkomende partij en naar de toepasselijke wetgeving terzake; Overwegende dat het bestreden besluit vervolgens verwijst naar het diploma van industrieel ingenieur dat de tussenkomende partij op 11 juli 1992 behaalde aan de “Katholieke Industriële Hogeschool der Kempen” te Geel en naar artikel 2 van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs, en stelt dat het behaalde diploma van universitair niveau is; Overwegende dat in het bestreden besluit de verwijzing naar het diploma dat de tussenkomende partij heeft behaald, wordt geconcretiseerd door te refereren aan de studieprogramma’s die zij heeft doorlopen en die betrekking hebben op het realiseren van een woning; dat uit het attest van voornoemde hogeschool van 22 september 1990, dat de tussenkomende partij bij haar aanvraag heeft gevoegd, blijkt dat zij tijdens de eerste cyclus van de studies van industrieel ingenieur onder meer de volgende vakken heeft gevolgd en hierover werd geëxamineerd: - in de eerste kandidatuur: technisch tekenen en grafische technieken, uitvoerings- en transformatietechnieken, wiskunde, - in de tweede kandidatuur: elektriciteit, fysica, materialenleer (metalen en niet- metalen), mechanica, sterkteleer, technisch tekenen en grafische technieken, thermodynamica en wiskunde, chemie en fluïdomechanica; dat voornoemd attest werd betrokken bij het bestreden besluit, vermits het expliciet verwijst naar de studieprogramma’s die de tussenkomende partij heeft doorlopen, die betrekking hebben op het ontwerpen en realiseren van een woning; dat het bestreden besluit aldus zowel rekening houdt met de bekwaamheid als met de kennis van de tussenkomende partij op het gebied van X-10.327-5/6 bouwtechniek en architectuur, zonder dat hiertoe vereist is dat de gevolgde vakken expliciet in het bestreden besluit worden vermeld; 2.
- Overwegende dat het enig middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst bepaald op 74,37 euro komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juni 2007, door de Xde kamer, die was samengesteld uit: de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. J. BOVIN. X-10.327-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.754 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.