id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.755 Rolnummer: A. 69844/X-10207 Zaak: Arrest 172755 - Architecten - 26/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-22 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 21:12 Fiche Arrest nr 172.755 van 26 juni 2007 Beroepen - Architecten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.755 van 26 juni 2007 in de zaak A. 69.844/X-10.
- In zake : de ORDE VAN ARCHITECTEN, die woonplaats kiest bij advocaat H. GEINGER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Quatre Brasstraat 6 tegen : de gouverneur van de provincie VLAAMS-BRABANT. tussenkomende partij : Els DEMESMAEKER, die woonplaats kiest bij advocaat A.-M. VANDERLEENEN, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Ernest Allardstraat 35/
- DE RAAD VAN STATE, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de ORDE VAN ARCHITECTEN op 12 juli 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 15 mei 1996 van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant waarbij Els DEMESMAEKER, met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, wordt gemachtigd zelf de plannen op te maken alsmede het toezicht op de uitvoering der werken uit te oefenen voor het bouwen van een eigen woning op een perceel gelegen te Weerde (Zemst), F. Vercnockestraat, kadastraal bekend wijk A, nr. 14/2(deel); Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 20 november 1996 ingediend door Els DEMESMAEKER; Gelet op de beschikking van 25 november 1996 die de tussenkomst van Els DEMESMAEKER toelaat; X-10.207-1/11 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de beschikking van 4 juli 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. SONCK, die loco advocaat H. GEINGER verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat A.-M. VANDERLEENEN, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- Op 11 januari1996 richt de tussenkomende partij een omstandig schrijven naar het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zemst, waarin zij verzoekt te willen voorstellen aan de verwerende partij, “om haar bij afwijking de toelating te verlenen de plannen van een eigen woning op te stellen en toezicht te houden over de uitvoering der werken”, gelet op het voorschrift van artikel 4, alinea 2 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en het beroep van architect. X-10.207-2/11 1.
- De tussenkomende partij verwijst in voornoemd schrijven expliciet naar artikel 12 van de wet van 20 februari 1939, waaruit blijkt, aldus de tussenkomende partij, dat “de ingenieurs uit het universitair onderwijs mogen optreden in de hoedanigheid van architect en zich bij de Orde van Architecten op grond van hun diploma kunnen laten inschrijven”, zodat zij uiteraard de eersten zijn die hiervoor in aanmerking komen, waarmee de tussenkomende partij bedoelt dat de gouverneur “in principe aan eenieder die over voldoende kennis beschikt om plannen voor een gebouw te ontwerpen en de controle uit te oefenen op de werken, machtiging (kan) verlenen om dit te doen”. In dit schrijven voegt de tussenkomende partij daar nog het volgende aan toe: “Ondergetekende kan verzekeren dat de plannen en het lastenboek van bedoelde woning tot in de kleinste details worden uitgewerkt en dat de uitvoering van de werken intens zal gecontroleerd worden”. 1.
- Op 22 januari 1996 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zemst, met eenparigheid van stemmen, om aan de verwerende partij voor te stellen, de tussenkomende partij te machtigen om de plannen van haar eigen woning te tekenen en toezicht te houden “bij het bouwen van haar eigen woning (...)”. 1.
- Op 1 februari 1996 vraagt de verwerende partij dat de tussenkomende partij de volgende stukken en documenten zou overmaken: “- een voor eensluidend afschrift van uw diploma van burgerlijk elektrotechnisch-werktuigkundig ingenieur; - een attest waaruit blijkt dat U daadwerkelijk eigenaar bent van de grond waarop de woning zal opgericht worden; - een bewijs van goed gedrag en zeden (met vermelding van de nationaliteit); - een op eer ondertekende verklaring dat U geen aannemer bent van openbare of private werken en dat de op te richten woning uitsluitend voor uw persoonlijk gebruik bestemd zal zijn. Het staat U bovendien vrij deze documenten aan te vullen met bijkomende gegevens (praktijkervaring, aanvullende specifieke opleiding, enz.) waaruit uw vertrouwdheid met het ontwerpen van een woning kan blijken”. X-10.207-3/11 Op 2 mei 1996 maakt de tussenkomende partij de gevraagde stukken en documenten over. 1.
- Op 15 mei 1996 neemt de verwerende partij de bestreden beslissing die als volgt luidt: “(...) Gelet op de brief d.d. 11 januari 1996, waarbij mevrouw Els DEMESMAEKER wonende te 2940 Hoevenen, Wilgenlaan 35, met toepassing van het artikel 4, 2e lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, om de toelating verzoekt tot het opmaken van de plannen alsmede het houden van toezicht over de uitvoering van de werken voor het bouwen van een eigen woning te Weerde (Zemst), op een perceel bouwgrond er gelegen aan de F. Vercnockestraat, gekadastreerd wijk A, deel van nummer 14/2, groot 8a 68ca, zijnde lot 18 van de aldaar gelegen verkaveling; Overwegende dat de verzoekster houdster is van het diploma van burgerlijk elektrotechnisch-werktuigkundig ingenieur, uitgereikt op 15 juli 1988 door de Katholieke Universiteit Leuven, en bijgevolg, krachtens de beschikkingen van het artikel 12 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, zou kunnen optreden als architect indien zij zou zijn ingeschreven op de Tabel van de Orde; Overwegende bijgevolg dat redelijkerwijze kan besloten worden dat de verzoekster voldoende kennis en bekwaamheid bezit op het gebied van bouwtechniek en architectuur; Overwegende dat de woning die de belanghebbende wenst te bouwen uitsluitend voor haar persoonlijk gebruik bestemd is; Gelet op het gunstig gemotiveerd voorstel van het college van burgemeester en schepenen van Zemst in datum van 22 januari 1996 ; Gelet op het artikel 4, 2e lid, van de voornoemde wet van 20 februari 1939; BESLUIT: Artikel 1: Mevrouw Els DEMESMAEKER, voornoemd, wordt, met toepassing van het artikel 4, 2e lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, gemachtigd zelf de plannen op te maken alsmede het toezicht op de uitvoering van de werken uit te oefenen voor het bouwen van een eigen woning, uitsluitend bestemd voor haar persoonlijk gebruik, op haar eigendom te Weerde (Zemst), gekadastreerd wijk A, deel van nummer 14/2, groot 8a 68ca. Artikel 2: Een eensluidend verklaard afschrift van onderhavig besluit zal gezonden worden aan: 1) mevrouw Els DEMESMAEKER, Wilgenlaan 35, 2940 Hoevenen, 2) het college van burgemeester en schepenen van en te 1980 Zemst, 3) de heer voorzitter van de Raad van de Orde der Architecten van Brabant, Jubelfeestlaan 71 bus 5, 1210 Brussel”;
- Ten gronde 2.1.
- Overwegende dat de verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 op de X-10.207-4/11 bescherming van de titel en van het beroep van architect; dat zij tevens machtsoverschrijding aanvoert; Overwegende dat de verzoekster dit middel als volgt adstrueert: “Doordat de verwerende partij (tussenkomende partij) mevrouw DEMESMAEKER, die houdster is van het diploma van 'burgerlijk elektrotechnisch-werktuigkundig ingenieur', behaald op 15 juli 1988, machtigt, bij toepassing van voormeld artikel 4, tweede lid, zelf de plannen op te maken alsmede het toezicht op de uitvoering der werken uit te oefenen voor het bouwen van een eigen woning, uitsluitend bestemd voor haar persoonlijk gebruik te Weerde op grond: dat zij, krachtens de beschikkingen van het artikel 12 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en het beroep van architect, zou kunnen optreden als architect indien zij zou zijn ingeschreven op de Tabel van de Orde, en ... bijgevolg 'redelijkerwijze kan besloten worden dat de verzoekster voldoende kennis en bekwaamheid bezit op het gebied van bouwtechniek en architectuur' en 'dat de woning die de belanghebbende wenst te bouwen uitsluitend voor haar persoonlijk gebruik bestemd is', Terwijl, eerste onderdeel, de vragen om afwijking in de zin van artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 in elk geval afzonderlijk in concreto door de provinciegouverneur moeten worden onderzocht en beoordeeld; deze laatste zich hierbij niet kan beperken tot een onderzoek van het diploma om te besluiten dat de verzoeker een 'voldoende kennis en bekwaamheid bezit op het gebied van bouwtechniek en architectuur', en de gouverneur niet enkel rekening dient te houden met het feit dat de op te richten woning 'voor persoonlijk gebruik' bestemd is; voormeld onderzoek minstens onderstelt dat de gouverneur in zijn besluit de concrete feitelijke gegevens opsomt waaruit moet blijken dat de verzoek(st)er niet enkel een 'voldoende kennis', maar eerst en vooral de nodige bekwaamheid bezit op het gebied van bouwtechniek en architectuur in al hun aspecten, meer bepaald teneinde, rekening houdend met de concrete aard en omvang van het bouwwerk, met de vereiste vakkennis hiervoor alle plannen op te stellen en toezicht op de uitvoering van alle werken uit te oefenen, Zodat de provinciegouverneur, door in uiterst vage en zeer algemene bewoordingen te steunen op het door mevrouw DEMESMAEKER behaalde diploma zonder enige concrete precisering betreffende voormelde bekwaamheidsvereisten, en door voor het overige enkel te verwijzen naar de bestemming voor 'persoonlijk gebruik', zonder aan te geven in welke mate zulks deze bekwaamheidsvereisten beïnvloedt, artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 schendt en machtsoverschrijding pleegt, Terwijl, tweede onderdeel, uit geen enkel gegeven van het aangevochten besluit blijkt dat mevrouw DEMESMAEKER, vanwege het door haar doorlopen studieprogramma 'voldoende kennis en bekwaamheid bezit op het gebied van bouwtechniek en architectuur', laat staan voldoet aan de bekwaamheidsvereisten voor het opstellen van de plannen tot oprichting van een gebouw en voor het uitoefenen van toezicht op de uitvoering van de bouwwerken; integendeel uit de enige vermeldingen in het aangevochten besluit nopens de aard van het behaalde diploma (burgerlijk elektrotechnisch- werktuigkundig ingenieur), hoogstens volgt dat de betrokkene kan geacht worden een opleiding te hebben genoten op het gebied van de elektromechanica en werktuigkunde, doch geenszins inzake bouwtechniek en architectuur in hun diverse aspecten, X-10.207-5/11 Zodat de provinciegouverneur niet wettig verwijst naar dit diploma - overigens zonder nadere precisering - (schending van art. 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 en machtsoverschrijding)”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij samengevat als volgt repliceert: - nadat de verwerende partij de tekst aanhaalt van artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939, voert zij aan dat de vragen om afwijking, geval per geval worden onderzocht, ook wanneer de verzoekende partij (de tussenkomende partij), houdster is van het diploma van burgerlijk ingenieur; dat de verwerende partij in dit verband aanvoert dat het studieprogramma dat de tussenkomende partij doorliep diverse vakken omvat die de verwerende partij toelaat te concluderen dat zij voldoende kennis en bekwaamheid bezit op het gebied van bouwtechniek en architectuur om haar te machtigen zelf de plannen op te maken en het toezicht op de uitvoering der werken uit te oefenen voor het bouwen van een eigen woning, uitsluitend bestemd voor haar persoonlijk gebruik; - dat de verwerende partij daar het volgende aan toevoegt: “Als houdster van het diploma van burgerlijk elektrotechnisch-werktuigkundig ingenieur zou mevrouw Els DEMESMAEKER daarenboven, krachtens de bepalingen van het artikel 12 van de genoemde wet van 20 februari 1939, kunnen optreden als architect, indien zij zou zijn ingeschreven op de Tabel van de Orde. Dergelijke inschrijving zou de betrokkene in staat stellen op te treden als architect voor andere kandidaat-bouwers, zodat redelijkerwijze mag vooropgesteld worden dat zij a fortiori de vereiste kennis en bekwaamheid op het gebied van bouwtechniek en architectuur bezit om eenmalig zelf de plannen op te maken alsmede het toezicht op de uitvoering van de werken uit te oefenen voor het bouwen van een eigen woning, uitsluitend bestemd voor haar persoonlijk gebruik”; - dat de verwerende partij tevens betoogt dat: “Het verplicht vermelden (of opsommen) in het besluit zelf van ‘de concrete feitelijke gegevens waaruit moet blijken dat de verzoek(st)er niet enkel een ‘voldoende kennis’, maar eerst en vooral de nodige bekwaamheid bezit op het gebied van bouwtechniek en architectuur in al hun aspecten zoals de (verzoekster) voorhoudt, berust op geen enkele regelgeving”; Overwegende dat, in de mate de repliek van de verwerende partij betrekking heeft op de formele en materiële motiveringsplicht, zij niet terzake dienend is, aangezien de verzoekster geen middel aanvoert dat betrekking heeft op de schending van de motiveringsplicht; X-10.207-6/11 2.1.
- Overwegende dat de verzoekster in essentie als volgt dupliceert: - wat het eerste onderdeel van het enig middel betreft, heeft de verwerende partij de bekwaamheid van de tussenkomende partij niet in concreto onderzocht inzake “bouwtechniek en architectuur” en heeft ze enkel verwezen naar (de benaming van) het diploma dat zij heeft behaald en het doorlopen studieprogramma; - een geïndividualiseerd onderzoek van de aanvraag tot afwijking ontbreekt, zoals vereist door artikel 4 van meergenoemde wet van 20 februari 1939; - de verwerende partij “is ertoe gehouden om in concreto na te gaan of de aanvrager (van een afwijking) de vereiste bekwaamheid bezit om de plannen voor zijn eigen woning op te stellen en om toezicht uit te oefenen op de uitvoering van de bouwwerken, ook al impliceert dit niet dat de aanvrager moet aantonen dat hij beantwoordt aan alle voorwaarden voor de uitoefening van het beroep van architect”; - de verwerende partij heeft geen “beoordelingscriterium” gehanteerd, maar slechts verwezen naar een paar attesten en getuigschriften (die geen uitstaans hebben met de bekwaamheid van betrokkene) en, voor het overige naar de benaming van het behaalde diploma, zonder zelfs maar aan te geven om welke reden de genoten opleiding (bv. door aanduiding van de diverse opleidingsonderdelen en hun inhoud) moest doen besluiten tot het bestaan van een voldoende kennis inzake bouwaangelegenheden en architectuur bij de aanvrager; - de verzoekster besluit tot de gegrondheid van het eerste onderdeel van het enig middel; - wat het tweede onderdeel van het enig middel betreft, betoogt de verzoekster in essentie dat het “Voor de provinciegouverneur (blijkbaar) volstaat (...) dat een diploma van ‘burgerlijk elektrotechnisch-werktuigkundig ingenieur’ kan worden voorgelegd”, zodat de verwerende partij zich beperkt tot een gezagsargument; - het weze herhaald (aldus de verzoekster) dat het volgen van een opleiding als ingenieur niet noodzakelijk, op zichzelf doet blijken van een voldoende bekwaamheid en vaardigheid inzake bouwtechnieken en architectuur, die de betrokkene in staat stellen zelf in te staan voor het opstellen van bouwplannen en het uitoefenen van toezicht op de uitvoering der werken van het door haar ontworpen gebouw; - de verzoekster besluit tot de gegrondheid van het tweede onderdeel van het enig middel; 2.1.
- Overwegende dat de tussenkomende partij, samengevat het volgende doet gelden: X-10.207-7/11 - in tegenstelling met wat de verzoekster aanvoert, heeft de verwerende partij de aanvraag van de tussenkomende partij in concreto onderzocht en heeft zij enerzijds vastgesteld dat de tussenkomende partij houdster is van het diploma van burgerlijk elektrotechnisch-werktuigkundig ingenieur en bijgevolg krachtens de beschikkingen van artikel 12 van de wet van 20 februari 1939 zou kunnen optreden als architect indien zij zou zijn ingeschreven op de Tabel van de Orde en anderzijds heeft de verwerende partij rekening gehouden met het feit dat de woning die de belanghebbende wenst te bouwen uitsluitend voor haar persoonlijk gebruik is bestemd; - vervolgens legt de tussenkomende partij de betekenis en de draagwijdte uit van artikel 12 van de wet van 20 februari 1939 en somt zij de verschillende vakken op die zij heeft gevolgd tijdens haar universitaire opleiding met betrekking tot architectuur en bouwkunde, die blijken uit de inhoud van haar diploma, dat bij het dossier is gevoegd; - de tussenkomende partij wijst erop dat houders van een universitair diploma van burgerlijk ingenieur, zoals dat bestond in 1939 wettelijk worden vermoed te beschikken over de vereiste kennis en bekwaamheid inzake bouwkunde. De tussenkomende partij is titularis van een dergelijk diploma; - de verwerende partij kan zich voor het toestaan van de gevraagde afwijking beperken tot “de loutere vaststelling dat verzoekster tot tussenkomst houdster is van een diploma elektrotechnisch-werktuigkundig burgerlijk ingenieur en waardoor op haar het wettelijk vermoeden rust dat zij geacht wordt over de vereiste kennis en bekwaamheid inzake bouwkunde en architectuur te beschikken”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie het standpunt van de auditeur beantwoordt op basis van gekende gegevens uit haar memorie van wederantwoord; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekster in geen van de twee onderdelen van het enig middel de schending aanvoert van artikel 12 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect maar enkel de schending inroept van artikel 4, tweede lid, van voornoemde wet; Overwegende dat artikel 12 van meergenoemde wet op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing als volgt luidde X-10.207-8/11 “Mogen optreden in hoedanigheid van architect, doch blijven onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 5, 6 en 9 van deze wet: a) De ingenieurs die gediplomeerd werden overeenkomstig de wetten op het toekennen der academische graden; b)De ingenieurs, die hun diploma bekomen hebben aan een Belgische universiteit, zoals zij bepaald werd bij bedoelde wetten, of in een daarmee gelijkgestelde instelling; c) De officieren der genie of der artillerie die uit de applicatieschool komen; d) De personen, die door de commissie ingesteld krachtens de wet van 11 september 1933, ertoe worden gemachtigd een titel van burgerlijk ingenieur met of zonder aanduiding te voeren”; Overwegende dat artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 als volgt luidt: “De Staat, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen en de particulieren moeten een beroep doen op de medewerking van een architect voor het opmaken van de plans en de controle op de uitvoering der werken, voor welke door de wetten, besluiten en reglementen een voorafgaande aanvraag om toelating tot bouwen is opgelegd. Wat betreft de openbare instellingen en de particulieren mogen er afwijkingen worden toegestaan door de Gouverneur, op voorstel van het Schepencollege der gemeente, waar de werken moeten worden uitgevoerd (...)”; Overwegende dat voormeld artikel 12 van voornoemde wet bijgevolg bepaalde categorieën van personen machtigt om als architect op te treden; 2.2.
- Overwegende dat op 15 juli 1988 de verzoekster de wettelijke graad behaalde van burgerlijk elektrotechnisch-werktuigkundig ingenieur (richting elektrotechniek - optie elektronica: basiselektronica), aan de Katholieke Universiteit Leuven en dit met grote onderscheiding; Overwegende dat de voorzitter, de secretaris en de leden van de examencommissie door de rector van de Katholieke Universiteit Leuven belast met het verlenen van de wettelijke graad van burgerlijk elektrotechnisch-werktuigkundig ingenieur, aan de tussenkomende partij voornoemde graad hebben verleend, ten bewijze waarvan zij haar dit diploma hebben uitgereikt, waaruit tevens blijkt dat de tussenkomende partij colleges heeft gevolgd aan de Katholieke Universiteit Leuven en dat de voorschriften van de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, wat de duur der studiën en de openbaarheid der examens betreft, werden nageleefd; X-10.207-9/11 Overwegende dat op basis van het universitair diploma dat de tussenkomende partij heeft behaald, zij overeenkomstig artikel 12 a) van voormelde wet mocht optreden in de hoedanigheid van architect; dat deze vaststelling volstaat om te besluiten tot de ongegrondheid van het enig middel in zijn twee onderdelen, gelet op de inhoud en de draagwijdte van dit middel en op de omstandigheid dat de verwijzing naar artikel 12 van voormelde wet een draagkrachtig motief uitmaakt van het bestreden besluit; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij bijgevolg terecht heeft overwogen in het bestreden besluit dat “de verzoekster houdster is van het diploma van burgerlijk elektrotechnisch-werktuigkundig ingenieur, uitgereikt op 15 juli 1988 door de Katholieke Universiteit Leuven, en bijgevolg, krachtens de beschikkingen van het artikel 12 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, zou kunnen optreden als architect indien zij zou zijn ingeschreven op de Tabel van de Orde”; dat de verwerende partij hieruit wettig kon afleiden dat de tussenkomende partij “voldoende kennis en bekwaamheid bezit op het gebied van bouwtechniek en architectuur”, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-10.207-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juni 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. J. BOVIN. X-10.207-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.755 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.