← België

Arrest 172758 - Architecten - 26/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.758 Rolnummer: A. 79700/X-10254 Zaak: Arrest 172758 - Architecten - 26/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-22 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 21:13 Fiche Arrest nr 172.758 van 26 juni 2007 Beroepen - Architecten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.758 van 26 juni 2007 in de zaak A.79.700/X-10.

  1. In zake : de ORDE VAN ARCHITECTEN, die woonplaats kiest bij advocaat H. GEINGER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Quatre Brasstraat 6 tegen : de gouverneur van de provincie VLAAMS-BRABANT. tussenkomende partij : Robrecht BETHUYNE, wonende te 1800 VILVOORDE, Permekestraat
  2. ------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE RAAD VAN STATE, Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de ORDE VAN ARCHITECTEN op 5 augustus 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 10 juni 1998 van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant waarbij Robrecht BETHUYNE, met toepassing van artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, wordt gemachtigd zelf de plannen op te maken alsmede het toezicht op de uitvoering van de werken uit te oefenen voor het bouwen van een eigen woning, op een perceel gelegen te Vilvoorde, kadastraal bekend wijk C, nr. 78/z; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de beschikking van 18 april 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-10.254-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 9 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. SONCK, die loco advocaat H. GEINGER verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten
  4. Overwegende dat de tussenkomende partij op 29 maart 1998 bij de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant een aanvraag tot vrijstelling indient om “als architect te kunnen optreden voor het verwezenlijken van mijn (haar) eigen woning”; dat zij op 23 juni 1978 een diploma van binnenhuisontwerper, afdeling Binnenhuisarchitectuur, heeft behaald bij het Hoger Architectuurinstituut van de stad Gent; dat zij aanvoert dat zij sinds jaren werkt als architecturale ontwerper, project-manager en als projectleider en dat zij daaraan toevoegt dat zij tevens het beroep uitoefent van zelfstandig interieurarchitect; dat zij bij brief van 5 april 1998 stelt dat zij “het toezicht en de coördinatie” wenst te doen “aangaande het oprichten van mijn eigen woning”; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Vilvoorde op 11 mei 1998 een gunstig advies uitbrengt over de gevraagde vrijstelling; dat de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant de gevraagde vrijstelling op 10 juni 1998 verleent met verwijzing naar artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect; dat dit de bestreden beslissing is; X-10.254-2/6
  5. Ten gronde 2.
  6. Overwegende dat de verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect; dat zij tevens machtsoverschrijding aanvoert; 2.
  7. Overwegende dat zij dit middel als volgt adstrueert: “Doordat de verwerende partij de heer Bethuyne, die houder is van het diploma van binnenhuisontwerper, afdeling binnenhuisarchitectuur, machtigt, bij toepassing van voormeld artikel 4, tweede lid, zelf de plannen op te maken alsmede het toezicht op de uitvoering van de werken uit te oefenen voor het bouwen van een eigen woning, uitsluitend bestemd voor zijn persoonlijk gebruik op zijn eigendom te Vilvoorde, gekadastreerd wijk C, nummer 78/z, groot 2a 89ca, op grond ‘(dat) bovendien (...) uit de samenhang van alle elementen uit het dossier, te weten het door de verzoeker doorlopen studieprogramma en door het (hem) uitgeoefende functies van architecturale ontwerper en projectmanager en -leider bij consultantondernemingen alsook het door hem uitgeoefend beroep van zelfstandig interieurarchitect, redelijkerwijze kan afgeleid worden dat hij voldoende kennis en bekwaamheid bezit op het gebied van bouwtechniek en architectuur’ en ‘dat de woning die de belanghebbende wenst te bouwen uitsluitend voor zijn persoonlijk gebruik bestemd is’. Terwijl, eerste onderdee1, de vragen om afwijking in de zin van artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 in elk geval afzonderlijk in concreto door die provinciegouverneur moeten worden onderzocht en beoordeeld; deze laatste zich hierbij niet kan beperken tot een algemene verwijzing naar het ‘doorlopen studieprogramma’, naar de door de verzoeker ‘uifgeoefende functies van architecturale ontwerper en projectmanager en -leider bij consultantondernemingen’ en naar het door hem uitgeoefend beroep van ‘zelfstandig interieurarchitect’ om te besluiten dat hij ‘voldoende kennis en bekwaamheid bezit op het gebied van bouwtechniek en architectuur’, en de gouverneur niet enkel rekening dient te houden met het feit dat de op te richten woning ‘voor zijn persoonlijk gebruik bestemd is’: zijn onderzoek minstens veronderstelt dat hij in zijn besluit de concrete feitelijke gegevens opsomt waaruit blijkt dat de verzoeker een voldoende kennis en de nodige bekwaamheid bezit op het gebied van bouwtechniek en architectuur in al hun aspecten, meer bepaald teneinde, rekening houdend met de concrete aard en omvang van het bouwwerk, met de vereiste vakkennis hiervoor alle plannen op te stellen en toezicht op de uitvoering van de werken uit te oefenen, zodat de provinciegouverneur, door zijn besluit te steunen op voormelde vage en zeer algemene verwijzingen naar het behaalde diploma, het doorlopen studieprogramma en de uitgeoefende functies, zonder enige concrete precisering betreffende voormelde bekwaamheidsvereisten, en voor het overige enkel te verwijzen naar de bestemming van de woning voor persoonlijk gebruik, zonder aan te geven in welke mate zulks deze bekwaamheidsvereisten beïnvloedt, artikel 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 schendt en machtsoverschrijding pleegt, Terwijl, tweede onderdeel, uit geen enkel gegeven van het aangevochten besluit blijkt dat de heer BETHUYNE, door het door hem X-10.254-3/6 doorlopen studieprogramma en door de functies en het beroep die hij uitoefende ‘voldoende kennis en bekwaamheid bezit op het gebied van bouwtechniek en architectuur’, laat staan voldoet aan de bekwaamheidsvereisten voor het opstellen van de plannen tot oprichting van een gebouw en voor het uitoefenen van toezicht op de uitvoering van de bouwwerken; integendeel uit de enige vermeldingen in het aangevochten besluit nopens het door de heer BETHUYNE behaalde diploma (‘binnenhuisontwerper, afdeling binnenhuisarchtectuur’) enkel volgt dat de betrokkene kon worden geacht voldoende kennis en bekwaamheid te bezitten inzake de interne afwerking, de conceptie, de organisatie en de inrichting van de binnenruimten van een bestaand of door anderen te ontwerpen en op te richten gebouw; ook het door hem gevolgde studieprogramma specifiek daarop is gericht evenals de aard van zijn beroep van zelfstandig interieurarchitect, terwijl geen enkel element het verband verduidelijkt tussen de uitgeoefende functies van ‘architecturale ontwerper en projectmana(n)ger en -leider’ enerzijds en de vereiste kennis en bekwaamheid op het gebied van ‘bouwtechniek en architectuur’ anderzijds, zodat de proviniciegouverneur niet wettig verwijst naar het behaalde diploma, het doorlopen studieprogramma - zonder nadere preciseringen - en de uitgeoefende functies en beroepsactiviteit, tot staving van zijn besluit (schending van art. 4, tweede lid, van de wet van 20 februari 1939 en machtsoverschrijding)”; 2.
  8. Overwegende dat krachtens artikel 4, eerste lid, van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect de Staat, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen en de particulieren een beroep moeten doen op de medewerking van een architect voor het opmaken van de plannen en de controle op de uitvoering van de werken, voor welke door de wetten, besluiten en reglementen een voorafgaande aanvraag om toelating tot bouwen is opgelegd; Overwegende dat wat de openbare instellingen en de particulieren betreft er krachtens het tweede lid van voormeld artikel 4 afwijkingen mogen worden toegestaan door de gouverneur, op voorstel van het schepencollege van de gemeente waar de werken moeten worden uitgevoerd; 2.
  9. Overwegende dat het bestreden besluit in de aanhef verwijst naar de gevraagde vrijstelling door de tussenkomende partij en naar de terzake toepasselijke wetgeving; Overwegende dat het bestreden besluit vervolgens overweegt “dat de verzoeker (de tussenkomende partij) houder is van het diploma van binnenhuisontwerper, afdeling binnenhuisarchitectuur, uitgereikt op 23 juni 1978 door het Hoger Architectuurinstituut van de stad Gent”, dat het bestreden besluit daaraan toevoegt “dat uit de samenhang van alle elementen uit het X-10.254-4/6 dossier, te weten het door de verzoeker (de tussenkomende partij) doorlopen studieprogramma en de door hem (haar) uitgeoefende functies van architecturale ontwerper en projectmanager en -leider bij consultantondernemingen alsook het door hem (haar) uitgeoefend beroep van zelfstandig interieurarchitect, redelijkerwijze kan afgeleid worden dat hij (zij) voldoende kennis en bekwaamheid bezit op het gebied van de bouwtechniek en architectuur”; dat het bestreden besluit tenslotte verwijst naar het feit “dat de woning die de belanghebbende wenst te bouwen uitsluitend voor zijn persoonlijk gebruik bestemd is” en naar een gunstig gemotiveerd voorstel van het college van burgemeester en schepenen van de stad Vilvoorde van 11 mei 1998; 2.
  10. Overwegende dat uit het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij bij het nemen van haar beslissing rekening hield met alle stukken van het administratief dossier, want het overweegt expliciet dat “uit de samenhang van alle elementen uit het dossier (...)”; dat dit concreet betekent dat het bestreden besluit ondermeer rekening hield, zowel met de aard van het diploma dat de tussenkomende partij behaalde als met de vakken die de tussenkomende partij heeft gevolgd en waarover zij examen heeft afgelegd; Overwegende dat het bestreden besluit tevens rekening hield met de professionele activiteiten van de tussenkomende partij; dat blijkt dat de tussenkomende partij de functies uitoefende van architecturale ontwerper en projectmanager, wat deze laatste functie betreft, worden er twee brieven gevoegd in het administratief dossier van twee voormalige werkgevers van de tussenkomende partij, waarvan de inhoud bijzonder positief is voor laatstgenoemde partij; dat uit een brief van 24 september 1987 blijkt dat de tussenkomende partij van januari 1983 tot november 1987 “project-architect” was in ondermeer Johannesburg en daar belangrijke projecten van onder andere shoppingcentra en filmstudio’s heeft geleid; dat het bestreden besluit daaraan toevoegt dat zij het beroep van zelfstandig interieurarchitect uitoefent; Overwegende dat, gelet op het diploma dat de tussenkomende partij behaalde gecombineerd met haar professionele ervaring en met de belangrijke projecten die zij heeft geleid en tot een goed einde heeft gebracht, het bestreden besluit wettig kon overwegen dat de tussenkomende partij beschikt over voldoende kennis en bekwaamheid op het gebied van bouwtechniek en X-10.254-5/6 architectuur om de plannen van haar woning te ontwerpen en toezicht uit te oefenen op de uitvoering van de aannemingswerken; 2.
  11. Overwegende dat uit het eerste en het tweede onderdeel van het enig middel blijkt dat de verzoekster geen rekening hield met de gegevens van het administratief dossier, die in het bestreden besluit werden opgenomen, zodat het enig middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  12. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juni 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit: de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. J. BOVIN. X-10.254-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.758 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.