← België

Arrest 172771 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.771 Rolnummer: A. 65774/X-6765 Zaak: Arrest 172771 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-16 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 21:16 Fiche Arrest nr 172.771 van 26 juni 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.771 van 26 juni 2007 in de zaak A. 65.774/X-6765. In zake : 1. Jozef JACOBS, wonende te 2610 ANTWERPEN, Laarstraat 55, 2. Esther VERELST, wonende te 2610 ANTWERPEN, Laarstraat 71, 3. Etienne CLAES, wonende te 2610 ANTWERPEN, Perckhoevelaan 4, 4. Philippe VERMEERSCH, wonende te 2610 ANTWERPEN, Perckhoevelaan 16, 5. Greta VAN DROOGENBROECK, wonende te 2120 SCHOTEN, Valkenlaan 14, 6. Victor LEMMENS, wonende te 2610 ANTWERPEN, Perckhoevelaan 22 tegen : de stad ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij advocaat R. POCKELE-DILLES, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Stoopstraat 1, 5de verdieping, bus 13. tussenkomende partijen : 1. de n.v. FINSPICO, 2. de n.v. FINSPICO-SELECT, die woonplaats kiezen bij advocaat C. SERVAIS, kantoor houdende te 2600 ANTWERPEN, Roderveldlaan 3. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE RAAD VAN STATE, Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jozef JACOBS, Esther VERELST, Etienne CLAES, Philippe VERMEERSCH, Greta VAN DROOGENBROECK en Victor LEMMENS op 28 september 1995 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 18 mei 1995 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen waarbij aan de n.v. FINSPICO de bouwvergunning X-6765-1/11 wordt verleend voor het bouwen van een “appartementsgebouw” op een perceel gelegen te Wilrijk, Laarstraat 63; Gelet op het arrest nr. 63.023 van 12 november 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 20 mei 1997 van de n.v. FINSPICO en de n.v. FINSPICO-SELECT; Gelet op de beschikking van 22 mei 1997 die de tussenkomst van de n.v. FINSPICO en de n.v. FINSPICO-SELECT toelaat; Gezien de memorie van antwoord en de memorie van wederantwoord van de derde verzoekende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van E. CLAES, die persoonlijk ter terechtzitting is verschenen, van advocaat R. POCKELE-DILLES, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. NEUTS, die loco advocaat C. SERVAIS verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-6765-2/11 1.Rechtspleging Jozef JACOBS, Philippe VERMEERSCH, Greta VAN DROOGENBROECK en Victor LEMMENS doen bij brieven van respectievelijk 8 december 1995, 11 december 1995, 20 december 1995 en 17 december 1995 afstand van hun vordering. Esther VERELST heeft in een brief van 13 november 1995 aan de Raad van State medegedeeld dat zij “niet wenst deel te nemen aan de procedure (en dat zij zich niet) verzet tegen de bouwplannen van de N.V. FINSPICO”. Die verklaring dient begrepen te worden als een afstand van het geding; 2. Feiten 2.1. Op 13 december 1994 vraagt de nv FINSPICO een stedenbouwkundig attest aan voor het perceel gelegen te Wilrijk, Laarstraat/Heistraat, kadastraal bekend sectie B, nr. 211/r2 e.v. 2.2. Gelet op deze aanvraag stelt het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen op 15 december 1994 twee afwijkingen voor aan de voorschriften van het BPA “nr. 3quater, Heistraat en omgeving”, vastgesteld bij ministerieel besluit van 29 juni 1992. 2.3. Op 19 december 1994 staat de gemachtigde ambtenaar de voorgestelde afwijkingen toe. 2.4. Op 22 december 1994 levert het college van burgemeester en schepenen aan de n.v. FINSPICO een gunstig stedenbouwkundig attest af, voor het oprichten van 152 appartementen op het betrokken perceel. 2.5. Op 18 mei 1995 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen de gevraagde bouwvergunning. Dit is de bestreden beslissing. 3. Ontvankelijkheid 3.1. In een eerste exceptie stelt de verwerende partij dat het beroep tot nietigverklaring laattijdig is, “nu er duidelijk méér dan 60 dagen zijn verstreken tussen de datum, waarop de derde verzoekende partij de bestreden bouwvergunning kende (...) en de datum waarop (zij haar) verzoekschrift tot nietigverklaring heeft verzonden”. Volgens artikel 2 van het alsdan geldende koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende X-6765-3/11 organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw kunnen derden- belanghebbenden op het gemeentehuis inzage nemen van de afgegeven bouw- en verkavelingsvergunningen. Derden-belanghebbenden hebben de verplichting om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van het hen wettelijk toegekende inzagerecht. Deze termijn gaat in de dag waarop de betrokkenen, aan de hand van wat zij kunnen vaststellen op de plaats waar de vergunde bouwwerken worden uitgevoerd, er zich rekenschap dienen van te geven dat er krachtens de Stedenbouwwet voor de uitvoering van die werken een bouwvergunning vereist is en dat zij bijgevolg redelijkerwijze moeten of kunnen veronderstellen dat zodanige vergunning is afgegeven. De derde verzoekende partij stelt dat de bouwvergunning op 31 juli 1995 op het bouwterrein werd uitgehangen. De verwerende partij en de tussenkomende partijen beweren daarentegen dat de derde verzoekende partij reeds vroeger van de bouwvergunning op de hoogte was en verwijzen hiervoor naar protestbrieven die zouden aantonen dat de derde verzoekende partij reeds begin juli 1995 kennis had van de kwestieuze bouwvergunning. Het is de taak van de partij, die beweert dat de verzoekende partij meer dan zestig dagen vóór de indiening van haar verzoekschrift kennis had van de bestreden beslissing, om daarvan het bewijs te leveren. De verwerende partij en de tussenkomende partijen beperken zich echter tot vermoedens en brengen geen enkel stuk bij om hun beweringen te staven. De eerste exceptie wordt verworpen. 3.2. In een tweede exceptie werpt de verwerende partij op dat de derde verzoekende partij niet over het rechtens vereiste belang beschikt om de nietigverklaring van de bestreden beslissing te vorderen. De tussenkomende partijen voegen hieraan het volgende toe : “Het bestaan van een persoonlijk belang wordt vermoed in hoofde van verzoekers die aantonen dat zij in de onmiddellijke nabijheid wonen van het perceel waarvoor de bestreden bouwvergunning is verleend (...). In casu blijkt (...) dat (de woning van de derde verzoekende partij) niet paalt aan het bouwterrein en dat het gebouw volkomen buiten het gezichtsveld wordt opgetrokken”. Een persoon die op deugdelijke wijze aantoont dat hij eigenaar is van een pand of een perceel dat paalt aan of tegenover, naast of in de onmiddellijke nabijheid is gelegen van het perceel waarvoor de bouwvergunning wordt afgegeven, doet daardoor alleen al blijken van het vereiste belang bij de nietigverklaring van de bestreden bouwvergunning. Uit het administratief dossier blijkt dat de eigendom van de derde verzoekende partij niet rechtstreeks paalt aan het betrokken bouwterrein, maar zich X-6765-4/11 hiervan op een afstand bevindt van 17,55 meter. Rekening houdend met deze nabijheid en met het feit dat de betwiste aanvraag een zeer omvangrijk project betreft, kan te dezen niet worden aangenomen dat de derde verzoekende partij geen belang heeft bij de vordering tot nietigverklaring. De tweede exceptie wordt verworpen. 4. Ten gronde 4.1.1. In een eerste onderdeel van het eerste middel roept de derde verzoekende partij de schending in van het ministerieel besluit van 6 februari 1971 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier van de aanvraag om bouwvergunning, “doordat verwerende partij wist of moest weten dat de N.V. FINSPICO niet de vereiste hoedanigheid had om de bouwaanvraag in te dienen” en “de N.V. FINSPICO geen eigenaar (

  1. is)van alle percelen”. In haar laatste memorie voegt de derde verzoekende partij hieraan toe dat artikel 2 van het voornoemde ministerieel besluit “twee hoedanigheden (voorziet) waaronder een bouwvergunning kan aangevraagd worden nl. als eigenaar of als houder van een bouwrecht” en dat “de bouwaanvrager, hoewel hij verklaart eigenaar te zijn van het bouwperceel, geen eigenaar is van, noch een bouwrecht heeft op een groot deel van het bouwperceel”. Het is te dezen niet zo dat een bouwaanvraag enkel door de eigenaar van de percelen zou kunnen worden ingediend en dat de vergunningverlenende overheid elke aanvraag zou dienen af te wijzen, wanneer zou blijken dat de bouwaanvrager niet de eigenaar is van de betrokken bouwgrond. Bouwvergunningen worden immers afgegeven onder voorbehoud van de betrokken burgerlijke rechten. 4.1.2. In een tweede onderdeel van het eerste middel voert de derde verzoekende partij aan dat de bouwaanvraag niet volledig is en de ingediende plannen niet overeenstemmen met de bij voornoemd ministerieel besluit van 6 februari 1971 opgelegde voorwaarden. Onjuistheden, vergissingen of leemten in het bouwdossier kunnen tot de vernietiging van de bouwvergunning leiden, indien blijkt dat zij van die aard zijn dat zij de adviserende of de vergunningverlenende overheden in dwaling hebben gebracht en bovendien beslissend zijn geweest voor de toekenning van de bouwvergunning. De derde verzoekende partij beperkt zich ertoe een opsomming te geven van leemten en onjuistheden in het bouwdossier, maar laat na aan te tonen dat de overheden hierdoor misleid zijn. Bovendien volstaat het niet dat zij in het algemeen X-6765-5/11 wijst op onvolkomenheden in het bouwdossier. Zij dient hiervan ook het bewijs te leveren, wat zij te dezen niet doet. Het eerste middel is niet gegrond. 4.2. In een tweede middel roept de derde verzoekende partij de strijdigheid in van de bestreden bouwvergunning en van het bijzonder plan van aanleg “nr. 3quater, Heistraat en omgeving” met het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen, omdat het voornoemde BPA “afwijkende bepalingen voorziet betreffende de bouwhoogte van meergezinshuizen”, terwijl volgens het voornoemde gewestplan bijzondere voorschriften gelden betreffende de hoogte van de gebouwen die gelegen zijn in woongebied. Uit het administratief dossier blijkt dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen bij besluit van 23 oktober 1996 aan de bestreden bouwvergunning een bijkomende voorwaarde verbindt. De bouwhoogte dient beperkt te worden tot vijf verdiepingen, extra-bouwlaag inbegrepen. Met dit besluit wordt dan ook aan de door de derde verzoekende partij aangevoerde onwettigheid tegemoet gekomen. Zij diende ten aanzien van laatstgenoemde beslissing een beroep tot nietigverklaring in te stellen, wat zij niet heeft gedaan. Zij kan de onwettigheid van het besluit van 23 oktober 1996 bijgevolg niet meer aanvoeren door in haar memorie van wederantwoord een “vraag tot uitbreiding van het voorwerp van vernietiging” in te dienen. Het tweede middel is niet gegrond. 4.3. In een derde middel roept de derde verzoekende partij de schending in van artikel 51 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw (Stedenbouwwet), omdat na het indienen van de bestreden bouwaanvraag door het college van burgemeester en schepenen geen afwijking meer werd gevraagd van de voorschriften van het BPA “nr. 3quater, Heistraat en omgeving”, “waar dergelijke aanvraag wel werd gevraagd bij de aanvraag tot het afleveren van een stedenbouwkundig attest”. In haar laatste memorie voegt zij hier nog aan toe dat “de afwijking van het BPA (...) dus alleszins bij het aanvragen van de bouwvergunning opnieuw (had) moeten aangevraagd worden”. Luidens het te dezen toepasselijke artikel 2, § 1, 2/ van het Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dient het verzoekschrift onder meer “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” te bevatten. Onder “middel” in de zin van X-6765-6/11 deze bepaling moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden beslissing werd geschonden. In haar verzoekschrift beperkt de derde verzoekende partij zich tot een loutere in vraagstelling en geeft niet aan welke de overtreden rechtsregel of het overtreden beginsel zou zijn en verduidelijkt evenmin op welke wijze de bestreden beslissing deze rechtsregel of dit beginsel zou hebben geschonden. Zij mag het niet aan de Raad van State overlaten om uit deze uiteenzetting een middel te distilleren. Het derde middel is niet ontvankelijk. 4.4. In een vierde middel voert de derde verzoekende partij een schending van het eigendomsrecht aan, omdat “een deel van de eigendommen (welke andere personen toebehoren) door het bestreden bouwproject (worden) ingepalmd”. Zij verwijst hiervoor naar verscheidene plannen die zouden aantonen dat er voor de eerste en de tweede verzoekende partij sprake is van eigendomsinpalming door het bestreden bouwproject. Bouwvergunningen worden verleend onder voorbehoud van burgerlijke rechten. De gebeurlijke miskenning van die rechten kan te dezen geen aanleiding geven tot nietigverklaring van de afgeleverde vergunning, te meer daar de derde verzoekende partij niet aanvoert dat haar rechten werden aangetast. Het vierde middel is niet gegrond. 4.5.1. In een vijfde middel wordt de schending ingeroepen van het BPA “nr. 3quater, Heistraat en omgeving” en meer bepaald “het niet naleven van de verplichting om de natuurlijke gegevens van het terrein te behouden”, “het niet naleven van de verplichting om het ‘groen’ openbaar te houden”, “het niet naleven van de afstandsmaten ten overstaan van de perceelsgrenzen” en “het niet naleven van de bij BPA voorziene ontsluiting van het terrein”. 4.5.2. Wat het “niet naleven van de verplichting om de natuurlijke gegevens van het terrein te behouden” betreft, voegt de derde verzoekende partij in haar laatste memorie het volgende toe : “In de fax die mijn toenmalige raadsman op 28 oktober 1996 ontving wordt (...) verwezen naar het opstarten van de procedure tot afschaffing van de Pierebeek. Hieruit blijkt dat niet alleen geen rekening werd gehouden met het BPA, doch dat bovendien het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen bij de toekenning van de bouwvergunning zijn bevoegdheid is te buiten gegaan. Immers voor niet-geklasseerde waterlopen blijft het provinciaal reglement, X-6765-7/11 goedgekeurd in de provincieraad van 27 oktober 1955 van toepassing. (...) Op 18 mei 1995 kende het college van burgemeester en schepenen een bouwvergunning toe aan Finspico waardoor bouwwerken op de plaats van de Pierebeek mogen worden uitgevoerd. Hierdoor kon de normale loop van de Pierebeek niet langer bewaard blijven.Voor deze werken is geen voorafgaandelijk(
  2. e)toelating van de bestendige deputatie bekomen, zodat het college van burgemeester en schepenen zijn bevoegdheid is te buiten gegaan”. De derde verzoekende partij meent dat het algemeen ordeningsvoorschrift (zie onder ‘1. De feiten’, punt 1.2.) van het BPA “nr. 3quater, Heistraat en omgeving” is geschonden, doordat met de bestreden bouwvergunning de Pierebeek verdwijnt en een aantal bomen werden geveld. Het feit dat de Pierebeek verdwijnt en enkele bomen worden geveld, bewijst nog niet dat de in de BPA opgelegde verplichting niet zou zijn nageleefd. Eens volgens het betrokken BPA wordt geoordeeld dat bebouwing mogelijk is, brengt dit onvermijdelijk met zich dat een aantal natuurlijke gegevens zullen verdwijnen. Uit het administratief dossier blijkt bovendien dat de vergunningverlenende overheid, aan de hand van het situatieplan en een plan dat door een tuin- en landschapsarchitect werd opgesteld, de bouwaanvraag voor wat betreft het bomenbestand, nauwkeurig heeft onderzocht. De bewering van de derde verzoekende partij dat er sprake is van machtsoverschrijding kan niet worden aangenomen, daar niet wordt aangetoond dat de vergunningverlenende overheid niet de nodige aandacht zou hebben besteed aan de natuurlijke gegevens van het terrein. 4.5.3. Wat “het niet naleven van de verplichting om het ‘groen’ openbaar te houden” betreft, voegt de derde verzoekende partij in haar laatste memorie het volgende toe : “Volgens de plannen bij het stedenbouwkundig attest waren 152 woningen voorzien. De bouwvergunning handelt over 133 woningen. Dus 900 m² rusthoekje/speelhoekje dienen alleszins voorzien te worden voor de buurtbewoners. In het totaalontwerp is wel een fietspad opgenomen, dat steunt op het algemeen verordeningsvoorschrift voor zone E en waaraan bijkomende voorwaarden qua overdracht werden gehecht door het gemeentebestuur, doch niets over de verplichte rust- en speelhoekjes. (...) Noch de functie van de gronden (...) noch de wettelijke grondslag (...) verantwoorden een gelijkschakeling tussen de 1540 m² fietspad die Finspico aan het stadsbestuur heeft overgedragen en de vereiste inrichting voor de buurt van minstens 900 m² rusthoekje/speelhoekje. De bouwvergunning wijkt dus op een essentieel punt af van het BPA”. 4.5.4. Het BPA “nr. 3quater, Heistraat en omgeving” stelt hieromtrent het volgende : “ In het totaal ontwerp dienen openbare groenruimte(
  3. n)te worden opgenomen ten behoeve van de buurtbewoners, op basis van de volgende normen : -per 30-50 woningen : rusthoekje/speelhoekje van minimum 300 m² -per 150-200 woningen : buurtparkje van minimum 3000 m²”. X-6765-8/11 De tussenkomende partijen wijzen erop dat op een deel van het betrokken perceel (1.540 m²) een openbaar wandel- en fietspad werd aangelegd, waarvan de eigendom werd overgedragen aan de stad Antwerpen en waarop voldoende plaats is voor 900m² rust- en speelhoekjes. De voorwaarde om te voorzien in “openbaar buurtgroen” werd dus nageleefd. 4.5.5. De derde verzoekende partij voert tevens aan dat “de afstandsmaten ten overstaan van de perceelsgrenzen” zoals voorzien door het BPA “nr. 3quater, Heistraat en omgeving” niet werden nageleefd. Meer bepaald voorziet het BPA “t.o.v. zij- en achtergrenzen : binnen een gabarit van 45/ vertrekkend op de perceelgrens”. Uit het administratief dossier blijkt dat er enkel sprake is van een duidelijke overschrijding van de te respecteren afstand voor het perceel van de eerste verzoekende partij. In haar memorie van wederantwoord stelt de derde verzoekende partij zelf dat intussen een deel van het uiteinde van deze grond door de bouwaanvrager werd aangekocht. Er wordt echter niet betwist dat de perceelsgrens van de eerste verzoekende partij werd herlegd. Het volstaat niet aan te tonen dat op het ogenblik van de bouwvergunning de perceelsafstand zoals voorzien in het BPA “nr. 3quater, Heistraat en omgeving” zou zijn geschonden. De derde verzoekende partij heeft geen actueel belang bij dit middel, daar zij nalaat aan te tonen dat, na de verlegging van de perceelsgrens, nog van enige schending sprake is. Het vijfde middel is, wat dit onderdeel betreft, niet ontvankelijk. 4.5.6. De derde verzoekende partij voert tevens aan dat het BPA “nr. 3quater, Heistraat en omgeving” zou zijn geschonden voor wat betreft de ontsluiting van het terrein, omdat de bouwaanvraag voorziet in twee ontsluitingswegen, terwijl het voornoemde BPA zou voorzien in drie ontsluitingswegen. Het BPA legt echter niet op dat effectief drie ontsluitingswegen moeten worden aangelegd. Door het uitvoeren van twee van de drie penetratiewegen, zoals voorzien bij het BPA, is voldaan aan haar voorschriften en is er dan ook geen sprake van enige schending. Het vijfde middel is niet gegrond. 4.6. In een zesde middel voert de derde verzoekende partij aan dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen haar bevoegdheid te buiten is gegaan, daar zij de bouwvergunning verleende op 18 mei 1995 zonder voorafgaandelijke beslissing van de gemeenteraad aangaande het wegentracé, in X-6765-9/11 toepassing van artikel 57bis, §§1 en 2 van de Stedenbouwwet en de gemeenteraad zich slechts op 12 september 1995 over het wegentracé heeft uitgesproken. Artikel 57bis, §§1 en 2 van de Stedenbouwwet bepaalt dat de gemeenteraad de uitsluitende bevoegdheid heeft te oordelen over de aanleg van nieuwe wegen, de tracéwijziging en de verbreding of opheffing van bestaande gemeentelijke wegen en dat het gemeenteraadsbesluit hieromtrent bindend is, niet alleen voor het college van burgemeester en schepenen dat uitspraak doet over de aanvragen tot verkaveling, maar tevens voor de administratieve overheden die in beroep op deze aanvragen beschikken. De voorafgaandelijke beslissing van de gemeenteraad is echter slechts vereist, inzoverre het om de aanleg van wegen gaat die openbaar of nagenoeg openbaar zijn. Voor private wegen is een dergelijke beslissing niet vereist. Uit het administratief dossier blijkt dat de kwestieuze weg een privaat karakter heeft. Er is dan ook geen voorafgaandelijke beslissing vereist van de gemeenteraad, alvorens de bestreden bouwvergunning te kunnen verlenen. De derde verzoekende partij heeft nagelaten het bestaan van enige machtsoverschrijding in hoofde van het college van burgemeester en schepenen aan te tonen. Het zesde middel is niet gegrond. 4.7. In een zevende middel voert de derde verzoekende partij aan dat er dwaling is omtrent de feiten, doordat de plannen die betrekking hebben op de bestreden bouwvergunning verkeerde feitelijke gegevens bevatten welke de vergunningverlenende overheid in dwaling hebben gebracht. De derde verzoekende partij beperkt zich een opsomming te geven van leemten en onjuistheden in het bouwdossier, maar laat na te tonen dat de betrokken overheden hierdoor zouden misleid zijn. Het volstaat niet dat zij op een algemene manier wijst op onvolkomenheden in het bouwdossier. Zij dient hiervan ook het bewijs te leveren, wat zij te dezen niet doet. Het zevende middel is niet gegrond. 5. De derde verzoekende partij heeft geen gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd, zodat het beroep tot nietigverklaring moet worden verworpen, X-6765-10/11 BESLUIT: Artikel 1. De afstanden van de beroepen tot nietigverklaring van Jozef JACOBS, Esther VERELST, Philippe VERMEERSCH, Greta VAN DROOGENBROECK en Victor LEMMENS worden vastgesteld. Artikel 2. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 594,96 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor een zesde. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 148,74 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juni 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. J. BOVIN. X-6765-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.771 Gerelateerde publicatie(
  4. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1996:ARR.63.023 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.