← België

Arrest 172772 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.772 Rolnummer: A. 66005/X-8008 Zaak: Arrest 172772 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-23 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 21:17 Fiche Arrest nr 172.772 van 26 juni 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.772 van 26 juni 2007 in de zaak A. 66.005/X-8008. In zake : Albert VANDENEYNDE, wonende te 3583 BERINGEN-PAAL, Diestersesteenweg 181 tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE RAAD VAN STATE, Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Albert VANDENEYNDE op 18 oktober 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 28 juli 1995 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van zijn beroep tegen de beslissing van 18 januari 1995 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij de regularisatievergunning wordt geweigerd voor een stacaravan, boogloods en garage gelegen aan de Diestersesteenweg te Beringen, kadastraal bekend sectie C, nr. 238/a; Gelet op het arrest nr. 59.238 van 25 april 1996 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 18 maart 1998 die de neerlegging ter griffier van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; X-8008-1/6 Gelet op de beschikking van 6 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN HERCK, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. 1. De feiten 1.1. Verzoeker huurt sinds 1960 een perceel grond van de kerkfabriek, gelegen aan de Diestersesteenweg te Beringen, kadastraal bekend sectie C, nr. 238/a 1.2. Dit perceel is volgens het gewestplan Hasselt-Genk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april 1979, gelegen in woongebied met landelijk karakter. 1.3. Op 19 mei 1992 wordt een proces-verbaal opgemaakt voor een metalen boogloods, een stacaravan, een werkplaats en een opslagruimte, die door verzoeker zonder bouwvergunning op bovenvermeld perceel werden opgericht. 1.4. Op 6 juni 1994 dient verzoeker een aanvraag tot regularisatie in bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Beringen. 1.5. Op 30 juni 1994 brengt de gemachtigde ambtenaar over de regularisatieaanvraag een ongunstig advies uit. 1.6. Op 16 augustus 1994 tekent verzoeker beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Beringen. 1.7. Op 18 januari 1995 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg om het beroep niet in te willigen. X-8008-2/6 1.8. Op 16 februari 1995 tekent verzoeker hiertegen beroep aan bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden. 1.9. Bij ministerieel besluit van 28 juli 1995 wordt het beroep van verzoeker verworpen. Dit is de bestreden beslissing. 2. Beoordeling In een enig middel betoogt verzoeker wat volgt: "Verzoeker vordert de vernietiging van het bestreden besluit op grond van de schending van artikel 2 en 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, het motiveringsbeginsel, artikel 13 van het decreet betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in diensten en instellingen van de Vlaamse Executi(e)ve dd. 23.10.1991 en artikel 55 § 3 van de wet van 29.03.1962 inzake Ruimtelijke Ordening en Stedebouw, en het redelijkheidsbeginsel.". Hij doet gelden wat volgt: "In het bestreden besluit wordt in feite enkel gesteld dat het geheel van de huidige bouwtoestand aan vergunning onderworpen is en dat de constructies, door hun materiaalgebruik, geen blijvend verzorgend aspect vertonen en door de ongeordende plaatsing op het terrein niet tegemoet komen aan de algemeen aanvaarde eisen van esthetisch verantwoorde en evenwichtige stedebouwkundige uitbouw op dat terrein. Het is de enige reden waarom de vergunning niet kan vergund worden, althans diegene die blijkt uit het alhier bestreden besluit. In het bestreden besluit is echter niet uitgelegd waarom de betreffende constructies onesthetisch zouden zijn. Er is een gebrek aan specifiëring. Welke materialen zijn onesthetisch? Welke veranderingswerken werden uitgevoerd na 1961? Wat is niet aanvaardbaar voor de esthetisch verantwoorde en evenwichtige stedebouwkundige uitbouw op dat terrein? Waarom niet? Welke zijn de algemeen aanvaarde eisen van een esthetisch verantwoord en evenwichtige stedebouwkundige uitbouw op dat terrein? Dit zijn allemaal vragen die in generlei opzichte worden beantwoord in het bestreden besluit, wat erop wijst dat het onvoldoende gemotiveerd is. Immers is de toestand ter plaatse dusdanig dat men vanop de Diestersesteenweg de constructies niet ziet omdat ze gelegen zijn achter 'een groene muur' van bomen en struiken. Langs de andere kanten kan men de constructies om dezelfde redenen niet zien. Hiermee wordt in het bestreden besluit blijkbaar geen enkele rekening gehouden, zodat de motivering in feite onjuist is. Het bestreden besluit stelt bovendien terecht dat door de bekomen milieuvergunning blijkbaar de activiteit verenigbaar is met de omgeving. Het is zo dat bij het toekennen van de milieuvergunning toch ook wordt gezien of - vanuit het aspect Ruimtelijke Ordening - de betreffende constructies waarin de activiteiten worden uitgevoerd, verenigbaar zijn met de betreffende omgeving. In het bestreden besluit toont de Minister echter niet aan waarin het verschil nu gelegen is in vergelijking met de toekenning van de milieuvergunning, waarbij rekening ook werd gehouden met het aspect Ruimtelijke Ordening en het niet toekennen van de bouwvergunning, waarbij er enkel wordt gezegd dat de constructies onesthetisch zijn. De bestemming blijkt dus voor de Minister geen enkel probleem te zijn. X-8008-3/6 Ook zijn er langs de Diestersesteenweg andere bedrijven gelegen die ook ambachtelijke en commerciële aspecten in zich hebben. In die omstandigheden moest dan ook de Minister redelijkerwijze aan verzoeker de bouwvergunning kunnen toegestaan hebben, zeker gelet op het feit dat verzoeker al meer dan dertig jaar ter plaatse zijn activiteiten uitoefen(

  1. t)in de constructies die voorwerp zijn van het bestreden besluit. Het bestreden besluit is niet afdoende en niet pertinent gemotiveerd en onredelijk gelet op de feitelijke omstandigheden.". Artikel 55, § 3, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (Stedenbouwwet) bepaalt dat de beslissingen van de bestendige deputatie en van de Vlaamse regering met redenen zijn omkleed. Om te voldoen aan die motiveringsplicht moet de vergunningverlenende overheid in haar uitspraak duidelijk de met een goede plaatselijke aanleg of met een degelijke ruimtelijke ordening verband houdende redenen opgeven, waarop zij haar beslissing steunt, zodat de aanvrager met kennis van zaken tegen de beslissing kan opkomen, en de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen, door na te gaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die zowel in rechte als in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het bestreden besluit is gekomen. Het bestreden besluit verwijst naar de Stedenbouwwet, inzonderheid artikel 55, en naar de toepasselijke uitvoeringsbesluiten. Voorts stelt het vast dat het beroep dat verzoeker heeft ingesteld tegen de beslissing van 18 januari 1995 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij de vergunning is geweigerd voor het regulariseren van een stacaravan, boogloods en garage (aan de Diestersesteenweg te Beringen, kadastraal bekend sectie C, nr. 238/a), ontvankelijk is, dat op het perceel waarop de regularisatieaanvraag betrekking heeft, en dat begrepen is tussen de Diestersesteenweg en de Mierheuvelstraat, een als permanente woning gebruikte stacaravan, boogloods en werkplaats staan, dat verzoeker op die plaats sinds 1961 gevestigd is en een werkplaats voor tweedehandsvoertuigen uitbaat, waarvoor hij een milieuvergunning derde klasse heeft verkregen, dat de grond volgens het gewestplan Hasselt-Genk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april 1979, gelegen is in woongebied met landelijk karakter, dat zulk gebied bestemd is voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven. Vervolgens luidt het bestreden besluit als volgt : “Overwegende dat binnen het woongebied ook handel en ambacht kan toegelaten worden voor zover deze vestigingen in overeenstemming met de omgeving blijven; dat in huidig geval het bestaan van genoemde milieuvergunning erop wijst dat de gevoerde activiteit inzake schaal en impact nog bestaanbaar is met de uitbouw van de plaats, die langs de voornoemde Diestersesteenweg een gemengd karakter vertoont met meerdere ambachtelijke en commerciële vestigingen; Overwegende dat de aanvrager sinds 1961, dus van vóór het van kracht worden van de stedebouwwet, op die plaats in een stacaravan woont; dat nochtans ook aan X-8008-4/6 deze oorspronkelijke toestand verdere vergunningsplichtige veranderingswerken plaatsvonden en dat de werkplaats en boogloods van latere datum zijn; dat het geheel der huidige bouwtoestand dan ook aan vergunning onderworpen is; dat de constructies, door hun materiaalgebruik dat geen blijvend verzorgd aspect vertoont en door de ongeordende plaatsing op het terrein, niet tegemoetkomen aan de algemeen aanvaarde eisen van een esthetisch verantwoorde en evenwichtige stedebouwkundige uitbouw op het terrein, dit rekening houdend met het omgevend landelijk woongebied; Overwegende dat om deze reden geen vergunning kan gegeven worden; dat het beroep dient verworpen”. Het advies van 30 juni 1994 van de gemachtigde ambtenaar over de regularisatieaanvraag die verzoeker bij het gemeentebestuur heeft ingediend, luidde als volgt : “ONGUNSTIG, inplanting en architectuur brengen de goede ordening van de plaats in het gedrang. De vormgeving (boogloods), de aard van de bebouwing (caravan) en de gemengde onverantwoorde materiaalkeuze kunnen hier geenszins aanvaard worden. Tevens is de inplanting op het terrein dermate verspreid dat van ordening hier helemaal geen sprake is. De vergunning dient dan ook geweigerd te worden”. De aangevraagde regularisatievergunning werd op die grond geweigerd door het college van burgemeester en schepenen van de stad Beringen. De bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg heeft op haar beurt de vergunning geweigerd, wijzend op de onesthetische bouwwijze en vorm en op de onaanvaardbare materiaalkeuze. Verzoeker heeft zich bereid verklaard aanpassings- en veranderingswerken uit te voeren. Het bestreden besluit vermeldt redenen die de weigering van de vergunning kunnen verantwoorden. De omstandigheid dat de onverzorgde constructie en de ongeordende plaatsing niet zichtbaar zijn ontslaat er de vergunningverlenende overheid niet van over een goede ruimtelijke ordening te waken. Artikel 55 van de Stedenbouwwet verplicht de minister niet “het verschil te maken” met de milieuvergunning. Het bestreden besluit stelt de bestaanbaarheid met het gebied niet in vraag, zodat de argumenten van verzoeker in zoverre niet dienend zijn. Het enige middel is niet gegrond. In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat hij blijft bij het standpunt zoals uiteengezet in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord. In geen enkele van de procedureakten brengt verzoeker echter kritiek uit op de motieven van het arrest nr. 59.238 van 25 april 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging wordt verworpen, die in het auditoraatsverslag als redenen voor de verwerping van het beroep worden overgenomen, X-8008-5/6 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juni 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. J. BOVIN. X-8008-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.772 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1996:ARR.59.238 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.