id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.778 Rolnummer: A. 149156/X-11813 Zaak: Arrest 172778 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-09 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 21:19 Fiche Arrest nr 172.778 van 27 juni 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.778 van 27 juni 2007 in de zaak A. 149.156/X-11.
- In zake :
- Placide DE VREEZE,
- Martina TYTGAT, die woonplaats kiezen bij advocaat Ph. VAN WESEMAEL, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen :
- de gemeente KRUISHOUTEM,
- het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
- tussenkomende partij : de n.v. EUROSLACH, die woonplaats kiest bij advocaat P. DE SMIJTER, kantoor houdende te 9810 NAZARETH, Huisepontweg
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Placide DE VREEZE en Martina TYTGAT op 18 maart 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het bijzonder plan van aanleg “Sectoraal BPA Zonevreemde Bedrijven - Fase 1B” definitief aangenomen door de gemeenteraad van de gemeente Kruishoutem bij besluit van 10 juni 2003 en goedgekeurd bij besluit van 10 december 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie, bekend- gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 januari 2004; Gelet op het arrest nr. 138.976 van 10 januari 2005 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt bevolen; X-11.813-1/14 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 18 februari 2005 ingediend door de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 9 maart 2005, die het verzoekschrift tot voortzetting van het geding voor het verdere verloop van de procedure aanziet als een verzoek tot tussenkomst en die de tussenkomst van de n.v. EUROSLACH toelaat; Gezien de memorie van antwoord van de tweede verwerende partij; Gezien de memorie van wederantwoord; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 5 september 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 30 januari 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 23 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. HULPIAU, die loco advocaat Ph. VAN WESEMAEL verschijnt voor de verzoekers, van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat P. DE SMIJTER, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; X-11.813-2/14 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde de percelen waarop zich het bedrijf van de n.v. EUROSLACH bevindt, tot woongebied met landelijk karakter (eerste 50 m aan de straatkant) en daarachter tot landschappelijk waardevol agrarisch gebied heeft bestemd; dat de n.v. EUROSLACH er sinds 1969 een pluimvee- en wildslachterij exploiteert; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 25 augustus 1988 een exploitatievergunning (hernieuwing) heeft verleend aan de n.v. EUROSLACH voor een termijn van tien jaar; dat de gemeenteraad van de gemeente Kruishoutem op 14 september 1998 tot de opmaak van een sectoraal BPA zonevreemde bedrijven heeft beslist; dat de bestendige deputatie van de provincie- raad van Oost-Vlaanderen op 4 februari 1999 de door de n.v. EUROSLACH gevraagde milieuvergunning ter hernieuwing en uitbreiding heeft geweigerd; dat de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, na administratief beroep vanwege de n.v. EUROSLACH, op 5 augustus 1999, een milieuvergunning voor twee jaar op proef heeft verleend voor 12.000 stuks pluimvee per dag; dat een uitbreiding tot 15.000 stuks werd geweigerd; dat de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw op 31 juli 2001 de definitieve milieuvergunning heeft geweigerd; dat de n.v. EUROSLACH op 26 juli 2001 reeds een nieuwe milieuvergunningsaanvraag had ingediend; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 17 januari 2002 de door de n.v. EUROSLACH gevraagde nieuwe milieuvergunning heeft geweigerd; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kruishoutem op 22 april 2002 een positief planologisch attest heeft verleend voor een gedeelte van het bedrijf van de n.v. EUROSLACH; dat de minister van Leefmilieu en Landbouw op 9 juli 2002 het beroep van de n.v. EUROSLACH heeft verworpen en de milieuvergunning voor het verder exploiteren en veranderen door wijziging en uitbreiding van een pluimvee- en wildslachterij heeft geweigerd; dat de n.v. EUROSLACH op 9 september 2002 voor de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging van voornoemde beslissing heeft gevorderd; dat de Raad van State bij arrest nr. 115.099 van 28 januari 2003 de vordering heeft verworpen; dat de n.v. EUROSLACH op 27 mei 2003 opnieuw een milieuvergunning heeft aangevraagd bij de bestendige deputatie van de provincie- raad van Oost-Vlaanderen; dat de gemeenteraad van de gemeente Kruishoutem op 10 juni 2003 het ontwerp van sectoraal BPA “Zonevreemde Bedrijven Fase 1B” voorlopig heeft vastgesteld; dat het ontwerpplan de terreinen van de X-11.813-3/14 n.v. EUROSLACH heeft herbestemd tot “een zone voor bedrijvigheid”, omgord door een groenbuffer van 5 m; dat over het ontwerpplan van 1 juli 2003 tot 31 juli 2003 een openbaar onderzoek werd gehouden; dat 66 bezwaarschriften werden ingediend, waaronder één door eerste verzoekende partij; dat de Gemeentelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening op 18 augustus 2003 een ongunstig advies heeft verleend over het ontwerpplan; dat de gemeenteraad van de gemeente Kruishoutem op 10 juni 2003 het sectoraal BPA “Zonevreemde Bedrijven Fase 1B” definitief heeft vastgesteld; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 16 oktober 2003 aan de n.v. EUROSLACH de gevraagde milieuvergunning opnieuw heeft geweigerd; dat de n.v. EUROSLACH beroep heeft ingesteld tegen deze beslissing bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw; dat de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening op 10 december 2003 het, thans bestreden, bijzonder plan van aanleg “Sectoraal BPA Zonevreemde Bedrijven - Fase 1B” van de gemeente Kruishoutem heeft goedgekeurd; dat de afdeling stedenbouwkundige vergunningen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap op 26 januari 2004 over de milieuvergunningsaanvraag van de n.v. EUROSLACH een gunstig advies heeft verleend met betrekking tot de gebouwen die volledig gesitueerd zijn binnen de grenzen van de zones voor lokale bedrijvigheid en aanverwante activiteiten, vastgelegd in het sectoraal BPA en een ongunstig advies heeft verleend met betrekking tot het gedeelte van de werkplaats en van het bijgebouw, gelegen in de bufferzone; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kruishoutem op 3 mei 2004 aan de n.v. EUROSLACH een stedenbouwkundige vergunning voor “het regulariseren van slachterij”, met verwijzing naar het bijzonder plan van aanleg “Sectoraal BPA Zonevreemde Bedrijven - Fase 1B”, heeft verleend; dat de gemachtigde ambtenaar op 27 mei 2004 de voornoemde stedenbouwkundige vergunning heeft geschorst wegens strijdigheid met het voornoemde BPA; dat de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw bij besluit van 27 mei 2004 het beroep van de n.v. EUROSLACH tegen de beslissing van 16 oktober 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen heeft verworpen en de milieuvergunning voor het exploiteren van een pluimvee- en wildslachterij heeft geweigerd; Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending aanvoeren van de artikelen 14, vierde en vijfde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van de artikelen 4 en 19, § 3, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van X-11.813-4/14 de ruimtelijke ordening (DRO), en van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dat de verzoekende partij in een eerste onderdeel van het middel uiteenzetten wat volgt: “Doordat, eerste onderdeel, de bestreden beslissing vier van het gewestplan totaal afwijkende bestemmingen in het leven roept, zonder dat op gemotiveerde wijze een afweging wordt gemaakt op basis van de principes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV). (...) Terwijl eerste onderdeel, op grond van artikel 14, 4e en 5e lid Coördinatie- decreet, een gemeente geen sectoraal BPA kan aannemen en de minister die niet kan goedkeuren, wanneer er geen ruimtelijke afweging gebeurt op basis van de principes van het RSV. En terwijl uit de bestreden beslissing evenwel is op te maken dat het bestreden BPA is opgemaakt op grond van de bepalingen van artikel 14, 5e lid, maar dat verder in het bestreden besluit, noch in de beslissingen van de gemeenteraad enige concrete afweging gebeurt t.o.v. het RSV. En terwijl de minister zich immers beperkt tot de overweging dat ‘voor de planonderdelen van het voorliggende BPA een minimale ruimtelijke afweging gebeurde die strookt met de principes van het RSV’, en hieruit besluit dat ‘daarmee is voldaan aan de tweede voorwaarde voor de toepassing van artikel 14 van het decreet van 22 oktober 1996’. En terwijl echter noch in het gemeenteraadsbesluit dd. 10 juni 2003, noch in de beslissing houdende definitieve aanvaarding dd. 15 september 2003 enige concrete afweging is terug te vinden, behalve dan de gratuite overweging dat het BPA het resultaat is ‘van een deugdelijke ruimtelijke afweging’ en dat ‘rekening werd gehouden met de elementen van het RSV’ (cf. besluit dd. 10 juni 2003). En terwijl daarnaast in het besluit van 15 september 2003 enkel wordt geponeerd dat rekening werd gehouden ‘met twee belangrijke principes inzake zonevreemde activiteiten in het buitengebied die uit het RSV kunnen worden afgeleid’, maar verder niet worden aangetoond hoe dit dan wel concreet zou zijn gebeurd. En terwijl ook in de Toelichting bij het sectoraal BPA geen enkele verwijzing naar het RSV is terug te vinden. En terwijl er in casu dan ook geen voldoende ruimtelijke afweging is gebeurd op basis van de principes van het RSV, zodat de minister onterecht goedkeuring heeft verleend aan het bestreden sectoraal BPA”; Overwegende dat de eerste verwerende partij zich heeft onthouden van elk verweer; Overwegende dat de tweede verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert wat volgt: “Eerste onderdeel
- De verzoekende partijen zijn van mening dat in het bestreden besluit, noch in de beslissingen van de gemeenteraad enige concrete afweging is gebeurd tov het RSV. Art. 14, lid 4 DRO stelt in fine dat mede op basis van de principes van het RSV een ruimtelijke afweging moet gebeuren. X-11.813-5/14 De verzoekende partijen halen zelf de passages uit het dossier aan waaruit blijkt dat de bestreden beslissing en de beslissingen daaraan voorafgaand, zich richten naar de bepalingen van het RSV. In de gemeenteraadsbeslissing van 15 september 2003 wordt bovendien duidelijk aangetoond dat de principes van het RSV worden gerespecteerd. De verzoekende partijen betwisten dit niet : ‘Overwegende dat bij het sectoraal BPA rekening werd gehouden met twee belangrijke principes inzake zonevreemde activiteiten in het buitengebied die uit de omzendbrieven en uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen kunnen afgeleid worden;
- Nieuwe vestigingen van bedrijven of volledige vervangingsbouw van bestaande bedrijven, welke strijdig zijn met de optie ‘behoud van de open ruimte’ en bij deze dus als zonevreemd kunnen worden beschouwd, zijn uitgesloten.
- Bestaande zonevreemde economische activiteiten in het agrarisch gebied kunnen behouden blijven en indien mogelijk ook uitbreiden, zolang de ruimtelijke draagkracht van de omgeving niet wordt overschreden. Een maximaal verweven van bestaande zonevreemde activiteiten die met activiteiten in hun onmiddellijke (on)bebouwde omgeving wordt nagestreefd, voor zover de hoofdbestemming van de zone waarin deze zonevreemde activiteiten gelegen zijn, kan behouden blijven en kwalitatief niet wordt aangetast.(...)’ Verder verwijst deze gemeenteraadsbeslissing naar deel 1 van het BPA, zijnde de toelichting. De Minister heeft vastgesteld dat door de gemeenteraad een ruimtelijke afweging gebeurde die strookt met de principes van het RSV. De gemeente is niet verplicht om de afweging volledig in de bestreden beslissing over te nemen. De formele motiveringverplichting is niet van toepassing. De toelichting omvat wel degelijk een ruimtelijke afweging (p. 21 en 24 op basis van de classificatie vooropgesteld op de p. 14-16). Deze wordt aangevuld in het addendum bij de toelichting (p. 5-9). Er is geen expliciete verwijzing naar het RSV, maar de aldaar gemaakte afwegingen vormen de concretisering van de principes aangehaald in de bovenvermelde gemeenteraadsbeslissing van 15 september
- De Minister heeft terecht in die zin kunnen oordelen. De verzoekende partijen tonen in dit middel niet aan dat en/of waarom er een schending zou zijn van de principes van het RSV. Enkel in het tweede onderdeel formuleren zij een algemene schending, die echter evenmin als ernstig kan worden beschouwd”; Overwegende dat de tussenkomende partij met betrekking tot het eerste onderdeel van het tweede middel antwoordt wat volgt: “Verzoekers zijn van mening dat geen concrete afweging is gebeurd tov het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV). Dat deze concrete afweging wel degelijk gebeurde blijkt uit - de gemeenteraadsbeslissing van 15 september 2003, waar wordt gesteld: ‘...Overwegende dat bij het sectoraal BPA rekening werd gehouden met twee belangrijke principes inzake zonevreemde activiteiten in het buitengebied die uit de omzendbrieven en uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen kunnen afgeleid worden:
- Nieuwe vestigingen van bedrijven of volledige vervangingsbouw van bestaande bedrijven, welke strijdig zijn met de optie ’behoud van de open ruimte’ en bij deze dus als zonevreemd kunnen worden beschouwd, zijn uitgesloten. X-11.813-6/14
- Bestaande zonevreemde economische activiteiten in het agrarisch gebied kunnen behouden blijven en indien mogelijk ook uitbreiden, zolang de ruimtelijke draagkracht van de omgeving niet wordt overschreden. Een maximaal verweven van bestaande zonevreemde activiteiten (met) activiteiten in hun onmiddellijke (on)bebouwde omgeving wordt nagestreefd, voor zover de hoofdbestemming van de zone waarin deze zone vreemde activiteiten gelegen (zijn), kan behouden blijven en kwalitatief niet wordt aangetast.’ Deze gemeenteraadsbeslissing verwijst bovendien naar de Toelichting van het BPA, waar onder meer op p. 16 e.v. de criteria zijn vermeld en uitgewerkt die bij het beslissingsproces zijn gehanteerd en waaruit blijkt dat er wel degelijk een afweging gebeurde op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, ook uit de toelichting bij de fase 1B (het addendum) blijkt dat er in concreto een ruimtelijke afweging is gebeurd op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. - principe RSV: gedeconcentreerde bundeling Op p. 8 van het addendum (Toelichting specifiek voor tussenkomende partij) wordt voor tussenkomende partij uitdrukkelijk verwezen naar de bestaande ruimtelijke structuur (ontsluiting, bestaande bebouwing, begrenzing door de Lozerbeek), evenals naar het feit dat in de buurt nog enkele andere bedrijven aanwezig zijn, hiermee rekening houdend oordeelt men dat deze bestaande ruimtelijke structuur verdere ruimtelijke ontwikkeling toelaat, zij het dan beperkt naar omvang en activiteiten.. - principe RSV : infrastructuren als bindteken en basis voor locatie van activiteiten Op p. 8 van het addendum wordt uitdrukkelijk verwezen naar de ligging aan een goed uitgeruste verbindingsweg tussen Nazareth en Kruishoutem. - principe RSV het fysisch systeem is ruimtelijk structurerend Op p. 8 van het addendum wordt uitdrukkelijk verwezen naar de huidige begrenzing van de Lozerbeek als element dat ruimtelijke ontwikkeling toelaat. Aldus blijkt dat de huidige intrinsieke kenmerken van het bestaand fysisch systeem richtinggevend was bij het totstandkomen van het BPA. De Minister oordeelde dan ook terecht dat door de gemeenteraad een ruimtelijke afweging gebeurde die strookt met de principes van de RSV”; Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord dupliceren wat volgt: “De bestreden beslissing roept vier van het gewestplan totaal afwijkende bestemmingen in het leven, zonder dat op gemotiveerde wijze een afweging wordt gemaakt op basis van de principes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV)’. De minister beperkt zich echter in het bestreden besluit tot de overweging dat ‘voor de planonderdelen van het voorliggende BPA een minimale ruimtelijke afweging gebeurde die strookt met de principes van het RSV’. Ook in het gemeenteraadsbesluit dd. 10 juni 2003 en in de beslissing houdende definitieve aanvaarding dd. 15 september 2003 is enige concrete afweging terug te vinden, behalve dan de gratuite overweging dat het BPA het resultaat is ‘van een deugdelijke ruimtelijke afweging’ en dat ‘rekening werd gehouden met de elementen van het RSV’ (cf. besluit dd. 10 juni 2003). De verwijzingen die het Vlaamse Gewest thans in de memorie van antwoord hanteert naar de ruimtelijke afweging die is terug te vinden in de Toelichting in het BPA is ter zake niet dienend: nergens is ook maar enige verwijzing naar het RSV terug te vinden. X-11.813-7/14 Dit wordt overigens ook letterlijk toegegeven door tegenpartij in de memorie (...); doch het is al te gemakkelijk om achteraf te beweren dat ‘de aldaar gemaakte afwegingen de concretisering vormen van de principes aangehaald in de gemeenteraadsbeslissing van 15 september 2003’. Het komt niet aan de minister toe om in de plaats te treden van de gemeente, en louter ten behoeve van onderhavige procedure overwegingen aan het gemeentebestuur toe te schrijven die helemaal niet uit de tekst van de toelichting of de gemeenteraadsbesluiten blijken. Tegenpartij geeft m.a.w. zelf toe dat in de Toelichting geen concrete elementen zijn terug te vinden waaruit een ruimtelijke afwegingen mede op basis van de principes van het RSV moet blijken. Ook het tweede middel is dan ook gegrond. Voor de overige onderdelen van het tweede middel verwijzen beroepers naar de uiteenzetting in het beroep tot nietigverklaring”; Overwegende dat de tweede verwerende partij in de laatste memorie opnieuw verwijst naar de gemeenteraadsbeslissing van 15 september 2003, waarin ook wordt verwezen naar het deel 1 van het BPA, zijnde de toelichting; dat zij vervolgens stelt dat de gemeente niet verplicht is om de afweging volledig in de bestreden beslissing over te nemen, aangezien de formele motiveringsverplichting niet van toepassing is, en dat de “toelichting sectoraal BPA zonevreemde bedrijven” een ruimtelijke afweging omvat op basis van de classificatie vooropgesteld op de p. 14-16, nl. op p. 21 en 24, waar onder meer wordt gesteld: “...
- Situatie : bedrijfsvoering op een terrein van 37.673 M2 waarvan 80% bebouwde oppervlakte. De loodsen gevestigd op perceel 42 7b worden voor opslag verhuurd aan derden, zonder relatie met de bestaande bedrijfsvoering. Bedrijf wenst een bebouwde oppervlakte van 1.000 m² extra op perceel 428 y aansluitend aan bestaande bedrijfsgebouw (gedeeltelijke sloop). ...
- Ruimtelijke criteria 3.
- Bedrijf is gelegen nabij woonkern van Lozer (overzijde van de straat). Ruimtelijke relatie met potentiële verkaveling op perceel 425 d2 gelegen tussen bedrijf en Nazarethsesteenweg N 437 dient nader onderzocht. 3.
- Rechtstreekse ontsluiting op verbindingsweg Nazarethsesteenweg N 437 3.
- De lokale landschappelijke structuur wordt gedomineerd door de bebouwing van Lozer (Ouwegemse- en Nazarethsesteenweg), de huidige bedrijfsgebouwen van de nv Euroslach, en de bomenrij langs de achterliggende Lozerbeek. De visuele impact van het bedrijf is groot en storend. 3.
- Hinder ...
- Conclusie: gezien de huidige ruimtelijke structuur (ontsluiting, bestaande bebouwing, begrenzing door Lozerbeek) is verdere ruimtelijke ontwikkeling van het bedrijf mogelijk. Gezien de nabijheid van de kern van Lozer, wordt evenwel een beperking naar activiteiten opgelegd. Verdere uitbreiding van het bedrijf wordt toegelaten, mits in X-11.813-8/14 achtname van de randvoorwaarden opgelegd door de omgeving (potentiële verkaveling op perceel 425 d2) = > CATEGORIE 4”; en die wordt aangevuld op p. 5-9: “... Categorisering en selectie Inleiding De gemeente Kruishoutem wenst voor dit bedrijf op deze locatie - en meer algemeen voor alle lokale bedrijven in de gemeente die met een gelijkaardig probleem worstelen - de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden op de betrokken locatie te gaan onderzoeken en indien mogelijk geacht, er toekomstperspectieven te bieden. De gemeente hanteert daarvoor het instrument van het sectoraal B.P.A. Zonevreemde bedrijven. Hiervoor werd een gebiedsgerichte visie geformuleerd, waarna er op een kleiner schaalniveau voor het bedrijf en zijn omgeving een toetsing is gebeurd. Gebiedsgerichte visie Het bedrijf is gelegen in de open ruimte, meer bepaald in het overgangsgebied tussen het zandig en lemig interfluvium. De natuurlijke structuur wordt er bepaald door een hellende topografie versneden door verschillende beekvalleien die tot het Leiebekken behoren. De onregelmatige en ongelijkvormige percelen worden kleiner naarmate verder van het lemig gebied verwijderd. Noordelijk van dit gebied is een boscomplex gelegen. In het gebied is veel opgaand groen aanwezig. De nederzettingsstructuur wordt getypeerd door de aanwezigheid van verschillende kernen, Kruishoutem, Nokere en Lozer. Verspreide bebouwing is in het gebied minder aanwezig en meestal gegroepeerd in woonkorrels. Vaak bevinden zich bedrijven in een woonkorrel. Er zijn ook verschillende kasteelparken. De wegenstructuur bestaat uit de stervormige wegen vanuit de kern van Kruishoutem met een verzamelende en verbindende functie op lokaal vlak, aangevuld met rastervormig net van lokale wegen. In dit gebied zijn verschillende beperkt ruimtelijke kwetsbare gebieden aanwezig. Zeer ruimtelijk kwetsbaar zijn het Lozerbos en het gebied zuidelijk van Nokere met enkele kasteelparken en bosjes. Situatieschets Huidige situatie De nv Euroslach is een pluimveeslachterij, die bij de oprichting ook een pluimveekwekerij was. Momenteel is er geen activiteit meer inzake pluimveekwekerij en worden de loodsen op perceel 427b gedeeltelijk gebruikt voor opslagplaats en gedeeltelijk verhuurd aan andere bedrijven voor opslag. Op de percelen die in het BPA vallen zijn de slachterij (met opslagruimtes) en de bedrijfswoning gevestigd. Daarnaast wordt ook het perceel 430b gebruikt. En verder : Ruimtelijke criteria Ligging Het bedrijf is gelegen in een woonlint dat aansluit op de kern van Lozer. In de omgeving zijn nog enkele bedrijven, zoals de nv Vindevogel, aanwezig. Het bedrijf is gedeeltelijk gelegen in beperkt ruimtelijk kwetsbaar gebied. Ontsluiting De Nazarethsesteenweg is een goed uitgeruste verbindingsweg tussen Kruishoutem en Nazareth. Hinder 1977: 36 gezinnen uiten klachten in verband met hinder bij de gemeente/provincie/volksgezondheid .. : geurhinder, vliegenlast, lozen van mest,... X-11.813-9/14 Geluidsoverlast - vanwege ventilatoren (24u/24u) koelinstallaties, Pomp waterzuivering - laden en lossen zowel ’s nachts als overdag: toelevering levende dieren 6 maal per dag waarvan 2 maal ’s nachts, het afhalen van het slachtafval en afhalen geslachte dieren gebeurt enkel overdag, - gestationeerde ventilerende koelwagens, bedrijf functioneert eveneens ’s nachts. Geurhinder - vanwege slachtafval, bloed apart opgeslagen en dagelijks opgehaald, pluimen opgeslagen in betonnen put dat wordt geledigd als hij vol is (wordt niet afgesloten) - afhalen andere slachtafval in vrachtwagen die openstaat aan de lucht en max. 4 á 5 uur blijft staan in afwachting van ophaling, er is geen langdurige opslag van afval op de site. - Vanwege waterzuivering, er zijn bijkomende maatregelen getroffen, volledig uitsluiten van geurhinder is onmogelijk Visuele hinder - het bedrijf heeft een rommelige aanblik wat voor visuele hinder zorgt Socio-economische criteria Typen Het bedrijf vestigde zich ter plaatse in 1969 en telt 33 werknemers. Eigendomstructuur De gebruikte percelen zijn in eigendom. Besluit: categorie en selectie Het bedrijf Euroslach nv wordt als ‘cat. 4’ gecategoriseerd. Gezien de huidige ruimtelijke structuur (ontsluiting, bestaande bebouwing, begrenzing door Lozerbeek) is verdere ruimtelijke ontwikkeling van het bedrijf mogelijk. Gezien de nabijheid van de kern van Lozer, en een potentiële verkaveling, wordt evenwel een beperking naar omvang en activiteiten opgelegd. Volgende beperkingen worden daarbij opgelegd: - de typeactiviteit wordt beperkt tot de huidige bedrijfsactiviteit, namelijk een vleesverwerkend bedrijf - de begrenzing van het BPA beperkt zich tot de voor het bedrijf noodzakelijke percelen - aan de straatzijde van het perceel zijn enkele minder hinderlijke aanverwante bedrijfsactiviteiten, zoals parking, kantoor e.d. toegestaan - schaalvergroting van de bestaande bedrijfsgebouwen en verhardingen worden beperkt - de bouwhoogte wordt beperkt - de afstand van de bedrijfsgebouwen tot de perceelsgrens wordt bepaald in relatie tot de bouwhoogte - er moet een groenbuffer en voortuin aangelegd worden ...”; dat zij besluit dat hieruit duidelijk blijkt dat er geen “nieuwe vestigingen van bedrijven of volledige vervangingsbouw van bestaande bedrijven, welke strijdig zijn met de optie ‘behoud van de open ruimte’ worden opgericht”, en anderzijds dat “de ruimtelijke draagkracht van de omgeving niet wordt overschreden”, en dat de minister aldus terecht tot zijn besluit is kunnen komen; X-11.813-10/14 Overwegende dat artikel 14, vierde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, luidt als volgt : “Wanneer een streek-, gewest- of algemeen plan bestaat, richt het bijzonder plan zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken”; Overwegende dat het vijfde lid van hetzelfde artikel, zoals van toepassing op het ogenblik van het bestreden besluit, luidde als volgt : “Gedurende een periode van vijf jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling, kan het bijzonder plan van aanleg afwijken van de voorschriften van het gewestplan wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, § 1, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen”; Overwegende dat uit deze bepalingen volgt dat de gemeente geen sectoraal bijzonder plan van aanleg waarin wordt afgeweken van de voorschriften van het gewestplan kan aannemen en de minister dit niet kan goedkeuren, o.m. wanneer er geen ruimtelijke afweging is gebeurd mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; Overwegende dat er geen betwisting over bestaat dat het bestreden bijzonder plan van aanleg afwijkt van de voorschriften van het gewestplan; dat het bestreden ministerieel besluit omtrent de ruimtelijke afweging mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen overweegt wat volgt : “Overwegende dat voor de planonderdelen van het voorliggende BPA, zoals blijkt uit de ‘toelichting sectoraal BPA zonevreemde bedrijven’ en de ‘toelichting sectoraal BPA zonevreemde bedrijven-fase 1B’ een minimale ruimtelijke afweging gebeurde die strookt met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; dat daarmee voor de hierna goedgekeurde plan- onderdelen is voldaan aan de tweede voorwaarde voor de toepassing van artikel 14 van het decreet van 22 oktober 1996, zoals gewijzigd door het decreet van 18 mei 1999”; Overwegende dat het bestreden ministerieel besluit zich aldus beperkt tot de algemene motivering dat er een “minimale ruimtelijke afweging” is gebeurd mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; dat dit besluit evenwel niet concreet uiteenzet waaruit die “minimale ruimtelijke X-11.813-11/14 afweging” dan wel bestaat; dat in het gemeenteraadsbesluit van 10 juni 2003 houdende de voorlopige aanvaarding van het sectoraal bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven evenmin enige concrete afweging terug te vinden is; dat dit gemeente-raadsbesluit zich beperkt tot de overweging dat het ontwerp van het sectoraal bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven het resultaat is van een deugdelijke ruimtelijke afweging, zoals blijkt uit deel 1 van het bijzonder plan van aanleg en dat rekening werd gehouden met de elementen van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; Overwegende dat het gemeenteraadsbesluit van 15 september 2003 houdende de definitieve aanvaarding van het sectoraal bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven zich ertoe beperkt te stellen dat rekening werd gehouden “met twee belangrijke principes inzake zonevreemde activiteiten in het buitengebied die uit het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen kunnen worden afgeleid”, met name: “
- Nieuwe vestigingen van bedrijven of volledige vervangingsbouw van bestaande bedrijven, welke strijdig zijn met de optie ‘behoud van de open ruimte’ en bij deze dus als zonevreemd kunnen worden beschouwd, zijn uitgesloten.
- Bestaande zonevreemde economische activiteiten in het agrarisch gebied kunnen behouden blijven en indien mogelijk ook uitbreiden, zolang de ruimtelijke draagkracht van de omgeving niet wordt overschreden. Een maximaal verweven van bestaande zonevreemde activiteiten met activiteiten in hun onmiddellijke (on)bebouwde omgeving wordt nagestreefd, voor zover de hoofdbestemming van de zone waarin deze zonevreemde activiteiten gelegen zijn, kan behouden blijven en kwalitatief niet wordt aangetast”; Overwegende dat het sectoraal BPA is opgevat als een voorafname op het gemeentelijke structuurplanningsproces; dat de voorwaarde dat “een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen” kadert in deze doelstelling; dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, naast een informatief gedeelte, ook een richtinggevend en een bindend gedeelte bevat; dat luidens artikel 19, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening het bindend gedeelte bindend is, onder meer voor het Vlaamse Gewest, de diensten van de Vlaamse regering en de besturen die onder het administratief toezicht staan van het Vlaamse Gewest; dat luidens artikel 19, § 3, eerste lid, van hetzelfde decreet het richtinggevend gedeelte het deel van het ruimtelijk structuurplan is waarvan een overheid bij het nemen van beslissingen niet mag afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende X-11.813-12/14 maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen, waarbij de uitzonderingsgronden voor een afwijking “uitgebreid” dienen te worden “gemotiveerd” , en deze “in geen geval een aanleiding (mogen) zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen”; dat uit de door de tweede verwerende partij geciteerde gedeelten uit de toelichtingsnota niet blijkt dat er een toetsing is geweest van het betrokken sectoraal BPA aan de principes van zowel het bindend als van het richtinggevend gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, maar, zoals in het gemeenteraadsbesluit van 15 september 2003 zelf gesteld, slechts aan twee principes inzake zonevreemde activiteiten in het buitengebied; dat het middel in zoverre gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het bijzonder plan van aanleg “Sectoraal BPA Zonevreemde Bedrijven - Fase 1B” definitief aangenomen door de gemeenteraad van de gemeente Kruishoutem bij besluit van 10 juni 2003 en goedgekeurd bij besluit van 10 december 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-11.813-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig juni 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.813-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.778 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.976 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div