← België

Arrest 172836 - Politie - 28/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.836 Rolnummer: A. 95049/XII-2739 Zaak: Arrest 172836 - Politie - 28/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-20 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-29 21:31 Fiche Arrest nr 172.836 van 28 juni 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 172.836 van 28 juni 2007 in de zaak A. 95.049/XII-

  1. In zake : Emile LAUWERS, die woonplaats kiest bij advocaat A. De Roeck, kantoor houdende te Antwerpen, Jan Van Rijswijcklaan 6 tegen :
  2. de STAD ANTWERPEN,
  3. het VLAAMSE GEWEST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Emile Lauwers op 30 augustus 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het Ministerieel Besluit van 30 juni 2000 houdende goedkeuring van het Besluit van de Burgemeester van Antwerpen van 28 maart 2000 houdende het opleggen van de tuchtsanctie van schorsing voor een week aan de heer Emile Lauwers, politieagent-hoofdbrigadier, alsook van de beslissing van de Burgemeester van Antwerpen van 28 maart 2000 houdende het opleggen van een tuchtstraf van schorsing voor een week aan de heer Lauwers”; Gezien de memorie van antwoord van de verwerende partijen en de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 1 april 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; XII-2739-1/20 Gelet op de beschikking van 21 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 januari 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Haegeman, die loco advocaat A. De Rouck verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. Van Der Straten, die verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  5. Op 1 april 1965 treedt verzoeker in dienst van de stad Antwerpen als politieagent. Hij wordt achtereenvolgens bevorderd tot politieagent-brigadier en politieagent-hoofdbrigadier. 1.
  6. Luidens een onderrichting van 5 november 1997 met betrekking tot interventies “101”, gebeurt de aansturing van alle “101”- opdrachten centraal vanuit de meldkamer, rechtstreeks naar de verschillende interventiepatrouilles en zal indien een dringende oproep via het zonecommissariaat wordt gemeld, de “TCK” onmiddellijk in kennis worden gesteld, die een patrouille zal aansturen. 1.
  7. Bij brief van 27 juni 1999 deelt adjunct-commissaris van politie Haverhals aan commissaris Van der Staey het volgende mee: “Op 27 juni 1999, te 18.53 uur, kregen wij een oproep ‘101’ van enkele personen die opgesloten bleken op het kerkhof Schoonselhof. Vernamen van deze oproeper dat men reeds naar bureel St-Bernardsesteenweg had gebeld, doch men aldaar verwees naar het noodnummer ‘101’. De oproepers kloegen over het feit dat zij zéér onvriendelijk door personeelslid van bureel te woord werden gestaan. Volgens de vigerende onderrichtingen dient planton, wanneer hij een telefonische vraag krijgt voor politietussenkomst, al de nuttige gegevens te noteren en dit te melden aan TCK. XII-2739-2/20 Call-taker agent Franky De Bergé stelde zich telefonisch in verbinding met planton (Emiel Lauwers) en kreeg, nadat hij verwees naar de juiste werkwijze, het volgende antwoord: ‘ik kan het mij niet meer aantrekken, ik ga binnenkort op pensioen’. Wij vinden deze werkwijze alles behalve klantvriendelijk en zijn van mening dat men ten dienste staat van de bevolking tot de dag van oppensioenstelling”. Bij brief van 30 juni 1999 deelt de voormelde commissaris van politie verzoeker het volgende mee: “Naar aanleiding van de recente door U gedane uitlatingen naar een collega van TCK, ben ik de mening toegedaan dat U niet kunt functioneren aan het onthaal. In onderling overleg met de hoofdcommissaris verricht U vanaf heden een aangepaste administratieve dienst zonder in contact te komen met het publiek. Onze dienst intern toezicht zal inzake deze aangelegenheid een tuchtonderzoek starten. In afwachting van het resultaat van dit onderzoek verricht U vanaf heden dienst van maandag tot en met vrijdag van 8 tot 16 u”. Op 26 augustus 1999 vordert verzoeker de nietigverklaring van deze beslissing hem over te plaatsen naar een administratieve 8-urendienst zonder contact met het publiek. Bij arrest nr. 160.754 van 29 juni 2006 wordt dat beroep verworpen. 1.
  8. Op 2 augustus 1999 wordt Franky De Bergé, de politieagent die op 27 juni 1999 telefonisch contact opnam met verzoeker, administratief verhoord. Hij verklaart dat hij op 27 juni 1999 een oproep 101 kreeg waarbij een dame zich erover beklaagde dat zij onvriendelijk te woord was gestaan door de planton van de politie Wilrijk, dat hij, na het nodige gevolg aan de oproep te hebben gegeven, contact heeft opgenomen met de planton van zone zuid, zijnde verzoeker, dat laatstgenoemde geargumenteerd heeft dat hij binnen een maand op pensioen ging en het zich allemaal niet meer kon aantrekken. De Bergé verklaart voorts dat hij de adjunct-commissaris van het gebeuren in kennis heeft gesteld. Op 3 augustus 1999 wordt Lea Clauw, de dame die telefonisch contact had met verzoeker en vervolgens met Franky De Bergé, administratief verhoord. Zij verklaart dat zij op 27 juni 1999 naar de politie belde omdat er een vijftal wagens opgesloten waren in het Schoonselhof, dat de man die zij aan de lijn kreeg zeer onbeleefd reageerde en zei dat hij niemand op het bureau had om naar het Schoonselhof te sturen en dat hij geen tijd had, dat hij op haar vraag of zij als uitbaatster van een nabijgelegen herberg geen sleutel van het kerkhof kon krijgen bruut reageerde, zeggende dat hij daarmee geen zaken had, omdat het regelmatig XII-2739-3/20 voorvalt dat voertuigen op het kerkhof worden geblokkeerd; dat zij dan maar naar het noodnummer 101 heeft gebeld en dat zij de handelwijze van de politie van Wilrijk volledig ongepast vindt. Op 31 augustus 1999 wordt verzoeker administratief verhoord. Hij overhandigt een verslag over de feiten van 27 juni 1999 dat hij zelf heeft opgesteld en verklaart dat hij hieraan niets toe te voegen heeft. Volgens het verslag vernam hij op 27 juni 1999 via een telefonische oproep dat er iemand opgesloten zat op het Schoonselhof, vroeg hij de dame in kwestie zich tot het nummer 101 te wenden, werd hij nadien door collega De Bergé opgebeld die hem agressief en onbeleefd toeriep dat dit niet de werkwijze was, waarop hij hem kwaad heeft toegeroepen dat hij zich dit alles zo weinig mogelijk aantrok daar hij toch bijna op pensioen ging. In een verslag van 31 augustus 1999 van de dienst intern toezicht wordt het telefonisch gesprek tussen Lea Clauw en Franky De Bergé en het telefonisch gesprek tussen Franky De Bergé en verzoeker uitgetypt. Op 20 september 1999 verzoekt de dienst intern toezicht de commissaris van politie een advies te formuleren over de wijze waarop verzoeker gewoonlijk zijn taken uitvoert. Op 30 september 1999 verstrekt de commissaris het gevraagde, over de gehele lijn negatieve, advies. Op 10 november 1999 stelt de waarnemend hoofdcommissaris lastens verzoeker een tuchtverslag op in verband met de feiten die zich op 27 juni 1999 voordeden. Hij wijst erop dat verzoekers handelwijze niet correct is aangezien hij “TCK” onmiddellijk op de hoogte diende te brengen van de oproep en dat de wijze zelf waarop verzoeker de oproepster te woord stond volledig in strijd is met de korpsvisie, die een klantgerichte dienstverlening wil verzekeren. Hij is dan ook van mening dat verzoeker tekortkwam aan zijn beroepsplicht en dat hij het korps door zijn klantonvriendelijke optreden een negatief imago bezorgde. Gezien verzoekers staat van dienst en het verslag van de commissaris waaruit blijkt dat herhaalde terechtwijzingen met betrekking tot zijn verkeerde attitude niet resulteerden in een positieve gedragswijziging, stelt hij een bestraffing met één week schorsing voor. Bij aangetekende brief van 22 december 1999 wordt het verslag van de waarnemend hoofdcommissaris aan verzoeker bezorgd en wordt hij door de XII-2739-4/20 burgemeester uitgenodigd om in zijn middelen van verdediging te worden gehoord op 11 januari
  9. Op verzoek van verzoekers verdediger wordt de hoorzitting uitgesteld tot 22 februari
  10. Verzoeker is zelf niet aanwezig op de hoorzitting. Zijn verdediger legt een pleitnota neer met een aantal bijgevoegde stukken, waaronder een brief van 13 september 1999 van neuropsychiater Otte waarin deze onder meer de aandacht vestigt op verzoekers uiterst moeilijke levensomstandigheden gedurende de laatste jaren. 1.
  11. Bij besluit van 28 maart 2000 van de burgemeester van Antwerpen wordt verzoeker de tuchtstraf van schorsing gedurende één week opgelegd. Dat besluit, dat te dezen wordt bestreden, luidt : “gelet op • artikel 292, paragraaf 1, 2de lid, van de nieuwe gemeentewet; • het verslag van 10 november 1999 van de hoofdcommissaris van politie ten laste van politieagent-hoofdbrigadier Emile Lauwers (nr. 1-3907251- 70/20575) waaruit het volgende blijkt : Op 27 juni 1999 te 18h53 kreeg de radiokamer een oproep via de noodlijn ‘101’ voor opgesloten personen op het kerkhof Schoonselhof. De operator in de radiokamer vernam van oproepster dat zij reeds naar het bureel Wilrijk had getelefoneerd doch dat de agent aan de telefoon haar op een zeer onvriendelijke wijze had verwezen naar zijn oversten. Geschrokken door de reactie van de politieagent telefoneerde zij naar het noodnummer ‘101’. Wanneer een radio-operator van TCK zich vervolgens telefonisch in verbinding stelt met P/Z/KS krijgt hij politieagent-hoofdbrigadier Emile Lauwers aan de lijn. Betrokkene bekent dat hij de persoon was die oproepster te woord stond. Wanneer de radio-operator betrokkene wijst op zijn verkeerde handelwijze, antwoordt betrokkene dat hij het zich niet meer kan aantrekken en binnenkort met pensioen gaat. Uit de verklaring van de oproepster blijkt dat betrokkene destijds aan de telefoon zegde dat hij niemand op het bureel had om naar het het Schoonselhof te sturen en dat hij geen tijd had. Toen zij informeerde of zij geen sleutel kon bekomen van de poort van het kerkhof reageerde betrokkene brutaal en zei : ‘Daar heb ik geen zaken mee, ge moet naar den overste bellen’. Uit de verklaring van betrokkene blijkt dat hij aan oproepster vroeg om zich te wenden tot het nummer ‘101’ daar deze alleen dienstwagen mogen uitsturen. Deze handelwijze is niet correct. Betrokkene diende zelf TCK onmiddellijk in kennis te stellen van de oproep zoals bepaald op de politiedagorders van 5 november
  12. Bovendien was de wijze waarop betrokkene oproepster te woord stond volledig in strijd met de korpsvisie, die een klantgerichte dienstverlening wil verzekeren. overwegende dat • de hoofdcommissaris van politie voorstelt betrokkene te straffen met de schorsing gedurende één week; XII-2739-5/20 • de betrokkene tijdig en regelmatig werd opgeroepen om, overeenkomstig artikel 299 van de nieuwe gemeentewet, te worden gehoord in zijn middelen van verdediging; • de betrokkene niet aanwezig was op de zitting van 22 februari 2000, doch werd gehoord bij monde van zijn verdediger, de heer Paul Van Dessel, en dat diens verklaringen werden genoteerd in het proces- verbaal van verhoor; De heer Paul Van Dessel in zijn omstandige pleitnota, die bij het dossier wordt gevoegd, ondermeer de uiterst moeilijke levensomstandigheden van Emile Lauwers gedurende de laatste jaren aanhaalt. De vage omschrijving van de gewenste attitudes zijn een subjectief gegeven om te hanteren naar goedkeuren. De aangeklaagde feiten vonden plaats op een zeer druk moment waarbij een opsomming wordt gegeven van de uit te voeren taken door een planton bij een ploegenwissel. De onderrichtingen in de politiedagorders van 5 november 1997 zijn in de praktijk vaak zo goed als onuitvoerbaar. Er is betwisting over het weergeven van de feiten. Door de burger door te verwijzen heeft betrokkene correct gehandeld. Betrokkene werd door commissaris Van Der Staey in 1999 gunstig geëvalueerd en op 30 september stelt dezelfde commissaris een negatief verslag op over de wijze van dienen. Verder heeft commissaris Scheyvaerts zijn opvolger gewaarschuwd voor de syndicale engagement van Emile Lauwers en andere zaken geïnsinueerd, zonder deze zaken met bewijsmateriaal te staven. De argumentatie om over te gaan tot een dringende ordemaatregel is dan ook zeer mager. De aangehaalde ‘bewijzen’ rechtvaardigen de voorgestelde straf niet. De ordemaatregel kost betrokkene ongeveer 250.000.- BEF. Verschillende stukken worden nog bij het dossier gevoegd. De heer Paul Van Dessel schetst de heer Emile Lauwers als een goede collega en vraagt om de uitspraak in deze zaak naar juiste proporties terug te leiden. • de burgemeester het volgende stelt : De feiten worden niet weerlegd. Betrokkene heeft zijn taak niet op de voorgeschreven wijze vervuld, hij was tevens klantonvriendelijk en bracht het korps een negatief imago toe. • de feiten zoals beschreven in het verslag van de hoofdcommissaris bewezen zijn; • deze feiten een tekortkoming aan de beroepsplicht uitmaken en bijgevolg overeenkomstig artikel 282 van de nieuwe gemeentewet, in aanmerking komen voor tuchtrechtelijke bestraffing; • de strafmaat, voorgesteld door de hoofdcommissaris in verhouding staat tot de feiten, mede gelet op de reeds opgelopen en nog niet doorgehaalde tuchtstraffen; • deze beslissing van de openbaarheid moet worden uitgesloten ter eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene; neemt akte van de verklaringen van betrokkene [...]”. 1.
  13. Op 2 mei 2000 stelt verzoeker, op grond van artikel 5 van het decreet van 24 juli 1991 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de handelingen betreffende tucht- en sommige ordemaatregelen genomen ten opzichte van het gemeentepersoneel bedoeld in de nieuwe gemeentewet, tegen het eerste aangehaalde bestreden besluit beroep in bij de toezichthoudende overheid. XII-2739-6/20 Op 23 mei 2000 worden verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, en de stad Antwerpen, vertegenwoordigd door adjunct-commissaris-hoofdinspecteur Peenen, gehoord. Bij besluit van 30 juni 2000 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport wordt het besluit van de burgemeester goedgekeurd. Dit eveneens bestreden besluit luidt : “Overwegende dat de tuchtstraf van schorsing voor een week werd opgelegd omdat betrokkene op een klantonvriendelijke wijze een burger telefonisch te woord heeft gestaan en hij in strijd met de politiedagorders een burger heeft doorverwezen naar het noodnummer terwijl hij zelf de betrokken dienst diende in kennis te stellen; Overwegende dat betrokkene als verweer in zijn beroepsschrift stelt dat hij de dame die hem opbelde heeft doorverwezen naar het noodnummer omdat die alleen dienstwagens kon uitsturen; dat betrokkene een telefonische woordenwisseling had met een collega van de dienst 101 die hem terechtwees zonder naar hem te luisteren en een eenzijdig verhaal doorgaf aan de hiërarchische overste; dat hij niet onbeleefd of onvriendelijk was tegen de burger maar enkel kort; dat volgens hem de woordenwisseling met de collega aanleiding gaf tot het tuchtonderzoek; dat de feiten niet bewezen zijn; dat hij op de meest efficiënte wijze heeft gehandeld en dit misschien kort overkwam; dat de tuchtsanctie boven op de ordemaatregel van overplaatsing met weddeverlies niet in verhouding staat met de feiten; dat geen rekening wordt gehouden met zijn gunstige evaluaties en zijn gezondheidstoestand; Overwegende dat bij het dossier een uitgetypt verslag is gevoegd van het telefoongesprek dat de dame die eerst betrokkene heeft gecontacteerd, heeft gevoerd met centrale 101, evenals van het gesprek van de operator van de noodcentrale met betrokkene; dat uit dit gesprek blijkt dat betrokkene de dame inderdaad heeft doorgestuurd naar de centrale 101; dat betrokkene hier nog heeft aan toegevoegd dat hij geen zaken heeft met haar probleem en dat ze maar zijn overste moet contacteren; dat de betrokken dame ondervond dat zij op een brute wijze werd behandeld; Overwegende dat de perceptie in hoofde van de dame van de wijze waarop ze telefonisch werd behandeld, duidelijk aangeeft dat ze niet werd aangesproken zoals ze verwacht had; dat de uitleg die betrokkene aan haar heeft gegeven misschien wel juist is, maar dat de wijze waarop dit gebeurde niet gepast was en niet getuigt van de klantvriendelijkheid waarvan overheidsdiensten dienen te getuigen; Overwegende dat betrokkene de inhoud van het telefoongesprek tussen hem en de dame, zoals door de dame verteld aan de centrale 101, niet ontkent maar enkel tracht in te kleden; dat het relaas van de dame voldoende aantoont dat zij door betrokkene onbeleefd werd te woord gestaan; dat dit ook blijkt uit de verbazing van de vrouw en het feit dat ze zegt dat ze maar wil helpen; dat bij een normaal dienstbetoon de oproepende klant niet op dergelijke wijze zou reageren of zich verplicht zou voelen om te bevestigen dat hij het goed meent; dat het van geen belang is of die dame het optreden van betrokkene bruut vond zonder zelf het woord onbeleefd te gebruiken; dat de inhoud van de weergegeven conversatie op zich duidelijk aangeeft dat zij niet beantwoordt aan wat geldt als algemene beleefdheidsnormen; XII-2739-7/20 Overwegende dat voornamelijk het onthaal door politiediensten cruciaal is in het contact met de burger; dat de burger meestal, zoals in casu, slechts de politie contacteert indien men geen andere oplossing mogelijk acht; dat burgers steeds op een gepaste wijze moeten opgevangen worden en dat hen moet duidelijk gemaakt worden dat men hen zal helpen; dat dit niet gebeurt door hen op een brute wijze door te sturen of te laten aanvoelen dat ze met hun problemen op het verkeerde adres zijn; Overwegende dat voornamelijk de rol van de politie als hulpverlener ernstig moet worden genomen in een tijdperk waarin getracht wordt de overheidsdiensten en voornamelijk de politie op een burgergerichte wijze te laten functioneren met oog voor de problemen en verwachtingen van de klant; dat de houding van betrokkene in het telefonisch contact waarvan sprake, hier niet van getuigt; dat de omstandigheden waarin de feiten zich voordeden, de drukte op het kantoor, de ploegwissel, geen reden kan zijn om oproepers af te schepen; dat in een zelfde moeite de burger op een vriendelijke wijze kan geholpen worden waardoor klachten tegen het politieoptreden worden voorkomen; Overwegende dat het niet de conversatie is met zijn collega van de noodcentrale die aanleiding geeft tot het opleggen van de tuchtsanctie, zoals betrokkene ten onrechte voorhoudt; dat de toon van die conversatie bijgevolg van geen belang is evenmin als wat er gezegd werd; dat echter wel blijkt dat betrokkene niet onwetend is over de dienstorders over het doorgeven van oproepen aan de noodcentrale gezien hij excuses zoekt om ze niet te volgen, met name zijn nakende pensionering; dat het niet aan hem toekomt om dienstorders te negeren; dat hij eventueel problemen bij de uitvoering ervan kan melden aan zijn oversten; Overwegende dat het inderdaad wel ingevolge het meedelen van het voorval door die collega aan de hiërarchische overste is, dat de tuchtprocedure werd opgestart; dat niet blijkt dat betrokkene de tenlasteleggingen ontkent zoals ook supra wordt uiteengezet maar enkel inkleedt; dat hij erop wijst dat geen rekening werd gehouden met zijn gunstige evaluaties of gezondheidstoestand; dat de evaluaties niets afdoen aan de tenlasteleggingen maar eerder bevestigen dat betrokkene beter zou moeten weten, gezien zijn goed presteren zoals hij beweert, en zijn gedrag dient bij te sturen; Overwegende dat het ook omwille van zijn gedrag is dat hij werd overgeplaatst naar een administratieve dienst; dat dit op zich geen tuchtmaatregel is maar een ordemaatregel om de goede werking van de dienst te verzekeren; dat indien zijn gedrag te wijten is aan zijn gezondheidstoestand of zijn persoonlijke problemen, de ordemaatregel ook in zijn belang is genomen; dat het niet toekomt aan de beroepsinstantie om in het kader van het beroep tegen de tuchtmaatregel uitspraak te doen over de regelmatigheid van die ordemaatregel; Overwegende dat, om de hiervoor vermelde redenen, het beroep van de betrokkene niet wordt ingewilligd”;
  14. De procedure. Overwegende dat het verzoekschrift door de griffie bij ter post aangetekende brief van 16 november 2000 aan eerste verwerende partij werd meegedeeld; dat eerste verwerende partij haar memorie van antwoord en het administratief dossier pas aangetekend heeft verzonden op 17 januari 2001; dat XII-2739-8/20 voornoemde memorie dienvolgens, met toepassing van artikel 21, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, uit de debatten wordt geweerd;
  15. De grond van de zaak. 3.1.
  16. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel inroept dat de algemene beginselen van bewijsvoering en de motiveringsverplichting werden geschonden, alsook dat de feiten niet bewezen zijn; dat hij stelt dat de tuchtoverheid zich voor de ten laste gelegde feiten eenzijdig heeft gesteund op het verhaal van Franky De Bergé en op grond van dat eenzijdige verhaal reeds onmiddellijk een ordemaatregel heeft genomen die neerkwam op een verkapte tuchtmaatregel, waarin ze duidelijk standpunt innam tegen hem, zonder hem vooraf zelfs maar te horen, dat die onmiddellijk genomen beweerde ordemaatregel bewijst dat de tuchtoverheid de door Franky De Bergé eenzijdig aangebrachte beweerde feiten zonder meer als bewezen aanvaardt, dat de oproepster pas meer dan een maand na de feiten werd gehoord, dat in het verslag voor het eerst wordt gesproken over “onbeleefd zijn” terwijl in het uitgetypte verslag van het gesprek met Franky De Bergé enkel sprake is van “bruut”, dat het woord “onbeleefd” oproepster in het kader van het tuchtonderzoek in de mond werd gelegd, wat een schending inhoudt van de algemene beginselen van de bewijsvoering doordat verzoeker het precieze verloop van oproepsters verhoor niet kan nagaan, dat dan ook enkel rekening kan worden gehouden met de uitgetypte tekst van het gesprek waaruit blijkt dat de oproepster aanvoelde dat hij “kort” was en dat haar voorstel een sleutel van het Schoonselhof te krijgen met hem niet kon worden besproken, dat hij zich tegenover oproepster niet onbeleefd of onvriendelijk gedroeg en hiervan ook nadien overtuigd bleef, dat uit zijn verslag van 2 augustus 1999 blijkt dat hij ervan overtuigd was dat het de woordenwisseling met zijn collega was die aanleiding gaf tot het tuchtonderzoek, dat de bestreden beslissing uit het feit, dat hij zich tracht te verdedigen door te wijzen op de druk die op zijn schouders rust en tracht te relativeren door gewag te maken van zijn vooruitzicht op zijn pensioen, niet terecht kon afleiden dat hij op de hoogte moet zijn geweest van de dienstorders over het doorgeven van oproepen aan de noodcentrale, dat die overweging bovendien irrelevant is voor het bewijs van de beweerde feiten naar de oproepster toe; dat verzoeker besluit dat de feiten zoals omschreven door de tuchtoverheid niet uit de stukken blijken en derhalve niet bewezen zijn, dat de thans door hem ingeroepen argumenten reeds in zijn beroepschrift werden aangevoerd en er in de bestreden beslissing niet afdoende op XII-2739-9/20 werd geantwoord, dat de bestreden beslissingen derhalve tevens de motiveringsplicht schenden; Overwegende dat tweede verwerende partij argumenteert dat verzoekers opmerkingen over de ordemaatregel te dezen niet dienend zijn en het voorwerp uitmaken van een ander beroep tot nietigverklaring, dat het tweede bestreden besluit uitvoerig ingaat op verzoekers argumenten en dan ook beantwoordt aan de vereisten van de motiveringsplicht; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de eenzijdige beweringen van zijn collega onmiddellijk, zonder verhoor van de oproepster of van hemzelf, aanleiding gaven tot het nemen van een ordemaatregel, dat eerste verwerende partij door aldus te handelen alle elementaire rechten van verdediging heeft geschonden met zeer zware gevolgen voor hem, dat de daags na de beweerde feiten genomen ordemaatregel bewijst dat vooral aan de verklaring van zijn collega onevenredig veel belang wordt gehecht en dat deze feiten zonder enig verder onderzoek reeds als bewezen worden beschouwd, dat het verhoor van de oproepster wijst op een zeer gerichte en geleide vraagstelling zodat de objectiviteit ervan ernstig in vraag moet worden gesteld, dat ook hier het recht op een onpartijdig onderzoek wordt geschonden aangezien alle gegevens, zowel “pro” als “contra” betrokkene moeten worden verzameld, dat hij nooit heeft ontkend dat de oproep heeft plaatsgevonden, doch wel de wijze waarop deze oproep en de doorzending plaatsvonden, dat de oproepster hem niet als onbeleefd heeft omschreven, enkel als “kort” en, wellicht onder impuls van de geleide vraagstelling, als “bruut”, dat eerste verwerende partij hieruit zonder meer afleidt dat de feiten bewezen zijn, dat hij zich afvraagt wat wordt bedoeld met “de algemene beleefdheidsnorm” ten aanzien van een oproepster die, ondanks het drukke moment en het tijdstip na de kantooruren, blijft aandringen op het ontvangen van sleutels van het Schoonselhof, dat hij dit niet kon afhandelen maar de oproepster gewoon doorverwees, dat uit het uitgetypte gesprek met zijn collega blijkt dat de oproepster vooral ontstemd is over het feit dat late bezoekers van het Schoonselhof haar al drie jaar aan een stuk lastigvallen omdat zij met hun wagen opgesloten geraken en zij daarom aandringt op een sleutel, dat wanneer de oproepster deze doorverwijzing als een tekortkoming in de dienstverlening zou beschouwen, dit hem niet kan worden verweten, dat verwerende partijen dat wel doen, wat zonder meer aanleiding geeft tot willekeur, dat tweede verwerende partij onterecht beweert dat op zijn argumenten voldoende werd geantwoord, dat ze immers motiveert dat de verbazing XII-2739-10/20 van de oproepster omtrent het feit dat zij door verzoeker niet kon worden voortgeholpen terwijl zij ook maar wou helpen volstaat als bewijs van een inbreuk op de algemene beleefdheidsnorm, wat deze ook moge wezen, dat hieruit blijkt dat ook tweede verwerende partij niet precies weet “hoe de feiten verlopen zijn”, dat zij, in plaats van te besluiten dat de feiten niet en minstens onvoldoende bewezen zijn, teruggrijpt naar een willekeurige en vage omschrijving van een algemene beleefdheidsnorm die door eenieder verschillend wordt ervaren, dat de bestreden beslissingen dan ook elke motivering missen; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie nog argumenteert dat het nemen van de ordemaatregel, alsook het tijdstip en de wijze waarop dit is gebeurd, feitelijke omstandigheden zijn waarmee bij de bewijsvoering en het beoordelen van de wijze waarop de tuchtprocedure werd gevoerd rekening moet worden gehouden, dat het feitelijke verloop na de beweerde tuchtfeiten en de reactie van de tuchtoverheid immers een indicatie zijn van de wijze waarop het tuchtdossier werd behandeld, dat niet kan worden ontkend dat de huidige procedure het resultaat is van de eenzijdige beweringen van Franky De Bergé aangezien diens eenzijdige beweringen zonder enig verhoor van de oproepster of van hemzelf aanleiding gaven tot het nemen van een ordemaatregel, dat aldus de “toon” van het tuchtonderzoek was gezet en het latere verhoor van de oproepster en van hemzelf hieraan niets veranderden; 3.1.
  17. Overwegende dat te dezen enkel uitspraak moet worden gedaan over de regelmatigheid van de bij besluit van 28 maart 2000 aan verzoeker opgelegde tuchtmaatregel en van het ministerieel besluit houdende goedkeuring van voornoemde tuchtmaatregel en niet over de regelmatigheid van de bij brief van 30 juni 1999 aan verzoeker meegedeelde maatregel hem over te plaatsen naar een administratieve 8-urendienst waar hij niet in contact komt met het publiek, waarover de Raad van State in het voormelde arrest nr. 160.754 uitspraak deed; dat verzoekers kritiek op deze ordemaatregel op zich beschouwd te dezen dan ook niet dienend is; Overwegende dat de zaak, nadat de voormelde ordemaatregel was genomen en vooraleer de waarnemend hoofdcommissaris zijn tuchtverslag lastens verzoeker opstelde, door de dienst intern toezicht grondig werd onderzocht, waarbij zowel verzoeker als zijn collega en de oproepster werden gehoord, het telefonisch onderhoud tussen de oproepster en verzoekers collega enerzijds en dat tussen verzoeker en zijn collega anderzijds werden uitgetypt, de adjunct-commissaris werd XII-2739-11/20 gevraagd een kopie van de onderrichtingen waarvan sprake in zijn brief van 27 juni 1999 te bezorgen en de commissaris van politie werd verzocht een advies te formuleren over de wijze waarop verzoeker zijn taken gewoonlijk uitvoert; dat verzoekers argument dat de daags na de beweerde feiten genomen ordemaatregel aantoont “dat vooral aan de verklaring van [zijn collega] onevenredig veel belang wordt gehecht, dat deze beweerde feiten op zich reeds als bewezen worden beschouwd zonder enig verder onderzoek” dan ook niet aanvaardbaar is; dat dan ook geen waarde kan worden gehecht aan verzoekers gratuite bewering dat het verhoor van de oproepster “wijst [...] op een zeer gerichte en geleide vraagstelling zodat de objectiviteit ervan ernstig in vraag dient gesteld te worden”, meer bepaald omdat het woord “onbeleefd”, dat in het uitgetypte verslag van het telefonisch onderhoud tussen de oproepster en verzoekers collega niet voorkomt, “in de vraagstelling in de mond gelegd werd van aanroepster”; Overwegende voorts dat, in zoverre verzoeker met betrekking tot het door de dienst intern toezicht gevoerde onderzoek nog aanvoert dat “de algemene beginselen van bewijsvoering” zijn geschonden doordat hij het precieze verloop van het verhoor van de oproepster niet kan nagaan en dat “het recht op een onpartijdig onderzoek” werd geschonden doordat niet alle gegevens, zowel “pro” als “contra” werden verzameld, moet worden vastgesteld dat er geen beginsel is krachtens hetwelk in tuchtzaken het hele onderzoek tegensprekelijk zou moeten verlopen; dat het dus, indien zoals te dezen aan de tuchtprocedure een administratief onderzoek voorafgaat, geenszins vereist is dat betrokkene aanwezig is bij het horen van personen over de feiten die aan dat onderzoek ten grondslag liggen; dat echter wel -en enkel- vereist is dat betrokkene tijdens de eigenlijke tuchtprocedure de gelegenheid krijgt kennis te nemen van het resultaat van het voorafgaand onderzoek en om het tegen te spreken, vereiste waaraan te dezen werd voldaan; dat voorts de dienst intern toezicht niet enkel de oproepster en verzoekers collega, doch ook verzoeker zelf heeft gehoord; dat voornoemde dienst eveneens heeft nagegaan of er wel degelijk een onderrichting bestaat die bepaalt dat dringende telefonische oproepen voor politietussenkomst door de ontvanger ervan zelf aan TCK moeten worden gemeld; dat verzoeker voor het overige volledig nalaat aan te geven en al evenmin valt in te zien welke andere gegevens “pro” verzoeker nog hadden moeten worden verzameld; Overwegende dat de waarnemend hoofdcommissaris na kennisneming van de resultaten van het door de dienst intern toezicht gevoerde XII-2739-12/20 onderzoek lastens verzoeker een tuchtverslag opstelde dat aanleiding gaf tot het instellen van een tuchtrechtelijke vervolging waarbij verzoeker twee tuchtrechtelijk strafbare feiten ten laste werden gelegd: het niet-naleven van de geldende onderrichtingen met betrekking tot dringende oproepen en zijn klantonvriendelijk optreden naar aanleiding van een dergelijke dringende oproep; Overwegende dat in de pleitnota die verzoekers verdediger naar aanleiding van het verhoor van 22 februari 2000 neerlegde op geen enkel ogenblik wordt betwist dat verzoeker de geldende onderrichtingen niet heeft nageleefd; dat daarin wel wordt aangevoerd dat deze richtlijnen in de praktijk vaak zo goed als onuitvoerbaar zijn en dat men, vooral rond de aflosperiode of bij onbereikbaarheid van TCK “principieel meer rekening [zou] moeten houden met de noden van de burger dan met het strikt naleven van één of andere onderrichting”; dat inzake de tweede tenlastelegging in de pleitnota wordt ingeroepen dat in het tuchtverslag verkeerdelijk wordt gesteld dat verzoeker zou hebben gezegd “dat hij het zich niet kan aantrekken” terwijl uit het uitgetypte gesprek tussen verzoeker en zijn collega blijkt dat zijn collega die woorden heeft uitgesproken; dat in het tuchtverslag inderdaad wordt gesteld: “Wanneer de radio-operator betrokkene wijst op zijn verkeerde handelwijze, antwoordt betrokkene dat hij het zich niet meer kan aantrekken en dat hij binnenkort met pensioen gaat”, terwijl uit het uitgetypte telefoongesprek blijkt dat verzoeker door zijn collega werd gewezen op de geldende richtlijnen, dat verzoeker daarop antwoordde dat hij binnen een maand op pensioen ging, dat zijn collega daarop antwoordde dat hij zich dat niet kon aantrekken en dat zulks niet wil zeggen dat verzoeker niet moet werken volgens de onderrichtingen; dat deze inderdaad foutieve weergave in het tuchtverslag van het gesprek tussen verzoeker en diens collega evenwel geen enkel verband houdt met en bijgevolg geen enkele invloed kan hebben op het bewezen zijn van de tenlastelegging dat verzoeker de oproepster klantonvriendelijk te woord heeft gestaan, tenlastelegging die steunt op het telefoongesprek dat de oproepster voerde met verzoekers collega en op de later door haar afgelegde verklaring; dat in de voornoemde pleitnota verder wordt gesteld : “Het al dan niet uitdelen aan burgers van sleutels van het Schoonselhof is zeer zeker niet de bevoegdheid van een baliemedewerker. Het is dan ook volstrekt normaal dat AHB Lauwers de dame in kwestie verzoekt hierover contact met een overste op te nemen. Mensen die in de huidige context een beroep doen op een overheidsdienst en hierbij niet ogenblikkelijk hun zin krijgen voelen zich vaak enorm verongelijkt. Een eigen sleutel van de stedelijke begraafplaats krijgen kon niet, binnen tien seconden een politiepatrouille aan de voordeur hebben, kon gelet op de omstandigheden al evenmin”; XII-2739-13/20 dat uit het uitgetypte gesprek tussen de oproepster en verzoekers collega en uit de later door de oproepster afgelegde verklaring evenwel nergens blijkt dat zij zich verongelijkt voelde omdat zij niet ogenblikkelijk haar zin kreeg, maar wel -en enkel- door de “brute” wijze waarop zij door verzoeker te woord werd gestaan; Overwegende dat moet worden besloten dat eerste verwerende partij op grond van de argumenten die verzoeker tijdens de hoorzitting aanvoerde en van de stukken van het tuchtdossier rechtmatig, dus zonder de door verzoeker aangehaalde rechtsbeginselen te schenden, tot de bevinding kon komen dat de ten laste gelegde feiten door verzoeker niet worden weerlegd en dat die feiten, zoals beschreven in het verslag van de hoofdcommissaris, bewezen zijn; Overwegende dat verzoeker, om de toezichthoudende overheid alsnog van het tegendeel te overtuigen, aanvoerde

(1)dat de hem ten laste gelegde feiten enkel berusten op het eenzijdige verhaal van zijn collega
(2)dat er in het verhoor van de oproepster voor het eerst sprake is van “onbeleefd” terwijl in het uitgetypte gesprek met zijn collega enkel sprake is van “bruut”, dat bijgevolg het woord “onbeleefd” de oproepster in de mond werd gelegd, dat dan ook enkel rekening kan worden gehouden met de uitgetypte tekst van het gesprek met zijn collega waaruit blijkt dat de oproepster ongetwijfeld bedoelde dat hij “kort” was en dat haar voorstel een sleutel te krijgen niet met hem kon worden besproken, en
(3)dat hij niet onbeleefd of onvriendelijk was en hiervan achteraf overtuigd bleef aangezien uit zijn verklaring van 2 augustus 1999 blijkt dat hij meende dat het de woordenwisseling met zijn collega was die aanleiding gaf tot het tuchtonderzoek; dat volgens verzoeker in de bestreden beslissing van de toezichthoudende overheid niet afdoende wordt geantwoord op deze argumenten zodat ze de motiveringsplicht schendt; Overwegende dat, afgezien van de hoger gedane vaststelling dat geen aandacht kan worden besteed aan verzoekers gratuite bewering dat de oproepster woorden in de mond zouden zijn gelegd, vaststelling die uiteraard ook geldt voor de toezichthoudende overheid, het bestreden ministerieel besluit wel degelijk afdoende antwoordt op verzoekers argumenten door te overwegen : XII-2739-14/20
(1)dat bij het dossier een uitgetypt verslag is gevoegd van het telefoongesprek dat de oproepster met de centrale 101 heeft gevoerd,
(2)dat de perceptie van de oproepster van de wijze waarop zij werd behandeld duidelijk aangeeft dat zij niet werd aangesproken zoals zij had verwacht, dat de uitleg die verzoeker haar heeft gegeven misschien wel juist is, doch dat de wijze waarop dit gebeurde niet gepast was en niet getuigt van de klantvriendelijkheid waarvan overheidsdiensten dienen te getuigen,
(3)dat het gesprek met verzoekers collega weliswaar aanleiding heeft gegeven tot het opstarten van een tuchtonderzoek, doch niet tot het opleggen van de tuchtsanctie; Overwegende, ten overvloede, dat het van geen belang is of de oproepster verzoekers optreden “bruut” vond zonder zelf het woord “onbeleefd” te gebruiken, aangezien uit de inhoud van het gesprek duidelijk blijkt dat het niet beantwoordt aan de algemene beleefdheidsnormen; dat, in tegenstelling tot wat verzoeker ook thans lijkt te willen doen gelden, een “bruut” optreden inderdaad niet hetzelfde is als een “kort” optreden: terwijl een “kort” optreden niet noodzakelijkerwijze klantonvriendelijk is, is een “bruut” optreden dat wel; dat het in de memorie van wederantwoord aangevoerde argument dat tweede verwerende partij teruggrijpt “naar een willekeurige en vage omschrijving van een algemene beleefdheidsnorm die door eenieder verschillend wordt ervaren” dan ook van elke ernst is ontbloot; Overwegende dat, in zoverre verzoeker in zijn verzoekschrift nog aanvoert dat tweede verwerende partij uit het gesprek tussen hemzelf en zijn collega niet terecht kon afleiden dat hij op de hoogte moet zijn geweest van de dienstorders over het doorgeven van oproepen aan de noodcentrale, de vaststelling volstaat dat hij op geen enkel ogenblik heeft ontkend dat hij de geldende dienstorders kende, doch integendeel zowel voor de tuchtoverheid als voor de toezichthoudende overheid de problemen bij het uitvoeren ervan heeft opgeworpen; dat het feit dat tweede verwerende partij het niet onwetend zijn omtrent de dienstorders ten overvloede heeft menen te kunnen afleiden uit het telefoongesprek met zijn collega dan ook niet relevant is; Overwegende dat het eerste middel niet gegrond is; XII-2739-15/20 3.2.
  1. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending van het legaliteitsbeginsel aanvoert; dat hij daartoe betoogt dat, gezien de drukte op de plantondienst, kort en efficiënt tewerk gaan in het belang is van alle hulpzoekenden, dat hij door de oproepster naar de noodcentrale door te verwijzen de meest efficiënte hulp bood en bijgevolg ook het meest klantvriendelijk handelde, dat derhalve, voorzover zou worden geoordeeld dat de beweerde feiten bewezen zijn, die feiten niet als tuchtrechtelijk strafbaar kunnen worden gekwalificeerd; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de oproep middenin de ploegenwissel plaatsvond, dat hij trachtte de oproep snel, efficiënt en ondanks de drukte goed af te wikkelen, dat er dan ook geen sprake kan zijn van een onvriendelijk optreden, dat de perceptie van de oproepster van de wijze waarop zij werd behandeld een onvoldoende objectief gegeven is om een tuchtstraf op te leggen, dat zijn werkelijke of zelfs zijn beweerde gedrag dan ook geen aanleiding kan geven tot een tuchtsanctie; 3.2.
  2. Overwegende dat het negeren van de geldende dienstorders een tekortkoming aan de beroepsplichten, zoals bedoeld bij artikel 282 van de nieuwe gemeentewet, uitmaakt; dat het feit dat deze tekortkoming op een druk moment werd begaan geen verschoningsgrond vormt; dat in de tweede bestreden beslissing dan ook terecht wordt overwogen dat verzoeker problemen bij het uitvoeren van dienstorders aan zijn oversten kan melden, doch dat het hem daarom nog niet toekomt die dienstorders te negeren; Overwegende, voorts, dat bij het bespreken van het eerste middel reeds werd vastgesteld dat verwerende partijen het tweede, aan verzoeker ten laste gelegde feit, zijn klantonvriendelijk optreden, voor bewezen mochten houden; dat ook hier moet worden vastgesteld dat een dergelijk optreden een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt, dat het feit dat deze tekortkoming op een druk moment werd begaan geen verschoningsgrond uitmaakt en dat in de tweede bestreden beslissing dan ook terecht wordt overwogen dat “de drukte op het kantoor, de ploegwissel, geen reden kan zijn om oproepers af te schepen; dat in een zelfde moeite de burger op een vriendelijke wijze kan geholpen worden waardoor klachten tegen het politieoptreden worden voorkomen”; Overwegende dat ook het tweede middel niet gegrond is; XII-2739-16/20 3.3.
  3. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending inroept van het evenredigheidsbeginsel; dat hij argumenteert dat er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen de straf en de feiten, dat eerste verwerende partij enkel rekening heeft gehouden met reeds opgelopen en niet doorgehaalde tuchtstraffen, doch niet met zijn gunstige evaluaties die aantonen dat hij voldoende werkinzet, dynamisme, deskundigheid en bekwaamheid, verantwoordelijkheid en betrokkenheid, samenwerking en aandacht voor de groepsgeest, openheid in de communicatie, initiatief, meedenken, zelfstandigheid en leidinggevend potentieel aan de dag legt, noch met zijn eveneens uit die evaluaties blijkende bijzondere aandacht voor het probleem van de wachttijden voor hulpzoekenden, houding die getuigt van klantvriendelijkheid, noch met zijn gezondheidstoestand zoals die blijkt uit de brief van dokter Otte; Overwegende dat tweede verwerende partij stelt dat in de goedkeuringsbeslissing wordt overwogen dat verzoekers evaluaties niets afdoen aan de tenlasteleggingen doch eerder bevestigen dat hij beter zou moeten weten, dat verzoeker geen enkel nuttig argument aanvoert dat die stelling ontkracht, dat het evenredigheidsbeginsel de discretionaire bevoegdheid van de tuchtoverheid enkel beperkt doordat het niet duldt dat een tuchtstraf in kennelijke wanverhouding staat tot de tuchtfeiten, dat de ernst van de feiten te dezen tot het besluit moet leiden dat er van een kennelijke wanverhouding tussen tuchtfeiten en tuchtstraf geen sprake is; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord uiteenzet dat het bestaan van gunstige evaluatieverslagen voor tweede verwerende partij haast een reden blijkt te zijn om nog strenger op te treden daar zij overweegt “dat betrokkene beter zou moeten weten”, dat deze redenering tegen elke redelijkheid ingaat, dat zijn interesse voor het beperken van de wachttijden voor hulpzoekenden getuigt van zijn klantvriendelijkheid en dat het negeren of als verzwarende omstandigheid gebruiken van dat gegeven onaanvaardbaar is, dat bij het bepalen van de strafmaat geen rekening werd gehouden met zijn gunstige evaluaties en met zijn gezondheidstoestand, hetgeen door tweede verwerende partij haast letterlijk wordt toegegeven zodat de schending van het evenredigheidsbeginsel onbetwistbaar vaststaat; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie stelt dat uit de bestreden beslissing enkel blijkt dat zijn argumenten werden weergegeven, wat XII-2739-17/20 niet hetzelfde is als er rekening mee houden, dat immers niet werd ingegaan op de argumenten; 3.3.
  4. Overwegende dat in de beslissing van de burgemeester wordt overwogen dat de door de waarnemend commissaris voorgestelde strafmaat, namelijk schorsing gedurende één week, in verhouding staat tot de feiten en dit mede gelet op de reeds opgelopen en nog niet doorgehaalde tuchtstraffen; dat eerder opgelopen tuchtstraffen, zolang zij niet zijn doorgehaald, een verzwarende omstandigheid kunnen uitmaken, wat overigens door verzoeker niet wordt betwist; dat uit de beslissing van de burgemeester blijkt dat bij de keuze van de op te leggen straf niet enkel rekening werd gehouden met deze verzwarende omstandigheid, doch dat de tuchtoverheid, vooraleer tot die keuze te komen, eveneens oog heeft gehad voor de door verzoekers verdediger in zijn pleitnota aangevoerde gegevens “a décharge” aangezien melding is gemaakt van verzoekers gunstige evaluatie van 1999 en van “uiterst moeilijke levensomstandigheden gedurende de laatste jaren” hetgeen verwijst naar de door hem neergelegde brief van dokter Otte; Overwegende dat nog moet worden nagegaan of de burgemeester, in weerwil van deze door verzoeker aangereikte elementen en rekening houdend met de door hem reeds opgelopen en nog niet doorgehaalde tuchtstraffen, in redelijkheid tot het opleggen van de tuchtstraf van schorsing gedurende één week heeft kunnen besluiten; dat het feit, dat verzoeker in 1999 gunstig werd geëvalueerd en dat uit die evaluatie blijkt dat zijn interesse uitgaat naar het beperken van de wachttijden voor hulpzoekenden, geen afbreuk doet aan het feit dat hij zijn taak op 27 juni 1999 niet op de voorgeschreven wijze heeft uitgeoefend en hij tevens klantonvriendelijk was; dat voornoemde gunstige evaluatie immers, net zomin als eerdere gunstige evaluaties waarop verzoeker zich voor de toezichthoudende overheid beriep, de ten laste gelegde feiten niet zodanig tegenspreken dat te dezen in zijn beslissing de burgemeester de discretionaire beoordelingsbevoegdheid waarover hij beschikte, te buiten is gegaan; dat voorts de tuchtoverheid bij het beoordelen van de ten laste gelegde feiten en de ernst ervan inderdaad verplicht is rekening te houden met de gezondheidstoestand van een betrokkene, maar dan wel op het ogenblik van de feiten; dat de gezondheidstoestand van betrokkene daarentegen voor of na de feiten, bij die beoordeling evenwel niet relevant is; dat uit de door verzoeker neergelegde brief van dokter Otte blijkt dat hij op 20 juli 1999 en 26 augustus 1999 op consultatie ging, zijnde na de feiten waarvoor hij tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd, die evenwel op dat ogenblik reeds hadden geleid tot het opleggen XII-2739-18/20 van een ordemaatregel; dat voorts in de brief nog wordt vermeld dat verzoeker “recent” het slachtoffer was van een verkeersongeval met sindsdien frequente periodes van werkonbekwaamheid; dat verzoeker blijkens zijn schriftelijke verklaring van 2 augustus 1999 reeds sinds 1 april 1998 in behandeling was voor zware hoofdpijn als gevolg van een “whiplash” na een zwaar auto-ongeval en hierdoor regelmatig in ziekteverlof was; dat verzoeker op 27 juni 1999 echter niet met ziekteverlof was en noch tijdens het tuchtonderzoek, noch tijdens de eigenlijke tuchtprocedure op enigerlei ogenblik heeft gesteld dat er een verband bestond tussen zijn gezondheidstoestand ingevolge voornoemd auto-ongeval en zijn handelwijze op 27 juni 1999; dat, gezien het voorgaande, niet wordt aanvaard dat de burgemeester het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door, in weerwil van verzoekers gunstige evaluatie van 1999 en van de door hem neergelegde brief van dokter Otte en rekening houdende met de door hem reeds opgelopen en nog niet doorgehaalde straffen, verzoeker de tuchtstraf van de schorsing gedurende één week op te leggen voor de door hem begane tekortkomingen aan de beroepsplichten; dat ook het derde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  5. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-2739-19/20 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2739-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.836 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.