← België

Arrest 172841 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 28/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.841 Rolnummer: A. 65622/XII-2114 Zaak: Arrest 172841 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 28/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-13 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 21:33 Fiche Arrest nr 172.841 van 28 juni 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.841 van 28 juni 2007 in de zaak A. 65.622/XII-

  1. In zake : Willy EERSELS, wonende te Genk, Hoogzij 16 tegen : de STAD GENK, die woonplaats kiest bij advocaten M. Boes en W. Mertens, kantoor houdende te Beringen, Scheigoorstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Willy Eersels op 18 september 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 22 maart 1995 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Genk waarbij zijn beroep tegen zijn 6 januari 1995 gedateerde evaluatie “ongunstig” verworpen wordt; Gelet op het arrest nr. 153.919 van 19 januari 2006 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 14 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 23 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-2114-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat W. Mertens, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST :
  3. Verzoeker, tekenaar bij de technische dienst van de stad Genk, wordt op 6 januari 1995 geëvalueerd door het beoordelingscomité van de technische dienst-ontwerpbureau, bestaande uit directeur I.C. en hoofdtekenaar A.N., wat de referteperiode 1994 betreft. De eindbeoordeling luidt “ongunstig”. Verzoeker stelt tegen de beoordeling beroep in bij de beroepscommissie, die op 7 maart 1995 aan het college van burgemeester en schepenen adviseert het beroep te verwerpen. Zo geschiedt, met de bestreden beslissing van 22 maart 1995 van het college van burgemeester en schepenen.
  4. Verzoeker voert drie middelen aan. Na de verwerping van het eerste middel bij arrest van de Raad van State nr 153.919 van 19 januari 2006, dienen nog alleen het tweede en het derde middel te worden onderzocht.
  5. Volgens een tweede middel is de evaluatie niet voorafgegaan door een zorgvuldige en behoorlijke feitenvinding en is zij niet gesteund op feitelijk aanvaardbare motieven. Verzoeker merkt in het bijzonder op dat niet al zijn taken in aanmerking genomen zijn, dat een groot aantal dienstchefs buiten de technische dienst getuigen dat hij de hem toevertrouwde taken op ernstige en degelijke wijze volbracht, en dat hij reeds geruime tijd geleden een mutatie aanvroeg, wat “laat vermoeden dat de sfeer en de samenwerking op de technische dienst niet optimaal was”. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker daar aan toe dat hem de zin voor eigen initiatief is afgenomen, dat een goede samenwerking vereist dat beide partijen meewerken, dat het niet onredelijk is dat hij in het XII-2114-2/5 beoordelingsjaar geen fut meer had om de situatie te veranderen, en dat het tekenend is dat de voor hem positieve punten niet in aanmerking werden genomen. Uit de laatste memorie van verzoeker, ten slotte, kan nog op het tweede middel worden betrokken dat hij tijdens het grootste deel van 1994 “niet op zijn standplaats maar op verplaatsing [heeft] gewerkt”, dat zijn beoordelaars hem slechts gedurende een zeer beperkte periode hebben kunnen volgen, en dat hun mening niet wordt gedeeld door de gemeentesecretaris van wie verzoeker van 13 mei 1994 tot 14 september 1994 rechtstreeks afhing, noch door de andere dienstchefs voor wie hij heeft gewerkt in
  6. Met de bestreden beslissing, gelezen in samenhang met de initiële beoordeling van 6 januari 1995, wordt verzoeker over het jaar 1994 ongunstig geëvalueerd vanwege een onvoldoende werkpraktijk, initiatief en verantwoordelijk- heidszin, houding en samenwerking. De Raad van State kan er bezwaarlijk aan voorbij dat verzoeker de juistheid van die negatieve beoordeling zelf grotendeels bevestigt, door in zijn brief van 11 januari 1995 in reactie op de evaluatie van 6 januari 1995 onder meer te schrijven: - “gezien ik sinds 9/10/91 vraag naar een oplossing op het tekenbureel (nota aan de Heer Secretaris) eventueel door mutatie, neem ik de eigen dienst dus niet meer echt ter harte”; - “Word ik voor voldongen feiten gesteld of op een dreigende eisende toon benaderd, dan reageer ik spijtig genoeg erg onbeleefd (mijn excuses hiervoor)”; -“Zo is mij die goesting [om spontaan te helpen waar het dienstaangelegenheden betreft] vergaan. Het laatste jaar (beoordelingsjaar) is dat niet meer in mij opgeko- men”. Ook in de memorie van wederantwoord geeft verzoeker toe dat hem de zin voor eigen initiatief ontbrak, evenals de fut om een goede samenwerking te betrachten. Voorts komt hij er niet toe om klaar en onomwonden tegen te spreken en te betwisten dat als hij “andere tekenopdrachten” krijgt dan het uitvoeren van signalisatieopdrachten, er lang op het resultaat moet worden gewacht, hij niet de nodige informatie raadpleegt en er ook geen terugkoppeling naar de opdrachtgever gebeurt. XII-2114-3/5 Zijn enige kritiek is dat hij het overgrote deel van het jaar signalisatie- en foto-opdrachten heeft uitgevoerd buiten het ontwerpbureau en de technische dienst, tot tevredenheid van de betrokken dienstchefs, onder wie inzonderheid de gemeentesecretaris. Die kritiek vermag evenwel niet de ongunstige evaluatie te ondergraven. Zij vormt geen excuus voor een gebrekkige uitvoering van verzoekers andere taken dan de signalisatieopdrachten. Dat is des te minder het geval waar volgens het advies van de beroepscommissie, de gemeentesecretaris, aan wiens oordeel verzoeker juist veel belang gehecht wil zien, hem bij herhaling erop gewezen heeft dat hij zijn werk en standplaats op het ontwerpbureau behield. Het middel is ongegrond.
  7. In een derde middel voert verzoeker aan dat de ongunstige beoordeling strijdig is met het redelijkheidsbeginsel, nu hij recent nog gelauwerd werd voor de goede en trouwe diensten die hij als ambtenaar verleende en nu een groot aantal dienstchefs zijn inzet en bereidwilligheid hebben geloofd. In de laatste memorie verklaart verzoeker dat hij bij besluit van 18 april 1994 de Burgerlijke Medaille 1ste klasse kreeg uitgereikt als beloning voor de goede en trouwe diensten gedurende een diensttijd van ruim 25 jaar.
  8. Dat de Koning verzoeker bij besluit van 18 april 1994 een ereteken toekende wegens goede en trouwe diensten in de voorbije 25 jaar, houdt niet in, zoals verwerende partij terecht opmerkt, “dat hij in 1994 als gunstig diende beoordeeld te worden”. Het besluit van 18 april 1994 spreekt de bestreden beslissing geenszins tegen. In zoverre verzoeker terugkomt op de tevredenheid bij de diensthoofden van andere diensten dan de technische dienst, voor de uitvoering van signalisatie- en foto-opdrachten, wordt verwezen naar de bespreking van het tweede middel. Deze tevredenheid belet niet dat verwerende partij rechtmatig de uitvoering van verzoekers “andere tekenopdrachten”, en mede daardoor het geheel van zijn prestaties in 1994, als onvoldoende mocht beoordelen. Het middel is ongegrond. XII-2114-4/5 OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  9. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2114-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.841 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.919 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.