id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.842 Rolnummer: A. 81283/XII-1752 Zaak: Arrest 172842 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 28/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-20 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 21:33 Fiche Arrest nr 172.842 van 28 juni 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.842 van 28 juni 2007 in de zaak A. 81.283/XII-
- In zake :
- Peter MERCKX, wonende te Hofstade, Zakstraat 28
- Lutgarde CORNAND, wonende te Aalst, Groenstraat 9
- Marc COSTERS, wonende te Zottegem, Léon Lefèvrestraat 45 tegen : de STAD AALST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Peter Merckx, Lutgarde Cornand en Marc Costers op 26 november 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen [van de stad Aalst] dd. 21.09.1998 betreffende de statutaire verlofdagen waarvan zij bij circulaire dd. 28.09.1998 kennis hebben gekregen”; Gelet op het arrest nr. 79.182 van 9 maart 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de verzoekschriften tot voortzetting van het geding van 29 maart 1999 ingediend door verzoekers; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 18 december 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-1752-1/5 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekers; Gelet op de beschikking van 9 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van Peter Merckx en Lutgarde Cornand, en van bestuurssecretaris Chr. Van Molle, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De voorgaanden
- Op 13 november 1990 beslist de gemeenteraad van de stad Aalst om het administratief statuut van het gemeentepersoneel zodanig aan te passen dat het aantal statutaire verlofdagen met twee dagen wordt verminderd. Tegen de vermindering wordt beroep ingesteld door Hilaire Lievens. In zijn arrest terzake, nr. 71.997 van 24 februari 1998, overweegt de Raad van State dat het belang van verzoeker “beperkt is tot de vernietiging van de vakantieregeling van het bedienden- en politiepersoneel” en dat de regeling voor het werkliedenpersoneel, in artikel 3 en 4 van de gemeenteraadsbeslissing, niet tot het voorwerp van het beroep kan worden gerekend. Ten gronde vernietigt de Raad van State artikel 1 van de gemeenteraadsbeslissing “in de mate dat daarbij het aantal statutaire verlofdagen van de daar bedoelde leden van het gemeentepersoneel die zich kunnen beroepen op een gunstiger bepaling van het op hen vóór de fusie van de stad toepasselijk administratief statuut, met twee dagen verminderd wordt”. De in het artikel 1 bedoelde leden van het gemeentepersoneel zijn de leden van het bedienden- en politiepersoneel. XII-1752-2/5 Overwegende dat er “uitvoering moet gegeven worden aan het Arrest van de Raad van State d.d. 24 februari 1998”, besluit op 21 september 1998 het college van burgemeester en schepenen wat volgt : “Artikel 1 : aan de personeelsleden die op 31 december 1976 statutair benoemd waren (op proef of in vast verband) bij het stadsbestuur van het voormalige ‘Klein Aalst’ en die op 1 januari 1991 in dienst waren in de hoedanigheid van bediende of lid van het politiepersoneel, worden voor de periode van 1 januari 1991 tot 31 december 1998 eenmalig 16 dagen statutair verlof toegekend die dienen opgenomen te worden vóór het einde van het jaar
- De personeelsleden die vóór 31 december 1998 gepensioneerd werden en hierdoor in de onmogelijkheid verkeerden om dit statutair verlof op te nemen, ontvangen in verhouding tot hun in die periode geleverde prestaties de uitbetaling van het aantal dagen waarop zij recht hebben. Artikel 2 : aan de in artikel 1 bedoelde personeelsleden worden vanaf 1999 twee bijkomende statutaire verlofdagen per jaar toegekend, te voegen bij de jaarlijkse vakantiedagen”. Van de beslissing wordt kennis gegeven met een circulaire van 29 september 1997 (lees: 1998), waarvan de inhoud luidt : “Ingevolge het Arrest van de Raad van State d.d. 24 februari 1998 heeft het College van Burgemeester en Schepenen beslist dat de betrokken personeelsleden d.w.z. de statutaire personeelsleden (= op proef of vast benoemd) die op 31 december 1976 in dienst waren van de stad Aalst (‘Klein Aalst’) en die op 1 januari 1991 nog in dienst waren als bediende of als lid van het politiepersoneel, voor de periode van 1 januari 1991 tot 31 december 1998, eenmalig zestien
(16)statutaire verlofdagen mogen voegen bij hun vakantiedagen. Vanaf 1999 hebben die personeelsleden ook recht op twee supplementaire statutaire verlofdagen per jaar, te voegen bij de jaarlijkse vakantiedagen. Er werd door het College van Burgemeester en Schepenen beslist dat de 16 bijkomende dagen dienen opgenomen te worden vóór het einde van het jaar
- Door de Personeelsdienst zal aan de diensthoofden worden meegedeeld welke personeelsleden recht hebben op deze dagen”. De ontvankelijkheid
- Ambtshalve wordt vastgesteld dat de zogenaamde beslissing van 21 september 1998 van het college van burgemeester en schepenen er louter toe beperkt is uitvoering te geven aan het arrest nr. 71.997 van de Raad van State, en als zodanig niet voor vernietiging in aanmerking komt. Door het arrest werd, wat sommige leden van het bedienden- en politiepersoneel betreft, de vermindering met twee dagen van het aantal statutaire XII-1752-3/5 verlofdagen retroactief vernietigd. Dientengevolge moesten die personeelsleden geacht worden nooit het voordeel van de twee statutaire verlofdagen te zijn kwijtgeraakt. Verwerende partij heeft in deze omstandigheden terecht geconcludeerd dat er reden is, wat het verleden betreft, om de betrokkenen de gemiste verlofdagen, zestien in totaal, alsnog te laten genieten (artikel 1 van de bestreden beslissing) en, wat de toekomst betreft, om hen de twee verlofdagen voortaan niet meer te onthouden (artikel 2 van de bestreden beslissing). Zodoende heeft verwerende partij niets nieuws aan de juridische ordening toegevoegd, maar alleen vastgesteld en geëxpliciteerd wat reeds uit het meergenoemde arrest volgde. Ter terechtzitting antwoorden verzoekers op die exceptie ratione materiae wat zij ook al in hun verzoekschrift uiteenzetten, namelijk dat zij lid zijn van respectievelijk het werkliedenpersoneel, tijdelijk personeel en brandweerpersoneel, en reeds in dienst van de stad Aalst van vóór de fusie, dat zij gelet op het administratief statuut van toen gerechtigd zijn “op twee statutaire verlofdagen meer dan de bestreden beslissing hen toekent”, en dat het verminderen van het aantal statutaire verlofdagen niet te verenigen is met de waarborgen die artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 22 juli 1976 hen gegeven heeft. Deze argumentatie kan mogelijk verantwoorden dat verzoekers zich verzetten tegen de toepassing op hen van de gemeenteraadsbeslissing waardoor het aantal statutaire verlofdagen wordt verminderd. Wat hen in dat geval te doen staat, is vóór de rechter een beroep doen op het artikel 159 van de Grondwet. Wat evenwel de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep betreft, is het betoog zonder relevantie. Zelfs in de veronderstelling dat het juist zou zijn, is daarmee nog altijd niet aangetoond dat de bestreden collegebeslissing méér is dan een loutere uitvoeringsmaatregel, die als zodanig niet ontvankelijk het voorwerp van een annulatieberoep kan uitmaken.
- Het beroep moet worden verworpen bij gebreke aan een voor vernietiging vatbare handeling. XII-1752-4/5 OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 1041,18 euro, komen ten laste van verzoekers, elk voor een derde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1752-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.842 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.79.182 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div