id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.852 Rolnummer: A. 181545/IX-5591 Zaak: Arrest 172852 - Tucht (openbaar ambt) - 28/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-04 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 21:37 Fiche Arrest nr 172.852 van 28 juni 2007 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.852 van 28 juni 2007 in de zaak A. 181.545/IX-
- In zake : Koen VANRINTEL, die woonplaats kiest bij advocaat C. FLAMEND, kantoor houdende te MEISE, Vilvoordsesteenweg 101 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGS/DSJ, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Koen VANRINTEL op 6 maart 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 9 januari 2007 van de directeur-generaal van de algemene directie bestuurlijke politie van de federale politie waarbij hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 8 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 juni 2007; IX-5591-1/12 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. FLAMEND, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten. 1.
- Verzoeker was, op het ogenblik dat de feiten zich voordeden die tot het nemen van de thans bestreden beslissing hebben geleid, inspecteur van politie bij de federale politie, Directie Algemene Reserve (DAR), Dienst HHOO. 1.
- In een nota van 7 juni 2005 maakt de dienstchef HHOO/DAR melding van het feit dat verzoeker tijdens de nacht van 12 op 13 januari 2005 met dienst was bij de scheepvaartpolitie (SPN) Zeebrugge in het kader van een “FIPA- actie” (bestrijding van clandestiene immigratie vanuit de haven), dat hij toen een GSM gestolen heeft die toebehoorde aan een illegaal en dat hij de telefoon aangeboden heeft aan zijn vriendin, dat de diefstal werd vastgesteld op 4 februari 2005 en het voorwerp uitmaakt van een proces-verbaal, dat de verhoren van verzoeker en zijn vriendin eveneens het voorwerp uitmaken van een proces-verbaal, dat verzoeker aanvankelijk de feiten heeft ontkend maar nadien zijn mening heeft herzien, en dat dienvolgens nog een proces-verbaal werd opgemaakt. De dienstchef vraagt dat, zonder afbreuk te doen aan het principe van het vermoeden van onschuld, verzoeker uit de DAR zou verwijderd worden voor de duur van het onderzoek of zelfs definitief, onder meer omdat hij door zijn handeling het imago van de politie in het algemeen en dat van de politieambtenaren van de DAR in het bijzonder bezoedeld heeft. Verzoeker wordt op 24 juni 2005 gedetacheerd naar CSD Leuven (dienst coördinatie en steun). Met een nota van 16 juni 2005 deelt de directeur DAR (hierna : IX-5591-2/12 de gewone tuchtoverheid) aan verzoeker mee dat de termijn van zes maanden inzake de kennisgeving van het inleidend verslag voor de feiten die het voorwerp uitmaken van het gerechtelijk onderzoek (stelen van een GSM gedurende de uitvoering van een opdracht) zal aanvangen op de dag dat hij door de gerechtelijke overheid zal worden in kennis gesteld van het feit dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen, dat het dossier werd geseponeerd of dat de strafvordering is vervallen, en dat deze beslissing dus niet impliceert dat de tuchtoverheid afziet van de tuchtver- volging. Dezelfde dag duidt de gewone tuchtoverheid een voorafgaande onderzoeker aan. Met een nota van 25 augustus 2005 deelt de voorafgaande onderzoeker de conclusies van haar onderzoek mee. 1.
- Op 6 februari 2006 wordt verzoeker door de correctionele rechtbank van Brugge veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden met uitstel en een geldboete van 250 i voor het volgend misdrijf : “te Zeebrugge in de nacht van 12 op 13 januari 2005 : zaken welke hem niet toebehoorden bedrieglijk te hebben weggenomen, namelijk een GSM-toestel ten nadele van N.A.R., met de omstandigheid dat de diefstal werd gepleegd door een openbaar ambtenaar, namelijk die van inspecteur bij de federale politie, door middel van zijn ambtsbediening.” Met een brief van 16 maart 2006, die bij het bestuur aankomt op 21 maart 2006, worden het vonnis, dat inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan, en het strafdossier, door de procureur des Konings aan het bestuur bezorgd. 1.
- Met een op 29 mei 2006 gedateerd inleidend verslag deelt de directeur-generaal van de algemene directie bestuurlijke politie (hierna: de hogere tuchtoverheid) aan verzoeker zijn voornemen mee om hem voor het tuchtvergrijp “als inspecteur van de federale politie, met dienst bevolen, tijdens de nacht, in het raam van een FIPA-actie, de waardigheid van zijn ambt op een volstrekt ontoelaat- bare wijze in het gedrang te hebben gebracht, door in de gebouwen van de federale politie, een GSM-toestel te hebben weggenomen van een onderschepte illegaal” de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Op 28 juni en 10 juli 2006 legt de verdediger van verzoeker twee verweerschriften neer. Hij maakt geen gebruik van het recht om mondeling gehoord te worden. IX-5591-3/12 1.
- Overeenkomstig artikel 24 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de Tuchtwet), wordt het advies ingewonnen van de federale procureur. Met een brief van 25 juli 2006 deelt de federale procureur mee dat, in het bijzonder gelet op het vonnis van 6 februari 2006 en de bijzonder strenge motivering ervan, het voorstel tot zware tuchtstraf gerechtvaardigd is. 1.
- Met een op 26 juli 2006 gedateerde nota deelt de hogere tuchtoverheid aan verzoeker mee dat zij voorstelt hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. 1.
- Op 31 juli 2006 dient de verdediger van verzoeker tegen dat voorstel een verzoek tot heroverweging in bij de tuchtraad. 1.
- Op 20 november 2006 behandelt de tuchtraad de zaak. Verzoeker voert aan dat de tuchtvordering verjaard is, dat het advies van de federale procureur niet vereist was en dat de voorgestelde straf niet in een redelijke verhouding staat tot de begane fout. De afgevaardigde van de algemene inspectie legt het deskundi- genverslag van de inspecteur-generaal van de federale politie en van de lokale politie neer, waarin deze zich aansluit bij het door de hogere tuchtoverheid geformuleerde strafvoorstel. In zijn advies van 8 december 2006 bespreekt de tuchtraad de door de verdediging aangevoerde argumenten en komt hij tot het besluit dat de feiten bewezen zijn, dat zij een tuchtinbreuk uitmaken en dat de door de hogere tucht- overheid voorgestelde zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege als tuchtstraf dient te worden opgelegd. 1.
- Met een op 9 januari 2007 gedateerde nota deelt de hogere tuchtoverheid aan verzoeker haar beslissing mee om hem, met uitwerking op datum van 10 juni 2006, de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen. Die beslissing, die het voorwerp uitmaakt van de onderhavige vordering tot schorsing, bevat volgende overwegingen die relevant zijn voor de behandeling van deze zaak : IX-5591-4/12 “(...). Overwegende dat artikel 56 van de tuchtwet duidelijk is gesteld en als dusdanig geen interpretatie behoeft; dat die bepaling - het tweede lid van artikel 56 - het ingaan van de vervaltermijn voor het instellen van de tucht- vordering uitstelt tot op het ogenblik van de eindbeslissing van de gerechtelijke overheid (arrest RvS nr. 135.028 van 20 september 2004 - overweging 4.3.3, arrest RvS nr. 135.030 van 20 september 2004 - overweging 3.3.2 en arrest RvS nr. 137.406 van 22 november 2004 - overweging 4.3.3); Overwegende bovendien dat uit het instellen van een tuchtvordering vooraleer op strafrechtelijk vlak een uitspraak gedaan is, niet afgeleid mag worden dat het bestuur als het ware verzaakt aan de bescherming die artikel 56, tweede lid, biedt en dat de berekening van de verjaringstermijn opnieuw zou gebeuren overeenkomstig artikel 56, eerste lid (RvS nr. 149.922 van 10 oktober 2005 - overweging 5.3.2); Overwegende dat de wettelijke regeling van de verjaringstermijn eraan in de weg staat dat de Raad van State het optreden van het bestuur toetst aan ongeschreven beginselen van behoorlijk bestuur zoals daar zijn de redelijke termijn en de zorgvuldigheidsplicht (arrest RvS nr. 137.406 van 22 november 2004 - overweging 4.3.4); Overwegende dat volgens de rechtspraak van de Nederlandse kamers van de Raad van State, steeds mag gewacht worden op de gerechtelijke uitspraak zonder dat de tuchtoverheid riskeert de redelijke termijn te overschrijden (I. OPDEBEEK, ‘De redelijke termijn in tuchtzaken’, T. Gem. 1996, 60 en I. VAN GIEL, ‘De rol van de strafprocedure in het tuchtrecht : capita selecta’ T. Gem. 2004/4, 276); Overwegende dat de wet de toepassing van de bepaling van artikel 56, tweede lid niet afhankelijk stelt van een voorafgaande verwittiging door het bestuur (arrest RvS nr. 149.922 van 10 oktober 2005 - overweging 5.3.1); Overwegende dat bijgevolg de verjaringstermijn begint te lopen de dag dat de bevoegde tuchtoverheid in kennis is gesteld van de gerechtelijke eindbe- slissing, in casu op datum van 21-03-2006, datum waarop de hogere tuchtover- heid kennis heeft genomen van het in kracht van gewijsde getreden vonnis en het gerechtelijk dossier; Overwegende dat de hogere tuchtoverheid zich uitsluitend kan steunen op het definitief uitgesproken vonnis en het bijgevoegd gerechtelijk dossier om de tuchtprocedure op te starten; dat bijgevolg enkel het definitief vonnis en het gerechtelijk dossier deel uitmaken van het tuchtdossier, hetwelk in die zin werd samengesteld en ter kennis gebracht aan het betrokken personeelslid; dat bijgevolg niet kan worden aangenomen dat de hogere tuchtoverheid onzorg- vuldig zou zijn geweest bij het samenstellen van het proceduredossier; Overwegende evenwel dat op expliciet en impliciet verzoek van de verdediging is ingegaan om bijkomende stukken te voegen en ipso facto een bijkomende termijn vast te leggen om een aanvullend verweerschrift gebeurlijk in te dienen, ten einde - zoals de verdediging het overigens opmerkt in punt 1, van het aanvullend verweerschrift - elke schending van de rechten van de verdediging uit te sluiten; dat inderdaad - zoals de verdediging het eveneens opmerkt in punt 1 van hetzelfde aanvullend verweerschrift -, de tuchtoverheid niet kan oordelen over de wijze waarop de verdediging haar verweer zal voeren; dat daaruit niet kan worden afgeleid dat de hogere tuchtoverheid onzorgvuldig zou zijn geweest bij het samenstellen van het tuchtdossier; Overwegende dat de overheid bij het bepalen van de strafmaat, rekening moet houden met de persoonlijke situatie van de ambtenaar maar ook en in de eerste plaats zelfs, met het belang van de dienst waarvoor zij staat; dat het in dit geval gaat om een dienst die in de eerste plaats belast is met het voorkomen en het opsporen van misdrijven, dat vanuit dat oogpunt en ook omdat elke misdraging van de personeelsleden onmiddellijk afstraalt op de gehele dienst, IX-5591-5/12 de politieambtenaar een voorbeeldfunctie heeft zodat het bestuur met betrekking tot elk van hen een streng verwachtingspatroon mag hanteren; dat zulks gevolgen heeft voor de beoordeling van de strafmaat voor een tuchtin- breuk, inzonderheid ten aanzien de vraag of de noodzakelijke vertrouwensrela- tie tussen de ambtenaar en het bestuur onherroepelijk verstoord is (arrest RvS nr. 149.922 van 10 oktober 2005 - overweging 8.3.3); Overwegende de bijzonder strenge motivering van het uitgesproken vonnis waarin : . de gepleegde feiten als zwaarwichtig en bijzonder verwerpelijk worden omschreven . een totaal gebrek aan normbesef wordt vastgesteld . uw handelwijze als volstrekt onduldbaar wordt omschreven en een ernstige smet heeft gebracht op het blazoen van het politieambt in zijn geheel . de gunst van een opschorting van de uitspraak van de veroordeling wordt afgewezen, gelet op de ernst van de feiten . wordt gesteld dat aangezien de aard en de ernst van het gepleegd misdrijf, geen grond is om tegen u een werkstraf uit te spreken, aangezien de maatregel van die aard is dat u de ernst van uw daden zou bagatelliseren; Overwegende dat deze bijzonder strenge motivering onverkort moet worden overgenomen bij de beoordeling van de gepaste op te leggen tuchtstraf in het raam van deze tuchtprocedure; Overwegende dat de motivering van de strafrechters de ernst van de gepleegde feiten afdoende omschrijft opdat kan worden vastgesteld dat elke verdere vorm van samenwerking met inspecteur VANRINTEL onmogelijk wordt omdat het vertrouwen in de betrokkene onherstelbaar geschonden is; Overwegende wat de verweermiddelen m.b.t. de maatregelen van inwendige orde betreft, dat de wet van de preventieve schorsing ook geen voorafgaande voorwaarde heeft gemaakt om een personeelslid definitief uit de dienst te verwijderen; dat het niet gebruik maken van de mogelijkheid om een per- soneelslid preventief uit de dienst te verwijderen omdat zijn aanwezigheid tijdens het tuchtonderzoek niet geduld kan worden, het bestuur niet belet om, na diepgaand onderzoek van de zaak en het aanhoren van de verdediging - ook ten aanzien van de impact van de feiten op de werking van de dienst - toch te besluiten dat de betrokkene daar niet langer kan functioneren (arrest RvS nr. 149.922 van 10 oktober 2005 - overweging 8.3.3); Overwegende dat de verwijzing van de verdediging naar het arrest van de Raad van State nr. 50.571 van 05 december 1994 niet pertinent is in het raam van deze tuchtprocedure in die zin dat de Raad van State in voornoemd arrest, de bestreden beslissing (het ontslag van ambtswege) heeft vernietigd wegens schending van het evenredigheidsbeginsel, nadat aan de verzoekende partij de gunst van de opschorting van de uitspraak was verleend, en op basis van een geheel van vaststellingen - inbegrepen het feit dat verzoeker tot tevredenheid van zijn oversten bleef functioneren nadat de laakbare feiten bekend waren -; dat de uitgebrachte positieve beoordelingen m.b.t. de huidige wijze van dienen van Inspecteur VANRINTEL niet van die aard zijn om de bijzondere ernst van de gepleegde feiten enigzins te minimaliseren bij de boordeling van de op te leggen tuchtstraf; Overwegende dat het advies van de bevoegde gerechtelijke overheid, overeenkomstig artikel 24 van de tuchtwet, pas kan worden ingewonnen nadat de hogere tuchtoverheid een beslissing neemt over het voorstel van zware tuchtstraf en na onderzoek van de aangevoerde verweermiddelen; dat het aangevoerde verweermiddel ongegrond is; Overwegende dat de bepalingen van artikel 29 van de wet (van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten) en van artikel 19 van het Koninklijk Besluit van 26 november 2001 (tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999), de hogere tuchtoverheid de mogelijkheid verlenen om IX-5591-6/12 zich hetzij te laten vertegenwoordigen hetzij te laten bijstaan bij de uitvoering van de procedurehandelingen; dat het inleidend verslag, getekend door de bevoegde hogere tuchtoverheid de beslissing inhoudt om als dusdanig te handelen; dat het aangewende verweermiddel ongegrond is; Overwegende dat geen gebruik werd gemaakt van het recht om mondeling gehoord te worden; Overwegende het advies van de Federale Procureur waarvan sprake supra 1.5; Gelet op uw verzoek tot heroverweging en de ‘memorie van toelichting’ neergelegd door uw tuchtverdedigers voor de tuchtraad; Overwegende het schriftelijk deskundig advies uitgebracht door de Inspecteur-Generaal van de Federale en van de Lokale Politie; Overwegende het omstandig en afdoend advies van de tuchtraad m.b.t. de aangewende verweermiddelen in supra vermelde ‘memorie van toelichting’ en waarbij ik mij volledig aansluit; Overwegende het omstandig en gemotiveerd advies van de tuchtraad wat de op te leggen tuchtstraf betreft en waarbij ik mij eveneens volledig aansluit; In mijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid; Leg ik u, voor de feiten vervat in punt 2, de zware tuchtstraf op van ontslag van ambtswege. Met toepassing van de bepalingen van artikel 65 van de wet (van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten) heeft het ontslag van ambtswege uitwerking op datum van 10-06-2006.” De voorwaarden voor de schorsing.
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. De middelen.
- In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. Hij is door de correctionele rechtbank zeer streng gestraft, maar de feiten mogen toch ook niet opgeschroefd worden: het gaat om een diefstal van een voorwerp van geringe waarde en bovendien om een eenmalig feit dat hij ten zeerste betreurt. Hij is nog maar sinds 1999 bij de politie en werd reeds meerdere keren gefeliciteerd voor zijn werk. Zijn meerderen waren op de hoogte van de feiten en van zijn bekentenis en toch hebben zij de samenwerking met hem niet onmiddellijk beëindigd. Hij werd integendeel gedetacheerd en is daar, tot voldoening van zijn meerderen, blijven werken tot zijn voorlopige schorsing op 10 juni
- Het ontslag van ambtswege kan geen steun vinden in zijn IX-5591-7/12 correctionele veroordeling, want de motivering is summier en algemeen en mag niet doorgetrokken worden naar de tuchtzaak zonder ook acht te slaan op de concrete context van de zaak, het belang van de dienst, de persoonlijke toestand van de betrokkene en zijn schuldinzicht. Aangezien hij na de feiten voort is blijven werken blijkt de vertrouwensrelatie met het bestuur niet verbroken geweest te zijn. Bovendien staat de opgelegde straf in complete wanverhouding tot de feiten.
- Op grond van het evenredigheidsbeginsel moet een tuchtstraf in redelijke verhouding staan tot de ernst van de begane fout en de graad van verstoring van de orde binnen de dienst. De Raad van State heeft te dien aanzien slechts een marginale toetsingsbevoegdheid. De bestreden beslissing verwijst, in een algemene op rechtspraak gesteunde uiteenzetting, naar het specifiek karakter van de politiedienst -met name het voorkomen en het opsporen van misdrijven- en naar de voorbeeldfunctie die van personeelsleden van dergelijke dienst verwacht mag worden, hetgeen een streng verwachtingspatroon doet ontstaan en hetgeen gevolgen heeft voor de beoordeling van de onherroepelijke verstoring van de noodzakelijke vertrouwensrelatie tussen de ambtenaar en het bestuur. Zij verwijst dan naar “de bijzonder strenge motivering” van het strafvonnis en vindt daarin het motief om vast te stellen dat het vertrouwen in verzoeker onherstelbaar geschonden is. De motieven van het strafvonnis zijn niet algemeen geformuleerd. Zij omschrijven duidelijk de verwijten die aan verzoeker gericht worden. Met die uitgangspunten voor ogen, is de verwerende partij niet op een kennelijk onredelijke wijze tot het besluit gekomen dat een politieambtenaar die zich in de uitoefening van zijn ambt goederen -bezit van een persoon die hij onder zijn bewaking heeft- toeëigent, een zodanige misstap begaan heeft dat hij niet meer in dienst kan blijven. De vaststelling dat de betrokkene goed werkt, dat hij nog geen tuchtstraffen heeft opgelopen, dat de ontvreemde goederen slechts een geringe waarde hadden en dat hij na de vaststelling van de feiten naar behoren is blijven voortwerken, doet daar niets aan af. Het middel is niet ernstig. IX-5591-8/12
- In het tweede middel voert verzoeker de schending van het gelijkheidsbeginsel aan. Hij stelt dat uit de jaarverslagen van de tuchtraad blijkt dat de overheid in andere tuchtdossiers, waarin soortgelijke feiten aan de orde stonden, niet de rigide houding aangenomen heeft waarvan zij te zijnen aanzien blijk gegeven heeft. Zo werd, onder meer, een diefstal binnen de dienst gestraft met een blaam en liep de verduistering van een GSM-toestel, gepleegd in de uitoefening van de dienst, in één geval uit op een inhouding van wedde met 10% gedurende twee maanden en in andere gevallen op een schorsing van twee, respectievelijk drie maanden, terwijl de betrokken politieambtenaren hiërarchisch een hogere plaats innamen dan hijzelf.
- Het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel vindt in beginsel geen toepassing in tuchtzaken. In tuchtzaken staan de ambtenaren immers niet als concurrenten tegenover elkaar met betrekking tot één te nemen beslissing, maar is elke beslissing functie van specifieke feitelijke gegevens, verbonden met tijdstip en omstandigheden van het gebeuren. Behoudens identieke feitelijke gegevens -wat te dezen niet het geval is- kunnen de situaties van de ambtenaren in tuchtaangelegenheden niet met elkaar vergeleken worden. Het middel is niet ernstig.
- Verzoeker roept een derde middel in, gesteund op de miskenning van de redelijke termijn-eis. Hij stelt dat de tuchtoverheid, krachtens een beginsel van behoorlijk bestuur, verplicht is om binnen een redelijke termijn uitspraak te doen over de tuchtvordering. De redelijkheid van de termijn wordt beoordeeld met inachtneming van de complexiteit van de zaak, de opstelling van de tuchtrechtelijk vervolgde persoon en de houding van het bestuur. In dit geval heeft hij op 15 juli 2005 volledige bekentenissen afgelegd in het kader van het voorafgaand onderzoek, dat op 25 augustus 2005 aan de tuchtoverheid medegedeeld is. Op dat ogenblik wist de tuchtoverheid dat het ging om een diefstal van een GSM door een politieambtenaar ten nadele van een illegaal en dat verzoeker de feiten volledig bekend had. Het strafvonnis heeft niets toegevoegd aan deze feiten, noch aan de appreciatie ervan. Toch zijn er tussen het plegen van de feiten -13 januari 2005- en het opleggen van de straf meer dan twee jaar verlopen en anderhalf jaar tussen de kennisneming van de feiten door de tuchtoverheid en de straf. IX-5591-9/12
- Verzoeker blijkt niet te betwisten en uit de gegevens van het dossier blijkt ook niet dat de verwerende partij na het instellen van de tuchtvordering op onverantwoorde wijze gedraald zou hebben bij de afhandeling van de tuchtzaak. Het middel moet dan ook onderzocht worden vanuit de vraag of de verwerende partij rechtmatig met het instellen van de tuchtvordering mocht wachten totdat de strafzaak, die met betrekking tot de feiten was opgestart, definitief haar beslag gekregen had.
- Beginselen van behoorlijk bestuur prevaleren niet op duidelijke wetsbepalingen. Staat bij de beoordeling van de verplichting van het bestuur om in tuchtzaken binnen een redelijke termijn na de kennisneming van de feiten tot een eindbeslissing te komen, de gedrevenheid waarmee de tuchtprocedure afgehandeld is centraal, dan mag daarbij niet voorbijgegaan worden aan de wettelijke regeling. Aldus verplicht artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet het bestuur tot het opstarten van de tuchtvordering binnen de zes maanden na de kennisneming van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid, maar het tweede lid van dit artikel bepaalt wel dat in geval van een opsporingsonderzoek of een strafvordering, die termijn slechts aanvangt op de dag van de kennisneming van een eindbeslissing door de tuchtoverheid. Die bepaling is duidelijk en hoeft geen interpretatie: zij laat het bestuur de tuchtvordering -of de voortzetting ervan- uitstellen tot de zaak op strafrechtelijk vlak beëindigd is. Zij bevordert overigens de rechtszekerheid, aangezien zij het bestuur in het kader van de vereisten met betrekking tot de zorgvuldige besluitvorming de mogelijkheid biedt om, in geval van twijfel over een van de constitutieve elementen die bij het opleggen van een tuchtstraf aan de orde zijn -te weten het bewijs van de feiten, de kwalificatie ervan, de schuldvraag, de tuchtrechtelijke aanrekenbaarheid en de ernst van de tuchtinbreuk-, een definitieve uitspraak van de strafgerechten af te wachten, terwijl het bestuur ook niet verantwoordelijk gesteld kan worden voor de eventuele vertraging die het strafonderzoek met zich kan brengen. Te dezen moet daarbij ook bedacht worden dat de verwerende partij verzoeker niet in onzekerheid gehouden heeft over zijn situatie, aangezien zij hem met een nota van 16 juni 2005 medegedeeld heeft dat zij gebruik zou maken van de mogelijkheid om te wachten met de redactie van het inleidend verslag. Dat het bestuur gebruik maakt van de mogelijkheid waarin de wet voorziet, verhindert dat hem te dien aanzien de miskenning van de redelijke termijn- eis tegengeworpen kan worden. Het middel is niet ernstig. IX-5591-10/12
- In het vierde middel voert verzoeker de schending aan van de motiveringsverplichting en van de tuchtwet. Artikel 24, derde lid, van de tuchtwet bepaalt dat, wanneer de feiten rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie, aan de personeelsleden van de federale politie slechts een zware tuchtstraf opgelegd mag worden na advies van -in zijn geval- de federale procureur. Op het ogenblik van de feiten was hij hoegenaamd niet belast met een opdracht van gerechtelijke politie -hij moest uitkijken naar illegale personen en deze overbrengen naar SPN Zeebrugge, de eigenaar van de GSM was niet van zijn vrijheid beroofd en de ontvreemde GSM vormde niet het voorwerp van een inbeslagname- en dus moest het advies van de federale procureur niet ingewonnen worden. Door dit wel te doen is het dossier te zijnen laste onnodig verzwaard en berust het tuchtstrafbesluit niet op deugdelijke motieven.
- Daargelaten de vraag of de gepleegde feiten rechtstreeks betrekking hadden op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie en of het advies van de federale procureur al dan niet vereist was, moet vastgesteld worden dat het inwinnen van en de verwijzing naar een niet reglementair vereist advies de bestreden tuchtstrafbeslissing niet onregelmatig maakt. Overigens lijkt het niet onredelijk dat de tuchtoverheid, in geval van twijfel over de vraag of de feiten betrekking hebben op een opdracht van gerechtelijke politie, beslist het advies van de procureur in te winnen en kan te dezen vastgesteld worden dat het advies van het federaal parket geen nieuwe gegevens aan het dossier toevoegt die de situatie van verzoeker verergeren, aangezien het enkel verwijst naar de bijzonder strenge motivering van het strafvonnis dat tegen verzoeker gewezen is. Het middel is niet ernstig. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-5591-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 28 juni 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-5591-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.852 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.627 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.