← België

Arrêt / Arrest 172896 - Divers (aménagement, urbanisme, environnement) / Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 28/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.896 Rolnummer: A. 181634/V-1731 Zaak: Arrêt / Arrest 172896 - Divers (aménagement, urbanisme, environnement) / Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 28/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-06 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-29 23:29 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 172.896 van 28 juni 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK nr. 172.896 van 28 juni 2007 A.181.634/V-1731 In zake: WOLFOWICZ Philippe, die woonplaats heeft gekozen bij Mr. Irena AMROMIN, advocaat, Nijverheidsstraat 26-38 1040 Brussel, tegen: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Wetenschapsbeleid, die woonplaats heeft gekozen bij Mr. Bernard RENSON, advocaat, Jachtlaan 132 1040 Brussel. Tussenkomende partij: VAN DONINCK Bogdan, die woonplaats heeft gekozen bij Mr. Dirk LINDEMANS en Mr. Aube WIRTGEN, advocaten, Keizerslaan 3 1000 Brussel. ------------------------------------------------------------------------------------------------ -- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, ZITTING HOUDEND IN KORT GEDING, Gezien het op 12 maart 2007 ingediende verzoekschrift, waarbij Philippe WOLFOWICZ de schorsing vordert van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 3 december 2006 waarbij Bogdan VAN DONINCK benoemd wordt tot directeur-generaal "Coördinatie en Informatie" van de Programmatorische Federale Overheidsdienst Wetenschapsbeleid; V - 1731 - 1/7 Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de nietigverklaring van hetzelfde koninklijk besluit vordert; Gezien het op 6 april 2007 ingediende verzoekschrift, waarbij Bogdan VAN DONINCK vraagt als tussenkomende partij te mogen optreden in het kort geding; Gezien de nota met opmerkingen en het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag van mevrouw G. BEECKMAN de CRAYLOO, eerste auditeur bij de Raad van State; Gelet op de beschikking van 5 juni 2007, waarbij wordt bepaald dat de zaak voorkomt op de terechtzitting van 15 juni 2007 om 11.30 uur; Gelet op de kennisgeving aan de partijen van het verslag en van de beschikking tot vaststelling van de rechtsdag; Gehoord het verslag van mevrouw S. GEHLEN, staatsraad; Gehoord de opmerkingen van Mr. I. AMROMIN, advocaat, die voor verzoeker verschijnt, van Mr. B. RENSON, advocaat, die voor de verwerende partij verschijnt, en van Mr. A. WIRTGEN, advocaat, die voor de tussenkomende partij verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van mevrouw G. BEECKMAN de CRAYLOO, eerste auditeur; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de volgende feiten dienstig zijn voor het onderzoek van de vordering:

  1. In de maanden september en oktober 2005 hebben verzoeker en Bogdan VAN DONINCK deelgenomen aan de vergelijkende selectietest die georganiseerd was door SELOR met het oog op de selectie van een directeur- V - 1731 - 2/7 generaal voor de algemene directie "Coördinatie en Informatie" van de federale programmatorische overheidsdienst - afgekort als POD - Wetenschapsbeleid, met toepassing van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten.
  2. In haar eindevaluatie heeft de selectiecommissie deze twee gegadigden gerangschikt in groep A "zeer geschikt", waarbij verzoeker als eerste en Bogdan VAN DONINCK als tweede gerangschikt is. Deze rangschikking is gemotiveerd in de volgende bewoordingen: - wat verzoeker betreft : "De kandidaat beschikt over uitstekende managementcapaciteiten voor de geambieerde functie. Hij heeft eveneens aan de hand van een geargumenteerde uiteenzetting en aan de hand van overwegingen over de functie en de instelling aangetoond zeer goed in staat te zijn om zich snel aan te passen aan het werkmilieu van de instelling", - wat Bogdan VAN DONINCK betreft: "De kandidaat heeft een zeer goede kennis van de context waarin de instelling moet functioneren. Hij bezit goede managementvaardigheden maar hij zou best zijn coaching verbeteren, zijn assertiviteit ontwikkelen en meer luisterbereidheid aan de dag leggen";
  3. Het volledige dossier van de vergelijkende selectie is op 10 november 2005 aan de voorzitter van het directiecomité van de POD Wetenschapsbeleid overgezonden.
  4. Op 20 december 2005 heeft de voorzitter van het genoemde directiecomité een onderhoud met elk van de twee betrokken kandidaten. Op 12 januari 2006 stelt hij van dit onderhoud een proces-verbaal op. Hierin wordt in de volgende bewoordingen over verzoeker geconcludeerd: " De heer Wolfowicz is dus een goede kandidaat, met een opmerkelijke operationele en managementervaring. Hij mist evenwel een duidelijke visie wat betreft de institutionele evolutie in België en in Europa op het vlak van de organisatie van het onderzoek. Deze organisatie vormt nochtans de voornaamste strategische spil van de Algemene Directie “Coördinatie en Informatie”. Hij heeft ook geen precieze kennis van de huidige versnippering van de diensten, van hun specificiteit en hij kan ook niet duidelijk beschrijven welke meerwaarde zou kunnen worden geleverd V - 1731 - 3/7 door de oprichting van de Algemene Directie en door de instelling van de functie van Directeur-generaal". De conclusie betreffende Bogdan VAN DONINCK is de volgende: " Dhr. Van Doninck is dus een uitstekend kandidaat. Doorheen de proeven die door Selor werden georganiseerd, bewees hij echte managementcapaciteiten te bezitten en door zijn werkervaring beschikt hij over de noodzakelijke troeven om de toekomstige opdrachten binnen de Algemene Directie tot een goed einde te brengen".
  5. Op 19 januari 2006 zendt de voorzitter van het directiecomité aan de Minister van Wetenschapsbeleid het dossier, vergezeld van een ontwerp van koninklijk besluit tot benoeming van Bogdan VAN DONINCK in de managementfunctie - 1 "Coördinatie en Informatie".
  6. Op 8 februari 2006 weigert de minister de voordracht die is gedaan en verzoekt hij de voorzitter van het directiecomité hem binnen acht dagen een nieuw dossier te bezorgen waarin rekening gehouden wordt met de gegevens die vervat liggen in een uitvoerig gemotiveerd besluit waarin de overwegingen en conclusies van het verslag van de selectiecommissie worden vergeleken met die van het onderhoud dat de voorzitter met de gegadigden heeft gehad.
  7. Op 14 februari 2006 antwoordt de voorzitter van het directiecomité aan de minister dat hij hem geen nieuw voorstel kan bezorgen omdat niemand geloof zou kunnen hechten aan het feit dat hij in alle oprechtheid van mening veranderd is en hij doet opnieuw het benoemingsvoorstel dat reeds op 19 januari 2006 gedaan is.
  8. Na een uitwisseling van brieven tussen de minister en de voorzitter van het directiecomité, zendt de laatstgenoemde op 24 oktober 2006 een nieuw ontwerp van koninklijk besluit over houdende benoeming van Bogdan VAN DONINCK.
  9. Bij een koninklijk besluit van 3 december 2006 wordt deze kandidaat aangewezen als houder van een managementfunctie -1, in de functie van directeur-generaal "Coördinatie en Informatie" van de POD Wetenschapsbeleid met ingang van 1 november
  10. Dit is de handeling waarvan de schorsing van de tenuitvoerlegging wordt gevorderd. Dit koninklijk besluit is bekendgemaakt bij wijze van vermelding in het Belgisch Staatsblad V - 1731 - 4/7 van 11 januari 2007 en is rechtgezet met een erratum dat in het Belgisch Staatsblad van 18 januari 2007 is bekendgemaakt; Overwegende dat Bogdan VAN DONINCK een verzoekschrift tot tussenkomst in de rechtspleging in kort geding heeft ingediend; dat zijn benoeming wordt aangevochten; dat hij blijk geeft van het vereiste belang om in de debatten tussen te komen; dat de tussenkomst wordt toegestaan; Overwegende dat volgens artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State "de schorsing van de tenuitvoerlegging (...) alleen (kan) worden bevolen als ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement kunnen verantwoorden en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; Overwegende dat verzoeker het volgende betoogt in verband met het gevaar voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat hem zou worden berokkend door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden handeling: " Dat in het onderhavige geval verzoeker de functie al sedert maart 2003 ambieerde en dat hij na afloop van de selectieprocedure in groep A - zeer geschikt - werd gerangschikt. Dat de selectieprocedure heeft gefaald ten gevolge van de nietigverklaring door Uw Hoog Rechtscollege van het koninklijk besluit betreffende de aanwijzing voor de managementfunctie doordat de sollicitaties van de Franstalige en de Nederlandstalige kandidaten onderzocht zijn door afzonderlijke commissies, waardoor de eenvormigheid van de evaluatiecriteria niet kon worden gewaarborgd. Dat door de benoeming in de functie van directeur-generaal «Coördinatie en Informatie» verzoeker, die thans tewerkgesteld is in Luxemburg, opnieuw in België kon werken. Dat verzoeker die uit de echt gescheiden is, mede het recht uitoefent van bewaring van zijn dochter van zes jaar die in Brussel naar school gaat (...). Dat verzoeker sedert 2003 dingt naar het ambt van directeur-generaal «Coördinatie en Informatie» en dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de termijnen om een vernietigingsarrest te wijzen reeds onredelijk heeft geacht in het arrest-Entreprises Robert DELBRASSINE. Dat in ambtenarenzaken de overschrijding van de redelijke termijn, zowel wat betreft de benoemingsprocedure, als wat betreft de tijd die nodig is voor het onderzoek van het beroep tot nietigverklaring, een V - 1731 - 5/7 doorslaggevende invloed heeft op de beroeps- en persoonlijke situatie van verzoeker, alsmede op de afloop van het beroep. Dat de omstandigheid dat verzoeker aldus moet blijven wachten sinds zijn eerste sollicitatie van 2003, gevolgd door die van 2005, voor hem een ernstig en moeilijk te herstellen ernstig nadeel inhoudt, waardoor hij in een verlengde staat van onzekerheid terechtkomt"; Overwegende dat het risico van afwijzing inherent is aan elk competitie bij de overheidsdiensten; dat het moreel nadeel dat volgt uit zulk een afwijzing kan worden goedgemaakt met een vernietigingsarrest zodat het, behoudens bijzondere omstandigheden, niet als ernstig en als moeilijk te herstellen beschouwd kan worden; dat weliswaar kan worden aangenomen dat verzoeker ontgoocheld is dat hij niet opnieuw in België kan komen werken, maar dat dit aspect van het aangevoerde nadeel niet voortvloeit uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden handeling, maar uit een vroegere persoonlijke keuze van verzoeker; dat de onredelijk geachte termijn van de bevorderingsprocedure aangevoerd wordt in een middel en dat het bewijs leveren van een gevaar voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel iets anders is dan het bewijs leveren van het bestaan van ernstige middelen; dat bovendien de duur van een bevorderingsprocedure op zich niet aantoont dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bevorderingsbesluit een nadeel zou opleveren; dat de rechtspleging voor de Raad van State niet deel uitmaakt van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden handeling en dat de vermoedelijke duur ervan dus niet in aanmerking kan worden genomen als een gegeven tot staving van het nadeel; dat het gevaar voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel wegens de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden handeling niet is aangetoond; Overwegende dat niet voldaan is aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die vervuld moeten zijn opdat hij de tenuitvoerlegging van een bestreden handeling kan schorsen; dat de vordering niet kan worden toegewezen, BESLUIT: Artikel
  11. Het verzoek tot tussenkomst in de kortgedingprocedure, ingediend door Bogdan VAN DONINCK, wordt ingewilligd. V - 1731 - 6/7 Artikel
  12. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling wordt afgewezen. Artikel
  13. De kosten van het door Bogdan VAN DONINCK ingediende verzoek tot tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van verzoeker. De beslissing over de kosten wordt voor het overige in beraad gehouden. Aldus uitgesproken te Brussel in openbare terechtzitting van de Ve kamer, zitting houdend in kort geding, op achtentwintig juni tweeduizend zeven, door: de HH. R. ANDERSEN, eerste voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. S. GEHLEN, staatsraad, Mevr. M.-Chr. MALCORPS, griffier, De Griffier, De Eerste Voorzitter van de Raad van State, M.-Chr. MALCORPS. R. ANDERSEN. V - 1731 - 7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.896 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.968 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.