← België

Arrest 172918 - Milieu bescherming - Reglementen - 28/06/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:A

3 en 15septies van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 26 mei 2000 ter uitvoering van sommige artikelen van hetzelfde decreet; Gelet op het arrest nr. 104.483 van 7 maart 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gelet op het arrest nr. 158.991 van 18 mei 2006 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangeduide lid van het auditoraat wordt belast met het onderzoek van de excepties van de verwerende partij; VII-23.142-1/13 Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 13 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van dat verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. RYCKBOST, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat F. VINCKE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. De feiten 1.
  2. Het bestreden besluit strekt er in essentie toe een regeling in te voeren waardoor de landbouwers vergoed worden voor de inkomstenverliezen die het gevolg zijn van de bij decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, en het decreet van 3 maart 2000 houdende wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, opgelegde verscherpte milieunormen inzake bemesting en het gebruik van bestrijdingsmiddelen op kwetsbare cultuurgronden. 1.
  3. Bij het Arbitragehof, thans Grondwettelijk Hof werden, onder meer door de verzoekende partijen, beroepen aanhangig gemaakt tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 20 van het decreet van 11 mei 1999 tot wijziging van het VII-23.142-2/13 decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 en van artikel 9 van het decreet van 3 maart 2000 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen. Bij arrest nr. 70/2001 van 30 mei 2001 heeft het Arbitragehof die beroepen verworpen. 1.
  4. Het bestreden besluit werd gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 21 oktober 2005 betreffende het sluiten van beheersovereenkomsten in uitvoering van de verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling (Belgisch Staatsblad van 10 januari 2006). Tegen het besluit van 21 oktober 2005 werd geen annulatieberoep bij de Raad van State ingesteld. In het bestreden besluit van 10 november 2000 werden enkel de artikelen 1 (afdeling 1 "Definities" van Hoofdstuk I "Algemeen"), 11 en 12 (Hoofdstuk II "Vergoedingen natuur") en 24 tot 31 (Hoofdstuk IV "Toezicht, uitvoering en evaluatie") behouden.
  5. De ontvankelijkheid 2.
  6. De verwerende partij betwist het belang van de verzoekende partijen als volgt : "A. Tweede (onrechtsreeks als belangengroepering van haar aangesloten leden) en derde (rechtsreeks als eigenaar) verzoekers baseren zich op een procesbelang als EIGENAAR-NIET EXPLOITANT. Nu de aangevochten bepalingen van het aangevochten vergoedingsbesluit enkel in een vergoeding voor de exploitant voorzien, is het ten zeerste de vraag of de schorsing en/of vernietiging van het aangevochten besluit de niet-exploitant enig voordeel kan opleveren. In § 3 van artikel 15quater Mestdecreet is enkele sprake van vergoedingen ingevolge de beperkingen ingevolge § 1, waarin sprake is van beperkingen van de bemesting. Dit is enkel en alleen een last voor de exploitant, niet voor de grondeigenaar. Artikel 15 sexies, § 1 Mestdecreet heeft het over 'financiële stimuli aan gebruikers ', aan exploitanten dus, niet aan eigenaars. Artikel 15sexies, § 3 en artikel 15septies heeft het over inkomstenverliezen ten gevolge van : - Artikel 15sexies, § 2: waarin enkel sprake is van gebruikers - Artikel 15sexies, § 3: waarin sprake is van 'inkomstenverliezen die ontstaan ten gevolge van de bepalingen van artikel 15bis en 15ter'. In laatstgenoemde bepalingen gaat het om “beheersovereenkomsten” en verstrenging van de VII-23.142-3/13 bemestingsnormen en zelfs uitdrukkelijk over 'gezinsveeteeltbedrijven'. Het gaat dus duidelijk telkens om tegemoetkomingen aan de exploitanten, niet aan de eigenaars. B. Eerste verzoeker is EXPLOITANT. Het bestreden besluit geeft hem hoop op een vergoeding, weze het dat de vergoeding in de ogen van de verzoeker onvoldoende is. De vernietiging van het bestreden besluit zal met zich meebrengen dat verzoeker zeker geen vergoeding zal krijgen. Verzoeker heeft dan ook geen belang bij de vernietiging. C. In de mate de verzoekers gelijk zouden hebben in hun bewering dat ze de facto 'onteigend' zijn, zijn hun subjectieve rechten geschonden, zodat zij eventueel een vordering tot schadevergoeding dienen in te stellen voor de bevoegde burgerlijke rechtbank. Hun schade kan onmogelijk hersteld of beperkt worden door de vernietiging van het bestreden besluit, aangezien deze vernietiging niet automatisch de creatie van een besluit met hogere vergoedingen impliceert. De klassieke rechtspraak van het Europees Hof Mensenrechten, het Hof van Justitie, het Arbitragehof (onder meer in arrest 70/2001 van 30.05.2001 waarbij het vernietigingsberoep van o.a. de verzoekende partijen tegen enkele bepalingen van het Mestdecreet werd afgewezen), Uw en het Hof van Cassatie, is op heden overigens nog steeds unaniem dat door het opleggen van exploitatiebeperkingen er geen sprake is van 'de facto-onteigeningen' en geen inbreuk op artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het EVRM". 2.
  7. De verzoekende partijen antwoorden daarop het volgende : "Eerste verzoekende partij heeft een duidelijk belang aangezien hij exploitant is van een akkerbouwbedrijf die ten gevolge van de opgelegde verbodsbepalingen in de zogenaamde kwetsbare gebieden natuur in de onmogelijkheid is om nog verder te exploiteren. Hij kan immers niet genieten van de regeling van de 2 GVE per ha omdat hij niet beschikt over vee gedurende de referentiejaren (veequota). Als hij vee zou kopen moet hij in functie van het Mestdecreet een boete betalen hetgeen leidt tot een extra verlies. Des te meer heeft hij geen gronden te Hamont waar hij een stal zou mogen bouwen met vergunning. Hij heeft ook geen gronden waarvoor een beheersovereenkomst kan worden afgesloten teneinde over de toelating te kunnen beschikken van een bemesting van 100 kg N/ha/jr. Hij heeft desbetreffend een duidelijk negatief antwoord gekregen van de Mestbank. Uit het voorgaande volgt dat er ten gevolge van de nulbemestingsregeling effectief voor wat betreft zijn concrete situatie een absolute onmogelijkheid bestaat tot verdere landbouwexploitatie van zijn gronden, zulks in strijd met hetgeen door verwerende partij beweerd wordt (p. 5 van de memorie van wederantwoord). Er kan effectief zonder meer niet verder geteelt worden. Immers ook voor de zogenaamde bioteelt is er een zekere organische bemesting noodzakelijk en minstens dient er desbetreffend een overgangsperiode van vijfjaren in acht genomen te worden. In het licht van een absolute onmogelijkheid van exploitatie zijn de vergoedingen die in het bestreden besluit voorzien zijn dan ook absoluut ontoereikend, reden waarom huidige vordering tot vernietiging van het vergoedingenbesluit aanhangig werd gemaakt voor Uw Raad. Hierbij dient meteen vermeld dat het cijfervoorbeeld zoals vermeld in het inleidend verzoekschrift dat de geleden schade door eerste verzoekende partij becijfert dan ook in het licht van de absolute onmogelijkheid van de exploitatie geheel terecht en correct is. VII-23.142-4/13 Tweede en derde verzoekende partij hebben een belang aangezien de betrokken eigenaars door de opgelegde verbodsbepalingen ook ernstige inkomstenverliezen lijden waarvoor zij krachtens het bestreden besluit geen enkele vergoeding krijgen. Immers komen de gronden gelegen in de zogenaamde kwetsbare zones natuur niet in aanmerking meer voor akkerbouw, waardoor de aanwezige pachters de lopende pachtovereenkomsten zullen opzeggen en er ook geen andere pachters zullen gevonden worden. De eigenaars worden aldus wel rechtstreeks geraakt in hun inkomen. Ook werd in het inleidend verzoekschrift aangetoond dat wanneer de pachters de gronden verlaten hebben de eigenaars niet aanmerking komen voor enige vergoeding aangezien slechts een vergoeding wordt betaald voor percelen waarvan de aanvrager het gebruik vanaf 1 januari 1996 kan aantonen. In elk geval kan gesteld worden dat niet alleen de rechtstreekse bestemmelingen van het betrokken reglement, maar ook degenen die, zonder dat de verordening vanuit een strikt juridisch oogpunt op hen van toepassing is, maar die er redelijkerwijze rechtstreeks nadeel kunnen van ondervinden doen blijken van een belang (BAERT, J. en DEBERSAQUES, G, Ontvankelijkheid, Brugge die Keure, 1996, p. 240). In elk geval dient gesteld dat het belang tot het bestrijden van een besluit houdende toekenning van een vergoeding er alleen reeds in bestaat om de overheid ertoe aan te zetten de zaak opnieuw te onderzoeken en in voorkomend geval het besluit aan te passen waardoor er zeker een wettig, persoonlijk en rechtstreeks belang aanwezig is. Uw Raad van State gaat bij een beroep tegen een reglementaire akte niet na of de toepassing voor de verzoekende partijen al dan niet voordelig kan zijn (BAERT, J. en DEBERSAQUES, G., o.c., p. 293 en de aldaar vermelde rechtspraak)". 2.
  8. De verwerende partij betwist niet dat het bestreden reglementair besluit toepasselijk is op de eerste verzoeker. Dit geldt onmiskenbaar voor de artikelen 11 en 12 die voorzien in een vergoeding "natuur". In de mate waarin de verwerende partij stelt dat verzoeker, na de nietigverklaring, geen vergoeding zal kunnen krijgen wordt vooruitgelopen op het rechtsherstel na vernietiging. Dit rechtsherstel kan immers inhouden dat een nieuw besluit wordt genomen dat in een meer gunstig vergoedingsstelsel zal voorzien. In zoverre het enig middel betrekking heeft op opgeheven artikelen van de bestreden besluiten tonen de verzoekende partijen niet aan dat zij nog enig belang hebben bij de nietigverklaring ervan.
  9. De gegrondheid 3.
  10. De verzoekende partijen voeren in een enig middel de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (gelijkheids- en niet- discriminatiebeginsel) in samenhang met volgende rechtsregels : VII-23.142-5/13 - artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) (niet-discriminatie), zowel op zichzelf beschouwd als in combinatie met artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol bij het EVRM (eigendomsrecht); - de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het evenredigheids- en het redelijkheidsbeginsel; - artikel 15, leden

2 verordening nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen. 3.

  1. In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen dat zij niet meer aandringen om aan het Grondwettelijk Hof de voorgestelde prejudiciële vragen te stellen. Zij verzoeken wel om twee prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. 3.
  2. In de laatste memorie, ingediend op 27 juli 2006 en dus na de wijziging van het bestreden besluit door het besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 2005 werden verder argumenten ontwikkeld die in hoofdzaak betrekking hebben op inmiddels opgeheven of gewijzigde bepalingen van het bestreden besluit. Wat de nog bestaande artikelen betreft worden geen nieuwe elementen aangebracht. 3.
  3. Het middel wordt in het verzoekschrift als volgt uiteengezet : "Doordat, eerste onderdeel, de artikelen 11 en 12 (vergoeding natuur), de artikelen 13, 16, 17 (beheersvergoeding natuur) en artikelen 18, 20, 21 (beheersvergoeding water) van het Besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2000 geen vergoeding voorzien voor de eigenaar van deze gronden die geen exploitant is, Terwijl de eigenaar die geen exploitant is in dezelfde mate verlies lijdt als de aangifteplichtige conform artikel 3, §

§6

van het Mestdecreet, waardoor het gelijkheids- en non discriminatiebeginsel geschonden is, En terwijl de afwezigheid van een redelijke vergoeding voor de beperking van het eigendomsrecht een schending uitmaakt van het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel, zoals ook voorzien in artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. En terwijl krachtens artikel 15, lid 1 van de Verordening (EG) nr. 1257/1999 compenserende vergoedingen dienen te worden vastgesteld op een niveau dat toereikend is om doeltreffend aan een compensatie voor bestaande belemmeringen bij te dragen; VII-23.142-6/13 Doordat, tweede onderdeel, ingevolge artikel 12, §

§ 2

van het Besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2000 aan de aangifteplichtige conform artikel 3, §

§ 6

van het Mestdecreet slechts een marginale en onzekere vergoeding wordt toegekend van 200 euro per ha en per jaar ingevolge de opgelegde gebruiksbeperkingen zoals bepaald in artikel 11 van bedoeld besluit, en deze vergoeding bovendien in mindering wordt gebracht van de beheersvergoeding gekoppeld aan een zeer voorwaardelijke beheersovereen-komst natuur krachtens artikel 17 van het bestreden besluit waardoor deze beheersvergoeding maximaal bepaald is op 125 euro per ha per jaar indien voor hetzelfde perceel en voor hetzelfde jaar een vergoeding natuur wordt uitbetaald, Terwijl in het licht van de onmogelijkheid om verder gebruik te maken van de cultuurgronden waarvoor een bemestingsverbod geldt krachtens artikel 15ter van het Mestdecreet, de afwezigheid van een redelijke vergoeding voor de beperking van het gebruiksrecht een schending uitmaakt van het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel, zoals ook voorzien is in artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden alsook krachtens artikel 15, lid 1 van de Verordening (EG) nr. 1257/1999 compenserende vergoedingen dienen te worden vastgesteld op een niveau dat toereikend is om doeltreffend aan een compensatie voor bestaande belemmeringen bij te dragen; Doordat, derde onderdeel, ingevolge artikel 24, derde lid van het Besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2000 de vergoeding natuur, in de zin van de artikelen 11 en 12 van het bestreden besluit, enkel wordt uitbetaald voor percelen waarvan de aanvrager het gebruik vanaf 1 januari 1996 kan aantonen; Terwijl deze vergoeding niet toekomt aan de aanvrager wanneer deze de betrokken percelen nà 1 januari 1996 in gebruik heeft en derhalve de eigenaar die beslist om zijn gronden te exploiteren bedoelde vergoeding niet krijgt en voor dit onderscheid geen redelijke en objectieve verantwoording bestaat, gelet op het feit dat deze aanvrager hetzelfde verlies lijdt en zich bijgevolg in dezelfde feitelijke toestand bevindt, waardoor het gelijkheids- en non- discriminatiebeginsel geschonden is, alsook het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel, mede het recht op een ongestoord eigendomsrecht, zoals voorzien in artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zulks niettegenstaande krachtens artikel 15, lid 1 van de Verordening (EG) nr. 1257/1999 compenserende vergoedingen dienen te worden vastgesteld op een niveau dat toereikend is om doeltreffend aan een compensatie voor bestaande belemmeringen bij te dragen; Doordat, vierde onderdeel, ingevolge artikel 16, § 1 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2000, slechts beheersvergoedingen worden toegekend voor inkomstenverliezen die ontstaan ten gevolge van stappen ter verbetering van het milieu die verder gaan dan de wettelijke bepalingen en bedoelde vergoeding slechts tijdelijk wordt toegekend, met name voor een periode van 5 opeenvolgende jaren, en derhalve de beheersovereenkomst een contract is houdende tijdelijke steunmaatregelen; en doordat bovendien een beheersovereenkomst natuur niet kan worden afgesloten voor een perceel dat gelegen is binnen de aankoopperimeter van een erkend of Vlaams natuurreservaat, zulks terwijl quasi elk perceel binnen bedoelde aankoopperimeter kan liggen en derhalve de mogelijkheid tot het afsluiten van genoemde beheersovereenkomst onmogelijk, minstens uiterst onzeker en voorwaardelijk is, Terwijl er geen enkele redelijke verantwoording bestaat om slechts een vergoeding te voorzien in geval van verdergaande stappen tot verbetering van het leefmilieu, nu de gronden als gevolg van de opgelegde nulbemesting krachtens artikel 15ter van het Mestdecreet, feitelijk onbruikbaar worden, VII-23.142-7/13 hetgeen leidt tot een de facto onteigening en elke mogelijke handeling verboden wordt en elk verlies dient te worden vergoed - dus ook waardeverlies zonder dat tot verdergaande stappen tot verbetering van het leefmilieu wordt overgegaan -, waardoor het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel geschonden is, het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel, alsook het recht op een ongestoord eigendomsrecht, zoals voorzien in artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, niettegenstaande krachtens artikel 15, lid 1 van de Verordening (EG) nr. 1257/1999 compenserende vergoedingen dienen te worden vastgesteld op een niveau dat toereikend is om doeltreffend aan een compensatie voor bestaande belemmeringen bij te dragen; Doordat, vijfde onderdeel, ingevolge de artikelen 13, 16, 17, 18, 20, 21 en 22 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2000 een onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds beheersovereenkomsten natuur en anderzijds beheersovereenkomsten water, en meer bepaald inzake de voorwaarden om de respectievelijke beheersovereenkomsten af te sluiten, de te nemen maatregelen in uitvoering van de respectievelijke beheersovereenkomsten en het bedrag van de beheersvergoeding die gekoppeld is aan de respectievelijke beheersovereenkomsten, Terwijl voor genoemd onderscheid geen enkele redelijke en objectieve verantwoording bestaat en de aangewende middelen niet evenredig zijn met het beoogde doel waardoor er ook een schending is van het evenredigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, alsook het recht op een ongestoord eigendomsrecht, zoals voorzien in artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, te meer de maatregelen opgelegd in de gebieden waarvoor een beheersovereenkomst natuur kan worden afgesloten aanzienlijk restrictiever zijn dan deze opgelegd in de gebieden waarvoor een beheersovereenkomst water kan worden afgesloten, reden waarom de inkomstenverliezen dan ook veel hoger zijn, zulks terwijl de beheersvergoedingen natuur aanzienlijk lager zijn dan de beheersvergoedingen water. En terwijl krachtens artikel 15, lid 2 van de Verordening (EG) nr. 1257/1999 de compenserende vergoedingen op een passende wijze gedifferentieerd dienen te worden (met) ondermeer met inachtneming van de ernst van de permanente natuurlijke belemmering voor landbouwactiviteiten alsook de specifieke milieuproblemen die in voorkomend geval moeten worden opgelost". 3.5. De verzoekende partijen stellen in een eerste onderdeel dat het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel geschonden is doordat de artikelen 11 tot 13, 16 tot 18, 20 en 21 van het bestreden besluit niet in een vergoeding voorzien voor de eigenaars die geen exploitanten zijn. De artikelen 16 tot 18, 20 en 21 van het bestreden besluit zijn opgeheven bij besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 2005. Het bestreden besluit voert de artikelen l5sexies, § §

3, en 15septies van het meststoffendecreet, zoals ingevoegd door het decreet van 11 mei 1999 en gewijzigd door het decreet van 3 maart 2000, uit door de vergoeding voor landbouwers voor inkomensverlies als gevolg van de verscherpte bemestingsnormen VII-23.142-8/13 nader te regelen. Sectie 6 van hoofdstuk 5 van het meststoffendecreet voorziet niet alleen in vergoedingen voor inkomensverlies maar tevens in vergoedingen voor patrimoniumverlies. Zo voegde het decreet van 11 mei 1999 in het meststoffendecreet artikel l5octies in, dat een vergoeding voor waardeverlies voorziet voor de eigenaar van een onroerend goed. De keuze om enerzijds een vergoeding voor inkomensverlies te laten toekomen aan gebruikers-producenten en anderzijds een vergoeding voor waardeverlies te laten toekomen aan eigenaars, is een door de decreetgever gemaakte keuze. Het Arbitragehof heeft in arrest nr. 70/2001 van 30 mei 2001 alle middelen verworpen inzake schending van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel die de verzoekende partijen ten aanzien van de door de decreetgever ingestelde vergoeding van patrimoniumverlies ten voordele van eigenaars hadden aangevoerd. Het eerste onderdeel van het enig middel komt neer op kritiek op de decreetgever. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM bepaalt : "Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren". In de procedure voor het Arbitragehof hebben de verzoekende partijen zich eveneens op de geciteerde bepaling beroepen. In arrest nr. 70/2001 heeft het Hof daarover als volgt geoordeeld : "De verzoekende partijen tonen niet aan en het Hof ziet niet in hoe de betwiste maatregelen (het bemestingsverbod in de kwetsbare zones natuur, de gedeeltelijke ontheffing ervan voor gezinsveeteeltbedrijven en de overdracht als voorwaarde voor toekenning van een vergoeding voor patrimoniumschade) zouden kunnen worden beschouwd als een eigendomsberoving in de zin van artikel 1, eerste alinea, van het Eerste Aanvullend Protocol. De betwiste maatregelen moeten worden beschouwd als een regeling van 'het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang ', in de zin van de tweede alinea van hetzelfde artikel; rekening houdend met de uiteengezette elementen betreffende het eerste onderdeel der middelen raakt die regeling niet op buitensporige wijze de rechten van de betrokken eigenaars". Nu de bepalingen van het meststoffendecreet een regeling van "het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang" zijn waarvan niet blijkt dat ze de rechten van de betrokken eigenaars op buitensporige wijze VII-23.142-9/13 inperkt, moet hetzelfde worden besloten ten aanzien van het bestreden uitvoeringsbesluit. In het eerste onderdeel beroepen de verzoekende partijen zich tot slot op artikel 15, lid 1, van verordening nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen. Krachtens deze bepaling moeten "compenserende vergoedingen worden vastgesteld op een niveau dat - toereikend is om doeltreffend aan een compensatie voor bestaande belemmeringen bij te dragen, en - waarbij overcompensatie wordt voorkomen". De verzoekende partijen stellen in hun toelichting dat krachtens artikel 15, lid 1, van bedoelde verordening de compenserende vergoedingen moeten worden vastgesteld op een niveau dat toereikend is om doeltreffend aan een compensatie voor bestaande belemmeringen bij te dragen, hetgeen bedoelde natuur- en beheersvergoedingen allerminst zijn, gezien de restrictieve maatregelen en verbodsbepalingen in de natuur- en watergebieden enerzijds en het zeer beperkte bedrag van de natuur- en beheersvergoeding anderzijds, wat dient te worden beoordeeld in het licht van het evenredigheidsbeginsel zoals voorzien bij artikel 1 van het Aanvullend Protocol bij het EVRM. Zij tonen met hun uiteenzetting echter niet concreet aan dat de verwerende partij bij het nemen van het bestreden besluit kennelijk onredelijk is tewerk gegaan. 3.6. In een tweede onderdeel stellen de verzoekende partijen dat de door artikel 12, §§

2, van het bestreden besluit voorziene vergoeding niet adequaat, onzeker en ontoereikend is. De verzoekende partijen tonen niet aan en beweren zelfs niet dat de voorwaarden die het bestreden besluit stelt voor het toekennen van de vergoeding zouden ingaan tegen of afwijken van het meststoffendecreet. Zij tonen evenmin de kennelijke onredelijkheid van het bestreden besluit aan. In zoverre de verzoekende partijen zich in dit onderdeel beroepen op artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol en op artikel 15, lid 1, van verordening nr. 1257/1999, kan worden VII-23.142-10/13 verwezen naar wat hierover bij de beoordeling van het eerste onderdeel werd gezegd. 3.

  1. De verzoekende partijen menen in een derde onderdeel dat het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel geschonden is doordat krachtens artikel 24, derde lid, van het bestreden besluit de vergoeding enkel wordt uitbetaald voor percelen waarvan de aanvrager het gebruik vanaf 1 januari 1996 kan aantonen. Artikel 15septies, vierde lid, van het meststoffendecreet stelt als voorwaarde om in aanmerking te komen voor vergoeding : "de percelen in 1996 aan de Mestbank hebben aangegeven". De verzoekende partijen tonen niet aan en beweren zelfs niet dat de voorwaarden die het bestreden besluit stelt voor het toekennen van de vergoeding zouden ingaan tegen of afwijken van het meststoffendecreet. Zij tonen evenmin de kennelijke onredelijkheid van het bestreden besluit aan. In zoverre de verzoekende partijen zich in dit onderdeel beroepen op artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol en op artikel 15, lid 1, van verordening nr. 1257/1999 kan worden verwezen naar wat hierover bij de beoordeling van het eerste onderdeel werd gezegd. 3.
  2. Het vierde onderdeel is gericht tegen artikel 16, § 1, van het bestreden besluit. Dit artikel werd opgeheven door het besluit van 21 oktober
  3. De verzoekende partijen tonen niet aan dat zij nog belang hebben bij de nietigverklaring van deze bepaling. 3.
  4. De verzoekende partijen stellen in een vijfde onderdeel dat het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel geschonden is doordat het bestreden besluit een onderscheid maakt tussen beheersovereenkomsten natuur en beheersovereenkomsten water. De gewijzigde tekst van het bestreden besluit maakt dergelijk onderscheid niet meer. De verzoekende partijen tonen niet aan dat zij nog belang hebben bij de op dat vlak gevorderde nietigverklaring. 3.
  5. Gelet op wat voorafgaat, is het enige middel niet gegrond. 3.
  6. In hun verzoekschrift tot voortzetting van de procedure en in hun memorie van wederantwoord suggereren de verzoekende partijen om twee prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie te Luxemburg over de VII-23.142-11/13 verzoenbaarheid van de mestregeling in het Vlaamse Gewest met de artikelen 5

(3), (
  1. a)en (
  2. b)en 5
(5)van de Nitraatrichtlijn en met de algemene beginselen van de communautaire rechtsorde, meer bepaald het proportionaliteitsbeginsel, het eigendomsrecht, het gelijkheidsbeginsel, het beginsel "polluter pays", het beginsel van de rechtszekerheid en de vrije uitoefening van economische activiteit. Artikel 234, derde alinea, van het EG-verdrag verplicht de nationale rechterlijke instanties "waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep" zich tot het Hof van Justitie te wenden wanneer vragen van uitlegging van het gemeenschapsrecht rijzen, indien zij een beslissing daarover noodzakelijk achten voor het wijzen van hun vonnis of arrest. In hun verzoekschrift hebben de verzoekende partijen noch de schending van de Nitraatrichtlijn, noch de schending van enig algemeen beginsel van de communautaire rechtsorde aangevoerd. Bijgevolg is niet duidelijk waarom de voorgestelde vragen nut zouden hebben voor de beslechting van het voorliggend beroep. Het stellen van de voorgestelde vragen is niet noodzakelijk voor het wijzen van het arrest, BESLUIT: Artikel
  1. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 520,58 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een derde. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 525 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een derde. VII-23.142-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig juni tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, de HH. E. BREWAEYS staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-23.142-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.918 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.104.483 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.991 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.