id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.989 Rolnummer: A. 181199/IX-5571 Zaak: Arrest 172989 - Personeel van de rechterlijke orde - 29/06/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-16 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 21:57 Fiche Arrest nr 172.989 van 29 juni 2007 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 172.989 van 29 juni 2007 in de zaak A. 181.199/IX-5571. In zake : XXXX, die woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te GENT, Koning Albertlaan 128 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat Y. DE SMET, kantoor houdende te AALST, Stationsstraat 10 bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 20 februari 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van (...) 2006 waarbij Y wordt aangewezen tot voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te A; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 25 april 2007 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 21 mei 2007, datum waarop de zaak in voortzetting wordt gesteld tot de openbare terechtzitting van 11 juni 2007; IX-5571-1/23 Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. DE SUTTER die, loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verzoeker, en van advocaten Y. DE SMET en J. DE CONINCK die verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. In het Belgisch Staatsblad van 16 februari 2006 werd de vacante betrekking van voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te A bekendgemaakt. Vier personen, waaronder de heer XXXX en de heer Y, dienden een kandidatuur in. De heer XXXX was op dat ogenblik voorzitter van de genoemde rechtbank, in die functie benoemd bij koninklijk besluit van 27 oktober 1998. De heer Y was op dat ogenblik raadsheer in het Hof van Beroep te B, in die functie benoemd bij koninklijk besluit van 14 april 2002. Elk van de kandidaten diende een beleidsplan in, zoals wettelijk vereist. 2. Over de heren XXXX en Y werden adviezen gegeven door de ondervoorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te A met de hoogste dienstan- ciënniteit, door de Eerste Voorzitter van het Hof van Beroep te B, en door de respectieve stafhouders van de Ordes van advocaten te A en te B. 2.1. De ondervoorzitter van de rechtbank gaf zijn adviezen op 20 april 2006. In zijn uitvoerig gemotiveerd advies over de heer XXXX was hij over de ganse lijn positief, en besloot hij als volgt: “Uit wat voorafgaat blijkt zeer duidelijk dat de kandidaat ruimschoots voldoet aan al de vereisten, noodzakelijk voor een goede voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te A. Heel wat initiatieven genomen door de kandidaat gedurende zijn aflopend mandaat zijn nog volop in uitvoering (kaderuitbreiding, inrichting van het IX-5571-2/23 gebouw, ...). Op dit ogenblik is het voor de rechtbank van eerste aanleg te A dan ook uiterst belangrijk dat de continuïteit wordt verzekerd.” De eindvermelding was “zeer gunstig”. Het advies van dezelfde dag over de heer Y was zeer beknopt, en ging niet in op de kwaliteiten van de kandidaat: “Gezien de kandidaat nooit rechter is geweest in de rechtbank van eerste aanleg te A, kent ondergetekende onvoldoende de bekwaamheid en geschikt- heid van de kandidaat voor de vacante plaats van voorzitter in de rechtbank van eerste aanleg te A. Ondergetekende verwijst dan ook naar het advies dat over deze kandidaat zal worden gegeven door zijn hiërarchische overheid te B.” Bij schrijven van 28 april 2006 deelde de heer Y zijn gemotiveer- de opmerkingen op dat advies mee. Hij drukte zijn verwondering uit over de handelwijze van de ondervoorzitter, gelet op de professionele contacten die er rechtstreeks of onrechtstreeks tussen hen waren, op het onderhoud dat hij over zijn kandidatuur met de ondervoorzitter had gehad, en op het feit dat de ondervoorzitter in het bezit was van zijn curriculum vitae en zijn beleidsplan. De heer Y besloot dat, “door over sommige kandidaten wel een advies uit te brengen en over andere niet, ... tussen de kandidaten een ongelijkheid (wordt) gecreëerd, die enkel kan worden rechtgezet door deze opmerkingen”. 2.2. De Eerste Voorzitter van het Hof van Beroep te B gaf zijn adviezen ook op 20 april 2006. Het advies over de heer XXXX was over de ganse lijn positief, en besloot als volgt: “XXXX heeft zich opnieuw kandidaat gesteld voor het ambt van voorzitter, dat hij reeds sedert oktober 1998 op een degelijke wijze uitoefent. Hij beschikt over de nodige intellectuele, organisatorische en menselijke kwaliteiten die vereist zijn om een grote rechtbank te leiden en wordt door zijn collegae gewaardeerd. Mijn ambt verleent dan ook een zeer gunstig advies.” Ook het advies over de heer Y was over de ganse lijn positief. Het besloot als volgt: “Gelet op het verloop van de carrière van de kandidaat, zijn wetenschappelij- ke vorming, zijn verdiensten als magistraat van de zetel, zijn grote werkkracht, IX-5571-3/23 zijn klare en duidelijke visie over de werking van een rechtbank en over de te verwachten doelstellingen inzake beleid en beheer, zijn sterke persoonlijkheid en stressbestendig karakter, verleent mijn ambt een zeer gunstig advies.” 2.3. De stafhouder van de Orde van advocaten te A gaf op 24 april 2006 een advies over de heer XXXX. Dat advies besloot met de volgende “bijzondere beschouwingen”: “De kandidaat is ongetwijfeld geschikt voor het door hem geambieerde ambt. Zijn begrip voor de ander en zijn humaan optreden kenmerken zijn zeer hoog socialiteitsgehalte, wat op zich moet worden gewaardeerd. Wanneer malfuncties in de rechtbank worden geconstateerd, worden deze ongetwijfeld veroorzaakt door de kwaliteit van sommige medewerkers en een constant nijpend tekort aan magistraten, zodat noodgedwongen een te grote wissel van samenstellingen en opdrachten noodzakelijk zijn.” De eindvermelding was “gunstig”. Op 11 april 2006 gaf de stafhouder van de Orde van advocaten te B zijn advies over de heer Y. Dat advies besloot met de volgende “bijzondere beschouwingen”: “De uitgesproken veelzijdigheid van de kandidaat is een absolute troef. Hij heeft nagenoeg letterlijk alle waters doorzwommen. Hij zetelde als civiele en penale magistraat. Hij zetelde zowel in collegiale kamers als alleensprekend rechter. Hij heeft een gedegen kennis van sociaal recht, maar ook van jeugdrecht. Hij zetelde als beslagrechter en als onderzoeksrechter. Hij heeft eveneens ervaring als persrechter. Hij is medewerker aan juridische tijdschriften en lesgever en/of voorzitter van post-universitaire beroepsopleidingen. Hij maakt deel uit van tal van commissies. Hij heeft oog voor teamwork en heeft een bijzonder positief psychologisch profiel. Hij is bovendien zeer gedreven en kan een grote workload aan.” De eindvermelding was “zeer gunstig”. 3. Nadat de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie de vier kandidaten gehoord had, besliste zij op 10 juni 2006 de heer Y voor de benoeming voor te dragen. Bij koninklijk besluit van 15 september 2006 werd deze voordracht geweigerd. De weigering steunde op het feit “dat de voordracht niet voldoet aan de formele motiveringsplicht van administratieve handelingen”. IX-5571-4/23 Op 3 oktober 2006 kwam de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie opnieuw samen. Zij besliste de heer Y opnieuw voor te dragen. Het proces-verbaal van de voordracht bevatte de volgende motivering over de heer Y en over de heer XXXX: “Y behaalde in 1985 met onderscheiding het diploma van licentiaat in de rechten. In 1986 behaalde hij met onderscheiding een bijkomende licentie in de criminologie. In 1993 behaalde hij met grote onderscheiding een bijzondere licentie sociaal recht. Hij was advocaat van september 1986 tot oktober 1991. Van januari 1987 tot en met oktober 1991 was hij universitair assistent aan de Transnationale Universiteit Limburg. Bij ministeriële besluiten van 11 oktober 1991 en van 7 september 1992 werd hij voor een termijn van één jaar benoemd tot gerechtelijk stagiair bij het parket bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Bij koninklijk besluit van 23 oktober 1992 werd hij benoemd tot substituut- arbeidsauditeur bij de arbeidsrechtbank te C. Hij was docent aan de politieschool Brussel tijdens de leergang 1992-1993. Bij koninklijk besluit van 18 november 1993 werd hij benoemd tot rechter in de rechtbank van eerste aanleg te B. Bij beschikkingen van de voorzitter werd hij op 1 maart 1995, 7 september 1995, 15 maart 1996 en 3 oktober 1996 steeds voor een termijn van 6 maanden aangeduid als beslagrechter. Bij koninklijk besluit van 23 december 1996 werd hij aangewezen als beslagrechter voor de termijn van 1 jaar. Bij koninklijk besluit van 19 december 1997 werd deze aanwijzing verlengd voor een termijn van 2 jaar. Bij beschikkingen van de voorzitter werd hij op 28 oktober 1996, 26 juni 1997 en 18 augustus 2000 steeds voor een termijn van 1 jaar aangeduid als onderzoeksrechter. Bij koninklijk besluit van 29 augustus 1997 werd hij aangewezen als onderzoeksrechter voor een termijn van 1 jaar. Bij koninklijke besluiten van 15 juni 1998 en 5 december 2000 werd deze aanwijzing respectievelijk verlengd voor een termijn van 2 en 5 jaar. Bij beschikking van de eerste voorzitter van het hof van beroep te B werd hij gelijktijdig aangeduid als onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg te C. Bij koninklijk besluit van 14 april 2002 werd hij benoemd tot raadsheer in het hof van beroep te B. Van 1998 tot 2000 was hij plaatsvervangend persrechter in de rechtbank van eerste aanleg te B. Van 2000 tot 2002 was hij lid van de (...) Arrondissementele Raad voor het Slachtofferbeleid (te B). Hij is plaatsvervangend voorzitter van de Commissie voor de Voorwaarde- lijke Invrijheidstelling in het rechtsgebied van het hof van beroep te B. Hij is plaatsvervangend lid van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten. Hij is plaatsvervangend bijzitter in de Vaste Beroepscommissie voor Vluchte- lingen. Hij is voorzitter van de Nederlandstalige Commissie van Nationale Erkentelijkheid. Bij koninklijk besluit van 20 juli 2005 werd hij aangewezen als lid van de Commissie tot hervorming van het hof van assisen. Hij is docent aan de school voor Criminologie en Criminalistiek en aan de Nationale Rechercheschool. Van 2001 tot 2006 was hij gastdocent en lid van IX-5571-5/23 de adviesraad van de Universiteit Gent. Van 2003-2006 was hij aan diezelfde universiteit sessie-voorzitter van de Post-Universitaire Cyclus ‘Willy Delva’ en van 2004-2006 sessie-voorzitter van het Centrum voor Beroepsvervolmaking in de Rechten. Hij is auteur van verscheidene juridisch-wetenschappelijke publicaties en was lid van de redactieraad van een juridisch tijdschrift. Hij is houder van het getuigschrift van de managementopleiding in het kader van de permanente vorming van de magistraten. Zijn uitstekend beleidsplan getuigt van een realistische, toekomstgerichte, klantgerichte en pragmatische kijk op de werking van een rechtbank van eerste aanleg waarmee hij een vernieuwende sturing en coördinatie van de rechtbank wenst te bewerkstelligen. Hij geeft ook blijk zich bewust te zijn van de specifieke problemen waarmee een voorzitter van deze rechtbank kan worden geconfronteerd. Hij stelt duidelijke doelen en legt realistische persoonlijke klemtonen. Zijn visie en concepten worden duidelijk onderbouwd, geven blijk van de nodige creativiteit en houden rekening met de beschikbare middelen (
- en)spelen in op de op til staande wijzigingen binnen justitie. Zijn visie is concreet, objectief en methodisch, en houdt rekening met de nood aan een modern human resourcemanagement. Hij beschikt tevens over de nodige zin tot samenwerking tussen de verschillende actoren en heeft een duidelijke en doordachte kijk op het te voeren beleid en personeelsbeleid, met onder meer bijzondere aandacht voor kwaliteitszorg en een kwaliteitsvolle openbare dienstverlening, zelfevalua- tie, stimuleren en motiveren van medewerkers, efficiënte inzet van mensen en middelen, evenwichtige en evenredige verdeling van de werklast, communica- tie, betrokkenheid, collegialiteit en teamwork, transparantie van de organisatie en overleg, permanente vorming en groepsgericht leiderschap. De ondervoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te A stelt in zijn ‘advies’ over de kandidatuur van Y het volgende: ‘Gezien de kandidaat nooit rechter is geweest in de rechtbank van eerste aanleg te A, kent ondergetekende onvoldoende de bekwaamheid en geschiktheid van de kandidaat voor de vacante plaats van voorzitter in de rechtbank van eerste aanleg te A. Ondergete- kende verwijst dan ook naar het advies dat over deze kandidaat zal worden gegeven door zijn hiërarchische overheid te (B)’. De commissie neemt kennis van de schriftelijke opmerkingen die Y bij dit ‘advies’ heeft geformuleerd. Zij acht de gemaakte opmerkingen voldoende gefundeerd en onderschrijft ze ten volle. Ook in zijn ‘advies’ over S.D. verwijst de ondervoorzitter naar een ander in 2004 uitgebracht advies voor een andere vacante functie. Het advies waarnaar verwezen is niet meer actueel en is bovendien gebaseerd op een ander standaardprofiel (arbeidsauditeur). De commissie betreurt ten zeerste dat de ondervoorzitter nalaat zijn verantwoordelijkheid op te nemen en de door artikel 259quater, § 2, 1/, van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven gemotiveerde schriftelijke adviezen uit te brengen over alle kandidaten. Door over een van de kandidaten wel een actueel en uitgebreid advies uit te brengen en over andere niet, wordt tussen de kandidaten een ongelijkheid gecreëerd. De plicht om alle kandidaten op gelijke en objectieve wijze te behandelen en te beoordelen rust niet enkel op de commissie, maar ook op de adviesverlenende overheid zonder hierbij afbreuk te doen aan hun respectievelijke appreciatiebevoegdheid. De eerste voorzitter van het hof van beroep te B stelt over de kandidatuur van Y dat de kandidaat zijn gedachten op een verstandige en vlotte manier kan verwoorden. De kwaliteit van zijn geschriften is voortreffelijk. Hij is besluit- IX-5571-6/23 vaardig en kent geen achterstand in zijn werk. Hij heeft een heel goed rendement, zowel kwalitatief als kwantitatief. Hij onthaalt de rechtsonderhorige op een hoffelijke wijze, gedraagt zich correct en sereen, toont luisterbereidheid en is vlot en vriendelijk in de omgang. Hij houdt zich zeer goed op de hoogte van de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen en toont grote belangstel- ling voor al hetgeen met het beroep te maken heeft. Hij kan zich zonder enige moeite aanpassen, schuwt het werk niet en is steeds bereid nieuw uitdagingen aan te gaan. De kandidaat is een verstandig magistraat die steeds van een veelzijdige belangstelling heeft doen blijken. Hij is een heel goed jurist en heeft zich bekwaamd in vele takken van het recht. Hij is heel actief en streeft ernaar zich steeds verder te scholen. Hij heeft een klare visie op de organisatie en de werking van een rechtbank van eerste aanleg. Hij legt de juiste accenten, met name het overleg, de motivatie, collegialiteit en teamgeest, een eerlijke verdeling van de werklast en verbeteren van de kwaliteit van de rechtsbedeling. Deze heel integere magistraat heeft zonder enige twijfel de nodige intellectuele capaciteiten en zal voldoende gezag en slagkracht hebben om een grote rechtbank naar behoren te leiden. Hij beantwoordt dan ook ten volle aan de vereisten van het profiel voor het ambt van voorzitter van een rechtbank van eerste aanleg. Gelet op het verloop van de carrière van de kandidaat, zijn wetenschappelijke vorming, zijn verdiensten als magistraat van de zetel, zijn grote werkkracht, zijn klare en duidelijke visie over de werking van een rechtbank en over de te verwachten doelstellingen inzake beleid en beheer, zijn sterke persoonlijkheid en stressbestendig karakter, verleent de eerste voorzitter van het hof van beroep te B een zeer gunstig advies. De vertegenwoordiger van de (balie van B) is eveneens zeer lovend over de kandidatuur van Y. Er wordt gewezen op de wijze waarop hij op een zeer kordate maar weldoordachte manier tot een snelle besluitvorming komt, alsook het uitstekend rendement van deze kandidaat. Hij is zeer collegiaal en zijn beschikbaarheid mag exemplarisch genoemd worden. Niet alleen rechtzoeken- den maar ook advocaten worden door Y op een uiterst hoffelijke manier ontvangen en te woord gestaan. Hij beschikt over een grote dosis empathie naast bijzondere sociale en communicatieve vaardigheden. Hij is uiterst vlot en minzaam in de omgang en beschikt over een open mind. Volgens de (balie van B) voldoet Y aan de strengste criteria wat betreft de professionele en psycholo- gische vereisten voor het te begeven ambt. Ook wat de kwalitatieve normen betreft scoort de kandidaat bijzonder goed ten getuige waarvan zijn bijzonder waardevol curriculum vitae. De uitgesproken veelzijdigheid van de kandidaat is een absolute troef. Hij heeft oog voor teamwork en kan een grote werkload aan. De (balie van B) is dan ook unaniem en zonder enig voorbehoud de mening toegedaan de kandidatuur van Y voor de functie van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te A zeer gunstig te kunnen adviseren. De door Y ontwikkelde persoonlijke visie over hoe hij zichzelf ziet functioneren als voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te A, en vooral de wijze waarop hij deze rechtbank op een moderne en efficiënte wijze wenst te runnen, alsook de in zijn hoofde aanwezige competenties sluiten naadloos aan bij de eisen die in het standaardprofiel voor het functioneren (aan) een dergelijke korpschef worden gesteld. De beschikbare gegevens laten de commissie toe te besluiten dat Y ongetwijfeld in staat moet worden geacht om met visie de groepsgerichte leiding van de rechtbank van eerste aanleg te A op zich te nemen. Het dossier, de persoonlijkheid en de aanwezige competenties IX-5571-7/23 laten ook toe vast te stellen dat hij in grotere mate dan de andere kandidaten de nodige competenties bezit die volgens het standaardprofiel vereist zijn om de opdracht van voorzitter van deze rechtbank te vervullen, en bieden de nodige garantie dat deze kandidaat de vereiste bekwaamheid en geschiktheid heeft om deze functie met succes uit te oefenen. (...) XXXX kan onder meer bogen op zijn ruime ervaring verworven als advocaat, als gerechtelijk stagiair, als substituut-procureur des Konings, als (onderzoeks)-rechter, als ondervoorzitter en als voorzitter van een rechtbank van eerste aanleg. Zijn beleidsplan bevat een duidelijke visie van de kandidaat over hoe hij de werking en de organisatie van de rechtbank van eerste aanleg. Het beleidsplan bevat echter weinig of geen elementen waaruit blijkt dat de kandidaat vernieuwende sturing en coördinatie van de rechtbank wenst te bewerkstelligen. Het is eerder een beschrijving van de actuele toestand en het is weinig toekomstgericht. In het beleidsplan wordt ook bijzonder weinig aandacht geschonken aan de persoonlijke ontwikkeling en motivatie van de verschillende medewerkers en er is geen sprake van het voeren van een modern human resourcemanagement binnen de rechtbank. Er wordt ook weinig blijk gegeven van de nodige creativiteit en er wordt weinig rekening gehouden met de op til staande wijzigingen binnen justitie. Het beleidsplan stelt dan ook danig teleur. De ondervoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg is zeer lovend over XXXX en adviseert zeer gunstig. Het is echter de enige kandidaat waarover hij een omstandig gemotiveerd advies geeft, waardoor er geen gelijke behandeling is van de verschillende kandidaten. De eerste voorzitter van het hof van beroep te B adviseert eveneens zeer gunstig. De kandidaat heeft een goede besluitvaardigheid en rendement. Hij is een beminnelijk en correcte magistraat die een heel groot belang hecht aan onthaal, luisterbereidheid en communicatie jegens de rechtzoekende. Hij scoort op dit vlak voortreffelijk. Hij is stressbes- tendig, heeft een heel open geest en een goed aanpassingsvermogen. Hij kent zeer goed alle medewerkers van de rechtbank en is perfect op de hoogte van de infrastructuur, wat een voordeel kan zijn bij het uitstippelen van een beleid. Deze integere kandidaat heeft volgens de eerste voorzitter een duidelijke visie in verband met de werking en organisatie van de rechtbank. Als voorzitter heeft hij reeds zichtbare verbeteringen aangebracht aan de structuren en heeft hij al enkele mooie verwezenlijkingen achter zijn naam staan (uitbreiding van het kader van zijn rechtbank, een aangepaste en goed uitgebalanceerde dienstrege- ling die een betere werking van de rechtbank garandeert en de kwaliteit verhoogt, verbetering van de infrastructuur). In zijn beleid laat hij zich bijstaan door een ‘goed managementteam’, dat het dagelijks bestuur van de rechtbank waarneemt. De kandidaat heeft zeker goede leiderscapaciteiten en kan ook op een juiste manier taken delegeren en rechtvaardig verdelen. Volgens de eerste voorzitter kan hij op een creatieve manier plannen en organiseren (hetgeen volgens de commissie niet blijkt uit zijn beleidsplan), en zorgt hij voor een degelijke implementatie van de genomen beslissingen. Hij voldoet aan het profiel voor een korpschef van een rechtbank van eerste aanleg en beschikt over de nodige intellectuele, organisatorische en menselijke kwaliteiten die vereist zijn om een grote rechtbank te leiden en wordt door zijn collegae gewaardeerd. Het advies van de vertegenwoordiger van de (balie van A) is gunstig. XXXX is volgens de balie ongetwijfeld geschikt voor de door hem geambieerde functie. Zijn begrip voor de ander en zijn humaan optreden kenmerken zijn zeer IX-5571-8/23 hoog socialiteitsgehalte, wat op zich moet worden gewaardeerd. Wanneer malfuncties in de rechtbank worden geconstateerd, worden deze ongetwijfeld veroorzaakt door de kwaliteit van sommige medewerkers en een constant nijpend tekort aan magistraten, zodat noodgedwongen een te grote wissel van samenstellingen en opdrachten noodzakelijk (is). Deze laatste opmerking van de vertegenwoordiger van de (balie van A) maakt het nog frappanter dat de kandidaat in zijn beleidsplan slechts in zeer beperkte mate aandacht verleent aan de persoonlijke ontwikkeling en motivatie van de verschillende medewer- kers. Y onderscheidt zich van deze kandidaat door zijn meer uitgesproken en moderne en toekomstgerichte visie op de werking en organisatie van de rechtbank van eerste aanleg te A, door zijn uitstekend beleidsplan, alsook door het feit dat zijn bekwaamheden beter aansluiten bij de competenties zoals omschreven in het standaardprofiel voor deze vacante functie (hetgeen ook blijkt uit het advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep te B ‘voldoet’ tegenover ‘beantwoordt ... ten volle’), onder meer inzake toekomstge- richte visie, creativiteit en omgevingsbewustzijn (toekomstige wijzigingen binnen justitie). Uit wat voorafgaat blijkt dat Y de meest bekwame en geschikte kandidaat is voor deze vacante plaats.” 4. Bij koninklijk besluit van (...) 2006 wordt de heer Y benoemd tot rechter in de Rechtbank van eerste aanleg te A, en tevens aangewezen tot het mandaat van voorzitter van deze rechtbank, voor een termijn van zeven jaar, ingaande op de datum van eedaflegging, welke niet vóór 1 april 2007 mag plaatsvinden. In de motieven van dit besluit wordt met instemming verwezen naar de motivering van de voordracht door de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, welke letterlijk wordt aangehaald. Bij aangetekend schrijven van 7 december 2006 wordt de verzoeker in kennis gesteld van die benoeming, en wordt hem medegedeeld dat het genoemde besluit in het Belgisch Staatsblad van (...) 2007 zal worden bekendge- maakt. Het genoemde koninklijk besluit vormt het voorwerp van de voorliggende vordering tot schorsing. IX-5571-9/23 Over de ontvankelijkheid van de vordering 5. De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op, afgeleid uit het laattijdig indienen ervan. Volgens de verwerende partij heeft de verzoeker naar eigen zeggen reeds op 7 december 2006 kennis gekregen van de bestreden beslissing, toen die hem betekend werd. Het verzoekschrift tot schorsing is pas op 19 (lees : 20) februari 2007 ingediend, zijnde buiten de termijn van zestig dagen. Het feit dat de genoemde kennisgeving geen melding maakte van de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de Raad van State, zoals vereist bij artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, belet te dezen niet dat de termijn voor het instellen van het beroep is beginnen lopen, nu de verzoeker als jurist met een ruime ervaring moest weten dat de termijn vanaf de kennisneming van de bestreden beslissing begon te lopen. 6. Zelfs in de veronderstelling dat de kennisgeving van het bestreden benoemingsbesluit te dezen de termijn voor het instellen van het beroep in beginsel kon doen ingaan, dan nog zou dit slechts effectief het geval zijn indien die kennisgeving de vermeldingen bevatte, bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Door de verwerende partij wordt niet betwist dat die vermeldingen ontbraken. De genoemde wetsbepaling wijkt af van de regels betreffende de verjaring van beroepen, en is net als die regels van openbare orde. Voor die bepaling geldt geen uitzondering. De omstandigheid dat de verzoeker geacht zou mogen worden te weten dat hij tegen het bestreden besluit een beroep bij de Raad van State kon instellen, en dat dit beroep binnen zestig dagen ingesteld moest worden, kan aan de genoemde wettelijke voorwaarde dan ook geen afbreuk doen. Het enkele feit dat de vordering meer dan zestig dagen na de kennisgeving van 7 december 2006 is ingesteld, brengt dus niet de onontvankelijk- heid ervan mee. De exceptie is ongegrond. IX-5571-10/23 Onderzoek van de vordering 7. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 8.1. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 259ter en 259quater van het Gerechtelijk Wetboek, van het koninklijk besluit van 15 maart 2000 tot vastlegging van de categorieën van standaardprofielen, van de “standaardprofielen voor de functies van korpschef”, vastgesteld door de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie op 4 september 2000 (B.S., 16 september 2000), en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van de materiële motiveringsverplichting en de algemene beginselen van gelijke toegang tot de openbare ambten. Volgens de verzoeker volgt uit het gelijkheidsbeginsel dat de overheid de titels en verdiensten van de kandidaten moet onderzoeken en vergelijken op basis van objectieve en pertinente criteria, en dat de benoeming moet berusten op wettige motieven. Te dezen zijn deze criteria: de bekwaamheid en de geschiktheid van de kandidaten voor de (tijdelijke) functie van voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te A en het beantwoorden aan het standaardprofiel van korpschef voor deze rechtbank, zoals deze werden vastgelegd door de Algemene Vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie op 4 september 2000, met toepassing van artikel 259bis-13 juncto artikel 259quater, § 3, tweede lid, 1/, van het Gerechtelijk Wetboek en het koninklijk besluit van 15 maart 2000 tot vastlegging van de categorieën van standaardprofielen. De overheid moet een grondig en zorgvuldig vergelijkend IX-5571-11/23 onderzoek doorvoeren: de titels en verdiensten van de kandidaten moeten ten aanzien van elkaar worden vergeleken en afgewogen, en ze moeten niet in abstracto, maar in concreto worden beoordeeld. In de bestreden beslissing zijn dit onderzoek en deze vergelijking “niet objectief, niet grondig, niet zorgvuldig” geschied. Het bestreden besluit is aldus niet op een deugdelijke en afdoende wijze gemotiveerd, noch vanuit materieelrechtelijk, noch vanuit formeel oogpunt. De verzoeker wijst vervolgens op het feit dat het curriculum vitae van de heer Y en de over hem uitgebrachte adviezen uitvoerig worden besproken, terwijl zijn curriculum vitae en de over hem uitgebrachte adviezen slechts beknopt worden samengevat. Uit de laatste overwegingen van het advies van de Neder- landstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie blijkt dat de heer Y op grond van de volgende redenen bekwamer en geschikter geacht werd dan hemzelf: “- De heer Y heeft een meer uitgesproken en toekomstgerichte visie op de werking en (
- de)organisatie van de Rechtbank van eerste aanleg te A; - De heer Y heeft een uitstekend beleidsplan; - De bekwaamheden van de heer Y sluiten beter aan bij de competenties zoals omschreven in het standaardprofiel voor deze vacante functie, onder meer inzake toekomstgerichte visie, creativiteit en omgevingsbewustzijn (toekomsti- ge wijzigingen binnen justitie).” Volgens de verzoeker gebeurde deze vergelijking van de bekwaamheden en geschiktheden “niet objectief en niet zorgvuldig”. In het middel gaat de verzoeker dan nader in op die drie elementen, in omgekeerde volgorde: A. In verband met de competenties, zoals omschreven in het standaardprofiel, wordt eerst een overzicht gegeven van wat volgens het standaard- profiel verstaan moet worden onder “visie”, “omgevingsbewustzijn” en “creativi- teit”. Vervolgens wordt gedetailleerd aangegeven wat in elk van de adviezen over de genoemde competenties kan worden teruggevonden. De verzoeker besluit deze uiteenzetting over de adviezen als volgt: “Op basis van de adviezen in het dossier kan niet worden afgeleid waarom de bekwaamheden van de heer Y ‘beter aansluiten bij de competenties zoals IX-5571-12/23 omschreven in het standaardprofiel voor deze vacante functie’, zoals in de bestreden beslissing weergegeven. Uit deze opsomming blijkt dat de verzoekende partij zelfs beter scoort dan de heer Y op basis van de door de Nederlandstalige benoemings- en aanwij- zingscommissie weerhouden competenties. Zelfs wanneer het advies van de ondervoorzitter te A buiten beschouwing wordt gelaten -zie derde middel- dan nog kan de verzoekende partij op grond van het dossier en de bestreden beslissing niet begrijpen waarom de competen- ties van de heer Y beter zouden aansluiten bij deze zoals in het standaardprofiel omschreven. De bestreden beslissing meent tenslotte een onderscheid te kunnen lezen in de bewoordingen van de Eerste Voorzitter van het Hof van Beroep te B in verband met de geschiktheid van de kandidaten voor het profiel van ambt van voorzitter. Dit is spijkers op laag water zoeken. Wanneer het volledige onderdeel waaruit deze zin wordt gegrepen, wordt gelezen (“4. Bekwaamheid en geschiktheid van de kandidaat voor het gewenste profiel van de vacante plaats”), dan is hierin geen onderscheid te lezen. Het advies is bij beiden dan ook zeer gunstig.” Nog in verband met de competenties verwijst de verzoeker eveneens naar wat daarvan uit de beleidsplannen blijkt. Hij concludeert, wat zijn eigen beleidsplan betreft: “Uit het beleidsplan blijkt dat sinds 1998 reeds diverse creatieve oplossingen en werkwijzen werden uitgedacht (bijv. managementteam, stappenplan, poolwerking, ...), die naar de toekomst ook nog volop uitwerking krijgen. Bovendien blijkt dat hij steeds openstaat voor nieuwe ideeën en hierop verder bouwt. Telkens blijkt weliswaar de realistische houding en de inschatting van de haalbaarheid.” B. In verband met het beleidsplan als zodanig wijst de verzoeker erop dat van het beleidsplan van de heer Y wordt geoordeeld dat het “uitstekend” is, terwijl van zijn beleidsplan wordt geoordeeld dat het “danig teleurstelt”, op grond van de volgende elementen: “- Het beleidsplan bevat echter weinig of geen elementen waaruit blijkt dat de kandidaat vernieuwende sturing en coördinatie van de rechtbank wenst te bewerkstelligen. Het is eerder een beschrijving van de actuele toestand en het is weinig toekomstgericht. - In het beleidsplan wordt ook bijzonder weinig aandacht geschonken aan de persoonlijke ontwikkeling en motivatie van de verschillende medewerkers en er is geen sprake van het voeren van een modern human resourcemanage- ment binnen de rechtbank. IX-5571-13/23 - Er wordt ook weinig blijk gegeven van de nodige creativiteit en er wordt weinig rekening gehouden met de op til staande wijzigingen binnen justitie.” De verzoeker voert vervolgens aan dat de concrete inhoud van de beleidsplannen, voor zover toegespitst op de werking van de Rechtbank van eerste aanleg te A, niet kan doen besluiten tot een “uitstekend beleidsplan” tegenover één dat “danig teleurstelt”: - In verband met de “vernieuwende sturing en coördinatie van de rechtbank / toekomstgericht” voert hij aan dat de benoemings- en aanwijzingscommissie vertrekt van de idee dat een vernieuwing of verandering noodzakelijk is op het punt van de sturing en de coördinatie van de Rechtbank van eerste aanleg te A, zonder dat uit enig gegeven van het dossier blijkt dat de sturing en de coördinatie die de verzoeker sinds 1998 aan de rechtbank geeft, niet zouden voldoen of dat deze op enig punt tekort zouden schieten. Aldus vertrekt de beoordeling van “een onjuiste, minstens niet onderbouwde premisse dat een “vernieuwende” sturing en coördinatie van de rechtbank noodzakelijk is”. De verzoeker vergelijkt vervolgens de beleidsplannen van hemzelf en van de heer Y. Hij voert in het bijzonder aan dat hij in zijn beleidsplan vertrekt van de bestaande toestand, de genomen initiatieven evalueert, en onderzoekt of wijzigingen en aanpassingen noodzakelijk zijn, terwijl de heer Y in zijn beleidsplan vertrekt van het werkingsverslag, maar daarbij voorbijgaat aan diverse genomen concrete initiatieven. Voor het overige voert de verzoeker aan dat “een eenvoudige lezing van het beleidsplan (van de heer Y) ... duidelijk (maakt) dat het gaat om een academische, theoretische uiteenzetting welke in de perceptie mooi en professioneel oogt, maar eens daaraan wordt voorbijgegaan blijkt dat het geen concrete, realistische, pragmatische oplossingen geeft. Indien wordt voorbijgegaan aan de perceptie en wordt gekeken naar de werkelijke inhoud van de beleidsplannen kan in geen geval tot het besluit worden gekomen dat het ene besluit “uitstekend” zou zijn en het andere “danig teleurstelt”. Een dergelijke vergelijking mist elke deugdelijk- heid en zorgvuldigheid.” Deze grief wordt verder toegelicht aan de hand van enkele concrete voorbeelden. Daarbij legt de verzoeker de nadruk op het feit dat de door de heer Y vooropgestelde streefdoelen “zeer algemeen zijn en weinig afgestemd op de concrete werking van de rechtbank in A”. IX-5571-14/23 - In verband met het feit dat “weinig aandacht (wordt) geschonken aan de persoonlijke ontwikkeling en motivatie van de verschillende medewerkers” voert de verzoeker aan dat het beleidsplan van de heer Y, naast het voorstellen van een systeem van “beloning”, geen concrete maatregelen meer vermeldt, terwijl de verzoeker op twee plaatsen in zijn beleidsplan aandacht besteedt aan de waardering voor de medewerkers, en hij dit aspect voorts plaatst in een ruimer geheel, en vooral in het licht van de concrete realiteit. - In verband met het feit dat “weinig blijk (wordt gegeven) van de nodige creativiteit en (dat) weinig rekening (wordt) gehouden met de op til staande wijzigingen binnen justitie, merkt de verzoeker op dat de bedoelde wijzigingen tweeërlei zijn, en in de twee beleidsplannen aan bod komen: aan de ene kant is er de hervorming van de gerechtelijke organisatie, waarmee de verzoeker in zijn beleidsplan rekening heeft gehouden, terwijl het beleidsplan van de heer Y een overzicht geeft van de inhoud van de oprichtingsnota van het Themisplan tot hervorming van de gerechtelijke organisatie, maar zonder gegevens over het beleid voor de Rechtbank van eerste aanleg te A; aan de andere kant is er de hervorming van de procedure inzake de collectieve schuldenregeling, waarbij de verzoeker ervan uitgaat dat een bijkomende magistraat nodig zou zijn, maar zulke uitbreiding in het licht van de wetswijziging niet realistisch acht, terwijl de heer Y uitgaat van een ingevolge de wetswijziging vrij te komen capaciteit, hetgeen een onrealistisch uitgangspunt is. C. In verband met de visie op de werking en de organisatie van de Rechtbank van eerste aanleg te A voert de verzoeker aan dat uit een vergelijking van de adviezen en de beleidsplannen niet kan worden afgeleid waarom de visie van de heer Y meer uitgesproken, moderner en meer toekomstgericht zou zijn dan die van de verzoeker. Voorts voert de verzoeker aan dat het advies van de beoordelings- en aanwijzingscommissie op dit punt een kritiek inhoudt op de huidige werking en organisatie van de Rechtbank van eerste aanleg te A, terwijl uit geen enkel stuk blijkt dat deze negatief wordt beoordeeld, wel integendeel. De verzoeker besluit het middel als volgt: IX-5571-15/23 “De overheid is in casu niet overgegaan tot een behoorlijk, grondig en zorgvuldig vergelijkend onderzoek van de titels en verdiensten van de kandidaten. De vergelijking en afweging vertrekt vooreerst van een onjuiste, minstens niet onderbouwde premisse dat een ‘vernieuwende’ sturing en coördinatie van de Rechtbank van eerste aanleg te A noodzakelijk zou zijn. Bovendien blijkt uit de bestreden beslissing niet afdoende dat de vergelijking en de afweging van de titels en verdiensten in concreto zijn gebeurd, d.w.z. in relatie tot de vacante functie van voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te A. Het voorgaande geldt des te meer nu de bestreden beslissing het zeer gunstig advies van de ondervoorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te A volkomen negeert. Het lijkt erop dat het feit dat de ondervoorzitter naar de mening van de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie zijn adviesopdracht niet afdoende zou hebben vervuld ten opzichte van de andere kandidaten dan de verzoekende partij (quod non), aan de verzoekende partij zelf wordt kwalijk genomen en hij net omgekeerd wordt gediscrimineerd om deze reden, door op geen enkele wijze rekening te houden met diens zeer gunstig advies (zie derde middel).” 8.2. De verwerende partij antwoordt hierop in de eerste plaats dat het niet juist is dat de kandidaten enkel vergeleken werden op de drie punten die de verzoeker in zijn middel bespreekt. De vergelijking tussen de kandidaten is uitgevoerd op grond van alle mogelijke punten die uit het horen van de kandidaten, de adviezen, de curricula en de beleidsplannen weerhouden konden worden. Wel is het zo dat de heer Y zich op de drie door de verzoeker aangehaalde punten “onderscheidt” van de verzoeker. Nu de verzoeker de redenen op grond waarvan de bestreden beslissing tot stand is gekomen op zich niet bestrijdt, kunnen de grieven gericht tegen drie, door hem gekozen redenen van de voordracht, niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden. Wat betreft de genoemde punten van onderscheid, verwijst de verwerende partij naar de motieven die in de bestreden beslissing over de heer Y en de verzoeker worden gegeven, zowel in verband met de visie en het beleidsplan, als in verband met de competenties. De verwerende partij besluit hieruit het volgende: “Rekening houdend met de discretionaire bevoegdheid van de benoemende overheid, schragen de voornoemde motieven op voldoende wijze de punten van onderscheid die aan de basis liggen van de heer Y zijn benoeming. IX-5571-16/23 Zij komen in het licht van die onderscheidingspunten niet als onredelijk naar voor, zijn begrijpelijk, aanvaardbaar en vinden door verwijzing naar hun bronnen een voldoende grondslag in het dossier. Het volledige dossier (waaronder de drie adviezen) bevat niet het minste negatief woord over de heer Y.” 8.3.1. Het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen in openbare ambten, krachtens welk iedere burger gelijke toegang heeft tot de openbare ambten, houdt in dat de aanspraken en verdiensten van de kandidaten moeten worden onderzocht en vergeleken, op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria. De overheid beschikt daarbij over een ruime discretionaire bevoegdheid, die echter de redelijk- heid als grens heeft. Uit de formele motivering van het benoemingsbesluit en de gegevens van de zaak moet kunnen blijken dat die afweging correct is gebeurd. Het gelijkheidsbeginsel impliceert dat bij de beoordeling van de aanspraken en verdiensten van de kandidaten rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van de kandidaten met betrekking tot het te begeven ambt. Aldus diende de benoemende overheid te dezen rekening te houden met het feit dat de verzoeker sinds 1998 de functie van voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te A uitoefende, en dat hij aldus kandidaat was voor een hernieuwing van het door hem beklede mandaat, terwijl de heer Y een benoeming nastreefde in een functie die hij op dat ogenblik niet uitoefende. 8.3.2. Zoals de verwerende partij opmerkt, is de vergelijking van de titels en verdiensten te dezen gebeurd op grond van een geheel van elementen. Dat de kwaliteiten van de heer Y, die de benoemde kandidaat is, daarbij meer in de verf gezet worden dan die van de verzoeker, is op zich niet strijdig met het gelijkheidsbe- ginsel, aangezien bij benoemingen in positieve zin moet worden gemotiveerd, in die zin dat de benoemende overheid moet vermelden waarom een bepaalde kandidaat wordt benoemd, maar niet waarom de andere kandidaten niet worden benoemd. Dit neemt niet weg dat de benoemende overheid de redenen moet aangeven die haar ertoe hebben gebracht een bepaalde kandidaat boven een andere te verkiezen. IX-5571-17/23 Zoals de verzoeker terecht aanvoert, zonder op dit punt overigens tegengesproken te worden door de verwerende partij, blijkt uit de bestreden beslissing dat de heer Y om drie welbepaalde redenen “zich onderscheidt” van de verzoeker, of met andere woorden geschikter wordt bevonden dan de verzoeker: hij heeft een “meer uitgesproken en moderne en toekomstgerichte visie op de werking en organisatie van de Rechtbank van eerste aanleg te A”; zijn beleidsplan is “uitstekend”; zijn bekwaamheden “(sluiten) beter (aan) bij de competenties zoals omschreven in het standaardprofiel voor (
- de)vacante functie ..., onder meer inzake toekomstgerichte visie, creativiteit en omgevingsbewustzijn (toekomstige wijzigingen binnen justitie)”. Daartegenover staan de volgende ongunstige beschouwingen over de verzoeker, alle verband houdend met zijn beleidsplan: dat beleidsplan “bevat ... weinig of geen elementen waaruit blijkt dat de kandidaat vernieuwende sturing of coördinatie van de rechtbank wenst te bewerkstelligen”, en in dat plan “wordt ook bijzonder weinig aandacht geschonken aan de persoonlijke ontwikkeling en motivatie van de verschillende medewerkers en (
- is)er ... geen sprake van het voeren van een modern human resourcemanagement binnen de rechtbank”; “het beleidsplan stelt ... danig teleur”; het beleidsplan “is eerder een beschrijving van de actuele toestand en ... is weinig toekomstgericht”, en daarin “wordt ... weinig blijk gegeven van de nodige creativiteit en ... weinig rekening gehouden met de op til staande wijzigingen binnen justitie”. Aldus blijkt uit de motieven zelf van het bestreden besluit dat een vergelijking tussen de kandidaten heeft plaatsgevonden; bovendien blijkt uit die motieven waarom aan de heer Y de voorkeur is gegeven boven de verzoeker. 8.3.3. De verzoeker voert evenwel aan, enerzijds, dat de vergelijking van de aanspraken en verdiensten van de heer Y en hemzelf vertrekt van een onjuiste, minstens niet onderbouwde premisse dat een “vernieuwende” sturing en coördinatie van de Rechtbank van eerste aanleg te A noodzakelijk zou zijn, en anderzijds, dat uit de bestreden beslissing niet afdoende blijkt dat de vergelijking en de afweging van de aanspraken en verdiensten in concreto zijn gebeurd. IX-5571-18/23 Uit de motieven van het bestreden besluit blijkt dat de vergelijking van de respectieve aanspraken en verdiensten van de verzoeker en de heer Y in grote mate is gebeurd in het licht van de visie van de kandidaten op de werking van de rechtbank en in het licht van hun vermogen om in te spelen op toekomstige ontwikkelingen. Voor de heer Y moest die beoordeling vanzelfsprekend steunen op de over hem uitgebrachte adviezen en op zijn beleidsplan, gelet op het feit dat deze kandidaat niet persoonlijk betrokken was geweest bij de werking van de rechtbank. Voor de verzoeker daarentegen, die sinds 1998 voorzitter van de rechtbank was, vereiste een zorgvuldig onderzoek van zijn kandidatuur dat mede rekening werd gehouden met de wijze waarop hij zijn mandaat concreet had uitgeoefend. Uit die beoordeling van zijn prestaties zou overigens ook kunnen blijken of en in hoeverre een vernieuwing in de sturing en de coördinatie van de rechtbank wenselijk of noodzakelijk was. In de huidige stand van de procedure lijkt vastgesteld te moeten worden dat een zodanig onderzoek, wat betreft de verzoeker, niet heeft plaatsgevonden. Terwijl de adviezen over de verzoeker aanwijzingen konden geven over diens concrete bekwaamheid om het mandaat van voorzitter uit te oefenen, wordt in de voordracht door de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie en in de motieven van het bestreden besluit kennelijk meer aandacht besteed aan zijn beleidsplan. In de eerste plaats zijn immers alle voor de verzoeker ongunstige beoordelingselementen verbonden met zijn beleidsplan. Voorts wordt een bepaalde gunstige eigenschap, vermeld door de eerste voorzitter van het hof van beroep, in twijfel getrokken op grond van wat in het beleidsplan te lezen is (“Volgens de eerste voorzitter kan (de verzoeker) op een creatieve manier plannen en organiseren (hetgeen volgens de commissie niet blijkt uit zijn beleidsplan))”, en wordt een niet als negatief bedoelde opmerking van de stafhouder van de balie in het licht van het beleidsplan voorzien van een uitgesproken negatieve commentaar (“Wanneer malfuncties in de rechtbank worden geconstateerd, worden deze ongetwijfeld veroorzaakt door de kwaliteit van sommige medewerkers en een constant nijpend tekort aan magistraten, zodat noodgedwongen een te grote wissel van samenstellingen en opdrachten noodzakelijk (is). Deze laatste opmerking van de vertegenwoordiger van de (balie van A) maakt het nog frappanter dat de IX-5571-19/23 kandidaat in zijn beleidsplan slechts in zeer beperkte mate aandacht verleent aan de persoonlijke ontwikkeling en motivatie van de verschillende medewerkers”). Ten slotte wordt nauwelijks aandacht besteed aan de inhoud van het advies van de ondervoorzitter van de rechtbank zelf waarvan de verzoeker de korpsoverste was, hoewel wordt erkend dat dit advies “zeer lovend” is voor de verzoeker; de enkele omstandigheid dat de ondervoorzitter niet over alle kandidaten een inhoudelijk advies had gegeven, kon voor de benoemende overheid geen reden zijn om dit advies niet minstens als bron van inlichtingen in aanmerking te nemen, naast de andere adviezen. Nu het concrete functioneren van de verzoeker kennelijk minder aandacht gekregen heeft dan zijn beleidsplan, lijkt de voorlopige conclusie te zijn dat de aanspraken en de verdiensten van de verzoeker niet met de nodige zorgvuldigheid zijn beoordeeld. Daardoor lijkt ook de effectieve gelijkheid tussen de kandidaten niet te zijn geëerbiedigd, en lijkt de vergelijking tussen de kandidaten niet naar behoren te zijn gebeurd. In zoverre is het middel ernstig. 9.1. Wat betreft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, voert de verzoeker in de eerste plaats aan dat hij door de bestreden beslissing de hiërarchisch ondergeschikte zal worden van de benoemde kandidaat. Het ontstaan van een dergelijke situatie houdt een bijzondere vorm van moreel nadeel in, nu het een vernedering betekent voor de verzoeker. Voorts voert de verzoeker aan dat hij overeenkomstig de overgangsbepaling van artikel 102 van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem, kandidaat heeft kunnen zijn voor een hernieuwing van zijn mandaat als korpschef. Nu artikel 259quater, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek niet in een dergelijke mogelijkheid voorziet, zal de verzoeker het voordeel van de overgangsbepaling verliezen als de huidige procedure “volgens de gewone vernietigingsprocedure” behandeld zou worden. Ten slotte wijst de verzoeker op zijn leeftijd (62 jaar), die maakt dat hij IX-5571-20/23 vanaf 5 september 2007 niet meer zal voldoen aan het leeftijdsvereiste om zich bij een nieuwe vacature voor het ambt van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg nog kandidaat te stellen. 9.2. De bestreden benoeming heeft tot gevolg dat de verzoeker, die sinds 1998 voorzitter van de rechtbank was, in de hiërarchie teruggeplaatst wordt, niet enkel na de heer Y, maar ook na de oudst benoemde ondervoorzitter. Daarenboven wekt het bestreden besluit minstens de indruk dat de verzoeker, ondanks het feit dat hij de functie van voorzitter heeft uitgeoefend, niet over een aantal essentiële eigenschappen beschikt om de rechtbank te leiden. De verzoeker maakt dan ook aannemelijk dat het bestreden besluit hem een moreel nadeel berokkent, dat in de concrete omstandigheden als ernstig en moeilijk te herstellen beschouwd kan worden. 10. Er is voldaan aan de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te bevelen. Over het verzoek tot anonimiteit 11. De verzoeker vraagt “dat bij publicatie van het arrest zijn identiteit niet zou worden opgenomen”. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten van de Raad van State, kan iedere partij bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig wordt gemaakt op elk moment van de rechtspleging en tot wanneer het arrest wordt uitgesproken, eisen dat bij de publicatie daarvan de identiteit van de natuurlijke personen die zij aanwijst niet zou worden opgenomen. Te dezen verzet niets zich tegen het inwilligen van verzoekers vraag. IX-5571-21/23 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van (...) 2006 waarbij Y wordt aangewezen tot voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te A. Artikel 2. Bij de publicatie van dit arrest wordt de identiteit van verzoeker niet opgenomen. Artikel 3. Dit arrest zal in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Artikel 4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. IX-5571-22/23 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 29 juni 2007, door : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5571-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.989 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.053 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div