← België

Arrest 173201 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 05/07/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.201 Rolnummer: Zaak: Arrest 173201 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 05/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-16 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 22:10 Fiche Arrest nr 173.201 van 5 juli 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.201 van 5 juli 2007 in de zaak A. 110.426/XII-3290 133.928/XII-

  1. In zake :
  2. Peter VAN DER PLAETSEN,
  3. Guy DE MULDER, die woonplaats kiezen bij advocaat A. Coolsaet, kantoor houdende te Antwerpen, Arthur Goemaerelei 69 tegen : de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : Kurt BRAECKMAN, die woonplaats kiest bij advocaat V. Tollenaere, kantoor houdende te Gent, Koning Albertlaan
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Peter Van Der Plaetsen en Guy De Mulder op 18 september 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 26 juli 2001 van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij Kurt Braeckman met ingang van 1 april 2001op proef wordt benoemd als conservator bij het Provinciaal Archeologisch Museum, site Velzeke (A. 110.426/XII-3290); Gezien het verzoekschrift dat Peter Van Der Plaetsen en Guy De Mulder op 10 maart 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 5 september 2002 van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij Kurt Braeckman met ingang van 1 april 2001 in vast verband wordt benoemd als conservator bij het Provinciaal Archeologisch Museum, site Velzeke (A. 133.928/XII-3796); XII-3290-1/13 Gelet op het arrest nr. 105.677 van 19 april 2002 in de zaak A. 110.426/XII-3290 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 22 mei 2002 ingediend door verzoekers; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 11 juni 2002 in de zaak A. 110.426/XII-3290; Gelet op de beschikking van 24 juni 2002 die de tussenkomst van Kurt Braeckman toelaat; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 6 mei 2003 in de zaak A. 133.928/XII-3796; Gelet op de beschikking van 13 mei 2003 die de tussenkomst van Kurt Braeckman toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de verslagen opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikkingen van 24 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van de verslagen en van de dossiers gelasten; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikkingen van 23 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Coolsaet, die verschijnt voor verzoekers, van bestuurssecretaris P. De Coene, die verschijnt voor de XII-3290-2/13 verwerende partij, en van advocaat T. De Sutter, die loco advocaat V. Tollenaere verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De feiten
  5. Verzoekers zijn tewerkgesteld, als gedetacheerd personeel van de stad Zottegem, in het Provinciaal Archeologisch Museum van Zuid-Oost- Vlaanderen te Velzeke. Ook Kurt Braeckman is aan het museum verbonden, als personeelslid van de provincie Oost-Vlaanderen. In 1997 organiseert de provincie Oost-Vlaanderen een vergelijkend aanwervingsexamen voor conservator ten behoeve van haar archeologisch museum te Ename. Kurt Braeckman slaagt en wordt in de wervingsreserve opgenomen. Vanaf 1 januari 2000 gaan het museum te Velzeke en het museum te Ename samenwerken. Zij worden samengevoegd tot één museum, het Provinciaal Archeologisch Museum Velzeke-Ename, met twee sites. Op 15 maart 2000 beslist de provincieraad van Oost-Vlaanderen de functiebeschrijvingen van conservator van het museum te Velzeke en van conservator van het museum te Ename gelijk te maken. Dat gebeurt aldus : “De functiebeschrijving van conservator Archeologisch museum site Velzeke wordt opgeheven en de functiebeschrijving van conservator Archeologisch museum site Ename wordt omgevormd tot conservator Archeologisch museum Velzeke-Ename”. Op 22 maart 2001 besluit de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen om de betrekking van conservator van het archeologisch museum Velzeke-Ename vacant te verklaren en om voor de invulling te putten uit de reserve van het vergelijkend aanwervingsexamen van conservator. Op 26 juli 2001 benoemt de deputatie, met ingang van 1 april 2001, Kurt Braeckman op proef als conservator XII-3290-3/13 van het Provinciaal Archeologisch Museum, site Velzeke. Overwogen wordt dat hij “de tweede plaats behaalde voor het afgenomen vergelijkend aanwervingsexamen voor deze graad en hiervoor aldus in aanmerking komt”. Bij beslissing van 5 september 2002 benoemt de deputatie Kurt Braeckman met terugwerkende kracht tot 1 april 2001 in vast verband als conservator van het Provinciaal Archeologisch Museum, site Velzeke. De samenhang
  6. De tweede bestreden beslissing heeft de eerste bestreden beslissing tot rechtstreekse en noodzakelijke grondslag, en is er zelfs het evidente, logische gevolg van. Verzoekers voeren tegen beide beslissingen dezelfde onwettigheid aan. Er is bijgevolg reden om de beroepen tegen de beslissingen in het belang van een goede rechtsbedeling samen te behandelen en de zaken samen te voegen. De ontvankelijkheid van het beroep A. 110.426 3.
  7. Volgens de verwerende partij zijn verzoekers zonder belang omdat zij nalieten de beslissing van 15 maart 2000 van de provincieraad te bestrijden, terwijl op dat moment de voorwaarden werden geschapen waardoor zij niet meer in aanmerking kwamen voor benoeming, gelet op de bestaande werfreserve. De onwettigheid van die voorwaarden kan, aldus nog de verwerende partij, thans niet meer dienstig worden aangevoerd, evenmin als de onwettigheid van de beslissing van 22 maart 2001 van de deputatie waarbij werd beslist te putten uit de bestaande werfreserve. Ook de tussenkomende partij verwijt verzoekers niet te zijn opgekomen tegen “het t.a.v. hen definitief geworden provincieraadsbesluit van 15 maart 2000”. Tevens wordt aan hen belang ontzegd omdat zij hebben afgezien van deelname aan het vergelijkend wervingsexamen van conservator in
  8. 3.
  9. Verzoekers repliceren in de eerste plaats dat ten tijde van het vergelijkend examen in 1997 de functies van conservator in de twee musea “totaal gescheiden functies waren met een totaal ander profiel” en dat zij niet konden of moesten weten dat de werfreserve later voor een totaal andere functie zou worden XII-3290-4/13 aangewend. Vervolgens doen zij gelden dat het provincieraadsbesluit van 15 maart 2000 hen niet definitief van de bestreden benoeming uitsloot, dat toén nog niet vaststond dat een beroep zou worden gedaan op de werfreserve die destijds werd aangelegd, dat het provincieraadsbesluit in geen enkel opzicht de bestreden beslissing liet voorspellen, dat de deputatie tot aan de bestreden benoeming kon beslissen om een nieuw vergelijkend examen te organiseren voor de nieuwe functie. In de laatste memorie betogen verzoekers dat noch de provincieraadsbeslissing van 15 maart 2000 waarbij de functiebeschrijving van conservator van het archeologisch museum te Velzeke werd opgeheven en de functiebeschrijving van conservator van het archeologisch museum te Ename werd omgevormd tot die van conservator van het archeologisch museum Velzeke-Ename, noch de weigering om een nieuw vergelijkend examen in te richten, hun definitief de kans op benoeming ontnam en dat het hoe dan ook twee voorbereidende beslissingen zijn binnen “het raam van de complexe administratieve rechtshandeling van de benoeming”, zodat verzoekers “wel degelijk [mochten] wachten op de benoemingsbeslissing om deze aan te vechten en daarbij ook kritiek formuleren op voorbereidende beslissingen, ongeacht of die beslissingen op het ogenblik dat ze werden genomen hen al dan niet definitief uitsloten van de benoeming”. 3.
  10. Verwerende partij is, in haar laatste memorie, van mening dat “verzoekers in casu niet mochten wachten tot de definitieve benoeming”, maar dat zij “in een eerder stadium van de procedure hadden moeten ageren”, ten tijde van de provincieraadsbeslissing met betrekking tot de opheffing en de omvorming van de functiebeschrijving en van de weigering om een nieuw vergelijkend examen in te richten. 4.
  11. Het begeven van een benoeming doet zich meestal voor als een complexe, administratieve verrichting, waarvan de eindbeslissing -hier de benoeming op proef van 26 juli 2001- verschijnt als de laatste schakel van een hele keten van voorbereidende bestuurshandelingen. Wie zich door de eindbeslissing benadeeld acht, mag er de vernietiging van vragen op grond van elke onwettigheid die ergens in de loop van de complexe administratieve verrichting werd begaan en die een determinerende invloed op de eindbeslissing heeft gehad of verondersteld wordt een dergelijke invloed gehad te kunnen hebben. Het is daarbij zonder belang of de onwettig geachte schakel al dan niet zelf ontvankelijk met een annulatieberoep XII-3290-5/13 kon zijn bestreden en of de termijn waarin dat nuttig kon gebeuren intussen al dan niet reeds verstreken is. Wel is het zo dat een voorafgaande bestuurshandeling alleen geacht kan worden deel uit te maken van de complexe administratieve verrichting die in de benoeming is uitgelopen, wanneer zij specifiek díe benoeming voorbereidt. Kunnen aldus niet als een onderdeel van de complexe administratieve verrichting beschouwd worden, de reglementaire besluiten waarvan bij het tot stand brengen van de benoeming eventueel toepassing is gemaakt, omdat zij per definitie een algemene draagwijdte hebben en dus niet slechts welbepaald één benoeming -de benoeming van de tussenkomende partij- beogen. Weliswaar kan de onwettigheid van reglementaire besluiten onbeperkt in de tijd worden aangevoerd op grond van artikel 159 van de Grondwet. 4.
  12. Uit het voorgaande volgt dat verzoekers gerechtigd zijn om in het kader van hun beroep tegen de benoeming van 26 juli 2001 te doen gelden -wat zij ook effectief doen- dat de weigering om met het oog op de benoeming een nieuw examen in te richten en hun kandidaatstellingen in aanmerking te nemen, onwettig is en dat de beslissing van 15 maart 2000 van de provincieraad wegens machtsafwending buiten toepassing moet worden gelaten. Weigering noch provincieraadsbesluit kunnen bijgevolg verantwoorden dat aan verzoekers belang bij hun beroep moet worden ontzegd. 4.
  13. Dat geldt eveneens de niet-deelname van verzoekers in 1997 aan het vergelijkend wervingsexamen van conservator. De beoordeling van de exceptie hangt wat dat betreft samen met de beoordeling van de grond van de zaak: de niet- deelname aan het examen kan bezwaarlijk aan de ontvankelijkheid van het beroep in de weg staan indien zou moeten worden aangenomen dat, zoals verzoekers beweren, hoe dan ook voor de benoeming niet meer uit de betrokken wervingsreserve kon worden geput en een nieuw examen diende te worden georganiseerd.
  14. Ook in zoverre de tussenkomende partij aan verzoekers het vereiste belang ontzegt omdat hun beroep tegen de vaste benoeming laattijdig is, wordt de exceptie niet bijgevallen. XII-3290-6/13 Volgens het administratief statuut van de verwerende partij komen voor een vaste benoeming alleen in aanmerking de personeelsleden op proef die aan de toelatingsvoorwaarden tot het ambt voldoen en met goed gevolg de proeftijd hebben volbracht. Aldus vindt de vaste benoeming van Kurt Braeckman kennelijk mee haar onontbeerlijke grondslag in zijn benoeming op proef. Zij is er, méér nog, zelfs het natuurlijke en logische gevolg van. Om die reden kan het, voor een eventuele vernietiging ervan tezamen met de benoeming op proef, volstaan dat de vaste benoeming hangende het beroep tegen de benoeming op proef ter kennis en binnen het bereik van de Raad van State wordt gebracht. Verzoekers hebben hieraan voldaan door het instellen van hun tweede beroep, ongeacht of dat beroep al dan niet binnen de zestig-dagentermijn is ingediend. Er is dan ook geen reden om hen de laattijdigheid van het beroep A.133.928 tegen te werpen en om uit die beweerde laattijdigheid te concluderen tot een gebrek aan belang met betrekking tot het eerste beroep. De grond van het beroep A. 110.426
  15. Verzoekers voeren in een enig middel aan wat volgt : “Schending van het gelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, van artikel 83 §3 van het administratief statuut, van de formele motiveringsplicht (artikelen 2 en 3 van de Wet Motivering Bestuurshandelingen) en de materiële motiveringsplicht, alsook machtsafwending Doordat : de bestendige deputatie om de functie van conservator bij het PAM Velzeke-Ename (functie te vervullen te Velzeke) op te vullen een beroep heeft gedaan op een werfreserve aangelegd in 1997 voor de functie conservator t.b.v. het Provinciaal Archeologisch Museum, site Ename Terwijl, eerste onderdeel, het gelijkheidsbeginsel een gelijke toegang tot vacante functies veronderstelt en van een werfreserve voor een bepaalde functie geen misbruik mag worden gemaakt om bepaalde kandidaten te bevoordelen voor een andere functie, noch om de verplichting tot objectieve selectie van kandidaten voor een andere functie te omzeilen; daarenboven bepaalt artikel 83 §3 van het administratief statuut dat een werfreserve enkel geldig is voor het begeven van de specifieke betrekking waarvoor het wervingsexamen werd georganiseerd; tweede onderdeel, wanneer het bestuur meent toch nog een beroep te kunnen doen op de werfreserve in kwestie zij dit afdoende moet motiveren”. XII-3290-7/13
  16. Luidens het eerste onderdeel van het middel mocht verwerende partij “om diverse redenen” geen beroep meer doen op de werfreserve van 1997 en had zij een objectieve selectieprocedure moeten organiseren opdat alle kandidaten hun kansen hadden kunnen wagen. De bedoelde redenen zijn dubbel. Zowel letterlijk als figuurlijk: letterlijk, omdat het er twee zijn; figuurlijk, omdat ze niet geheel vrij zijn van onderlinge tegenstrijdigheid. In de eerste plaats doen verzoekers in essentie gelden dat er te dezen een werfreserve werd aangelegd naar aanleiding van het wervingsexamen voor de functie van conservator voor het archeologisch museum te Ename, dat de functie van conservator voor het Provinciaal Archeologisch Museum Velzeke- Ename, functie te vervullen te Velzeke, niet de “specifieke betrekking” is waarvoor het examen in 1997 werd georganiseerd, en dat bijgevolg artikel 83, § 3, van het administratief statuut geschonden is, welk voorschrift “zeer duidelijk [bepaalt] dat een werfreserve enkel geldig is voor het begeven van de specifieke betrekking waarvoor het wervingsexamen werd georganiseerd”. Nadat hun in het auditoraatsverslag is tegengeworpen dat zij niet aangeven op welke grondslag de verplichting om een nieuwe selectieprocedure te organiseren wordt gesteund, reageren verzoekers “wel degelijk [te hebben] aangevoerd op basis van welke rechtsgrond een nieuw examen moest worden georganiseerd, met name op basis van art. 83, §3 van het administratief statuut van de provincie”. In de tweede plaats, dan weer, verwijten verzoekers de verwerende partij wezenlijk dat zij het er wederrechtelijk op aangelegd heeft om de toepassing van het voormeld artikel 83, § 3, juist te ontlopen. Meer bepaald bekritiseren zij dat verwerende partij, vooraleer de conservator te Velzeke aan te stellen, “eerst de functiebeschrijving [heeft] ‘aangepast’”, waarbij “‘toevallig’ de functiebeschrijving van conservator te Ename [werd] gebruikt voor de geünificeerde functiebeschrijving”, terwijl het juist “veel logischer [ware] geweest de verschillen in de functieomschrijving te bewaren, minstens het grote onderscheid tussen de twee musea zich te laten vertalen in een nieuwe functiebeschrijving, waarin een aantal bijzonderheden op maat van het museum te Ename eruit werden gelicht”. Verzoekers argumenteren finaal : “De wijziging die in de functiebeschrijving werd doorgevoerd geconfronteerd met de onlogica ervan (o.m. gelet op de hierboven vermelde grote verschillen tussen de twee musea) en de huidige bestreden beslissing, wijst er duidelijk op dat de bestreden beslissing getuigt van machtsafwending. De bestreden beslissing is blijkbaar het eindpunt van een constructie die tot XII-3290-8/13 doel had de eerst geplaatste op de werfreserve aan een gelijkaardige vaste benoeming op hetzelfde niveau te helpen”.
  17. Artikel 83, § 3, van het administratief statuut ressorteert onder V. Administratieve loopbaan, C. Bevordering (hiërarchische loopbaan). Het artikel 83 luidt voluit : “§
  18. Indien er geen geslaagden of kandidaten zijn voor een bevorderingsexamen in niveau A en niveau B voor het bekleden van een vacante betrekking van een hogere graad kan de bestendige deputatie het organiseren van een wervingsexamen bevelen. Bij ontstentenis van geschikt bevonden kandidaten voor de bevorderingen naar A5a, A9a en A10a is het de provincieraad die de organisatie van een wervingsexamen kan bevelen. §
  19. Bij het uitschrijven van een dergelijk wervingsexamen bepaalt de bestendige deputatie of de provincieraad de specifieke vereisten of voorwaarden. §
  20. De werfreserve is enkel geldig voor het begeven van de specifieke betrekking waarvoor het wervingsexamen werd georganiseerd”. In zijn context bekeken, betreft het artikel 83, § 3, dus de werfreserve aangelegd ter gelegenheid van wervingsexamens die zijn ingericht in het welbepaalde geval dat er geen geslaagden of kandidaten waren “voor een bevorderingsexamen in niveau A en niveau B voor een vacante betrekking van een hogere graad”. Het blijkt niet, en het wordt overigens ook niet beweerd, dat de werfreserve waarin de tussenkomende partij in 1997 is opgenomen een dergelijke werfreserve is. Verwerende partij merkt in de memorie van antwoord terecht op “dat de verwijzing naar artikel 83 § 3 van het administratief statuut niet ter zake is, vermits dit artikel betrekking heeft op de specifieke context van het aanwerven in bevorderingsgraden en de hieraan gekoppelde consequentie en niet doelt op de aanwervingsgraden algemeen”. Artikel 83, § 3, van het administratief statuut is niet geschonden. 9.
  21. Er is sprake van machtsafwending wanneer de overheid de bevoegdheid die haar is verleend tot het bereiken van een bepaald oogmerk, gebruikt tot het nastreven van een ander doel. Aldus zou volgens verzoekers te dezen door machtsafwending zijn aangetast de beslissing van 15 maart 2000 waarmee de provincieraad de functiebeschrijving van conservator te Velzeke heeft gelijkgemaakt met die van conservator te Ename, door meer bepaald de eerste op te heffen en de tweede om te XII-3290-9/13 vormen tot de functiebeschrijving van conservator archeologisch museum Velzeke- Ename. “Naar verluidt” was het doel daarvan de benoeming van de tussenkomende partij. 9.
  22. Verwerende partij verantwoordt de gelijkschakeling van de functiebeschrijvingen van conservator te Ename en van conservator te Velzeke als volgt in de memorie van antwoord : “De provincieraad was van oordeel dat aan de samenwerkingsovereenkomst [met betrekking tot de beide musea] ook personele consequenties moesten verbonden worden, die deze samenwerking concreet gestalte moesten kunnen geven, met name door bij beslissing van 15 maart 2000 de functiebeschrijving voor de twee functies van conservator identiek te maken, vermits ze als onderling omwisselbaar worden beschouwd. Trouwens, het identiek maken van de functiebeschrijving voor de twee functies is allesbehalve onlogisch te noemen. Waarom immers de verschillen, die in redelijkheid niet als groot kunnen worden bestempeld, zoals hierna zal worden aangetoond, benadrukken, waar het toch gaat over samenwerking tussen beide sites. De noodzakelijke samenhang en cohesie is beleidsmatig des te meer wenselijk, nu het een leidinggevende functie betreft. Dat op het uitvoerend niveau de verschillen in de functiebeschrijving werden behouden is daar geenszins mee in strijd”. Die uitleg kan, in zijn geheel genomen, overtuigen. De keuze van de verwerende partij om, vanwege de nieuw afgesproken samenwerking tussen de musea te Velzeke en Ename en niettegenstaande hun verschillen wat inzonderheid de historische periode die ze bestrijken, hun presentatietechnieken en museale werking betreft, de leidinggevende functies van conservator in de musea “identiek” en “onderling omwisselbaar” te maken, komt legitiem voor. Dit is niet minder het geval omdat er terzake beweerdelijk ook een andere oplossing denkbaar en verdedigbaar was. 9.
  23. Waar de verwerende partij ervoor geopteerd heeft om de functiebeschrijvingen van conservator in het Provinciaal Archeologisch Museum Velzeke-Ename te uniformeren, is zij voor de inhoud van die uniforme functiebeschrijving uitgekomen bij de oorspronkelijke functiebeschrijving van conservator van het archeologisch museum te Ename. Dat is bij nader toezien minder ingrijpend en verdacht dan verzoekers laten uitschijnen. Vooreerst wordt vastgesteld dat de uniformering waartoe de provincieraadsbeslissing van 15 maart 2000 beslist, alleen de specifieke functiebeschrijving van conservator in de musea te Velzeke en Ename betreft en dat XII-3290-10/13 de, veel uitgebreidere, algemene taakomschrijving en functieanalyse van de conservatoren in de musea, al identiek wáren. Vervolgens blijkt dat van de betrokken specifieke functiebeschrijvingen, deze van conservator te Ename duidelijk het meest algemeen van aard was en zich aldus het gemakkelijkst ervoor leende om als uniforme specifieke functiebeschrijving te worden gebruikt. Aanvankelijk luidden de onderscheiden specifieke functiebeschrijvingen van conservator te Velzeke en te Ename respectievelijk : S “De conservator beheert, in samenwerking met het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium en de provinciale archeoloog, het archeologisch patrimonium vanaf de prehistorische t.e.m. de Merovingische periode van Zuidoost-Vlaanderen in het Algemeen en de vicus Velzeke in het bijzonder. Hij draagt de verantwoordelijkheid over de aankoop en de restauratie van de collectie. Hij is op de hoogte van archeologie in Oost-Vlaanderen en de wetgeving daaromtrent”; S “Bovendien is de conservator op de hoogte van de archeologische wetgeving en monumentenzorg. Hij kent de diverse wetenschappelijke aspecten van het archeologisch museum: archeologie, onderzoek van dieren- en plantenresten, historisch onderzoek en de geschiedenis van de streek (accent op de middeleeuwen). Hij onderhoudt contacten met archeologische en historische verenigingen en instellingen en uiteraard met de provinciale archeoloog voor wetenschappelijke en inhoudelijke begeleiding”. Nu ten gevolge van de provincieraadsbeslissing van 15 maart 2000 de tweede beschrijving geldt als de specifieke taakomschrijving van de conservator archeologisch museum Velzeke-Ename, is in de vereiste dat de conservator de diverse wetenschappelijke aspecten van het archeologisch museum kent, voortaan dan ook een verwijzing te lezen naar het museum Velzeke-Ename en niet meer uitsluitend, zoals verzoekers menen, naar het museum te Ename. In zoverre verzoekers voorts opmerken dat de functiebeschrijving thans “geen enkele garantie meer” bevat dat de conservator de vereiste kennis heeft van de periode van de prehistorie tot de Merovingische periode, waar het in het museum te Velzeke om draait, constateert de Raad van State dat, strikt genomen, ook de initiële specifieke functiebeschrijving van conservator te Velzeke die kennis niet uitdrukkelijk vereiste. 9.
  24. De door verzoekers gewraakte aanpassing van de functiebeschrijving is geenszins zodanig onlogisch en irrationeel dat zij -laat staan nog “duidelijk”- machtsafwending laat vermoeden. Eén zaak is dat de aanpassing uiteindelijk de benoeming van de tussenkomende partij tot gevolg heeft gehad. Een XII-3290-11/13 andere is of zij die benoeming ook tot (enige) doel had. Het staat niet genoeg vast dat dit effectief het geval is geweest.
  25. Geen van de beide redenen waarom -volgens verzoekers- niet meer mocht worden geput uit de werfreserve van 1997 en waarom ter eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel een nieuwe, objectieve selectieprocedure moest zijn georganiseerd, wordt bijgevallen. Het eerste onderdeel van het middel wordt verworpen.
  26. In het tweede onderdeel van het enig middel wordt hoofdzakelijk de schending van de formele-motiveringsplicht aangeklaagd. Blijkens de formele motivering van de bestreden beslissing is Kurt Braeckman benoemd omdat het archeologisch museum te Velzeke behoefte heeft aan een conservator en hij de tweede plaats behaalde voor het afgenomen vergelijkend examen voor deze graad. Verzoekers hebben daar volkomen juist uit begrepen, getuige het eerste onderdeel van het middel, dat verwerende partij kennelijk van mening was voor de benoeming de meer vermelde werfreserve van 1997 te mogen aanspreken en erop te steunen. Verzoekers achten dit niet afdoende gelet op “de duidelijke voorschriften in het administratief statuut”, die zich tegen een beroep op de werfreserve zouden verzetten. Dit overtuigt niet, al was het maar omdat het enige dergelijke voorschrift dat verzoekers aanwijzen, het artikel 83, § 3, is en uit de bespreking ervan sub 8 volgt dat het allerminst geschonden is. In zoverre verzoekers in het onderdeel de deugdelijkheid van dat motief betwisten, beperken zij zich tot een verwijzing naar wat in het eerste onderdeel werd uiteengezet. Dit onderdeel is, zoals gezien, hiervoor verworpen. Ook het tweede onderdeel van het enig middel wordt niet aangenomen. Het beroep A. 133.928
  27. In het beroep wordt één middel aangevoerd; het is identiek aan het middel in het eerste beroep. Uit wat voorafgaat, volgt dat het niet kan worden aangenomen. XII-3290-12/13 OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  28. De zaken A. 110.426/XII-3290 en A. 133.928/XII-3796 worden gevoegd. Artikel
  29. De beroepen worden verworpen. Artikel
  30. De kosten van de vordering tot schorsing in de zaak A. 110.426/XII-3290 en van de beroepen, bepaald op 1 047,06 euro, komen ten laste van verzoekers, elk voor de helft. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juli 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3290-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.201 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.