id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.204 Rolnummer: A. 82190/XII-1838 Zaak: Arrest 173204 - Politie - 05/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-20 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 22:11 Fiche Arrest nr 173.204 van 5 juli 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.204 van 5 juli 2007 in de zaak A. 82.190/XII-
- In zake : de STAD NINOVE tegen : het VLAAMSE GEWEST. tussenkomende partij : Fabien DE PRIL, die woonplaats kiest bij advocaat J. Isenbaert, kantoor houdende te 1050 Brussel, Ridderstraat 14, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de stad Ninove op 26 januari 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 10 december 1998 houdende niet-goedkeuring van het besluit van de burgemeester van Ninove van 24 september 1998 waarbij aan Fabien De Pril, agent-brigadier, de tuchtstraf van zeven dagen schorsing met inhouding van wedde wordt opgelegd; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 6 augustus 1999; Gelet op de beschikking van 7 september 1999 die de tussenkomst van Fabien De Pril toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 7 augustus 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-1838-1/23 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 april 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 mei 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Van Der Jeught, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J. Isenbaert, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De gegevens van de zaak
- In zijn verslag over “carnavalzondag 1 maart 1998” deelt Gerrit Raes, hoofdinspecteur eerste klasse bij het politiekorps van Ninove, onder meer het volgende mee: na ontbinding van de carnavalstoet heeft hij zich, tezamen met een collega, voor toezicht begeven naar het Cultureel Centrum Plomblom waar, naar jaarlijks gebruik, de politie na afhandeling van haar taak door het bestuur officieel uitgenodigd wordt voor een consumptie op de privé-receptie van de eregenodigden; hij stelde de aanwezigheid vast van twee andere politiemensen die net aankwamen; er werd slechts één consumptie aangeboden en verbruikt; hijzelf en de drie andere politieagenten hebben onmiddellijk nadien het commissariaat vervoegd; gezien het kortstondig, sereen en privé-karakter van deze aangelegenheid, wordt deze korte break naar jaarlijkse, door de burgemeester toegestane, gewoonte getolereerd.
- Op maandag 2 maart 1998 om 22 uur houdt adjunct-commissaris Van Holder een briefing met de op dat ogenblik van dienst zijnde ploegen, waarbij hij wijst op de van toepassing zijnde consignes (onder meer geen herbergbezoek). Politieagent-brigadier Fabien De Pril - huidige tussenkomende partij - merkt op dat XII-1838-2/23 die consignes dan toch niet op zondag van toepassing waren voor sommige personeelsleden en dat er op zondag dan toch enkelen “op café” zijn geweest. De adjunct-commissaris antwoordt hierop dat hij op zondag geen officier van wacht was, geeft de opdracht de consignes uit te voeren zoals voorgeschreven, en geeft aan De Pril de raad zijn opmerkingen op te schrijven en deze aan zijn korpschef te bezorgen.
- Op 4 maart 1998 richt Fabien De Pril een interne nota aan Richard Marchand, waarnemend commissaris van politie. In die nota, met als hoofding “wantoestanden binnen het korps”, stelt hij met betrekking tot carnavalzondag het volgende : “- Weer moest ik, tijdens de laatste karnavalzondag vernemen dat bepaalde personen ons korps nogmaals in een slecht daglicht dienden te stellen. Dat zij ons korps weer als ‘Pispaal’ dienden voor te stellen. - Nogmaals moest ik vernemen dat het opnieuw diezelfde personen zijn die eerder dergelijke praktijken hadden verricht. - Opnieuw zijn zij het dewelke ‘de wetten’ rond het huidige karnaval mee helpen tot stand hebben brengen, die ze het meeste hebben overtreden, terwijl anderen er het slachtoffer zijn van geworden. - Telkens weer zijn het deze, dewelke met het nodige alcoholgehalte in het bloed, terugkeren naar het commissariaat na de roze Zondagstrein, al dan niet als bestuurder van een dienstvoertuig. En dan maar uitbazuinen dat zij er zouden voor zorgen dat dit onder het ploegenpersoneel niet zou hebben mogen voorvallen”.
- In een interne nota van 5 maart 1998 deelt de waarnemend commissaris aan Fabien De Pril mee dat hij tot heden geen kennis had van de feiten die in diens nota van 4 maart 1998 worden beschreven. Hij verzoekt om nadere uitleg terzake met vermelding van namen, uren en feiten. In een tweede interne nota van 5 maart 1998, ditmaal gericht aan politieagent-hoofdbrigadier De Decker, deelt de waarnemend commissaris mee dat hij vernomen heeft dat De Decker bij adjunct-commissaris Van Holder is gaan vertellen “dat vier korpsleden ladderzat, met het dienstvoertuig en in uniform, om 21.30 uur op het commissariaat zijn toegekomen”. Hij vraagt dringend een schriftelijk verslag terzake. Eveneens op 5 maart 1998 deelt de waarnemend commissaris aan de burgemeester mee dat hij beide agenten om nadere uitleg heeft gevraagd, dat hij een onderzoek zal instellen en dat hij, indien blijkt dat deze beweringen juist zijn, XII-1838-3/23 een tuchtrapport zal opstellen. Voorts neemt de waarnemend commissaris die dag persoonlijk contact op met adjunct-commissaris Van Holder, die nog dezelfde dag schriftelijk de inhoud weergeeft van een gesprek dat hij op 4 maart 1998 met politieagent-hoofdbrigadier De Decker heeft gevoerd. Blijkens de verklaring van de adjunct-commissaris kwam tijdens dat gesprek ook de opmerking aan bod die door Fabien De Pril op maandagavond werd geuit en vroeg de adjunct-commissaris aan De Decker of hij hieromtrent iets meer wist. De Decker antwoordde hierop dat hijzelf niets had gezien vermits hij onmiddellijk na afloop van de stoet naar huis was gegaan, maar dat “beneden” wel de ronde deed dat sommige personeelsleden in dronken toestand op het commissariaat waren gekomen en dat één van hen met een dienstvoertuig zou toegekomen zijn, dat hij eveneens had horen vertellen dat een viertal personen na de stoet iets zijn gaan drinken, en dat het volgens hem om die reden was dat Fabien De Pril tijdens de briefing reageerde. Op uitdrukkelijke vraag van de adjunct-commissaris deelde De Decker de namen van deze vier personen mee : het bleek te gaan om de vier personen die, blijkens het door hoofdinspecteur van eerste klasse Raes opgestelde verslag over carnavalzondag, aanwezig waren op de privé-receptie die doorging in het cultureel centrum.
- Met een interne nota van 13 maart 1998 wordt Fabien De Pril door de waarnemend commissaris herinnerd aan zijn vorige nota van 5 maart 1998, met de dringende vraag uitleg te verschaffen. Met een aangetekende brief van 31 maart 1998 deelt de waarnemend commissaris aan Fabien De Pril mee dat hij nog steeds geen antwoord ontvangen heeft op zijn vraag om uitleg betreffende de feiten op carnavalzondag, naar aanleiding waarvan Fabien De Pril enkele personeelsleden vernoemd heeft die dronken zijn gearriveerd op het commissariaat na de carnavalstoet. De waarnemend commissaris vraagt verzoeker hem dringend, schriftelijk, nadere uitleg te verschaf- fen terzake met vermelding van namen, uren en feiten.
- Met een brief van 27 maart 1998 delen de algemeen directeur en de personeelschef van de onderneming “Plastuni Operations NV” - waar de echtgenote van Fabien De Pril werkzaam is - aan het college van burgemeester en schepenen mee dat zij bij de rijkswacht klacht hebben ingediend tegen Fabien De Pril naar aanleiding van zijn gedrag in de kantoren van de onderneming op 20 maart 1998, en dat deze nadien T. D., bediende van de personeelsadministratie, XII-1838-4/23 schriftelijk heeft uitgenodigd om zich op zaterdag 28 maart aan te bieden op het politiebureau, waardoor Fabien De Pril privé-zaken vermengt met beroepszaken.
- Met een aangetekende brief van 31 maart 1998 wordt Fabien De Pril door de waarnemend commissaris verzocht hem dringend en schriftelijk mee te delen om welke reden T. D. op 23 maart 1998, door middel van een uitnodigingskaart van de politie, door hem werd uitgenodigd om zich op 28 maart 1998 tussen 9 uur en 13 uur aan te bieden op het politiecommissariaat, met de vermelding om welk gerechtelijk stuk het hier gaat.
- Op 14 april 1998 stelt de waarnemend commissaris lastens Fabien De Pril een tuchtverslag op wegens “ontoelaatbare praktijken (rondstrooien geruchten, in opspraak brengen van het politiekorps) en misbruik maken van het ambt”. Onder het luik “eerste feit” verwijst hij naar de nota die hij op 4 maart 1998 van Fabien De Pril ontving, waarin laatsgenoemde onder meer het feit aanklaagt dat bepaalde politiemensen met het nodige alcoholgehalte in het bloed na de roze zondagstrein op het commissariaat zijn toegekomen, en naar de nota van 5 maart 1998 van adjunct-commissaris Van Holder. De waarnemend commissaris verklaart voorts dat agent-hoofdbrigadier De Decker op 9 maart 1998 voor hem verschenen is, en dat uit het gesprek dat volgde onder meer het feit naar voren kwam “dat De Pril degene was die verteld had dat vier personeelsleden in dronken toestand op het bureel gekomen waren en dat deze bewering door 15 man gehoord was daar ze vermeld werd op de briefing die door AC Van Holder werd gegeven”. Hij wijst ten slotte op het feit dat hij tot op heden geen antwoord kreeg op de vraag om uitleg die hij aan Fabien De Pril richtte - ondanks twee herinneringen-, en besluit dat deze “enkel geruchten rondgestrooid heeft met het doel de werking van het korps te schaden”. Onder het luik “tweede feit” deelt hij mee dat Fabien De Pril een zekere T. D. had uitgenodigd voor verhoor om te verschijnen op 28 maart 1998, dat hij, door het feit dat deze persoon werkneemster is in de onderneming waar Fabien De Pril op 20 maart 1998 moeilijkheden had en waarvoor door de rijkswacht proces-verbaal werd opgesteld, deze uitnodiging controleerde, dat hij geen enkel dossier kon vinden dat betrekking had op T. D., dat hij Fabien De Pril met een aangetekend schrijven van 31 maart 1998 om uitleg vroeg, dat hij tot heden geen XII-1838-5/23 antwoord ontving, en dat hij dan ook dient te veronderstellen dat hij “[T.D.] uitgenodigd heeft ten persoonlijke titel en niet om dienstredenen wat erop wijst dat hij zijn ambt van politieagent misbruikt heeft en aan belangenvermenging doet”. Fabien De Pril tekent dat tuchtverslag voor kennisname op 22 april
- Met een brief van 21 april 1998 deelt Marcel Wandelseck, gerechtelijk afdelingscommissaris bij de gerechtelijke politie van Aalst, aan de waarnemend commissaris mee dat de echtgenote van Fabien de Pril die dag was uitgenodigd voor verhoor, dat Fabien De Pril zich samen met zijn echtgenote aanbood en onmiddellijk stelde dat zijn echtgenote geen verklaring zou afleggen en ondertekenen dan in zijn aanwezigheid, dat hij zich, nadat werd opgemerkt dat dit onmogelijk was, andermaal zeer arrogant opstelde en meedeelde dat zijn voorwaarden moesten worden gevolgd voor het onderzoek, dat een laatste poging om hem te kalmeren en hem zijn foutieve houding te doen inzien geen resultaat opleverde en dat hij dan ook verzocht werd de dienst te verlaten, waarop hij stelde dat er moest worden genoteerd dat hij zich wel degelijk had aangeboden. Op 22 april 1998 stelt de waarnemend commissaris een tweede tuchtverslag op lastens Fabien De Pril, ditmaal wegens “feiten die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen”. In dat verslag wordt de inhoud van de brief van commissaris Wandelseck van 21 april 1998 weergegeven. De waarnemend commissaris besluit dat dergelijke feiten een agent onwaardig zijn aangezien hij moet weten dat een onderzoek geheim is, dat hij geen recht heeft om aanwezig te zijn bij het verhoor van zijn echtgenote en dat een dergelijke handelwijze op het bureau van de gerechtelijke politie het imago van het gehele korps schaadt. Op 22 april 1998 ondertekent Fabien De Pril dat tweede tuchtverslag voor kennisname. XII-1838-6/23
- Op 15 mei 1998 richt hoofdinspecteur eerste klasse Gerrit Raes een “administratief rapport” aan de waarnemend commissaris, waarin hij zijn grote verontwaardiging uit over de leugenachtige commentaren en verhalen die Fabien De Pril verspreidde. Gerrit Raes verwijst daarbij naar zijn voormeld verslag over carnavalzondag, waaruit blijkt dat er zich die dag geen enkel laakbaar vergrijp heeft voorgedaan.
- Op 11 juni 1998 wordt Fabien De Pril door adjunct-commissaris De Troyer gehoord in het kader van zijn tuchtdossier. Er wordt hem gevraagd waarop hij zich steunde om te verklaren dat op carnavalzondag, na de carnavalstoet, collega’s met het nodige alcoholgehalte in het bloed op het commissariaat toekwamen, waarom hij niet heeft geantwoord op de aangetekende brieven van de waarnemende commissaris, en waarom hij T. D. naar het commissariaat heeft uitgenodigd zonder dat daar enige noodzaak toe was. Fabien de Pril verklaart dat hij zijn antwoorden schriftelijk zal formuleren en aangetekend zal overmaken aan de burgemeester. Op 12 juni 1998 richt Fabien De Pril een aangetekende brief aan de burgemeester, waarin hij antwoordt op de eerste en tweede gestelde vraag. Wat betreft zijn verklaring over carnavalzondag, deelt hij mee dat hij met een aantal collega’s vastgesteld heeft dat de vier betrokken agenten na de ontbinding van de carnavalstoet richting cultureel centrum stapten, dat hij, na het beëindigen van zijn zondagdienst, nog eens naar het cultureel centrum is gegaan, dat hij daar de vier betrokken agenten zag staan met een alcoholische consumptie in de hand, en dat hij nadien van een collega die op zondag de nachtdienst verzekerde vernomen heeft dat deze vier agenten later op de avond het commissariaat vervoegden, al dan niet bestuurder van een dienstvoertuig, met het nodige alcoholgehalte in het bloed. Op de vraag waarom hij niet gereageerd heeft op de verschillende uitnodigingen tot het verstrekken van meer uitleg, antwoordt hij dat het niet aan hem was om deze zaak uit te zoeken en op te klaren, dat het niet de eerste keer is dat bepaalde personen die ook op zondag 1 maart 1998 betrokken waren dronken op het commissariaat toekwamen, en dat hieraan - nadat hij zulks had aangeklaagd - geen onderzoek werd gewijd. XII-1838-7/23
- Op 15 juni 1998 bezorgt adjunct-commissaris Van Holder aan de waarnemend commissaris een uittreksel uit zijn evaluatierapport, waarin hij beschreven heeft wat Fabien De Pril op maandag 2 maart 1998 heeft gezegd (“Op 02.03.98 om 22.00 uur, tijdens de briefing, kreeg ik de opmerking van AB De Pril Fabien, dat de consignes die op maandag van toepassing zijn (geen herbergbezoek e.d.) dan toch niet op zondag van toepassing waren voor sommige personeelsleden. Dat het tevens de ‘goeie’ zijn die ervoor moeten opdraaien. Hij vertelde dat er op zondag dan toch enkelen op ‘café’ zijn geweest”. De adjunct-commissaris verklaart dat Fabien De Pril die avond geen verdere gegevens heeft verstrekt omtrent zijn opmerking en dat hij tevens de enige was die een opmerking heeft gemaakt.
- Met een op 22 juli 1998 ter post aangetekende brief wordt Fabien De Pril opgeroepen om op 2 september 1998 gehoord te worden over de hem ten laste gelegde feiten, zoals beschreven in de verslagen van de waarnemend commissaris van 14 en 22 april
- Van die hoorzitting, waarop Fabien De Pril, bijgestaan door zijn raadsman, verschijnt, wordt een verslag opgesteld. Op 9 september 1998 weigert Fabien De Pril dat verslag, na lezing, te ondertekenen. Hij eist dat het verslag doorgestuurd wordt naar zijn raadsman. Met een aangetekende brief van 21 september 1998 wordt Fabien De Pril één exemplaar van het verslag toegestuurd. Er wordt hem meegedeeld dat op zijn eis om het verslag aan zijn raadsman door te sturen niet wordt ingegaan, vermits de tuchtprocedure niet in briefwisseling met de raadsman voorziet. Met een brief van 25 september 1998 deelt de raadsman van Fabien De Pril aan de burgemeester mee dat het verslag van de hoorzitting van 2 september 1998 geen getrouwe weergave is van het verhoor, “waaruit voortvloeit dat de procedure onregelmatig is en behept met een nietigheid”, en dat op het politiebureel de ronde doet dat het verslag werd samengesteld met de hulp en bijstand van de waarnemend commissaris, “hetgeen vanzelfsprekend niet opgaat daar hij eveneens de vorderende partij was in de tuchtprocedure”; de raadsman besluit dat de burgemeester “juridisch in de onmogelijkheid verkeert een geldige beslissing te nemen”. XII-1838-8/23
- Bij besluit van de burgemeester van Ninove van 24 september 1998 wordt aan Fabien De Pril de tuchtstraf van de schorsing voor een termijn van zeven dagen opgelegd, met verlies van wedde tot gevolg. Dat besluit luidt als volgt : “gelet op de tuchtverslagen, dd. 14 april 1998 en 22 april 1998 met bijlagen, opgesteld door de heer R. Marchand, commissaris van politie d.i., ten aanzien van de heer Fabien DE PRIL, politieagent-brigadier, voor feiten die zich respectievelijk voordeden op : Verslag dd. 14.4.1998: - 1 en 2 maart 1998 (Karnavalweekend), waarover de heer DE PRIL op 4 maart een interne nota opstelde aan Commissaris a.i. Marchand; - 20 maart 1998 in de Firma Plastuni en de daaropvolgende uitnodiging dd 23/3/1998 van de heer De Pril voor verhoor van Mw. [De B.] op het politiecommissariaat op 28.3.1998; Verslag dd. 22 April 1998: - 20.4.1998 (telefonisch onderhoud tussen dhr. De PriI en dhr. Wandelseck, gerechtelijke afdelingcommissaris te Aalst en op 21.4.1998 (verhoor van Mw. [W.], echtgenote De Pril, in de lokalen van de gerechtelijke politie te Aalst); gelet op de brieven dd. 29 april 1998 en 11 mei 1998, waarbij bovenvermelde tuchtverslagen door de heer Marchand, commissaris a.i. ter kennis werden gebracht van de heer Burgemeester, zijnde de tuchtoverheid, overwegende dat deze feiten als volgt kunnen samengevat worden: Karnaval-weekend: In een interne nota opgesteld op 4 maart 1998 klaagt de heer De Pril in niet al te gebruikelijke taal en schrijfstijl ‘wantoestanden’ binnen het korps aan. Hij beweert te hebben ‘vernomen’ dat bepaalde personen het korps nogmaals in een slecht daglicht stelden en dat deze personen ‘met het nodige alcoholgehalte in het bloed’, terugkeerden naar het commissariaat na de roze Zondagstrein (karnavalstoet) op 1 maart
- Op 2 maart 1998 (karnavalmaandag) maakt de heer De Pril tijdens de briefing van adjunct-commissaris Van Holder de opmerking, dat de consignes die op maandag van toepassing zijn (geen herbergbezoek ed.) dan toch niet op zondag van toepassing waren voor sommige personeelsleden. Hij vertelde dat er op zondag toch enkelen op ‘café’ zijn geweest. Firma Plastuni Bij brief dd. 27 maart 1998 geven de heer Van De [V.], algemeen directeur, en mevrouw [C.], personeelschef, aan het College van Burgemeester en Schepenen kennis van een incident dat zich op 20 maart 1998 voordeed in hun bedrijf, en waarover zij op 25.3.1998 klacht indienden bij de rijkswacht te Ninove naar aanleiding van het gedrag van, en de beledigingen en dreigementen uitgesproken door de heer Fabien De Pril, echtgenoot van mevrouw [L. W.] die werkneemster is bij de firma Plastuni. De rijkswacht stelde proces-verbaal op onder nr. 100681/
- Op 23.3.1998 stuurde de heer De Pril - tijdens zijn verlof begaf hij zich naar het commissariaat hiervoor- een uitnodiging naar dhr. en mw. [De B.],- deze laatste is bediende bij de firma Plastuni - om zich op het commissariaat aan te melden op 28.3.1998, zonder een reden mee te delen. XII-1838-9/23 Gerechtelijke Politie te Aalst In zijn brief dd. 21 april 1998 stelt de heer Marcel Wandelseck, gerechtelijke afdelingscommissaris te Aalst, de heer Marchand, commissaris van politie a.i., in kennis van de arrogante houding en bevelende toon van de heer De Pril tijdens een telefonisch onderhoud op 20 april 1998, en van de arrogantie waarvan hij blijk gaf op 21 april 1998 naar aanleiding van een verhoor door de gerechtelijke politie van mevrouw [L. W.], echtgenote van De Pril. Door de arrogante houding van de heer De Pril kon dit verhoor niet plaatsvinden; gelet op de aangetekende brief dd. 16 juli 1998 - verzonden op 22.7.1998 - van de heer Burgemeester, waarin meegedeeld werd dat een tuchtprocedure wordt ingesteld en houdende oproep aan de heer De Pril, om op woensdag 2 september 1998 om 11 uur, gehoord te worden, nopens de hem ten laste gelegde feiten, en mededeling dat hij het recht had zich te laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze, te verzoeken getuigen te horen en dat het tuchtdossier ter inzage lag tot de dag van de hoorzitting; gelet op het verhoor van betrokkene,bijgestaan door zijn raadsman Meester Isenbaert, en het proces-verbaal van de hoorzitting, dat door de heer Burgemeester en de heer Dirk Hutsebaut, inspecteur van politie - griffier, werd ondertekend, doch welk verslag de heer De Pril na lezing weigert te tekenen en waarvan hij geen exemplaar in ontvangst wenst te nemen; overwegende dat twee exemplaren van het proces-verbaal van verhoring aan de heer De Pril werden aangeboden op 09.09.1998 te 8.40 uur met verzoek er één van te willen ondertekenen voor ontvangst eventueel vergezeld van zijn opmerkingen; dat de h. De Pril geweigerd heeft te tekenen en beide exemplaren dezelfde dag terugbezorgde aan de commissaris van politie a.i. te 9.15 uur, doch dat hem op 21.09.98 één exemplaar bij aangetekend schrijven werd toegestuurd; Gelet op de verdediging van de raadsman van de heer De Pril en zijn besluiten, opgenomen in het proces-verbaal van verhoor; overwegende dat de verdediging pleit dat de hem ten laste gelegde feiten niet bewezen zijn, fel aangedikt en in een verkeerd daglicht zijn gesteld; overwegende dat wat de feiten gedurende de karnavaldagen betreft, uit de onderzoeken ingesteld door de commissaris van politie a.i., blijkt dat de aangeklaagde ‘wantoestanden’ door de heer De Pril niet ‘vernomen’ werden, doch dat hij zelf deze ‘feiten vaststelde’, en hijzélf het verhaal verspreidde dat de vier politieleden in dronken toestand op het politiecommissariaat terugkeerden en op cafébezoek gingen, beweringen die weerlegd worden in het verslag van de gebeurtenissen tijdens karnavalzondag opgemaakt door G. Raes, hoofdinspecteur le klasse en zijn administratief rapport dd. 15 mei 1998, waaruit blijkt dat de vier leden van de politie niet op herbergbezoek gingen, doch één glas bier dronken, aangeboden door een lid van de karnavalraad, op de receptie in de foyer van het cultureel centrum ‘De Plomblom’; overwegende dat de heer De Pril geen dienstopdracht had om na te gaan waar de vier politiemensen heen gingen toen zij zich richting ‘Plomblom’ begaven, noch om te achterhalen wat ze daar gingen doen; overwegende dat de verdediging aanhaalt dat de heer De Pril in het kader van zijn privé leven de 4 agenten heeft zien drinken, doch dat niettegenstaande het feit gezien werd buiten de diensturen, betrokkene het nodig achtte dit gegeven in een interne nota aan zijn korpschef te melden in bewoordingen, waardoor aan de feiten meer belang en consequenties gegeven werden dan ze verdienden; overwegende dat de heer De Pril tot driemaal toe (interne nota’s dd. 5/3/1998, 13/3/1998 en brief dd.3 1/3/1998) uitgenodigd werd door de commissaris van politie a.i. om nadere uitleg te verschaffen over zijn nota nopens wantoestanden in het korps, verzoeken waaraan betrokkene geen enkel gevolg gaf; XII-1838-10/23 overwegende dat zijn handelswijze bezwaarlijk als ‘meldingsplicht’ en ‘essentiële beroepsplicht’ kan omschreven worden, daar hijzelf de feiten in een verkeerd daglicht plaatste en aandikte; overwegende dat de verdediging aanhaalt dat ‘het op ontegensprekelijke wijze vast staat dat de heer De Pril niets te maken heeft met de geruchten die de ronde deden dat er sommige personeelsleden in dronken toestand op het commissariaat waren toegekomen...’, waarbij de raadsman verwijst naar het verslag van de heer Van Holder dd. 5 maart 1998, en hij concludeert dat het bijgevolg de heer De Pril niet is die ze op het politiebureel zag toekomen; overwegende dat hierbij aan het gegeven voorbijgegaan werd dat het voormelde verslag van de heer Van Holder - opgemaakt op 5.3.1998-, handelt over een gesprek met agent De Decker dat plaats had op 4 maart, waardoor er voor de heer De Pril op maandag en dinsdag genoeg gelegenheid was om het verhaal te verspreiden onder zijn collega’s; overwegende dat de bewering ‘met het nodige alcoholgehalte in het bloed’, niet bewezen wordt, noch door een ademanalyse, noch door een bloedproef, noch door een duidelijke beschrijving van de handelingen van de 4 agenten, waaruit zou kunnen opgemaakt worden zij de de controle over hun handelingen zouden hebben verloren; overwegende dat wat de feiten die zich in de firma Plastuni voordeden betreft, bezwaarlijk kan aangenomen worden dat twee leidinggevende personen, kwaadwillig een incident ter kennis brengen van het stadsbestuur en bovendien klacht indienden bij de Rijkswacht over feiten die zich niet zouden voorgedaan hebben; overwegende dat, zelfs indien de heer De Pril de dreigende woorden ‘ik ben politieman, ik zal jullie vinden’ niet zou uitgesproken hebben, hij toch getracht heeft een personeelslid van de firma, met name Mw. De [B. T.], te contacteren op een niet toelaatbare wijze, zijnde haar samen met haar echtgenoot uit te nodigen op het politiecommissariaat zonder dat daar beroepshalve enige reden toe was; overwegende dat dergelijke handelswijze een misbruik van gezagsfunctie impliceert, en als een poging tot intimidatie kan aanzien worden; overwegende dat wat de gegevens betreft over het beletten van een verhoor - door de Gerechtelijke Politie te Aalst van de echtgenote van betrokken politieagent, met name Mevr.[W. L.], op 21 april 1998, vermeld in een brief dd.21.4.1998 aan de commissaris van politie a.i., het optreden van de heer De Pril als ongepast, arrogant, misplaatst en onwaardig is voor een politieagent; overwegende dat de stelling van de verdediging dat er omtrent de grond van deze zaak geen uitspraak kan worden gedaan volgens het rechtsprincipe ‘le criminel tient le civil en état’, niet opgaat, daar onderhavige procedure geen burgerlijke maar een administratieve tuchtprocedure is en dat zelfs in het geval geschetst door de verdediging van de h. De Pril, de tuchtoverheid niet de uitslag van de eventuele strafprocedure moet afwachten om een tuchtprocedure in te zetten en een tuchtstraf uit te spreken, met andere woorden de tuchtoverheid oordeelt discretionair of zij al dan niet wacht op de uitspraak van de strafrechter (zie Tuchtrecht in de lokale besturen - Ingrid Opdebeek -Die Keure 1992); overwegende dat op grond van artikel 282 van de nieuwe gemeentewet tuchtmaatregelen kunnen opgelegd worden, wegens tekortkomingen aan de beroepsplichten en handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen; overwegende dat het kenbaar maken van een voorval waarvan de feiten niet bewezen zijn, het ruchtbaar maken ervan onder collega’s, en het geen gevolg geven aan een bevel van een overste om nadere uitleg te verschaffen, tekortkomingen zijn aan de beroepsplichten; XII-1838-11/23 overwegende dat het oproepen van personen voor een verhoor op het politiecommissariaat, zonder dat daar beroepshalve een reden voor is, doch ter bespreking van privé-aangelegenheden, als intimidatiepoging en gezagsmisbruik kan beschouwd worden, wat de waardigheid van het ambt in gedrang brengt; overwegende dat het arrogant optreden van de heer De Pril, zoals vermeld in het tweede tuchtverslag, ten overstaan van de gerechtelijke politie, alsmede het beletten van een verhoor van zijn echtgenote, voor een politieagent onwaardig is; overwegende dat deze feiten de oplegging van een tuchtmaatregel rechtvaardigen; BESLUIT: Aan de heer Fabien De Pril, politieagent-brigadier, wordt als tuchtstraf de schorsing voor een termijn van een week (zeven dagen) opgelegd. Deze schorsing heeft verlies van wedde tot gevolg. Er wordt, conform artikel 285 van de nieuwe gemeentewet, aan betrokkene een netto-wedde gegarandeerd gelijk aan het bedrag van het bestaansminimum, zoals dat wordt vastgesteld krachtens de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum”.
- Met een brief van 1 oktober 1998 tekent de raadsman van Fabien De Pril namens zijn cliënt bij de toezichthoudende overheid beroep aan tegen het besluit van de burgemeester van 24 september 1998, op grond van de volgende motieven: onregelmatigheid van de procedure; het niet eerbiedigen van de rechten van verdediging; de ongegrondheid van de in aanmerking genomen feiten.
- Met brieven van 26 oktober 1998 wordt zowel aan Fabien De Pril als aan het stadsbestuur meegedeeld dat zij de mogelijkheid hebben om gehoord te worden op 17 november
- Met een brief van 4 november 1998 deelt het stadsbestuur mee dat het zich op de hoorzitting niet zal laten vertegenwoordigen. Op 17 november 1998 wordt Fabien De Pril, bijgestaan door zijn raadsman, gehoord waarbij een nota wordt neergelegd. Van dat verhoor wordt een proces-verbaal opgesteld. In de voormelde nota : - wordt de onregelmatigheid van de procedure aangevoerd, met name de schending van artikel 303 van de nieuwe gemeentewet, luidens hetwelk het proces-verbaal van verhoor getrouw de verklaring van de gehoorde weergeeft en binnen acht dagen na de hoorzitting aan de betrokkene wordt meegedeeld; - wordt aangevoerd dat de feiten die aan de grondslag lagen van de tuchtprocedure niet bewezen, fel aangedikt en in een verkeerd daglicht geplaatst zijn; XII-1838-12/23 - wordt, wat betreft de feiten die zich afspeelden bij de gerechtelijke politie, nog aangevoerd dat de betrokkene over deze feiten nooit werd gehoord of geïnter- pelleerd door zijn overste, en dat hij ten stelligste betwist zich arrogant te hebben gedragen.
- Bij het te dezen bestreden ministerieel besluit van 10 december 1998 wordt het besluit van de burgemeester van Ninove van 24 september 1998 houdende het opleggen van de tuchtstraf van zeven dagen schorsing met inhouding van wedde aan Fabien De Pril, niet goedgekeurd. Dat besluit, dat bij aangetekende brief van 10 december 1998 aan het college van burgemeester en schepenen van Ninove wordt betekend is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de tuchtstraf van zeven dagen schorsing met inhouding van wedde door de burgemeester werd opgelegd omdat de betrokkene niet-bewezen geruchten kenbaar maakt en geen gevolg geeft aan het verzoek van zijn overste om hierover uitleg te geven, hij personen oproept zonder beroepsreden op het politiecommissariaat, wat beschouwd kan worden als intimidatiepoging en gezagsmisbruik, hij arrogant optrad tegenover de gerechtelijke politie en het verhoor van zijn echtgenote belette; Overwegende dat de betrokkene in zijn beroepsschrift verklaart dat het tuchtbesluit niet kan goedgekeurd worden omwille van de onregelmatigheid van de procedure, de niet-eerbiediging van de rechten van de verdediging en de ongegrondheid van de feiten; Overwegende dat in de verdedigingsnota van 16 november 1998, opgesteld naar aanleiding van het verhoor in beroep op 17 november 1998, de onregelmatigheid van de gevolgde procedure wordt ingeroepen omwille van de schending van het artikel 303 van de Nieuwe Gemeentewet; dat verwezen wordt naar de brief van 25 september 1998 die naar aanleiding van het verzoek tot ondertekening van het verslag van het verhoor door de tuchtoverheid, werd verstuurd aan de burgemeester; dat in die brief erop gewezen wordt dat in het verslag geen rekening wordt gehouden met de replieken van de verdediging, aangetoond met een opsomming van enkele voorbeelden; Overwegende dat volgens het artikel 303 de betrokkene voorbehoud kan formuleren indien hij weigert te ondertekenen; dat dit zoals in casu niet noodzakelijk de nietigheid impliceert van het verslag maar wel de mogelijkheid biedt om in geval van beroep rekening te houden met de argumenten die betrokkene ertoe hebben aangezet het verslag niet te ondertekenen; dat bijgevolg de onregelmatigheid van het verslag niet de onwettigheid van de gevolgde procedure impliceert; Overwegende dat over het feit dat betrokkene niet bewezen feiten kenbaar maakt, ruchtbaar maakt onder collega’s en geen gevolg geeft aan een bevel om hierover meer uitleg te geven, wordt opgemerkt dat dit niet overeenkomt met de werkelijkheid; dat hij samen met collega’s heeft vastgesteld dat vier agenten zich naar het cultureel centrum de Plomblom begaven en het dienstvoertuig onbeheerd achterlieten; dat hij na zijn dienst, om 20.00 uur heeft vastgesteld dat die vier agenten aan het drinken waren; dat hij zijn dienstoverste zonder namen te noemen hiervan op de hoogte heeft gebracht; XII-1838-13/23 Overwegende dat, volgens zijn zeggen, hij echter geen roddelpraatjes, dit zijn niet-bewezen geruchten, verspreidt zoals bepaald in de tenlastelegging; dat verwijzend naar het verslag van verhoor van de heer De Decker door adjunct-commissaris Van Holder, betrokkene niet de geruchten waarvan sprake, kon verspreid hebben vermits hij na de vaststelling van de feiten om 20.00 uur niet meer op het politiebureel is geweest; Overwegende dat echter uit dit verslag niet kan afgeleid worden dat die geruchten verspreid werden op zondagavond, dag van de feiten, om 19.30 uur; dat in het verslag van 5 maart 1998 gewoon geacteerd [werd] dat op het moment van het gesprek, woensdag 4 maart 1996, verhalen de ronde deden over de dronken toestand van personeelsleden; dat de opmerking van betrokkene hier niets aan afdoet; Overwegende dat volgens de interne nota van 15 juni 1998 van adjunct-commissaris van Holder aan de korpschef, gevoegd bij het tuchtdossier, betrokkene tijdens een briefing van 2 maart 1998 opmerkte dat collega’s een café bezocht hebben; dat hij hiermee inderdaad een gerucht gelanceerd heeft in bijzijn van andere collega’s; dat dit door de verdediging ook niet wordt tegengesproken en dat dit gegeven voor waarheid mag aangenomen worden; Overwegende dat vaststaat dat betrokkene in algemene termen en zonder namen te noemen de politiecommissaris heeft ingelicht bij nota 4 maart 1998; dat tijdens de briefing op 2 maart 1998 adjunct-commissaris Van Holder hem de raad had gegeven zijn opmerkingen, die hij op die briefing heeft geuit, schriftelijk ter kennis van de korpschef te brengen; dat hij in die nota in algemene termen feiten aanklaagt over het gedrag van de politie tijdens de carnavaldagen; Overwegende dat noch uit het dossier, noch uit het tuchtbesluit van 24 september 1998 blijkt dat betrokkene het verhaal verspreidde onder collega’s, over vier politieagenten in dronken toestand zoals vermeld in het tuchtbesluit van 24 september 1998; Overwegende dat bijgevolg de melding van de feiten, dan nog slechts in algemene verwoordingen, tijdens een briefing en al dan niet op vraag van een politieofficier, aan de commissaris, niet overeenstemmen met de concrete motieven die vermeld worden in het tuchtbesluit, maar moet gezien worden als de betrachting van een politieagent, die zijn taak vervult onder de bevolking en geconfronteerd wordt met negatieve reacties onder andere als gevolg van de uitspattingen van de vorige carnavalsperiode, om de reputatie en het imago van de politie in eer te herstellen; Overwegende dat de door betrokkene aangeklaagde feiten niet zondermeer als niet bewezen kunnen beschouwd worden; dat betrokkene ook nergens spreekt over de dronken toestand van politieagenten, waarvan sprake in het tuchtbesluit, maar enkel spreekt over het nodige alcoholgehalte; Overwegende dat de politieagenten die door betrokkene werden opgemerkt wel degelijk alcohol genuttigd hebben zoals blijkt uit het chronologisch overzicht van de gebeurtenissen aan het einde van de carnavalsoptocht opgesteld door de verantwoordelijke officier, hoofdinspecteur eerste klas Gerrit Raes, waarin wordt vermeld dat zij in de foyer van het cultureel centrum een streekbier hebben gedronken; dat de opmerking van betrokkene tijdens de briefing van 2 maart 1998 dat de consignes voor maandag, met name geen herbergbezoek, blijkbaar niet van toepassing waren op zondag voor sommige personeelsleden dan ook niet als verzonnen of niet bewezen kan beschouwd worden; Overwegende dat betrokkene niet is ingegaan op het verzoek van de politiecommissaris om meer concrete gegevens mee te delen over de feiten die hij aanklaagt; dat hij slechts nadat hij het tuchtverslag heeft ontvangen, de burgemeester meer informatie heeft gegeven; dat hij verklaart dat het niet aan hem toekwam om de aangeklaagde feiten te onderzoeken; dat hij uiteraard XII-1838-14/23 diende gevolg te geven aan het verzoek van zijn overste en bijgevolg op dit vlak in gebreke is gebleven; dat echter zoals blijkt ook zonder de aanvullende informatie de feiten werden uitgeklaard aan de hand van gedane ondervragingen en verklaringen; dat de gevraagde bijkomende verklaringen van betrokkene, waarmee volgens de interne nota van de commissaris van 5 maart 1998 aan betrokkene, voornamelijk het geven van namen, uren en feiten wordt bedoeld, niets nieuws hadden bijgebracht; dat indien de feiten, die betrokkene heeft aangeklaagd, eerder niet te zwaar moeten worden geacht, dit ook zondermeer zonder gevolg kon worden gelaten en dit niet impliceert dat betrokkene zich schuldig maakt aan tekortkoming aan zijn beroepsplicht door het meedelen van de feiten; Overwegende dat betrokkene klacht heeft ingediend tegen de verantwoordelijken van de firma Plastuni wegens laster en eerroof nadat deze hem beschuldigden van mondelinge bedreiging; dat op basis van het tuchtdossier die bedreiging niet als bewezen wordt beschouwd vermits het tuchtbesluit zelf in een overweging de nuancering bevat dat indien betrokkene de dreigende woorden toch niet zou uitgesproken hebben, hij toch getracht heeft van een personeelslid uit te nodigen op het politiecommissariaat zonder enige professionele reden; Overwegende dat betrokkene erkent dat hij dit bevriend personeelslid beter niet had gesommeerd zich aan te bieden op het politiecommissariaat voor een persoonlijk zaak; dat dergelijke praktijk inderdaad het vermoeden opwekt van intimidatie omwille van de gezagsfunctie van betrokkene als wetsdienaar en hij evengoed dit personeelslid privé had kunnen ontmoeten; dat in casu de poging tot intimidatie niet aangetoond is maar dat dergelijke praktijken uiteraard moeten vermeden worden om niet de schijn te wekken van machtsmisbruik naar de bevolking toe; Overwegende dat het derde ten laste gelegde feit, met name de arrogante houding van betrokkene tegenover een lid van de gerechtelijke politie vermeld wordt in het tuchtverslag van 22 april 1998 dat voor kennisname werd ondertekend door de betrokkene; dat de oproepingsbrief voor de hoorzitting door de tuchtoverheid duidelijk verwijst naar dit tuchtverslag; dat het feit dan ook geacht wordt gekend te zijn door de betrokkene en de oproeping bijgevolg rechtsgeldig is; Overwegende dat betrokkene echter ontkent dat hij zich arrogant zou hebben opgesteld tegen de gerechtelijke politie; dat uiteraard de waarheid van die bewering niet kan achterhaald worden en haaks staat op de verklaringen van de afdelingscommissaris van de gerechtelijke politie; dat indien die verklaring niet met de werkelijkheid strookt betrokkene hiertegen evenzeer klacht had kunnen neerleggen voor laster en eerroof of valsheid in geschrifte, quod non; Overwegende dat de tuchtoverheid het echter niet nodig achtte om haar standpunt verder te verdedigen op de hoorzitting in beroep of om de beweringen en argumenten van de betrokkene te weerleggen eventueel aan de hand van getuigenissen; dat de blijk van desinteresse van de tuchtoverheid tot gevolg heeft dat in casu de beweringen van betrokkene op dit vlak niet kunnen uitgeklaard worden; dat dit derde feit niet zondermeer als vaststaand kan beschouwd worden; Overwegende dat de ten laste gelegde feiten slechts gedeeltelijk bewezen zijn; dat de tuchtstraf opgelegd bij besluit van de burgemeester van 24 september 1998 gemotiveerd wordt door verwijzing naar die feiten: dat door het niet of niet voldoende bewezen zijn van twee van de ten laste gelegde feiten de tuchtstraf niet in verband staat met de ten laste gelegde feiten”. XII-1838-15/23 De gegrondheid van het beroep
- In een enig middel voert de verzoekende partij aan dat artikel 282 van de nieuwe gemeentewet bepaalt dat de tuchtstraffen vermeld in artikel 283 kunnen worden opgelegd wegens tekortkomingen aan de beroepsplichten en handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen, en dat de drie feiten die te dezen aan de betrokken ambtenaar ten laste werden gelegd bewezen zijn en zowel een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaken als de waardigheid van het ambt van politieagent in het gedrang brengen. Wat betreft de feiten naar aanleiding van het carnavalgebeuren, betoogt zij dat de beweringen en uitlatingen van de betrokken ambtenaar vaststaan, dat van al deze beweringen - onder andere stomdronken, met het nodige alcohol- gehalte in het bloed, al dan niet bestuurder van een dienstvoertuig- niets bewezen is, dat het de betrokkene perfect toegelaten is klachten te uiten nopens collega’s, voor zover deze inderdaad met de waarheid overeenstemmen en voor zover de bedoelde beweringen bewezen worden, maar dat hij evenwel manifest nalaat zijn beweringen te bewijzen, meer nog, dat hij, wanneer hij voor nadere inlichtingen wordt uitgenodigd door zijn oversten, weigert hieraan gevolg te geven. Wat betreft de feiten in verband met de NV Plastuni, voert zij aan dat het niet volstaat dat de betrokkene het tafereel dat zich afspeelde in de burelen van de NV Plastuni in het bijzijn van het personeel louter ontkent, dat de houding die hij aanneemt door zijn loutere ontkenning ernstige vragen doet rijzen nopens zijn geloofwaardigheid in de uitoefening van zijn functie als politieagent, dat, ten overvloede, indien er niets abnormaals zou gebeurd zijn op 20 maart 1998, hij evenmin mevrouw T.D. diende uit te nodigen op het politiecommissariaat, dat deze uitnodiging a fortiori het verlengstuk is van zijn machtsmisbruik, bedreigingen en chantage, dat er geen enkel dossier lopende was tegen voornoemde mevrouw en er geen enkele wettige reden was om haar op te roepen, en dat hij, door zulks zelfs te doen tijdens zijn verlof, zijn functie en het politiecommissariaat blijkbaar als machtsinstrument meent te kunnen hanteren om personen te intimideren en te chanteren. Wat betreft de feiten ten opzichte van de gerechtelijke politie te Aalst, doet zij gelden dat niet kan worden ingezien waarom een overste, die betrokkene zelfs niet kent, daaromtrent een onjuiste verklaring zou afleggen, dat het XII-1838-16/23 vast staat dat het geplande verhoor niet kon doorgaan, en dat betrokkene hierover geen andere verklaring kan geven dan dat noch zijn echtgenote noch hijzelf een verklaring wilden afleggen, daar waar betrokkene geacht wordt de wet te kennen en hij uit hoofde van zijn functie beter dan wie ook dient te weten op welke wijze een verhoor verloopt. In haar memories doet de verzoekende partij nog gelden : - dat, zelfs indien slechts één van de drie ten laste gelegde feiten zou bewezen zijn, quod non, de door de verwerende partij in aanmerking genomen tweede tenlastelegging in elk geval nog ernstig genoeg was om de opgelegde tuchtstraf te rechtvaardigen, dat het bestreden besluit die tweede tenlastelegging minimaliseert, en dat enkel het aanvaarden van dit feit reeds de door de burgemeester opgelegde straf verantwoordt; - dat, wat betreft de feiten in verband met het carnavalgebeuren, het bestreden besluit het tuchtbesluit in generlei mate weerlegt, dat het bestreden besluit niet ingaat op de arrogante toon die de betrokkene aanslaat in zijn interne nota van 5 maart 1998, dat het geenszins in dergelijke bewoordingen is dat men zijn overste aanspreekt, laat staan aanschrijft, dat het dan ook onbetwistbaar vast staat dat betrokkene in zijn schrijven de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt, dat, waar het besluit stelt dat de door betrokkene aangeklaagde feiten niet zonder meer als niet bewezen kunnen worden beschouwd, vice versa dient te worden gesteld dat de aangeklaagde feiten evenmin bewezen zijn, dat het vast staat dat betrokkene niet is ingegaan op het verzoek van de politiecommissaris om meer gegevens te verschaffen betreffende de feiten die hij heeft aangeklaagd, waardoor hij zijn niet consequente houding bewijst, en dat, ten overvloede, betrokkene de plicht heeft gevolg te geven aan het verzoek van zijn overste om nadere informatie te verstrekken; - dat uit de loutere ontkenning van betrokkene dat hij zich arrogant zou hebben opgesteld ten opzichte van de gerechtelijke politie niet zo maar kan worden afgeleid dat de feiten niet zouden bewezen zijn, en dat, indien betrokkene zich correct zou hebben gedragen, de gerechtelijk afdelingscommissaris uiteraard geen brief zou hebben gericht aan de waarnemend politiecommissaris. 19.
- Wanneer de minister, optredend op grond van de bevoegdheid toegekend aan de Vlaamse regering door het decreet van 24 juli 1991 houdende regeling voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de XII-1838-17/23 handelingen betreffende de tucht- en sommige ordemaatregelen genomen ten opzichte van het gemeentepersoneel bedoeld in de nieuwe gemeentewet, uitspraak doet over het beroep dat de tuchtrechtelijk gestrafte gemeenteambtenaar bij hem aanhangig heeft gemaakt, oefent de minister een louter goedkeuringstoezicht uit. Zulks houdt in dat de minister als toezichthoudende overheid de eventuele aan het tuchtbesluit klevende onrechtmatigheden niet zelf kan rechtzetten, maar zich, wanneer hij een onrechtmatigheid vaststelt, ertoe moet beperken dat besluit niet goed te keuren. Wanneer zoals te dezen een ambtenaar tuchtrechtelijk wordt gestraft wegens drie onderscheiden tuchtfeiten, en de toezichthoudende overheid vaststelt dat de tuchtoverheid slechts één van die feiten als tuchtfeit voor bewezen mocht houden, mag zij dus niet zelf, in de plaats van de tuchtoverheid, hetzij de twee andere tenlasteleggingen als een zuiver bijkomstig gegeven terzijde schuiven, hetzij de enige bewezen tenlastelegging als dermate determinerend aanzien dat die tenlastelegging alleen al dezelfde tuchtmaatregel rechtvaardigt, tenzij de toezichthoudende overheid goede redenen heeft om aan te nemen dat zulks ook effectief de mening van de tuchtoverheid was. Te dezen blijkt nergens uit het tuchtdossier, noch uit het tuchtbesluit zelf dat de burgemeester hetzij de eerste en de derde tenlastelegging als louter bijkomstig heeft beschouwd, hetzij de tweede tenlastelegging als dermate determinerend heeft beschouwd dat die tenlastelegging alleen al de tuchtstraf van de schorsing voor een termijn van een week rechtvaardigde. Integendeel moet, nu noch de stukken van het dossier noch het tuchtbesluit zelf enige toelichting verstrekken over de vraag welke feiten hebben doorgewogen en hoe de afweging van de strafmaat ten opzichte van de feiten is gebeurd, worden aanvaard dat de drie tenlasteleggingen op gelijke voet in aanmerking genomen zijn. Zulks heeft dan weer tot gevolg dat, indien hierna zou blijken dat de verwerende partij rechtmatig tot de vaststelling kon komen dat de eerste tenlastelegging niet of niet voldoende bewezen was, deze vaststelling op zich reeds volstond om een niet-goedkeuringsbesluit te schragen, zodat, zelfs in de veronderstelling dat zij niet rechtmatig tot die vaststelling kon komen wat betreft de XII-1838-18/23 derde tenlastelegging, het enige middel niet tot de gevraagde nietigverklaring kan leiden. 19.
- Na een vermelding van de bepaling van artikel 282 van de nieuwe gemeentewet, luidens welke tuchtmaatregelen kunnen worden opgelegd wegens tekortkomingen aan de beroepsplichten en handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen, wordt te dezen in het tuchtbesluit, betreffende het eerste feitencomplex dat in hoofde van de tussenkomende partij de oplegging van tuchtmaatregel rechtvaardigt, als conclusie gesteld : “Overwegende dat het kenbaar maken van een voorval waarvan de feiten niet bewezen zijn, het ruchtbaar maken ervan onder collega’s, en het geen gevolg geven aan een bevel van een overste om nadere uitleg te verschaffen, tekortkomingen zijn aan de beroepsplichten”. Uit de feiten zoals ze hiervoor zijn weergegeven en blijken uit het administratief dossier moet worden afgeleid dat het tweevoudig onderdeel van de in aanmerking genomen tenlastelegging “het kenbaar maken van een voorval waarvan de feiten niet bewezen zijn en het ruchtbaar maken ervan onder collega’s” zo niet uitsluitend, dan toch in hoofdorde betrekking heeft op het kenbaar maken aan de korpsoverste en het ruchtbaar maken onder collega’s van het feit dat sommige leden van het politiekorps na de ontbinding van de carnavalstoet in dronken toestand op het commissariaat zouden zijn toegekomen. Weliswaar wordt in het tuchtbesluit tevens verwezen naar de opmerking die de tussenkomende partij op de briefing van 2 maart 1998 maakte betreffende het “op café gaan” van collega’s. In het bestreden besluit wordt daaromtrent echter en niet ten onrechte overwogen dat deze opmerking van de tussenkomende partij niet als verzonnen of niet bewezen kan worden beschouwd, nu hoofdinspecteur eerste klas Raes zelf verklaarde dat hijzelf en drie collega’s in de foyer van het cultureel centrum een streekbier hadden gedronken. Wel is het zo dat de vier politiebeambten strikt genomen niet “op herbergbezoek” gingen, maar een glas bier dronken op de receptie in de foyer van het cultureel centrum. Dat het nuttigen van alcohol tijdens de diensturen, ook al gebeurt zulks op een receptie, en niet in een herberg, in wezen als een afwijking op de consignes kan worden beschouwd, blijkt echter al evenzeer uit het door voornoemde Raes opgesteld verslag, vermits daarin verwezen wordt naar het feit dat “deze korte break” naar jaarlijkse door de burgemeester toegestane gewoonte wordt “getolereerd”. XII-1838-19/23 19.
- In het tuchtbesluit wordt omtrent de betrokken tenlastelegging overwogen “dat wat de feiten gedurende de carnavaldagen betreft, uit de onderzoeken ingesteld door de commissaris van politie a.i. blijkt dat [de tussenkomende partij] zelf het verhaal verspreidde dat de vier politieleden in dronken toestand op het politiecommissariaat terugkeerden”. In het bestreden toezichtsbesluit wordt daarentegen overwogen “dat noch uit het dossier, noch uit het tuchtbesluit van 24 september 1998 blijkt dat betrokkene het verhaal verspreidde onder collega’s, over vier politieagenten in dronken toestand zoals vermeld in het tuchtbesluit van 24 september 1998”. 19.
- Blijkens de neergelegde stukken hebben de door de waarnemend commissaris ingestelde onderzoeksdaden in elk geval geen geschreven verklaring van enigerlei collega opgeleverd, als zou de tussenkomende partij zelf het verhaal van vier personeelsleden die in dronken toestand op het politiecommissariaat terugkeerden hebben verspreid. In het tuchtverslag van 22 april 1998 wordt wel verwezen naar een gesprek dat op 9 maart 1998 plaats vond tussen de waarnemend commissaris en agent-hoofdbrigadier De Decker, waaruit zou gebleken zijn “dat De Pril[..].degene [was] die verteld had dat vier personeelsleden in dronken toestand op het bureel gekomen waren en dat deze bewering door 15 man gehoord was daar ze vermeld werd op de briefing die door AC Van Holder werd gegeven”. Van een gesprek van 9 maart 1998 bevindt zich echter als dusdanig geen schriftelijke weerslag in het administratief dossier. Bovendien en vooral staat de in het tuchtverslag aangehaalde verklaring van De Decker haaks op de op 15 juni 1998, dus na het tuchtverslag, opgestelde schriftelijke verklaring van adjunct-commissaris Van Holder, waarin deze formeel bevestigt dat de tussenkomende partij tijdens de briefing enkel opmerkte dat er op zondag enkele personeelsleden op “café” waren geweest, en dus niet -zoals De Decker verklaart- dat die personeelsleden nadien in dronken toestand op het bureel gekomen waren. De verwerende partij kon dan ook rechtmatig tot de vaststelling komen dat “noch uit het dossier, noch uit het tuchtbesluit van 24 september 1998 blijkt dat [de tussenkomende partij] het verhaal verspreidde onder collega’s, over vier politieagenten in dronken toestand”. Terecht mocht de verwerende partij het geven van de bedoelde ruchtbaarheid als een niet bewezen feit aanmerken. XII-1838-20/23 19.
- Voorts heeft de verwerende partij het “kenbaar maken van een voorval waarvan de feiten niet bewezen zijn” niet als een tekortkoming aan de beroepsplicht beschouwd en dus niet als tuchtfeit bewezen geacht. Immers wordt in het bestreden besluit overwogen “dat indien de feiten, die betrokkene heeft aangeklaagd, eerder niet te zwaar moeten worden geacht, dit ook zonder meer zonder gevolg kon worden gelaten en dit niet impliceert dat betrokkene zich schuldig maakt aan tekortkoming aan zijn beroepsplicht door het meedelen van de feiten”. Het blijkt niet dat de verwerende partij niet rechtmatig tot die vaststelling kon komen. Het valt inderdaad niet goed in te zien waarom het louter meedelen van een feit, ook al gebeurt zulks in algemene bewoordingen, dus zonder de vermelding van namen, uren en feiten, en ook al blijkt dat feit na onderzoek niet of niet voldoende bewezen, op zich een tekortkoming aan de beroepsplichten zou uitmaken, temeer nu de waarnemend commissaris in zijn brief aan de burgemeester van 5 maart 1998 meedeelde dat hij een onderzoek zou instellen en, indien zou blijken dat de beweringen juist zijn, een tuchtrapport zou opstellen. In haar memories voert de verzoekende partij wel aan dat het bestreden besluit niet ingaat op de “arrogante toon” die de tussenkomende partij in haar voormelde nota van 4 maart 1998 aanslaat, en dat het onbetwistbaar vast staat dat de tussenkomende partij, door de bewoordingen waarmee zij haar overste aanschrijft, de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt. In het tuchtbesluit wordt inderdaad, bij het overzicht van de feiten, wel - en enkel - gewag gemaakt van de “niet al te gebruikelijke taal en schrijfstijl” waarin de nota van 4 maart 1998 werd opgesteld. In de uiteindelijke tenlastelegging echter is daarvan echter geen sprake meer. Nu uit het tuchtbesluit niet blijkt dat de bewoordingen waarin de interne nota werd gesteld mede aan het opleggen van de tuchtstraf ten grondslag hebben gelegen, is de besproken kritiek van de verzoekende partij op het bestreden toezichtsbesluit dan ook niet relevant. 19.
- De onder randnummers 19.4 en 19.
- gedane vaststellingen nopen tot de conclusie dat de verwerende partij rechtmatig het eerste ten laste gelegde feit voor niet voldoende bewezen mocht achten, het eerste deelaspect ervan (het kenbaar XII-1838-21/23 maken van een voorval waarvan de feiten niet bewezen zijn) als tuchtfeit, het tweede deelaspect (het ruchtbaar maken van dat feit onder collega’s) als feit. Noch uit het tuchtdossier, noch uit het tuchtbesluit zelf blijkt dat de tuchtoverheid zelf die twee deelaspecten als ondergeschikt, laat staan als verwaarloosbaar, heeft beschouwd toen zij besliste om de tussenkomende partij de tuchtstraf van de schorsing voor een termijn van zeven dagen op te leggen. Uit het tuchtdossier blijkt, integendeel, dat vooral zwaar werd getild aan het feit dat de tussenkomende partij het gerucht van dronken collega’s had verspreid. In het tuchtverslag wordt de eerste tenlastelegging trouwens beperkt tot het “rondstrooien van geruchten met het doel de werking van het korps te schaden”. Om de reeds onder randnummer 19.
- aangehaalde reden, kan het enig middel dan ook niet tot de gevraagde nietigverklaring leiden. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. XII-1838-22/23 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juli 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1838-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.204 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div