← België

Arrest 173205 - Politie - 05/07/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.205 Rolnummer: Zaak: Arrest 173205 - Politie - 05/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-20 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 22:12 Fiche Arrest nr 173.205 van 5 juli 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 173.205 van 5 juli 2007 in de zaak A.72.692/XII-2924 A.75.504/XII-

  1. In zake : I. + II. Thierry LOGGHE, die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1 tegen : I. + II. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. tussenkomende partij : II. André DECEUNINCK, wonende te Gistel, Sneeuwwitjesstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Thierry Logghe op 30 december 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de federale minister van Binnenlandse Zaken dd. 21 oktober 1996, medegedeeld aan verzoeker door de Gouverneur van de Provincie West-Vlaanderen bij aangetekend schrijven dd. 4 november 1996, waarbij beslist werd dat de procedure van de voordracht van kandidaten voor het vacante ambt van commissaris van politie dient hernomen te worden” (A. 72.692); Gezien het verzoekschrift dat Thierry Logghe op 29 augustus 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het Koninklijk Besluit van 23 juni 1997, waarbij dhr Deceuninck André wordt benoemd tot politiecommissaris van de Stad Gistel, ter kennis gebracht aan verzoeker bij schrijven van de Stad Gistel dd. 8 juli 1997, ontvangen op 15 juli 1997” (A. 75.504); XII-2924-1/20 Gelet op het arrest nr. 147.649 van 14 juli 2005 waarbij de zaken nrs. A.72.692 en A. 75.504 worden gevoegd, de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat gelast wordt met het nader onderzoek van de zaken; Gezien het aanvullend verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 20 december 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting en de laatste memorie van de verzoeker en de laatste memories van de verwerende en de tussenkomende partij ; Gelet op de beschikking van 3 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 december 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor verzoeker, van attaché I. De Paepe, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. Vanlerberghe, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De gegevens van de zaken.
  3. In het voormelde arrest nr. 147.649 werden de gegevens van de zaken als volgt weergegeven : XII-2924-2/20 “1.
  4. Op 28 september 1995 beslist de gemeenteraad van de stad Gistel de betrekking van commissaris van politie-korpschef vacant te verklaren. 1.
  5. Verzoeker, politieagent-brigadier van het politiekorps van de stad Gistel, stelt zich samen met veertien anderen kandidaat voor de vacante betrekking van politiecommissaris. 1.
  6. Op 20 november 1995 verleent de politiecommissaris van de stad Gistel een gunstig advies betreffende verzoekers kandidatuur. 1.
  7. Op 21 december 1995 beslist de gemeenteraad van de stad Gistel verzoeker als eerste kandidaat voor het ambt van commissaris van politie bij de gouverneur voor te dragen en dit op grond van de navolgende overwegingen : ‘Overwegende de belangrijke troeven die kandidaat Thierry Logghe kan voorleggen : - hij was sterk gemotiveerd om politieambtenaar te worden en is sterk gemotiveerd om zich binnen zijn politieambt te vervolmaken : hij trad in dienst op 1 september 1991 na zich vroeger reeds kandidaat te hebben gesteld bij het Gistelse politiekorps/onmiddellijk na het opnemen van zijn functie heeft hij alle mogelijke initiatieven genomen om zich te vervolmaken (cf. zijn opeenvolgende opleidingen aan de West-Vlaamse respectievelijk Oost-Vlaamse politieschool) - tijdens de uitoefening van zijn opdrachten heeft hij zich betoond als een zelfstandig werkende ambtenaar die eigen initiatieven neemt, besluitvaardig is en de vereiste discretie aan de dag legt - hij is een ambtenaar die zich uitstekend documenteert en die gericht is op een permanente zelfstudie - hij heeft de juiste ingesteldheid om uit te groeien tot een bekwame, leidinggevende politieambtenaar/binnen het tweede jaar officierenopleiding kwam het luik ‘beheersfunctie en leidinggeven’ trouwens zeer behoorlijk uit de verf - juridisch-technisch voldoet hij aan de eisen die aan een politiecommissaris voor onze gemeente gesteld worden, getuige opnieuw de gestaag mooie resultaten zowel binnen de basisopleiding, de middenkaderopleiding als de officierenopleiding - hij is vertrouwd met een politiekorps met een schaalgrootte van onze gemeente in het algemeen en met het Gistelse politiekorps in het bijzonder - hij kent onze Stad met haar omgeving en de aanwezige problematieken - hij geniet de steun van het Gistelse politiekorps - hij heeft een onbesproken levenswandel en een correct voorkomen’. Als tweede kandidaat draagt diezelfde gemeenteraad vervolgens Freddy Thollebeek voor. De burgemeester laat in een brief van 3 januari 1996 weten aan de provinciegouverneur en aan de minister van binnenlandse zaken dat hij geen derde kandidaat voordraagt. 1.
  8. Bij schrijven van 2 februari 1996 aan de minister van justitie adviseert de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent ‘gunstig’ betreffende beide voorgedragen kandidaten. Bij schrijven van 29 januari 1996 aan de procureur-generaal sluit ook de procureur des konings te Brugge zich aan bij de voorgestelde rangorde, ‘in die zin dat de eerste kandidaat duidelijk de voorkeur geniet boven de tweede gezien zijn studie-antecedenten’. 1.
  9. Bij brief van 7 februari 1996 zendt de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen de minister het administratief dossier betreffende de zaak over, met een gunstig advies voor beide kandidaten. 1.
  10. Bij brief van 26 maart 1996 meldt de politiecommissaris-korpschef van de politie te Gistel de minister dat hij zijn vertrouwen in de persoon van XII-2924-3/20 verzoeker niet meer kan handhaven ‘ingevolge het zonderling en abnormaal gedrag van deze persoon in de loop van de laatste drie weken’. 1.
  11. Bij schrijven van 22 april 1996 meldt diezelfde korpschef de minister dat sedert enkele dagen ‘op de houding’ van verzoeker ‘zowel in de publieke omgang als binnen het korps geen ongunstige opmerkingen dienen vermeld’. Hij blijft naar eigen zeggen wel met de vraag ‘of zijn positieve ingesteldheid in de toekomst zal kunnen worden bevestigd of dat zijn huidige houding met het voorlopig uitblijven van een definitieve beslissing vanwege Uw Departement te maken heeft’. 1.
  12. Bij brief van 30 april 1996 verzoekt de minister de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen ‘in het licht van de voormelde brieven van de [...] politiecommissaris-korpschef van de stad Gistel’ ‘eventueel na een bijkomend onderzoek’ een aanvullend advies te verstrekken over de kandidatuur van verzoeker. 1.
  13. Bij schrijven van 13 juni 1996 deelt de gouverneur de minister mede : ‘In aansluiting bij mijn brief van 7 februari 1996, waarbij u het dossier werd bezorgd betreffende de voordracht van heren Thierry Logghe en Freddy Thollebeek als kandidaten voor het ambt van commissaris van politie te Gistel, ben ik zo vrij u het volgende mede te delen. Na een bijkomend onderzoek en een gesprek met de burgemeester van Gistel, ben ik tot de conclusie gekomen mijn advies nopens de eerste kandidaat, de heer Logghe, te moeten vervolledigen en aanpassen. De heer Logghe werd geboren in 1964 en is met zijn 32 jaar een eerder jong kandidaat voor de functie van korpschef. Hij is slechts op 27-jarige leeftijd in dienst getreden bij het plaatselijk korps. Zijn loopbaan was tot op heden bijna uitsluitend gericht op het behalen van het brevet van officier van de gemeentepolitie. Daardoor heeft hij onvoldoende ervaring kunnen opdoen in een leidinggevende functie om reeds op dit ogenblik in aanmerking te komen voor een benoeming. Ook zijn bedenkingen i.v.m. de Interpolitiezones doen mij besluiten dat hem de nodige rijpheid ontbreekt. Ik stel voor dat de gemeenteraad van Gistel een nieuwe eerste kandidaat zou aanduiden’. 1.
  14. Bij schrijven van 21 oktober 1996 deelt de minister de gouverneur mede : ‘Bij schrijven van 7 februari 1996 en 13 juni 1996 maakte U mij een dossier over met betrekking tot de voordracht van de Heren Logghe Thierry en Thollebeek Freddy als kandidaten voor het ambt van politiecommissaris van de stad Gistel. Uit het onderzoek blijkt dat het dossier tegenstrijdige adviezen bevat, en dit in hoofde van meerdere instanties. Ik meen bijgevolg niet in de mogelijkheid te zijn om een beslissing te kunnen nemen betreffende de twee voorgedragen kandidaturen. Gelet derhalve op het geheel van het dossier zoals dit momenteel voorligt, verzoek ik U om dit dossier, dat ik U bijgaand toezend, over te maken aan de gemeenteraad van Gistel met het verzoek om de procedure van voordracht van kandidaten voor het vacante ambt van politiecommissaris te hernemen.’. Dit is de in de zaak A. 72.692/XII-2924 door verzoeker bestreden handeling. 1.
  15. Op 14 november 1996 beslist de gemeenteraad van de stad Gistel de betrekking van commissaris van politie-korpschef opnieuw vacant te verklaren. 1.
  16. Zestien kandidaten, waaronder verzoeker, dienen een kandidatuur in. 1.
  17. Op 27 februari 1997 beslist de gemeenteraad andermaal verzoeker als eerste kandidaat voor het in geschil zijnde ambt voor te dragen en dit op grond van de volgende overwegingen : XII-2924-4/20 ‘Overwegende de belangrijke troeven die kandidaat Thierry Logghe kan voorleggen : - hij was sterk gemotiveerd om politieambtenaar te worden en is sterk gemotiveerd om zich binnen zijn politieambt te vervolmaken : hij trad in dienst op 1 september 1991 na zich vroeger reeds kandidaat te hebben gesteld bij het Gistelse politiekorps/onmiddellijk na het opnemen van zijn functie heeft hij alle mogelijke initiatieven genomen om zich te vervolmaken (cf. zijn opeenvolgende opleidingen aan de West-Vlaamse respectievelijk Oost-Vlaamse politieschool) - tijdens de uitoefening van zijn opdrachten heeft hij zich betoond als een zelfstandig werkende ambtenaar die eigen initiatieven neemt, besluitvaardig is en de vereiste discretie aan de dag legt - hij is een ambtenaar die zich uitstekend documenteert en die gericht is op een permanente zelfstudie - hij heeft de juiste ingesteldheid om uit te groeien tot een bekwame, leidinggevende politieambtenaar/binnen het tweede jaar officierenopleiding kwam het luik ‘beheersfunctie en leidinggeven’ trouwens zeer behoorlijk uit de verf - juridisch-technisch voldoet hij aan de eisen die aan een politiecommissaris voor onze gemeente gesteld worden, getuige opnieuw de gestaag mooie resultaten zowel binnen de basisopleiding, de middenkaderopleiding als de officierenopleiding - hij is vertrouwd met een politiekorps met een schaalgrootte van onze gemeente in het algemeen en met het Gistelse politiekorps in het bijzonder - hij kent onze Stad met haar omgeving en de aanwezige problematieken - hij geniet de steun van het Gistelse politiekorps - hij heeft een onbesproken levenswandel en een correct voorkomen’. Als tweede kandidaat draagt diezelfde gemeenteraad thans André Deceuninck voor. 1.
  18. Bij schrijven van 10 maart 1997 deelt de burgemeester de gouverneur mede Xavier Proot als derde kandidaat voor benoeming voor te dragen. 1.
  19. Bij brief van 7 maart 1997 zendt de gouverneur de minister het administratief dossier betreffende de in geschil zijnde benoemingsprocedure over. Hij adviseert dan : ‘Vertrekkende van de criteria leeftijd, politionele ervaring en huidige graad bij de gemeentepolitie, adviseer ik de heer André Deceuninck voor te dragen voor de benoeming tot commissaris van politie te Gistel. Hij is de oudste in leeftijd, heeft de meeste anciënniteit bij de politie en bekleedt de graad van adjunct-commissaris van politie. Op basis van deze objectieve criteria ben ik van oordeel dat hij de meeste waarborgen biedt’. 1.
  20. Bij schrijven van 13 mei 1997 zendt de minister van justitie zijn collega van binnenlandse zaken het advies van 6 mei 1997 van de procureur- generaal bij het hof van beroep te Gent over. Dit advies luidt als volgt : ‘Ik heb de eer U hierbij ter kennis te brengen dat de heren Logghe Thierry, politieagent-brigadier te Gistel, Deceuninck André, adjunct- commissaris van politie te Nieuwpoort en Proot Xavier, hoofdcommissaris eerste klasse te Ichtegem door de gemeenteraad te Gistel voorgedragen worden als kandidaten voor de vacante plaats van commissaris van politie. Ik adviseer gunstig met betrekking tot de voornoemde kandidaten. U vindt hierbij een desbetreffend verslag van de heer Procureur des Konings te Brugge. Ik sluit mij aan bij de door de Procureur des Konings vooropgestelde volgorde’. Het advies van de procureur des konings, verwoord in een schrijven van 28 april 1997 aan de procureur-generaal, luidt als volgt : XII-2924-5/20 ‘Advies : als men als objectieve maatstaf de maturiteit van de kandidaten kan aanwenden, dan lijkt het mij zo te zijn dat de voorgestelde volgorde dient gewijzigd te worden in de zin dat Deceuninck André als meest valabele kandidaat dient beschouwd te worden, gevolgd door Proot Xavier. Logghe Thierry dient als dusdanig dan buiten beschouwing gelaten te worden’. 1.
  21. Bij koninklijk besluit van 23 juni 1997 wordt André Deceuninck benoemd tot politiecommissaris van de stad Gistel, en dit op grond van de navolgende overwegingen : ‘Gelet op artikel 191 van de nieuwe gemeentewet gecodificeerd door het koninklijk besluit van 24 juni 1988; Gelet op de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, laatst gewijzigd bij de wet van 15 mei 1984; Gelet op de beraadslaging van 27 februari 1997 van de gemeenteraad van Gistel; Gelet op het advies van de Gouverneur van de provincie West- Vlaanderen; Gelet op het advies van de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent; Gelet op de onderlinge vergelijking van de voorgedragen kandidaturen; Overwegende dat de Heer Deceuninck André aan de voorwaarden voldoet om te worden benoemd tot de graad van commissaris van politie, zoals opgelegd bij het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van de gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graden van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie, gewijzigd door het koninklijk besluit van 18 februari1993; Overwegende dat de Heer Deceuninck André reeds een rijk gevulde beroepsloopbaan heeft (binnen twee verschillende korpsen) met 19 jaar dienstanciënniteit waarvan 9 jaar als adjunct-commissaris te Nieuwpoort; Overwegende dat hij voldoende aanpassingsvermogen heeft om zich in te leven in de diverse situaties waarmee hij als politieofficier geconfronteerd wordt; Overwegende dat hij in de hoedanigheid van politieofficier dikwijls de gelegenheid heeft gehad om de korpschef te vervangen; Overwegende dat hij hierdoor reeds in de praktijk heeft kunnen ervaren aan welke talrijke ambtsverplichtingen de korpschef onderworpen is; Overwegende dat hij voldoende fysisch en psychisch weerstandsvermogen heeft om de veeleisende en leidende functie aan te kunnen; Overwegende dat hij inzicht heeft in de hem voorgelegde problemen en steeds poogt in alle objectiviteit een oplossing te bereiken; Overwegende dat hij daarbij kan terugvallen op een ruime beroepservaring en zeer degelijke kennis van de diverse materies; Overwegende dat hij zelf nuttig gebruik maakt van zijn uitgebreide kennis maar deze ook kan overdragen aan zijn medewerkers; Overwegende dat hij zeer nauwgezet de laatste ontwikkelingen op politioneel en juridisch gebied volgt; Overwegende dat hij een duidelijke visie heeft op de prioriteiten die vanuit de korpsleiding moeten gesteld worden om een politiekorps efficiënt te leiden; Overwegende dat hij naar het politionele werkveld toe, het belang van het preventief optreden en het contact met de bevolking beklemtoont; XII-2924-6/20 Overwegende dat hij altijd zijn verantwoordelijkheid opneemt en zijn genomen beslissingen gesteund zijn op onpartijdigheid en onafhankelijkheid; Overwegende dat hij sociale contacten heeft, vlot is in de omgang en zijn mening goed kan verwoorden; Overwegende dat hij als inwoner van de stad Nieuwpoort vertrouwd is met de streek en haar problematiek; Overwegende dat zowel uit de adviezen van de provinciegouverneur van West-Vlaanderen, de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent als van zijn korpsoverste blijkt dat hij bekwaam en geschikt is het ambt van politiecommissaris uit te oefenen; Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, hebben wij besloten en besluiten wij : Artikel 1 : de Heer Deceuninck André wordt benoemd tot politiecommissaris van de stad Gistel (arrondissement Oostende). [...]’. Dit is de beslissing die in de zaak A. 75.504 wordt bestreden;”
  22. Het meervermelde tussenarrest nr. 147.649 besliste de voorliggende zaken samen te voegen. Het stelde betreffende het belang van verzoeker hetgeen volgt : “
  23. Het actueel belang van verzoeker. Overwegende dat de verwerende partij in haar pleitnota ter terechtzitting in beide zaken en de tussenkomende partij in haar laatste memorie in de zaak nr. A. 75.504, actueel belang aan verzoeker ontzeggen; dat daarbij wordt verwezen, eensdeels, naar het feit dat de gemeente Gistel nu deel uitmaakt van de politiezone Gistel-Ichtegem-Jabbeke-Oudenburg-Torhout, dat het ambt van politiecommissaris te Gistel werd opgeheven en, anderdeels, dat verzoeker, na adjunct-politiecommissaris te Oostende te zijn geworden, sinds 1 april 2001 aldaar de graad van politiecommissaris bekleedt; dat verzoeker in zijn pleitnota ter terechtzitting daartegenover stelt dat zijn actueel belang nog bestaat, en dit ondersteunt door te verwijzen -en dit zelfs ‘eerst en vooral’- naar een morele schade die hij zou hebben geleden omdat hij in Gistel is geboren, er nog steeds woont en verkiest te werken in de politiezone waarvan Gistel deel uitmaakt, waar de reële functie-inhoud die hij in de nieuwe politiezone kan innemen, per definitie ‘hoger’ is dan de functie-inhoud die hij te Oostende kan waarnemen, naar een hogere anciënniteit die hij had verworven ‘ware hij tot commissaris benoemd te Gistel’ en naar een betere inschaling, namelijk in de weddeschaal 04 in plaats van 02, die als rechtsherstel zou kunnen voortvloeien uit de gevraagde nietigverklaringen; Overwegende dat het belang, waarvan een verzoeker blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en dat hij dat belang moet behouden tot aan de uitspraak; dat de aard van het belang weliswaar kan evolueren maar dat verzoeker minstens aannemelijk moet maken dat de gevorderde nietigverklaring hem nog een concreet voordeel oplevert; dat dit voordeel meer moet zijn dan de genoegdoening verbonden met het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing; Overwegende dat in de zaak nr. A.75.504 de benoeming van een politiecommissaris van de gemeente Gistel wordt bestreden, en in de zaak nr. A. 72.692 de beslissing die heeft geleid tot de herneming van die benoemingsprocedure na de stopzetting van een vroegere voordracht; dat het voordeel dat verzoeker met de voorliggende beroepen oorspronkelijk nastreefde er essentieel in bestond, door de gevorderde nietigverklaringen, een nieuwe kans te verwerven om zélf benoemd te worden tot politiecommissaris te Gistel; dat verzoeker ondertussen evenwel zelf wel degelijk óók politiecommissaris is, weze het niet te Gistel maar te Oostende; dat zo bekeken, een nietigverklaring XII-2924-7/20 van de bestreden beslissingen verzoeker bijgevolg op het gebied van anciënniteit, inschaling en functie-inhoud thans niet méér kan opleveren dan hetgeen hij reeds met zekerheid op 1 april 2001 heeft verkregen door zijn eigen benoeming tot politiecommissaris; dat verzoekers argumentatie daaromtrent dienvolgens niet een actueel belang kan schragen, behoudens indien hij een of meer middelen zou aanvoeren die hem het reëel perspectief op een benoeming tot politiecommissaris op een eerdere datum bieden; Overwegende, voor zover er nog een onderscheid te maken valt tussen de plaats van tewerkstelling, dat daar dan weer tegenover staat dat het ambt van politiecommissaris te Gistel nu eenmaal niet meer te begeven is ingevolge de politiehervorming zodat het belang van verzoeker in elk geval niet meer bestaat in het nog ooit kunnen uitoefenen van het betrokken ambt te Gistel zelf, hetgeen niet hetzelfde is als in de politiezone waarvan de gemeente deel uitmaakt; Overwegende dat ten slotte nog het belang moet worden onderzocht in zoverre het als een moreel belang wordt aangebracht; dat verzoeker in zijn nota ter terechtzitting immers beweert dat hij ‘eerst en vooral’ morele schade heeft geleden; dat dit belang niet wordt aanvaard, in zoverre het slaat op het enkele feit dat hij in een bevorderingsprocedure is voorbijgegaan; dat zulks op zichzelf immers niet krenkend is hetgeen te dezen des te meer geldt, nu verzoeker juist het voorrecht genoot tot tweemaal toe te zijn voorgedragen door de gemeenteraad van zijn gemeente; Overwegende dat verzoeker echter ook met andere gegevens zijn moreel belang invult; dat hij aldus spreekt van ‘de voordracht en de weigering van de voordrachten, alle betwistingen daaromtrent’ die voorwerp zijn geweest van ‘perspolemieken’; dat hij in zijn verzoekschriften ook in bepaalde middelen verwijst naar deze persberichten en naar ‘lasterbrieven’ waarvan hij slachtoffer is geweest; dat hij hiermee specifiek doelt op de gebeurtenissen die de minister er toe gebracht hebben om de procedure waarbij verzoeker de eerste maal was voorgedragen, te onderbreken, wat dan weer de beslissing is die verzoeker heeft aangevochten in de zaak nr. A. 72.692; dat deze bijzondere elementen in principe van aard kunnen zijn een nog altijd bestaand gekwalificeerd moreel belang te doen aannemen in hoofde van verzoeker; dat dit belang er wel toe beperkt is de gevorderde nietigverklaring te horen uitspreken op grond van welbepaald die middelen waarin de voormelde bijzondere elementen worden aangevoerd; Overwegende, samenvattend, dat verzoeker geacht kan worden bij zijn beroepen nog een actueel belang te hebben in zoverre zij steunen op middelen die, hetzij het vooruitzicht verschaffen, in geval van nietigverklaring op grond daarvan, op een benoeming tot politiecommissaris op een eerdere datum dan 1 april 2001, hetzij een onwettigheid aanvoeren ontleend aan omstandigheden die geacht moeten worden voor verzoeker speciaal zwaarwichtig te zijn”.
  24. Betreffende de grond van de zaak nr. A. 75.504 besliste het tussenarrest hetgeen volgt : “Overwegende dat, aangezien het onderzoek van het auditoraatsverslag beperkt is tot een onderdeel van het derde middel in deze tweede zaak, ook de Raad zijn onderzoek van de middelen tot dat onderdeel dient te beperken; dat in het onderdeel een schending van de formele-motiveringsplicht wordt aangevoerd doordat in het bestreden koninklijk besluit van 23 juni 1997 de benoemende overheid niet aangeeft waarom verzoeker, ondanks het feit dat hij als eerste was voorgedragen door de gemeenteraad, niet is benoemd; dat dit middelonderdeel in het auditoraatsverslag wordt bijgevallen; Overwegende dat, anders dan in het auditoraatsverslag wordt aangenomen, de gegrondheid van dit middelonderdeel en dus de nietigverklaring van de ‘eindbeslissing’ niet zou meebrengen dat ‘de ganse complexe verrichting vanaf de procedure m.b.t. de nieuwe voordracht door de gemeenteraad en eindigend met of in de benoeming van een politiecommissaris door de Koning als zijnde een met machtsoverschrijding genomen complexe administratieve rechtshandeling in rechte vernietigd dient te worden, zodat derhalve het XII-2924-8/20 voorwerp van de eerste vordering van verzoeker mede het lot van het voorwerp van zijn tweede vordering dient te ondergaan’; dat verzoeker er terecht in zijn laatste memorie op wijst dat het eventuele rechtsherstel dient te verlopen ‘rekening houdende met het ogenblik van ontsporing en de pleger van de ontsporing’; dat het genoemde middelonderdeel louter verband houdt met een formele ontsporing op het moment van de benoemingsbeslissing zelf; dat het niets zegt over een eventuele onwettigheid van de eerste bestreden beslissing; dat een nietigverklaring op grond van dat middelonderdeel verzoeker dus geenszins ervan zou kunnen verzekeren dat de procedurele draad opnieuw wordt opgenomen dadelijk na de eerste voordracht; Overwegende dat, het in het auditoraatsverslag onderzochte middelonderdeel als zodanig, niet is in te passen in één van de twee hypotheses waarin verzoeker nog geacht kan worden over een actueel belang te beschikken; dat het onontvankelijk is”. Het beroep met nr. A.72.649 4.
  25. Volgens de memorie van antwoord van verwerende partij is de beslissing van 21 oktober 1996 van de minister van Binnenlandse Zaken niet voor vernietiging vatbaar omdat het een louter voorbereidende rechtshandeling betreft. 4.
  26. Het verzoek van de minister van Binnenlandse Zaken aan de gouverneur om op zijn beurt aan de gemeenteraad te vragen de voordrachtprocedure te hernemen, maakt deel uit van een complexe administratieve verrichting die finaal is uitgelopen in het koninklijk besluit van 23 juni 1997 tot benoeming van de tussenkomende partij tot politiecommissaris. Een dergelijke, aan de eindbeslissing voorafgaande bestuurshandeling kan zich voordoen als een zuiver voorbereidende maatregel, die juridisch zonder effect blijft op de benoemingskansen van de kandidaten, dan wel als een voorbereidende maatregel met het karakter van een vóór-beslissing, wanneer namelijk de maatregel eigen, dadelijk werkende rechtsgevolgen heeft, die de kansen op benoeming in rechte determineren. Alleen tegen voorbereidende beslissingen van de laatste soort staat direct een annulatieberoep open. Zuiver voorbereidende bestuurshandelingen zijn niet meteen aanvechtbaar. Wel kan hun onwettigheid, overigens net zoals die van een voorbereidende beslissing met het karakter van een vóór-beslissing, ontvankelijk als vernietigingsgrond worden aangevoerd in het kader van een annulatieberoep tegen de eindbeslissing, voor zover althans de onwettigheid een determinerende invloed op de eindbeslissing heeft gehad of geacht kan worden gehad te hebben. Het verzoek van de gouverneur, op instigatie van de minister, om de voordrachtprocedure opnieuw te beginnen liet verzoekers benoemingskansen in XII-2924-9/20 rechte onverlet. Zijn vooruitzichten om benoemd te worden werden er vanuit juridisch oogpunt niet door aangetast. Het perspectief van een voordracht, zelfs een voordracht als eerste kandidaat, bleef intact. Zoals bekend is verzoeker overigens effectief ook weer als eerste kandidaat voorgedragen. 4.
  27. De bestreden vraag om de voordrachtprocedure te hernemen komt dan ook voor een louter voorbereidende handeling te zijn. De exceptie is gegrond : het betrokken verzoek kan niet ontvankelijk met een annulatieberoep bestreden worden. De vraag of verzoeker de onwettigheid van dat verzoek dan tenminste mag aanvoeren als middel tot vernietiging van de benoeming van de tussenkomende partij, zoals verzoeker in zijn eerste middel in het beroep met nr. A.75.504 doet, wordt hierna onderzocht. Het beroep met nr. A.75.504
  28. In een eerste middel herhaalt verzoeker in wezen de onwettigheden die hij in zijn eerste beroep rechtstreeks inbracht tegen het verzoek aan de gemeente om de voordrachtprocedure te hernemen. Het middel komt er, samengevat, op neer dat de minister in gebreke is gebleven de bijkomende brieven van de korpsoverste rechtsgeldig te onderzoeken én zich te conformeren aan het artikel 191 van de nieuwe gemeentewet, dat weliswaar in de mogelijkheid voorzag om te vragen verzoeker op de lijst te vervangen, maar niet om te beslissen dat er zonder meer een nieuwe procedure diende te worden gestart. 6.
  29. In de eerste plaats is te onderzoeken of het aanvoeren van het besproken middel kan worden ingepast in het (beperkte) belang dat verzoeker blijkens het tussenarrest nr. 147.649 op vandaag slechts overhoudt. In dit arrest wordt verzoeker enkel actueel belang toegemeten in zoverre hij zich steunt op middelen die, bij gegrondbevinding, het vooruitzicht verschaffen op een benoeming tot politiecommissaris op een eerdere datum dan 1 april 2001, of op middelen waarin een onwettigheid wordt aangevoerd die is ontleend aan voor hem speciaal zwaarwichtige omstandigheden. 6.
  30. In zoverre verzoeker in het eerste middelonderdeel bekritiseert dat de bijkomende brieven van de korpsoverste niet rechtsgeldig onderzocht zijn, XII-2924-10/20 refereert hij hieraan: dat de korpschef, na zich eerst zeer lovend over hem te hebben uitgelaten, daar in een brief van 26 maart 1996 (en in mindere mate in een brief van 22 april 1996) op terugkomt, dat hij conform het ministerieel besluit van 7 juni 1993 betreffende het met redenen omklede advies van de korpschef van de gemeentepolitie in de gelegenheid moest zijn gesteld om over die brieven commentaren in te dienen, dat hij die gelegenheid niet heeft gehad, en dat de brieven van de korpschef direct aan de basis ervan liggen dat uiteindelijk aan de gemeenteraad is gevraagd de voordracht van kandidaten te hernemen. Teneinde zijn gebleven belang bij het middel te staven, betoogt verzoeker onder meer : -“volgens een zeer strikt scenario, waarbij er adviezen worden gegeven in omstandigheden een rechtstaat waardig, met woord en wederwoord, is er voordracht tot stand gekomen. Uiteindelijk wordt er met een parallel circuit gewerkt, aldus de juridische waarborgen m.b.t. de officiële procedure belachelijk makende. Wat is de waarde van een officiële procedure, met adviezen waarop er een opmerking mag worden gemaakt, als er achter de rug om meer rekening gehouden wordt met een advies dat achter de rug om wordt gegeven en met anonieme vuilspuiterij?”; -“De korpschef heeft in deze officiële adviesverlening meegedeeld dat verzoeker de hemel moest worden ingeprezen. Verzoeker heeft daar geen commentaar op gegeven - wat zou hij daar overigens commentaar moeten op geven? Als vervolgens dit eigen in de hemel prijzende advies de grond wordt ingeboord met een verzoeker niet bekend advies, heeft dit er in casu toe geleid dat de voordracht van verzoeker door de minister in de prullenmand is gegooid. Het is toch nogal evident dat verzoeker daaromtrent moest gehoord worden - aldaar is net zogenaamd op grond van het gedrag van verzoeker overgegaan tot een besluit dat zeer ernstige gevolgen heeft gehad voor verzoeker. (er hoeft overigens daaromtrent geen discussie gevoerd te worden : men denke de vuilspuiterij en het tweede geheime advies van de korpschef weg, en verzoeker ware in illo tempore benoemd geweest. Vanuit dit perspectief dient de gehele zaak bekeken te worden)”; -“Achter zijn rug om is [verzoeker] afgeschilderd als iemand die het niet waard is om politiecommissaris te zijn. Er is over hem gepraat, overlegd, zonder dat hij een recht op wederwoord had, en waarbij hij als een absolute nul (en zo niet absoluut nul, dan toch wel zeker een nul) werd afgeschilderd. Of om het nog anders uit te drukken : in de plechtige zaal van de besluitvorming werd verzoeker de hemel ingeprezen, terwijl hij in een beduimeld achterzaaltje door dezelfden die hem de hemel inprezen, als een onbenul werd beschreven. Als de achterzaal besluitvorming dan blijkt te primeren o[p] de officiële plechtige zaalbesluitvorming, is er natuurlijk een zwaar moreel nadeel geleden”. XII-2924-11/20 6.
  31. Het betoog overtuigt. Het middelonderdeel is gesteund op omstandigheden die geacht moeten worden voor verzoeker speciaal zwaarwichtig te zijn. 6.
  32. De aangevoerde schending van het artikel 191 van de nieuwe gemeentewet ziet verzoeker in wezen hierin dat de verwerende partij in geen geval gerechtigd was om de voordrachtprocedure helemaal te doen hernemen en zodoende te laten overgaan “tot vervanging van de tegenkandidaat van verzoeker, dhr. Thollebeek, door dhr Deceuninck en dhr Proot, om vervolgens dhr Deceuninck te laten primeren boven verzoeker”. André Deceuninck kon enkel rechtsgeldig zijn voorgedragen “indien de Gemeenteraad desgevallend in het kader van art. 191 lid 2 Nieuwe gemeentewet, verzoeker door dhr Deceuninck had vervangen”. 6.
  33. Zoals het tussenarrest uitdrukkelijk bevestigt, dient het eventuele rechtsherstel na een nietigverklaring te verlopen rekening houdende met het ogenblik van de ontsporing. Dit betekent, aangezien de besproken onwettigheid het verzoek tot herneming van de voordrachtprocedure betreft, dat bij een nietigverklaring op die grond de procedurele draad in principe weer zou moeten worden opgenomen na de eerste voordracht van begin
  34. Wordt het besproken onderdeel van het middel gegrond bevonden, dan zou de verwerende partij niet opnieuw mogen vragen de voordrachtprocedure zonder meer helemaal te hernemen. Maar zelfs een vraag om tenminste de verzoeker te vervangen, lijkt uitgesloten: een dergelijk verzoek zou vanwege het artikel 191, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet hierdoor verantwoord moeten worden dat verzoeker geen voldoende waarborgen geeft, terwijl daar -betekenisvol- alvast in het verleden op geen enkel moment ooit sprake van geweest is, niet bij het verzoek om de voordrachtprocedure helemaal te hernemen, maar evenmin nadien, toen verzoeker opnieuw als eerste kandidaat werd voorgedragen. Het laat zich dan ook voorzien, behoudens verwikkelingen waarop de Raad van State thans niet kan vooruitlopen zonder zich aan zuivere hypotheses en speculatie over te geven, dat, na een annulatie, verzoeker voor de benoeming alleen in concurrentie komt met Freddy Thollebeek, een tegenkandidaat waarvan geredelijk mag worden aangenomen dat hij aanzienlijk minder te duchten is dan de tussenkomende partij. Het is klaarblijkelijk in dit licht dat verzoeker betoogt : XII-2924-12/20 “Uit [het dossier zoals het bestond op het ogenblik dat er op onrechtmatige wijze tot herneming is besloten] kan er uiteraard enkel en alleen worden afgeleid dat verzoeker dient te worden benoemd en dat er geen nieuwe procedure zelfs maar zou kunnen opgestart zijn, waardoor de heer Deceuninck zelfs nooit in concurrentie had kunnen treden met verzoeker”. Hoewel verzoeker het verkeerd zou zien als hij meent dat op de overheid de absolute rechtsplicht rust om hem te benoemen, behoort in de gegeven omstandigheden een benoeming, zelfs met terugwerkende kracht, zeer wel tot de mogelijkheden. Ook dit onderdeel van het eerste middel past binnen het beperkte belang dat verzoeker blijkens het tussenarrest overhoudt, namelijk omdat het hem het reëel perspectief verschaft op een benoeming op een eerdere datum dan 1 april
  35. 7.
  36. Vervolgens dient de exceptie van onontvankelijkheid te worden onderzocht die de tussenkomende partij tegen het middel inbrengt. Naar tussenkomende partij in hoofdorde doet gelden, is het middel niet pertinent omdat het betrekking heeft op een vorige benoemingsprocedure en geen elementen van kritiek inhoudt op de benoeming. Naar haar mening kan de eventuele onwettigheid van het verzoek om de voordrachtprocedure te hernemen “op generlei wijze enige impact” hebben op de beslissing tot benoeming, omdat die beslissing “het voortvloeisel [is] van de autonome beslissing van de gemeenteraad van de stad Gistel van 14/11/1996 [...] de ‘vakantverklaring van de betrekking van commissaris van politie-korpschef zoals beslist door de gemeenteraad d.d. 28 september 1995 te hernemen’” : de gemeenteraad beschikte na het verzoek om de voordrachtprocedure te hernemen nog over “tal van mogelijkheden”; hij koos voor een tweede vacantverklaring; die gemeenteraadsbeslissing is thans “definitief verworven” aangezien verzoeker naliet ze binnen de zestig dagen na kennisname te bestrijden. 7.
  37. Net als het verzoek van de minister en de gouverneur, is ook de beslissing van 14 november 1996 van de gemeenteraad om de betrekking van commissaris-korpschef opnieuw vacant te verklaren, een voorbereidende beslissing binnen het raam van de complexe administratieve verrichting die moest uitmonden en ís uitgemond in de benoeming van een commissaris-korpschef. Zoals hiervoor gezien, komt, in het kader van een beroep tegen de eindbeslissing, aan een dergelijke voorbereidende handeling géén “definitief” karakter toe ook niet als er een annulatieberoep tegen mogelijk ware geweest en dit beroep niet is ingesteld. XII-2924-13/20 De gemeenteraadsbeslissing van 14 november 1996 kan er dan ook niet aan in de weg staan dat verzoeker tegen de benoeming als grond tot vernietiging ontvankelijk de onwettigheid doet gelden die bij het verzoek tot het hernemen van de voordrachtprocedure zou zijn begaan en die in voorkomend geval de rest van de benoemingsprocedure heeft aangetast, te beginnen met de voormelde gemeenteraadsbeslissing. 7.
  38. Voorts mag genoegzaam worden aangenomen dat de in het middel aangeklaagde onwettigheid een doorslaggevende invloed op de benoeming heeft gehad of geacht moet worden te hebben gehad. Of de gemeenteraad wel of -zoals de tussenkomende partij meent- niet juridisch verplicht was om in te gaan op het verzoek van de minister en de gouverneur om de voordrachtprocedure te hernemen, het kan er hoe dan ook niet aan afdoen dat de gemeenteraad nu eenmaal op het verzoek is ingegaan. Het verzoek heeft er zodoende feitelijk toe geleid dat de gemeenteraad de tussenkomende partij, aan wie aanvankelijk, bij de eerste voordracht, nochtans was voorbijgegaan, alsnog heeft voorgedragen, dat de tussenkomende partij alsnog met verzoeker in concurrentie kwam en dat de Koning voor de benoeming alsnog de voorkeur aan de tussenkomende partij heeft gegeven. Met andere woorden is het betrokken verzoek kennelijk bepalend geweest voor de benoeming van de tussenkomende partij. 7.
  39. Ondergeschikt betwist de tussenkomende partij verzoekers belang bij het middel omdat hij “zowiezo geen kans” op de benoeming tot politiecommissaris zou hebben gehad indien de minister hem als een kandidaat had beschouwd die onvoldoende waarborgen bood: “De thans door de Minister aan de Stad Gistel gesuggereerde werkwijze stelde hem in de mogelijkheid zich opnieuw kandidaat te stellen [...] en dusdanig al zijn kansen te behouden”. Blijkbaar gaat die betwisting ervan uit dat, volgens het besproken middel, het verzoek aan de gemeenteraad ertoe beperkt moest zijn geweest, in plaats van om een herneming van de hele voordrachtprocedure te vragen, om verzoekers vervanging op de voordrachtlijst te vragen. Dit is een misvatting. De strekking van het middel is integendeel dat, bij gebreke aan een vraag om de verzoeker wegens onvoldoende waarborgen op de lijst te vervangen en overigens bij gebreke aan een deugdelijke grond voor een dergelijke vraag, de eerste procedure niet op XII-2924-14/20 rechtsgeldige wijze is beëindigd en de tussenkomende partij dan ook niet op rechtsgeldige wijze kon worden voorgedragen. 7.
  40. De opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid is ongegrond.
  41. Ten gronde werpt de verwerende partij aan het middel tegen, in de eerste plaats, dat de brieven van 26 maart 1996 en 22 april 1996 van de korpschef, als zodanig geen deel uitmaakten van het voordrachtdossier, dat het voordrachtdossier reeds in het bezit van de verwerende partij was en de korpschef noodzakelijkerwijze dringend diende te handelen, dat “het hier geen aanvullend advies van de korpschef betreft in het kader van artikel 1 van het K.B. van 25 juni 1991, doch dat het hier een informeren over recente en nieuwe elementen van de benoemende overheid (in casu verwerende partij) betrof”, dat de afhandeling van de benoemingsprocedure werd beëindigd om reden van onvolkomenheden inherent aan het dossier zelf “en waarbij dus door de verwerende partij geen enkel standpunt ten aanzien van de inhoud van de bedoelde brieven dd. 26/3 en 22/4/96 van de korpschef werd ingenomen, noch geformuleerd”, dat er overigens wel degelijk een bijkomend onderzoek is gebeurd, dat de procureur-generaal bij het hof van beroep en de provinciegouverneur een aanvullend advies hebben verstrekt waaruit bleek dat de aanvullende informatie van de korpschef met de realiteit overeenkwam, dat echter het geheel van de adviezen van de provinciegouverneur een zekere mate van incoherentie vertoonde “zonder dat deze kon herleid worden tot de aard van de bijkomende informatie waarmee rekening kan worden gehouden”. Voorts reageert de verwerende partij dat artikel 191, tweede lid, te dezen niet van toepassing was “aangezien het dossier zoals het voorlag niet toeliet om te besluiten dat verzoeker geen voldoende waarborgen gaf”, dat de reden voor het laten hernemen van de voordrachtprocedure niet in de kandidatuur zelf van verzoeker ligt, maar in de onmogelijkheid om het dossier af te handelen, dat het alleen de bedoeling is geweest “om een coherent voordrachtsdossier te bekomen, hetgeen enkel nog mogelijk kon worden gemaakt door een herneming van de procedure vanaf het ogenblik van de gemeentelijke voordracht”.
  42. Het is, aangaande het eerste onderdeel van het middel, terecht niet betwist dat, gelet op het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van de gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graden van officier van de gemeentepolitie en de XII-2924-15/20 voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie en gelet op het ministerieel besluit van 8 juni 1993 betreffende het met redenen omklede advies van de korpschef van de gemeentepolitie, door de korpschef een gemotiveerd advies over verzoeker moest worden uitgebracht, welk advies hem ter hand diende te worden gesteld, of toegestuurd, met het oog op het eventueel indienen van commentaren. Evenmin betwist is dat het advies van 20 november 1995 van de korpschef over verzoeker uitermate lovend is en dat ter zake de voorschriften van het ministerieel besluit van 8 juni 1993 zijn nageleefd. De brief van 26 maart 1996 die de korpschef aan de minister toezendt, daarentegen, is allesbehalve lovend. De verwerende partij schrijft er zelf over : “Bij brief van 26 maart 1996 deelt commissaris De Jonghe, korpschef van Gistel, aan de Minister informatie naar aanleiding van destijds recente gebeurtenissen mee waarover hij voorheen niet beschikte, en geeft te kennen zijn vertrouwen in de persoon van verzoeker niet meer te kunnen handhaven ingevolge het zonderling en abnormaal gedrag van verzoeker in de loop van de laatste drie weken. De brief bevat verder een gedetailleerde beschrijving van deze gedragingen”. Die brief, dan weer, wordt verzoeker niét meegedeeld, laat staan nog dat hij in de gelegenheid wordt gesteld er commentaren over in te dienen. Dat geldt overigens ook de brief van 22 april 1996 van de korpschef waarin een halfhartige en mislukte poging wordt ondernomen om het effect van de eerste brief te verminderen. De brieven brengen er echter wel de minister toe om aanvullende adviezen in te winnen bij de procureur-generaal en de gouverneur. Blijkens hun antwoord is het oorspronkelijke enthousiasme voor verzoeker grondig weggesmolten. De gouverneur concludeert zelfs zonder meer tot het voorstel “dat de gemeenteraad van Gistel een nieuwe eerste kandidaat zou aanduiden”. Uiteindelijk vraagt de gouverneur de voordrachtprocedure te hernemen, op het verzoek van de minister die meent “niet in de mogelijkheid te zijn om een beslissing te kunnen nemen betreffende de twee voorgedragen kandidaturen”, omdat het dossier “tegenstrijdige adviezen” bevat. XII-2924-16/20 Tot die tegenstrijdige adviezen moet in de eerste plaats de brief van 26 maart 1996 worden gerekend. Verwerende partij zelf is daar, in haar (eerste) laatste memorie, zeer duidelijk over : “Vooreerst wenst verweerder op te merken dat in het beginstadium van de benoemingsprocedure is gebleken dat de adviezen niet alleen elkaar tegenspreken, maar dat dezelfde instanties zelfs tegenstrijdige adviezen afleveren. Het is nota bene de korpschef van de heer Logghe zelf die op eigen initiatief zijn twijfels uit. Hij is tenslotte diegene die de kandidaat het best kent en in feite het meest valabele advies kan afleveren m.b.t. het dagdagelijks functioneren van betrokkene. Zijn advies is wettelijk verplicht en wordt ter kennis gebracht van 1/ de gemeenteraad, 2/ de gouverneur en 3/ de procureur- generaal die er bij het opstellen van hun advies rekening mee kunnen houden. Om die reden besloot de benoemende overheid de diverse adviserende instanties te wijzen op de inconsequentie en hen te vragen hun adviezen in het licht van de nieuwe feiten opnieuw te bekijken en eventueel hun advies aan te passen. De gouverneur interpelleert daarop de burgemeester van Gistel. De burgemeester is naast de korpschef de instantie die het meest samenwerkt met de heer Logghe. Hij is van mening dat de voordracht van de heer Logghe als eerste kandidaat beter kan worden gewijzigd”. Verzoeker heeft niet de gelegenheid gehad om, overeenkomstig de voorschriften van het voornoemd ministerieel besluit van 8 juni 1993, over het advies van 26 maart 1996 van de korpschef zijn standpunt of commentaren te doen kennen. Verwerende partij heeft het advies niet rechtmatig in aanmerking genomen. In zoverre zij meent “geen enkel standpunt” met betrekking tot de inhoud van de brief te hebben ingenomen, vergist zij zich. Het blijkt finaal op grond van de inhoud van die brief te zijn dat de eerste voordrachtprocedure niet is voortgezet en dat, meer bepaald, het verzoek van de gouverneur teruggaat, op aansporing van de minister van Binnenlandse Zaken, om de voordrachtprocedure te hernemen. Het besproken onderdeel van het middel is gegrond.
  43. Het (toenmalige) artikel 191 van de nieuwe gemeentewet, dat door het eerste middel eveneens geschonden wordt geacht, luidt : “De politiecommissarissen worden door de Koning benoemd, de procureur- generaal bij het hof van beroep gehoord, uit een lijst van twee kandidaten, voorgedragen bij de provinciegouverneur door de gemeenteraad, waaraan de burgemeester een derde kandidaat kan toevoegen. Indien één of meer voorgedragen kandidaten geen voldoende waarborgen geven verzoekt de provinciegouverneur de gemeenteraad of de burgemeester die binnen dertig dagen op de lijst te vervangen. Als hieraan geen gevolg gegeven wordt, benoemt de Koning de commissaris van politie. Indien de gemeenteraad weigert of nalaat de lijst van de kandidaten voor te dragen binnen de drie maanden na de uit de briefwisseling blijkende ontvangst XII-2924-17/20 van een verzoek van de Minister van Binnenlandse Zaken, benoemt de Koning de commissaris van politie”. Zoals gezien, is de korpschef in zijn brief van 26 maart 1996 aan de minister het zeer gunstig advies ten voordele van verzoeker afgevallen. Teneinde zich terzake een mening te kunnen vormen, heeft de minister aanvullende adviezen ingewonnen bij de procureur-generaal en de gouverneur. Beiden hebben daar ook aan voldaan. Op grond van de nieuwe informatie wijzigden zij in niet onaanzienlijke mate hun eerder advies, de gouverneur zelfs in die zin dat hij voorstelde “dat de gemeenteraad van Gistel een nieuwe eerste kandidaat zou aanduiden”. In die omstandigheden kan de minister er bezwaarlijk mee volstaan om, louter onder verwijzing naar “tegenstrijdige adviezen” “van meerdere instanties” en overigens zonder te verklaren waarom die tegenstrijdigheid problematisch zou zijn gelet op de nieuwe gegevens sinds de oorspronkelijke adviezen, de voordrachten én van verzoeker én van Freddy Thollebeek helemaal terug naar af te sturen en er bij de gouverneur op aan te dringen dat hij aan de gemeenteraad vraagt de voordrachtprocedure te hernemen. Zo de minister zich na de aanvullende adviezen van de procureur-generaal en de gouverneur nog altijd niet voldoende voorgelicht achtte om verzoekers kandidatuur naar behoren te kunnen beoordelen, kon hij met het oog daarop desgevallend nog meer bijkomende informatie hebben ingewonnen. Maar hij mocht, gelet op het artikel 191, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet, niet de voordracht van verzoeker -via de gouverneur- aan de kant doen schuiven, zonder hem de in dat lid bedoelde waarborgen te ontzeggen. Laat staan nog dat hij -via de gouverneur- de gemeenteraad mocht vragen vanwege “tegenstrijdige adviezen” over verzoeker, zich opnieuw uit te spreken over de voordracht als tweede kandidaat die in een eerste beweging naar Freddy Thollebeek was gegaan. Ook dit onderdeel van het middel is gegrond.
  44. Uit de bespreking van het eerste middel volgt dat verwerende partij niet in de voorwaarden verkeerde om aan de gemeenteraad van Gistel te vragen de voordrachtprocedure te hernemen, des te minder waar aan de basis van dit verzoek een advies van de korpschef ligt dat in strijd met het meer vermelde ministerieel besluit van 8 juni 1993 tot stand is gekomen. Het middel vermag de nietigverklaring te verantwoorden van de benoeming van André Deceuninck bij koninklijk besluit van 23 juni
  45. XII-2924-18/20 De vraag kan echter rijzen of het belang van verzoeker wel een nietigverklaring van het gehele koninklijk besluit vergt. Als bekend, is verzoeker ondertussen sinds 1 april 2001 zelf al benoemd tot politiecommissaris. In zoverre zijn belang ertoe beperkt is om voor hem de ruimte te scheppen voor een eventuele benoeming tot politiecommissaris vanaf een eerdere datum dan 1 april 2001, zou het strikt genomen kunnen volstaan de benoeming van de tussenkomende partij alleen te vernietigen in de mate waarin ze de periode vóór 1 april 2001 betreft. Een dergelijke gedeeltelijke nietigverklaring zou ook reeds voldoende zijn om verzoeker de morele genoegdoening te verschaffen die verband houdt met de in het eerste onderdeel van het middel aangevoerde speciaal grievende onwettigheid. Waar blijkt dat verzoekers belang voldoende gediend wordt door een nietigverklaring van de benoeming wat de periode vóór 1 april 2001 betreft, blijft niettemin nog te onderzoeken of de benoeming zich wel tot een dergelijke gedeeltelijke annulatie leent en of zij wel op die wijze splitsbaar is. Het is een aangelegenheid waarover partijen zich nog niet hebben kunnen uitspreken. Er is reden hen daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen en, bijgevolg, om met het oog hierop de debatten te heropenen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  46. Het beroep A. 72.692/XII-2924 wordt verworpen. Artikel
  47. In de zaak A. 75.504/XII-263 worden de debatten heropend. De zaak wordt opgeroepen op de terechtzitting van 23 oktober 2007 om 9.30 uur. Partijen hebben de gelegenheid tot 25 september 2007 om hun standpunt in een memorie toe te lichten. Artikel
  48. XII-2924-19/20 De kosten van het beroep A. 72.692/XII-2924, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. De uitspraak over de kosten in het beroep A.75.504/XII-263 wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juli 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2924-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.205 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.