id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.232 Rolnummer: A. 184149/X-13346 Zaak: Arrest 173232 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-11 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 22:12 Fiche Arrest nr 173.232 van 5 juli 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.232 van 5 juli 2007 in de zaak A. 184.149/X-13.
- In zake :
- Bart DENDOOVEN,
- Robert WITTEVRONGEL, die woonplaats kiezen bij advocaat F. Coryn kantoor houdende te Gent, Casinoplein 19 tegen :
- de GEMEENTE AALTER, die woonplaats kiest bij advocaat J. Sucaet, kantoor houdende te Aalter, Lostraat 85,
- het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaam- se regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. Tollenaere, kantoor houdende te Gent, Koning Albertlaan
- tussenkomende partij : Adriaan STAELENS, die woonplaats kiest bij advocaten B. Roelandts en L. Proot, kantoor houdende te Gent, Kasteellaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het verzoekschrift dat Bart Dendooven en Robert Wittevrongel op 29 juni 2007 hebben ingediend om de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te vorderen van “een beslissing van 11 juni 2007 van het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Aalter, waarbij aan de Heer Adriaan Staelens en Mevrouw Martine Van Overbeke een stedenbouwkundige vergunning wordt verleend tot het bouwen van een scharrelstal voor pluimvee op een terrein gelegen te Aalter, Hageland nr. 4, kadastraal gekend 3e afdeling, Sectie E, nr. 205 H, nr. 206 C, nr. 205 E (...).”; X-13.346-1/11 Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 29 juni 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 juli 2007, om 11.00 uur; Gezien het ter terechtzitting neergelegd op 3 juli 2007 ingediende verzoekschrift waarbij Adriaan Staelens vraagt in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Coryn, die verschijnt voor verzoekers, van advocaat J. Sucaet, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van advocaat T. De Sutter, die loco advocaat V. Tollenaere verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat B. Roelandts, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. Eylenbosch; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
- Wat de voorgaanden en feitelijke gegevens van deze zaak betreft, wordt verwezen naar de arresten nrs. 149.203 van 21 september 2005, 150.132 van 12 oktober 2005, 150.910 van 3 november 2005 en 161.462 van 26 juli
- X-13.346-2/11 De tussenkomst
- Adriaen Staelens heeft er belang bij dat de gevraagde schorsing niet wordt bevolen, nu hij begunstigde is van de in het geding zijnde beslissing. Dienvolgens dient zijn verzoek tot tussenkomst te worden ingewilligd. De excepties
- De tussenkomende partij werpt excepties op die de ontvankelijkheid van de vordering betreffen, meer bepaald betreffende het belang en de proceshoedanigheid van de verzoekers. Er bestaat echter vooralsnog geen noodzaak om over die excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zou slechts noodzakelijk zijn indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid vervuld zijn, hetgeen zoals hierna zal blijken, niet het geval is. De grondvoorwaarden voor de schorsing
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- Wat de tweede voorwaarde betreft voeren verzoekers twee middelen aan. 6.
- Een eerste middel wordt afgeleid uit de schending van “artikel 51 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en uit de schending van het K.B. van 24 maart 1978 houdende vaststelling van het gewestplan Eeklo-Aalter, en van de artikelen 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp gewestplannen en de gewestplannen, uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de X-13.346-3/11 bestuurshandelingen en uit de schending van de motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, alsook het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke grondslag en machtsoverschrijding”. In de toelichting bij het middel zetten verzoekers samengevat uiteen dat het bouwperceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Eeklo-Aalter is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, dat de bepalingen van artikel 15, 4.6.
- van het voormelde koninklijk besluit van 28 december 1972, aan deze gebieden beperkingen opleggen met het oog op de ontwikkeling of de bescherming van het landschap van het betrokken gebied, dat met betrekking tot de toelaatbaarheid van bouwwerken in landschappelijk waardevolle gebieden deze moeten worden getoetst aan een tweevoudig criterium, namelijk enerzijds een planologisch en anderzijds een esthetisch, hetwelk inhoudt dat de bedoelde werken in overeenstemming moeten worden gebracht met de eisen ter vrijwaring van het landschap. Hun grieven zijn in essentie : - dat niet valt in te zien hoe een bouwwerk zoals het vergunde met een oppervlakte van 100 m op 39,30 m en een nokhoogte van 8,10 m de schoonheidswaarde van het landschap niet kan aantasten, - dat de motieven van het bestreden besluit 1/ regelrecht indruisen tegen het eertijds ingenomen standpunt van de gemachtigde ambtenaar bij advies van 2 augustus 2005 en het oorspronkelijk advies van 19 november 2004 van de Cel Monumenten en Landschappen en 2/ bovendien geen afdoende verantwoording geven voor de beoordeling dat de aanvraag verenigbaar is met het esthetisch criterium, integendeel door de opgelegde aanleg van het groenscherm impliceren dat de vergunningverlenende overheid zelf er van uitgaat dat de schoonheidswaarde van het landschap door de vergunde constructie wordt geschonden of alleszins geschonden dreigt te worden. 6.
- Krachtens artikel 15, 4.6.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp gewestplannen en gewestplannen, zijn de landschappelijk waardevolle gebieden “waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen”, en mogen “in deze gebieden [...] alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in X-13.346-4/11 grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen”. Krachtens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, moet elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten gronde liggen, en moeten deze afdoende zijn. Uit een en ander volgt dat het college van burgemeester en schepenen in de beslissing over de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning zelf de concrete gegevens dient te vermelden waarop het zich heeft gesteund om tot het besluit te komen dat de afgifte van de gevraagde stedenbouwkundige vergunning de schoonheidswaarde van het te beschermen landschap niet in gevaar brengt, en dat met niet in die beslissing vermelde redenen geen rekening mag worden gehouden. Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling van de bestaanbaarheid van de aanvraag met de schoonheidswaarde van het betrokken gebied in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is de Raad wel bevoegd na te gaan welke de feiten zijn waarop de overheid haar beoordeling heeft gesteund, of zij deze correct heeft vastgesteld en of zij, op grond van die feiten, in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de te vergunnen handelingen en werken de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen. In de bestreden beslissing wordt vermeld dat de aanvraag voor het bouwen van het betrokken bouwwerk op 26 januari 2007 werd afgegeven, een “scharrelstal voor pluimvee” betreft van 100 m op 39,30 m met een nokhoogte van 8,10 m en een kroonlijsthoogte van 2,20 m. Er wordt verwezen naar het gunstig advies van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar, uitgebracht op 7 mei 2007, dat met zijn beschikkend gedeelte wordt aangehaald. In dat advies wordt onder meer melding gemaakt van het gunstig advies van de “Cel monumenten en landschappen” van 20 februari
- In de bestreden beslissing wordt voorts het gunstig advies van de “Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling” van 2 februari 2007 in herinnering gebracht en het gunstig advies van het Agentschap Onroerend Erfgoed van X-13.346-5/11 20 februari
- Er wordt verwezen naar het gehouden openbaar onderzoek dat tot één bezwaarschrift heeft geleid van drie eigenaars. Betreffende twee daarvan wordt gesteld dat zij niet te Aalter woonachtig zijn en dat de derde bezwaarindiener de tweede verzoeker te dezen is. Op dit bezwaar wordt geantwoord, onder meer met verwijzing naar ander materiaalgebruik in vergelijking met vorige bouwaanvragen en naar bijkomende aanplantingen. Vervolgens wordt verwezen naar de geldende gewestplanbestemming “landschappelijk waardevol agrarisch gebied”. Onder een rubriek "beoordeling van de goede ruimtelijke ordening", wordt gesteld dat de beoordeling van de aanvraag en haar overeenstemming met de genoemde bestemming moet gebeuren volgens een tweevoudig criterium, een planologisch en een esthetisch. Wat het planologisch criterium betreft, wordt het voornoemde koninklijk besluit van 28 december 1972 in herinnering gebracht en wordt er overwogen dat het exploiteren van een landbouwbedrijf, meer bepaald voor scharrelkippen, in overeenstemming is met de bestemming van het gebied volgens de grondkleur, zijnde de bestemming als agrarisch gebied. Op dit motief lijkt door verzoekers geen kritiek te worden geleverd. Wat het esthetisch criterium betreft, wordt in de bestreden beslissing over twee dichtbeschreven bladzijden de aanvraag onderzocht vanuit drie invalshoeken : het bestaande landschap, het voorwerp van de aanvraag en het toekomstig landschap. Met betrekking tot het bestaande landschap wordt de schoonheidswaarde ervan omschreven aan de hand van de beschrijving ervan in de landschapsatlas. Het landschap wordt aldus omschreven "als een vlak gebied met microreliëfelementen en een dambordpatroon van bossen en open landbouwgebied", waarin de dreven sterk beeldbepalend zijn. Voorts wordt opgemerkt dat het uitzicht van het landschap sterk agrarisch wordt bepaald en dat zich in de onmiddellijke omgeving van het bedrijf verschillende landbouwbedrijven met eenzelfde korrelgrootte als de geplande stalling bevinden. X-13.346-6/11 Volgt een gedetailleerde omschrijving van het voorwerp van de aanvraag. Daarbij wordt onder meer vastgesteld: “De stal wordt opgericht in silexbetonpanelen in beige bruine tint en afgedekt met eternit golfplatendak in een bruine herfstkleur. In vergelijking met vorige bouwaanvragen, worden de spitsen in de voor- en achtergevel voortaan bekleed met een houtsoort die van nature vergrijst. De zijgevels worden deels voorzien van een windbreekgaas in een groene tint, De poorten en ramen van de stal worden in houten schrijnwerk uitgevoerd, wat het landelijk voorkomen van het geheel versterkt”. Het bestreden besluit zet dan puntsgewijze uiteen waarom de vergunningverlenende overheid heeft gemeend dat de schoonheidswaarde van het hoger omschreven landschap door de aanvraag niet in het gedrang wordt gebracht. Samengevat worden de volgende motieven gegeven :
- de voorgestelde gebouwenstructuur brengt de facto een sanering van de voorheen rommelige site met zich mee en creëert een samenhangend geheel dat rust en evenwicht uitstraalt;
- in de aanvraag wordt aan landschapsopbouw gedaan : het bestaande dambord- patroon van dreven en bomenrijen tussen bosgebieden wordt versterkt door het voorzien van aan te planten uitgesproken groenassen (bomenrijen, dreven, grachten) in dambordpatroon; ten noorden van de bedrijfssite wordt een uitbreiding van het bestaande bos gepland; door middel van de bijkomende aan te planten dreven zal op die wijze een verbinding worden gecreëerd tussen de bestaande boscomplexen en het beschermde landschap “Schoonbergbos”; de korrelgrootte van de stal is in overeenstemming met de grootte van de loodsen in de omgeving;
- inzake vormgeving wordt gebruik gemaakt van een heel lage kroonlijsthoogte om de grootschaligheid van het geheel te doorbreken en de silo’s blijven onder de nokhoogte van het gebouw;
- de bruine en groene tinten uit het landschap komen terug in de kleuren van het materiaal van de te bouwen kippenstal; de donkere dakstructuur zorgt voor het optisch verkleinen van het bouwvolume;
- de aan te leggen dreven rondom de site zullen met streekeigen zomereik worden aangeplant. X-13.346-7/11 Tegenover de beschreven motivering lijkt verzoekers kritiek niet te kunnen worden bijgevallen, in geen van zijn onderdelen. In de eerste plaats noopt de algemene grief, dat niet valt in te zien hoe een bouwwerk zoals het vergunde de schoonheidswaarde van het landschap niet kan aantasten, de Raad van State tot een beoordeling die hem als dusdanig, los van het vaststellen van motiveringsgebreken, als jurisdictionele instantie niet toekomt, tenzij die beoordeling op zichzelf als onzorgvuldig moet worden aangemerkt, of met andere woorden als “kennelijk onredelijk” - in een geijkte maar misleidende terminologie alsof het bestuur zonder het recht te schenden een zekere mate van onredelijkheid wel zou zijn toegestaan. Te dezen lijken de geschetste en uitvoerige motieven - zoals hierna zal blijken op zichzelf niet feitelijk onjuist lijkend - inzake het esthetische criterium de Raad van State tot de conclusie te brengen dat wel “valt in te zien” waarom - daarbij het bestuur in zijn beoordelingsvrijheid latende - het betrokken bouwwerk volgens het bestuur kan worden ingeplant met vrijwaring van de schoonheidswaarde van het landschap. De grief wordt dienvolgens niet aanvaard. Voorts steunen verzoekers zich in essentie op het initiële advies van de gemachtigde ambtenaar en het oorspronkelijk advies van de afdeling Monumenten en Landschappen om het afdoende karakter van de motieven te betwisten. De beide adviezen lijken echter niet meer relevant als ondersteuning voor verzoekers grieven. De bedoelde ongunstige adviezen waren immers ingegeven door de opname van de site als ankerplaats in de landschapsatlas en door de grote visuele impact van de constructie in combinatie met een onvoldoende landschappelijke inkleding. Reeds op 9 januari 2006 heeft de Cel Monumenten en Landschappen echter een nieuw advies uitgebracht, stellende dat bij de afbakening van de ankerplaats “Hoogveld” in de Landschapsatlas de aanwezige bouwkundige erfgoedwaarde van de woning de reden was om het bedrijf op te nemen in de ankerplaats en dat, vermits de erfgoedwaarde van deze site door de sloop van de woning verdwenen is, ook het belang van de site voor de ankerplaats is gewijzigd. Voorts lijkt de landschappelijke inkleding van het bouwproject sinds het uitbrengen van de betrokken oorspronkelijke adviezen duidelijk te zijn bijgesteld. De betrokken grief van verzoekers wordt niet aanvaard. X-13.346-8/11 Ten slotte kunnen verzoekers niet worden gevolgd waar zij stellen dat de motieven van het betreden besluit “niet afdoende verantwoorden” dat de aanvraag verenigbaar is met het esthetisch criterium. De uitvoerige motieven in het besluit worden in wezen niet concreet weerlegd of zelfs niet aan kritiek onderworpen. Verzoekers’ betoog daaromtrent beperkt er zich eigenlijk toe te stellen dat de aanleg van “een” groenscherm er op wijst dat de vergunningverlenende overheid zelf ervan is uitgegaan dat de stal de schoonheidswaarde van het landschap in het gedrang brengt, zonder evenwel kritiek te voeren op de concrete motieven aangaande de inpasbaarheid en versterking door de groenaanplantingen van het bestaande landschap, getypeerd door een dambordpatroon. Indien een groenscherm in eerste instantie al bedoeld is om de negatieve visuele impact te milderen, lijkt zoals te dezen in een vergunningsbesluit evenwel te kunnen worden aangetoond dat de voorziene landschapsinkleding de te vrijwaren schoonheid van het landschap naar behoren ongeschonden bewaart. Zulks lijkt in concreto te moeten worden onderzocht, aan de hand van de bijzondere kenmerken van het landschap en van de bijzondere kenmerken van datgene wat visueel moet worden afgeschermd en elk daarop betrokken motief lijkt niet noodzakelijk van aard te concluderen tot het niet afdoende verantwoord zijn van de vergunning. De grieven van verzoekers lijken niet te kunnen worden aangenomen zodat geen schending van de in het middel bedoelde motiveringsverplichtingen en andere bepalingen lijkt te zijn aangetoond, Het eerste middel is dienvolgens niet ernstig. 7.
- Een tweede middel wordt gesteund op de schending van de artikelen 15 en 16 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 mei 2004 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning. Verzoekers lichten toe dat “het ontbreken van de precieze gegevens in verband met de hoeve-woningen van de verzoekers (...) duidelijk van aard (is) geweest om de administratieve overheid te misleiden”. Zij maken gewag van een ontbrekend omgevingsplan met daarbij zes foto’s waarvan minstens drie van de plaats waar de geplande werken zullen worden uitgevoerd, en minstens drie van het goed zelf en de percelen, palend aan het goed. X-13.346-9/11 7.
- Verwerende en tussenkomende partijen betwisten de feitelijke grondslag van het middel en verwijzen naar de omgevingsplannen en de bedoelde zes foto’s die zich in het aanvraagdossier bevonden. Zij blijken respectievelijk als stukken 20 (omgevingsplan 1/20000) en 5 (zes foto’s) van het administratief dossier voor de Raad van State te zijn neergelegd. Het middel lijkt alleen daarom al niet ernstig, nog afgezien van de vaststelling dat het ook beperkt is tot de blote bewering dat de overheid zou zijn misleid. Het tweede middel is niet ernstig.
- Geen van de middelen is ernstig. Aan de tweede in het voormelde artikel 17 gestelde voorwaarde is niet voldaan. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van Adriaan Staelens in het administratief kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-13.346-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 5 juli 2007, door : de H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. D. VERBIEST. X-13.346-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.232 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.205 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div