id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.319 Rolnummer: A. 182212/IX-5622 Zaak: Arrest 173319 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 09/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-18 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 22:26 Fiche Arrest nr 173.319 van 9 juli 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.319 van 9 juli 2007 in de zaak A. 182.212/IX-
- In zake : Gunter VANWILDEMEERSCH, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGS/DSJ, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Gunter VANWILDEMEERSCH op 3 april 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 5 februari 2007 van de directeur-generaal van algemene directie personeel van de federale politie waarbij hem de hoedanigheid van aspirant-inspecteur van politie wordt ontnomen met ingang van 14 februari 2007; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van dezelfde beslissing; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door auditeur H. COLIN, op grond van artikel 94 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door auditeur H. COLIN; IX-5622-1/12 Gelet op de beschikkingen van 31 mei 2007, houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 juni 2007; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. DEVROE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De relevante regelgeving.
- Voor een goed begrip van de zaak zijn de hiernavolgende bepalingen met betrekking tot de politieambtenaren die de basisopleiding van het basiskader volgen van belang : - artikel IV.II.44 RPPOL : “De minister of de directeur-generaal door hem aangewezen beslist over : (...) 3/ het overdoen van de basisopleiding of een deel ervan, overeenkomstig de nadere regels vervat in het algemeen studiereglement; 4/ de definitieve afwijzing tijdens of op het einde van de basisopleiding, overeenkomstig de nadere regels vervat in het algemeen studiereglement.” - artikel 21 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 betreffende de basisopleidingen van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten en houdende diverse overgangsbepalingen : “Na de opleidingsstage in operationele situaties wordt een eindexamen georganiseerd.” IX-5622-2/12 - artikel 48 van hetzelfde koninklijk besluit : “Het eindexamen omvat : 1/ een schriftelijke proef met een reeks vragen over de inhoud van alle opleidingsmodules en een gevallenstudie; 2/ een mondelinge proef met een presentatie door de aspirant van een tijdens de opleidingsstage uitgewerkt persoonlijk werk, een bespreking van de door de mentor opgestelde verslagen en een bespreking van de door de aspirant opgestelde formulieren zelfevaluatie; 3/ een praktische proef met een rollenspel en een functioneel parcours. Het eindexamen bestaat uit twee zittijden die gescheiden zijn door minimum 15 en maximum 20 werkdagen. Deelneming aan de eerste zittijd is verplicht.” - artikel 49 van hetzelfde koninklijk besluit : “Het eindexamen wordt afgelegd voor een commissie opgericht in de betrokken politieschool. Onverminderd het derde lid, wijst de directeur van de betrokken politie- school de leden van de examencommissie aan, die volgende leden omvat :
- twee officieren van de politiediensten (...). De officier met de hoogste anciënniteit neemt de functie van voorzitter waar.
- één opleider
- twee docenten of praktijkmonitoren; De directeur van de betrokken politieschool wijst de in het tweede lid, 1/ bedoelde officier van de federale politie aan uit een lijst opgesteld door de directeur-generaal van de algemene directie (...).” - artikel 50 van hetzelfde koninklijk besluit : “De examencommissie kent een puntencijfer toe voor het eindexamen.” - artikel 53, eerste lid van hetzelfde koninklijk besluit : “Om te slagen op het einde van de basisopleiding moet de aspirant geschikt worden bevonden door de in artikel 54, eerste lid, bedoelde jury en moet hij ten minste de volgende cijfers behalen : 1/ [...]; 2/ 60% voor het puntencijfer voor het eindexamen; [...]” - artikel 54 van hetzelfde koninklijk besluit : “De in artikel 142sexies van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, bedoelde jury is als volgt samengesteld : 1/ de directeur van de betrokken politieschool of zijn vertegenwoordiger, voorzitter; 2/ de voorzitter van de examencommissie; IX-5622-3/12 3/ twee officieren van de politiediensten, waarvan geen van beiden verbonden is aan de betrokken school en waarvan de ene tot de lokale politie en de andere tot de federale politie behoort; 4/ twee leden van het onderwijzend personeel verbonden aan de betrokken politieschool; 5/ een vertegenwoordiger van de directie van de rekrutering en de selectie van de algemene directie; Onverminderd het derde lid, wijst de directeur van de betrokken politie- school de in het eerste lid, 3/, bedoelde officieren van de politiediensten aan, alsmede de in het eerste lid, 4/ bedoelde leden van het onderwijzend personeel. Hij wijst de in het eerste lid, 3/, bedoelde officier van de federale politie aan uit een lijst opgesteld door de directeur-generaal van de algemene directie. De directeur van de directie van de rekrutering en de selectie van de algemene directie wijst de in het eerste lid, 5/ bedoelde vertegenwoordiger aan. (...).” - artikel 56 van het zelfde koninklijk besluit : “In voorkomend geval verstrekt de jury op het einde van de basisopleiding een gemotiveerd advies met betrekking tot de in artikel IV.II.44, 3/ en 4/, RPPol bedoelde mogelijkheden, op basis van : 1/ het verslag over het professioneel functioneren op het ogenblik van het afleggen van het eindexamen; 2/ het verslag over het dagelijks werk op het ogenblik van het afleggen van het eindexamen en van het puntencijfer voor het eindexamen; 3/ het in artikel 52, vierde lid, bedoelde algemeen beoordelingscijfer.” - artikel 7 van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 houdende het algemeen studiereglement betreffende de basisopleidingen van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten : “De jury verstrekt haar gemotiveerd advies met betrekking tot de in artikel IV.II.44, 3/ en 4/, RPPol bedoelde mogelijkheden aan de directeur- generaal en bezorgt een kopie van dit advies aan de betrokkene. Het in het eerste lid bedoelde advies omvat een individuele nota met de motivering van het mislukken en een advies over het eventueel overdoen van het geheel of een deel van de basisopleiding.” De feiten 2.
- Verzoeker vat op 3 oktober 2005 de opleiding van aspirant- inspecteur van politie aan bij de Oost-Vlaamse Politieacademie (OPAC). Na de eerste zittijd bedraagt zijn totaal aantal punten voor het eindexamen 451/
- Na de tweede zittijd bedraagt zijn totaal aantal punten voor het eindexamen 550/
- IX-5622-4/12 Hij is derhalve niet geslaagd, vermits hij niet de vereiste 60% voor het eindexamen behaalt. 2.
- Op 24 november 2006 komt de examenjury van OPAC samen om te beraadslagen over de dossiers van de aspiranten die mislukt zijn voor de basisopleiding. In het desbetreffend proces-verbaal wordt met betrekking tot verzoeker gesteld wat volgt : “Deze aspirant behaalde in de eerste zittijd voor het eindexamen 451 punten op 1.
- Hij heeft de volgende vakken : proces-verbaal, rollenspel praktijk en geweldbeheersing en portfolio in een tweede zittijd opnieuw afgelegd en scoort nog steeds zwak met 550 punten op 1.
- Naast een gebrekkige theoretische kennis is deze aspirant niet in staat om zowel schriftelijk als mondeling ideeën en redeneringen te kunnen verwoorden. Voor professioneel functioneren wordt de betrokkene als zwak omschreven. Betrokkene heeft een zeer beperkt zelfbeeld en (men stelt) eveneens een zeer beperkte cognitieve basis vast. De examencommissie is van oordeel dat deze aspirant niet over het potentieel beschikt om te kunnen slagen als inspecteur omdat betrokkene niet beschikt over de intellectuele capaciteiten die nodig zijn om het theoretische om te zetten naar de praktijk. Beslissing : De jury van de Oost-Vlaamse Politieacademie stelt vast dat deze aspirant niet geslaagd is voor het eindexamen en dat er geen redenen zijn die het geheel of gedeeltelijk herbeginnen van de opleiding rechtvaardigen. De jury stelt voor deze aspirant definitief af te wijzen. Betrokkene keert terug als agent naar de PZ Gent.” 2.
- Op 17 december 2006 dient verzoeker een verweerschrift in tegen het advies van de examenjury. 2.
- Met een brief van 11 januari 2007 deelt de directeur OPAC zijn commentaar op het verweerschrift van verzoeker mee aan de directeur-generaal van de algemene directie personeel van de federale politie. Op 5 februari 2007 beslist de directeur-generaal van de algemene directie personeel van de federale politie om verzoeker de hoedanigheid van aspirant-inspecteur op datum van 14 februari 2007 te ontnemen. Die beslissing, die verzoeker voor kennisname ondertekent op 14 februari 2007 en die het voorwerp uitmaakt van het onderhavig beroep, luidt : “AINP VANWILDEMEERSCH begon op 03 oktober 2005 aan de opleiding voor aspirant-inspecteur aan de Oost-Vlaamse Politieacademie. In de eerste zittijd van het eindexamen behaalde betrokkene slechts 45,06%. IX-5622-5/12 Tijdens een 2de zit wist betrokkene 55,00% te halen hetgeen nog steeds onder de wettelijke vereiste van 60% lag. De jury is van mening dat betrokkene niet in staat is om zowel schriftelijk als mondeling ideeën en redeneringen te kunnen verwoorden. Bovendien beschikt hij hun inziens niet over het nodige potentieel en de vereiste intellectuele capaciteiten om uit te groeien tot een INP. Om deze redenen en het feit dat de score voor professioneel functioneren vrij laag was adviseert de jury om betrokkene de hoedanigheid van AINP te ontnemen. Naar aanleiding van dit advies werd er een verweerschrift opgemaakt door AINP VANWILDEMEERSCH en/of zijn vertegenwoordiger. Deze is niet akkoord met het voorstel van de examenjury om volgende redenen. Volgens betrokkene worden de bewoordingen ‘naast een gebrekkige theoretische kennis is deze aspirant niet in staat om zowel schriftelijk als mondeling ideeën en redeneringen te kunnen verwoorden’, nergens op gebaseerd. Ook de bemerking in verband met het professioneel functioneren wordt volgens betrokkene onvoldoende gefundeerd. Bovendien tracht betrokkene te weerleggen dat hij niet in staat is ‘het theoretische om te zetten naar de praktijk’ door te verwijzen naar zijn diploma handel. AINP VANWILDEMEERSCH vindt tevens de tekst van de jury volledig contradictoir met de individuele opmerkingen geformuleerd door de klasbegeleider HINP VANHENDEN Gunther. Betrokkene erkent al zijn tekorten 2de zit behalve de hem toegekende punten voor de portfolio; er werden volgens hem irrelevante vragen gesteld. De negatieve commentaar, volgens hem met betrekking tot zijn introverte houding, wenst hij te weerleggen door 8 positieve verslagen toe te voegen aan zijn verweerschrift. Om deze redenen verzoekt AINP VANWILDEMEERSCH om een deel of het geheel van zijn opleiding terug te mogen starten in een andere politieschool teneinde de objectiviteit te garanderen. Als bijkomend advies naar aanleiding van dit verweer stelt de Directeur OPAC het volgende De stelling al zou de motivering van de jury in tegenstrijd zijn met de bemerkingen van de klasbegeleider klopt niet, immers de zwakheden welke onoverkomelijk bleken op het eindexamen werden reeds in de individuele opmerkingen vermeld. De gunstige beoordelingen tijdens de opleidingsstages zijn niet relevant daar AINP VANWILDEMEERSCH niet afgewezen werd op grond van diens professioneel functioneren. Na lezing van het verzoek tot ontneming, het verweerschrift met bijlagen, en het bijkomende advies van OPAC naar aanleiding van dit verweerschrift ben ik van oordeel dat : De stelling van de jury wel degelijk materieel gefundeerd is, het volstaat hier al gewoon om de punten en de commentaren van het schooldossier in te kijken. De bemerking ‘betrokkene beschikt niet over de intellectuele capaciteiten die nodig zijn om het theoretische om te zetten in de praktijk’, moeten natuurlijk geïnterpreteerd worden binnen de context van de opleiding INP. Het diploma handel doet met andere woorden hier niet ter zake. Er geen contradictie is tussen de individuele bemerkingen van HINP VANHENDE en de commentaar van de examenjury. Het is immers niet steeds even makkelijk om als klasbegeleider de studenten op hun problemen te wijzen zonder hun motivatie aan te tasten. IX-5622-6/12 De problemen die uiteindelijk tot het voorstel tot ontneming hebben geleid werden mijns inziens door de klasbegeleider, zij het voorzichtig, aan betrokkene kenbaar gemaakt. De vragen die gesteld werden op de verdediging van de portfolio worden opgesteld door een examencommissie samengesteld uit meerdere personen waarvan de leden de prestaties van alle aspiranten onderling evalueren. Ik heb dan ook geen enkele reden om de relevantie van de gestelde vragen en/of de toegekende punten in vraag te stellen. Zonder afbreuk te willen doen aan de commentaren gevoegd bij het verweer- schrift dienen deze toch genuanceerd te worden. De evaluatietermijn is veel korter dan voor de gehele opleiding, zo is er sprake van acties van 1 dag, verder vind ik ook daar bemerkingen terug van een teruggetrokken persoonlijkheid en een tekort aan assertiviteit. De problemen door de examenjury vermeld sijpelen dus eveneens door in sommige commentaren die door de verdediging werden aangedragen. Om de hierboven vermelde redenen sluit ik me aan bij het voorstel van de examenjury en beslis ik om AINP VANWILDEMEERSCH, met toepassing van artikel IV.II.44.4/ van het KB in Ref 1 vermeld en van artikel 53 van het KB in Ref 2 vermeld, de hoedanigheid van aspirant inspecteur op datum van 14.02.2007 te ontnemen. Op dezelfde datum zal betrokkene ambtshalve en zonder opzegging het voorwerp uitmaken van de definitieve ambtsontheffing (Art IX.I.2.7/ van het KB in Ref 1).” De voorwaarden voor de schorsing.
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Ernstige middelen
- Verzoeker voert in het eerste middel de schending aan van de artikelen IV.II.43 en IV.II.44 RPPol, van artikel 7 van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002, van de formele en de materiële motiveringsverplichting, van het redelijkheidsbeginsel en van de rechten van de verdediging. Hij betoogt dat de examenjury in haar beslissing zware uitspraken doet over zijn persoon maar betwist deze. Aldus wijst de examenjury
(1)op zijn gebrekkige theoretische kennis maar die bewering vindt geen steun in het dossier,
(2)op zijn zwak professioneel functioneren, maar zijn puntencijfer is voldoende,
(3)op zijn beperkt zelfbeeld, maar de resultaten van zijn observatiestage, zijn IX-5622-7/12 tussentijdse evaluaties en de eindevaluaties van zijn mentor en zijn klasbegeleider/opleider bewijzen het tegendeel,
(4)op zijn beperkte cognitieve basis, maar daarover wordt geen uitleg gegeven en dat wordt ook tegengesproken door de eindevaluatie van de klasbegeleider,
(5)op het gebrek aan intellectuele kwaliteiten, maar dat wordt tegengesproken door zijn score op het eindexamen en de beoordeling van zijn professionele hoedanigheden van zijn mentor en op
(6)zijn onmogelijkheid om ideeën en redeneringen te verwoorden maar daarover wordt geen uitleg gegeven. Hij stelt dat in zoverre er in de bestreden beslissing, in het advies van de examenjury of de commentaar van de directeur van OPAC een motivering opgenomen is, zij faalt, met name omdat nergens verantwoord wordt waarom verzoeker geen herkansing kon krijgen. De reglementering vereist immers dat, na een beslissing over het slagen in de basisopleiding, de examenjury een advies verleent over hetzij het definitief mislukken, hetzij het overdoen van de opleiding zodat uit een advies met betrekking tot een afwijzing moet blijken waarom er geen herkansing mogelijk is. In dit geval heeft de examenjury geen keuze gemaakt tussen zijn definitieve afwijzing en een mogelijke herkansing, maar heeft zij onmiddellijk tot de afwijzing besloten en bovendien is de motivering waarop de examenjury haar beslissing steunt in tegenspraak met de gegevens van het dossier, met name zijn positieve evaluaties, stageverslagen en examenresultaten.
- De verwerende partij stelt in haar nota met opmerkingen dat de bestreden beslissing uitvoerig gemotiveerd is. Ook heeft de examenjury wel degelijk een keuze gemaakt tussen de definitieve afwijzing van verzoeker en een herkansing: zij heeft gesteld dat er geen redenen zijn die een geheel of gedeeltelijk herbeginnen van de opleiding rechtvaardigen, uit het dossier blijkt duidelijk dat verzoeker op het eindexamen geen 60% behaald heeft en de definitieve mislukking steunt ook op de vaststelling dat verzoeker de vereiste intellectuele capaciteiten ontbeert, dat hij een teruggetrokken persoonlijkheid heeft en assertiviteit mist. De commentaren waarop verzoeker zijn verweer steunt moeten genuanceerd worden omdat zij niet de gehele opleidingsperiode dekken en ook daarin toch bemerkingen gemaakt worden over zijn teruggetrokken persoonlijkheid en zijn geringe assertiviteit. Alle aspecten van het advies van de examenjury vinden steun in de stukken van het administratief dossier, die aan verzoeker bekend waren. IX-5622-8/12
- Het advies van de examenjury met betrekking tot hetzij het overdoen van de basisopleiding hetzij de definitieve afwijzing van verzoeker verwijst naar zijn resultaten voor het eindexamen -eerste en tweede zittijd- met de conclusie dat verzoeker “naast een gebrekkige theoretische kennis, niet in staat is om zowel schriftelijk als mondeling ideeën en redeneringen te verwoorden”, naar zijn zwak professioneel functioneren, zijn “zeer beperkt zelfbeeld” en zijn “zeer beperkte cognitieve basis”. Daaruit wordt afgeleid dat verzoeker niet het potentieel bezit om als politieinspecteur te kunnen slagen “omdat (hij) niet beschikt over de intellectuele capaciteiten die nodig zijn om het theoretische om te zetten naar de praktijk”.
- De bestreden beslissing steunt op de overweging
(1)dat “de jury van mening is dat verzoeker niet in staat is om schriftelijk en mondeling ideeën en redeneringen te verwoorden en hij niet beschikt over het nodige potentieel en de vereiste intellectuele capaciteiten om uit te groeien tot een inspecteur van politie” en
(2)dat “zijn score voor professioneel functioneren vrij laag was”. Er wordt voorts gesteld dat de stelling van de jury “materieel gefundeerd” wordt door “de punten en de commentaren van het schooldossier”.
- In de eindevaluatie “professioneel functioneren”, opgesteld door de klasbegeleider/opleider, behaalt verzoeker een algemeen totaal van 250/
- Voor 25 van de 27 evaluatiecriteria behaalt hij een neutrale score, met inbegrip van de criteria “schriftelijke manier van uitdrukken - duidelijkheid - juistheid - synthesegeest” en “mondelinge manier van uitdrukken - duidelijkheid - juistheid”. Voor de criteria “bekwaamheid tot het bevorderen van een positieve werksfeer” en “technisch kunnen” behaalt hij een score “min”. Onder een luik “individuele opmerkingen” wordt gesteld dat de opleider “in het groepsgebeuren een gezonde zin voor collegialiteit miste”, dat hij hiermee niet wil zeggen dat men op verzoeker niet kan rekenen maar dat verzoeker “niet altijd dat gevoel gaf aan zijn collega’s binnen de klas”, dat verzoeker niet onmiddellijk de meest extraverte persoon is maar toch op bepaalde momenten dreigde zich buiten de groep te plaatsen, dat hij in het algemeen de vereiste beroepsbekwaamheden bezit die van hem verwacht worden, dat hij cognitief voldoende aantoonde de leerstof “kennismatig en inzichtelijk te kunnen verwerken”, dat de “min” voor technisch kunnen vooral te maken heeft met de evaluatie van een eerste oefening, dat verzoeker zijn motivatie met wat meer overtuiging moet trachten uit te stralen tegenover zijn professionele omgeving, dat IX-5622-9/12 hij het potentieel bezit om uit te groeien tot een volwaardig inspecteur, maar dat hij toch rekening moet houden met de gemaakte opmerkingen. In de eindevaluatie “professioneel functioneren”, opgesteld door de mentor van verzoeker, behaalt verzoeker een algemeen totaal van 265/
- Voor 26 van de 27 evaluatiecriteria behaalt hij een neutrale score, voor het criterium “beschikbaarheid voor de dienst” een score “plus”. Met betrekking tot verzoekers persoonlijkheidskenmerken wordt gesteld dat hij nog steeds een nogal stille en ietwat teruggetrokken persoonlijkheid is, dat hij daaraan nog zal moeten werken of evolueren in de goede zin, maar dat in vergelijking met zijn observatiestage blijkt dat hij meer open gekomen is en verbeterd is in zijn omgang van zijn collega’s. Met betrekking tot zijn professionele bekwaamheden wordt gesteld dat hij in het soort politiewerk dat nieuw was voor hem zeker zijn kennis voldoende heeft bijgeschaafd om te kunnen functioneren als politieinspecteur, en dat er aan zijn schriftelijke manier van uitdrukken misschien nog een beetje moet geschaafd worden, maar dat er hieromtrent wel een verbetering werd opgemerkt in vergelijking met de observatiestage. Wat betreft het potentieel van verzoeker, is de mentor van oordeel dat verzoeker zonder problemen de overgang kan maken van hulpagent naar inspecteur van politie, en dat hij die functie zeker aan kan. De verslagen over het professioneel functioneren van verzoeker opgemaakt door personen die verzoeker op de voet gevolgd hebben gedurende zijn opleiding onderbouwen de stelling van de examenjury “dat verzoeker voor professioneel functioneren als zwak wordt omschreven” dus geenszins.
- Volgens de bestreden beslissing waren de problemen die volgens de examenjury uiteindelijk tot de afwijzing geleid hebben in de loop van de opleiding reeds voorzichtig door de klasbegeleider ter kennis van verzoeker gebracht en blijkt uit de door verzoeker neergelegde stagecommentaren dat daar toch ook reeds sprake was een teruggetrokken persoonlijkheid en een tekort aan assertiviteit. Te dien aanzien moet opgemerkt worden dat de examenjury in haar advies geen melding maakt van de teruggetrokken persoonlijkheid en van een tekort aan assertiviteit. Zij verwijst wel naar een gebrekkige theoretische kennis, het niet in staat zijn om ideeën en een redenering te verwoorden, een zeer beperkt zelfbeeld en zeer beperkte cognitieve basis en de ontstentenis van de vereiste IX-5622-10/12 intellectuele capaciteiten, maar die conclusies vinden geen deugdelijke grondslag in de verslagen over het professioneel functioneren van verzoeker.
- Verzoeker behaalde blijkens het verslag over zijn dagelijks werk 2533 punten op 4000, hetzij 63,33%. Dergelijk cijfer laat niet zonder meer de conclusie toe dat verzoeker niet in staat is om ideeën en redeneringen te verwoorden en dat hij de vereiste intellectuele capaciteiten ontbeert. Daarbij voegt zich dan de vaststelling enerzijds dat verzoeker voor het deel “theorie” van het schriftelijk examen 95,12/150 behaalde en anderzijds dat hij voor het onderdeel “gevallenstudie” (examen-PV) tijdens de tweede zittijd 62 /100 behaalde. Verzoeker behaalde op de proef “portfolio” in de eerste zittijd 160/400 en in de tweede zittijd 180/400, waardoor zijn eindtotaal strandde op 598,5/
- Dat puntenaantal is onvoldoende maar die punten, die het algemeen beoordelingscijfer vormen dat door de examencommissie wordt vastgesteld, kunnen op zich geen motief vormen voor de weigering om verzoeker de opleiding niet te laten herbeginnen.
- De bestreden beslissing verwijst naar de opinie van de examenjury dat verzoeker niet over het vereiste potentieel beschikt om uit te groeien als inspecteur. De examenjury zelf verwijst in haar advies naar de stelling van de examencommissie. Uit geen gegeven van het dossier blijkt evenwel dat de examencommissie, die overigens enkel bevoegd is om op basis van cijfermatige gegevens de prestaties van de kandidaten tijdens de opleiding te beoordelen, dergelijke beslissing genomen zou hebben. Bovendien kan de examenjury niet zonder meer de beoordeling van de examencommissie overnemen, aangezien zij de bijzondere opdracht heeft om, rekening houdend met alle gegevens van het dossier, uit te maken of de kandidaat een tweede kans mag krijgen.
- Het middel is gegrond. Er is reden om de zaak af te handelen volgens de verkorte procedure van artikel 94 van het algemeen procedurereglement.
- De vernietiging van de bestreden beslissing heeft tot gevolg dat de door verzoeker ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geen voorwerp meer heeft. IX-5622-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De beslissing van 5 februari 2007 van de directeur-generaal van algemene directie personeel van de federale politie waarbij Gunter VANWILDEMEERSCH de hoedanigheid van aspirant-inspecteur van politie wordt ontnomen met ingang van 14 februari 2007, wordt vernietigd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Het ten onrechte gekweten recht van 175 euro voor het beroep tot nietigverklaring, dient aan verzoeker te worden terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 9 juli 2007, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5622-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.319 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div