id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.359 Rolnummer: A. 102137/XII-3016 Zaak: Arrest 173359 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 10/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-23 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 22:28 Fiche Arrest nr 173.359 van 10 juli 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.359 van 10 juli 2007 in de zaak A. 102.137/XII-
- In zake : de GEMEENTE ZOERSEL, die woonplaats kiest bij advocaat H. Sebreghts, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 27 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaten B. Steegen en E. Schellingen, kantoor houdende te Bilzen, Demerlaan 21, bus
- tussenkomende partij : Marc VAN DIJCK, die woonplaats kiest bij advocaat P. Lahousse, kantoor houdende te Mechelen, Leopoldstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente Zoersel op 22 maart 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 22 januari 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport waarbij de beslissing van 26 oktober 2000 van de gemeenteraad van Zoersel om Marc Van Dijck te ontslaan, niet wordt goedgekeurd; Gelet op het arrest nr. 101.455 van 4 december 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 14 januari 2002 ingediend door verzoekster; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 23 april 2002; XII-3016-1/11 Gelet op de beschikking van 29 april 2002 die de tussenkomst van Mark Van Dijck toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 20 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 20 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 januari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Peeters, die loco advocaat H. Sebreghts verschijnt voor verzoekster, van advocaat E. Evers, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat P. Lahousse, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De voornaamste feiten
- Op 27 april 2000 beslist de gemeenteraad van Zoersel dat Marc Van Dijck, op proef aangesteld als controleur van werken, “wordt afgedankt wegens ongunstige proeftijdbeoordeling in toepassing van artikel 47 van het administratief XII-3016-2/11 statuut”. De gemeente zegt hem de beslissing aan met een schrijven van 4 mei 2000, waarin wordt meegedeeld dat hij tegen de beslissing een “georganiseerd beroep” kan instellen bij de gouverneur van de provincie Antwerpen of de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting. Met een brief van 29 mei 2000 tekent Marc Van Dijck beroep aan bij de Vlaamse minister. Luidens het antwoord van 14 juni 2000 verstreek de termijn voor schorsing en vernietiging van het raadsbesluit van 27 april 2000 op 29 mei 2000 en heeft het besluit uitvoering gekregen. Op 24 juni 2000 stelt Marc Van Dijck tegen de gemeenteraadsbeslissing een vordering tot schorsing en tot nietigverklaring bij de Raad van State in (zaak A. 93.095/XII-2650). In zijn verslag over de vordering tot schorsing, wijst de auditeur erop dat het goedkeuringstoezicht waarin de artikelen 6bis en volgende van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten (hierna : het toezichtsdecreet) voorzien, ook gelden in geval van een op proef benoemd statutair personeelslid, en dat bijgevolg de gemeente verplicht was het besluit van 27 april 2000 en het volledige evaluatiedossier op straffe van nietigheid van het besluit aan de Vlaamse regering toe te zenden op dezelfde dag waarop het besluit aan Marc Van Dijck werd gezonden of overhandigd. Omdat hieraan niet is voldaan, oordeelt de auditeur dat aan de beslissing van 27 april 2000 tot ontslag geen enkel juridisch gevolg mag worden verbonden. Dientengevolge trekt de gemeenteraad op 26 oktober 2000 zijn ontslagbeslissing van 27 april 2000 in, en beslist hij, opnieuw, om Marc Van Dijck wegens ongunstige proeftijdbeoordeling af te danken, met ingang van 28 april
- Het besluit en het volledige dossier wordt thans overeenkomstig artikel 6bis van het toezichtsdecreet naar de Vlaamse regering gezonden. Op 23 november 2000 stelt verzoeker tegen de gemeenteraadsbeslissing van 26 oktober 2000 het beroep van artikel 6ter van het toezichtsdecreet in. Nadat partijen op 9 januari 2001 zijn gehoord, besluit de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport op 22 januari 2001 om de gemeenteraadsbeslissing van 26 oktober 2000 om Marc Van Dijck te ontslaan, niet goed te keuren. XII-3016-3/11 De procedure 2.
- Tussenkomende partij werpt in het verzoekschrift tot tussenkomst op dat verzoeksters vraag tot voortzetting van de procedure niet is ingediend binnen de dertig dagen bedoeld in artikel 17, § 4, [lees: 17, § 4ter] van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Immers werd het arrest over de vordering tot schorsing ontvangen op 14 december 2001, en is het op 14 januari 2002 ingediende verzoek tot voortzetting op 15 januari 2002 bij de griffie van de Raad van State ingekomen. 2.
- Verzoekster wijst er terecht op dat de dertigste dag voor het indienen van het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging, nadat haar vordering tot schorsing werd afgewezen, zondag 13 januari 2002 was en -gelet op artikel 88, derde lid, van het algemeen procedurereglement- dat het verzoek tot voortzetting dat zij daags nadien met een aangetekende brief verstuurde, tijdig is. De exceptie wordt verworpen. De grond van de zaak
- De bestreden ministeriële beslissing bevat een uitvoerige formele motivering. Onder meer wordt de niet-goedkeuring van het ontslag van 26 oktober 2000 van Marc Van Dijck hierdoor verantwoord : “Overwegende dat de gemeenteraad van Zoersel met het bedoelde ontslagbesluit van 27 april 2000 een einde maakte aan de benoeming op proef van de heer Marc Van Dyck, in dienst sedert 1 september 1998, en dit op grond van de negatieve beoordeling van de wijze van dienen van verzoeker gedurende de proeftijd; dat dit besluit van 27 april 2000 onder het toepassingsgebied valt van de artikelen 6bis tot en met 6quinquies van het toezichtsdecreet van 28 april 1993; Overwegende dat het gemeentebestuur van Zoersel de in genoemd artikel 6bis van het Toezichtsdecreet van 28 april 1993 op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen niet heeft nageleefd ten aanzien van zijn vermelde besluit van 27 april 2000; dat dit ontslagbesluit van 27 april 2000 bijgevolg moet geacht worden nooit te hebben bestaan en dat het geen enkel juridisch gevolg heeft kunnen of kan hebben (vgl. de arresten Ulens, nr. 86.860, en Aernoudt, nr. 86.861, beide van 25 april 2000); dat dit besluit van 27 april 2000 dus ook niet kan worden ingetrokken op 26 oktober 2000 vermits het moet geacht worden nooit te hebben bestaan; dat dit besluit al evenmin dienstig kan zijn ter motivering van de terugwerkende kracht van het heden bestreden besluit van 26 oktober 2000, vermits het geen enkel juridisch gevolg kan hebben; dat aan de vaststelling van 28 april 2000 als datum van ingang van het huidige ontslag voor het overige elke wettelijke grondslag of rechtsgeldige motivering ontbreekt; dat de datum van een ontslag, gelet op de belangrijke gevolgen voor werkgever en werknemer zorgvuldig en zonder willekeur moet worden bepaald en gemotiveerd; dat dit in het voorliggende bestreden besluit, zoals aangetoond, XII-3016-4/11 niet het geval is; dat alleen al hierom het bestreden ontslag niet in aanmerking komt voor goedkeuring”. Verzoekster voert in het verzoekschrift vijf middelen aan, waarin zij de wettigheid bestrijdt van de motieven waarop de ministeriële beslissing berust. Op het hiervoor aangehaalde motief kunnen het tweede en het derde middel betrokken worden. 4.
- In een tweede middel bekritiseert verzoekster dat genoemd motief, overigens tezamen met andere motieven, geen deel uitmaakte van de argumentatie in het beroepschrift dat Marc Van Dijck tegen de ontslagbeslissing had ingediend, niet vermeld werd in de oproeping naar de hoorzitting en ook niet ter sprake is gebracht tijdens de hoorzitting van 9 januari
- Weliswaar, merkt verzoekster op, heeft Marc Van Dijck in zijn beroepschrift het retroactief karakter van het ontslag aangevochten omdat de arbeidsrelatie een wederkerige overeenkomst betreft, maar de minister heeft het middel “een totaal ander karakter verleend”, door het te koppelen aan de gevolgen van de nietigheid van de beslissing van 27 april 2000 “terwijl verzoekster over de gevolgen van die nietigheid niet werd gehoord”. Dit is volgens verzoekster in strijd met het subsidiariteitsbeginsel omschreven in artikel 5, tweede alinea, EG-Verdrag, evenals met de verplichting tot horen, zoals onder meer vastgelegd in artikel 6quinquies van het toezichtsdecreet. In verband met het subsidiariteitsbeginsel licht verzoekster onder andere toe dat het principe doorwerkt in het Belgische en Vlaamse recht, dat het tot gevolg heeft dat het gewest zijn bevoegdheid inzake goedkeuring niet verder mag gebruiken “dan nodig is voor het ermee nagestreefde doel”, dat het gewest “slechts [kan] optreden ‘indien en voor zover’ de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de gemeente kan worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door het Gewest kunnen worden verwezenlijkt”, dat het gewestelijk optreden zijn basis vindt “in efficiëntieoverwegingen, evenals redelijkheid en wettigheidstoets, doch binnen de proportionaliteitstoets”, dat de proportionaliteit vereist “dat het Gewest in het optreden niet verdergaat dan wat nodig is om de doelstelling van het goedkeuringstoezicht (wettigheid en redelijkheid) te verwezenlijken”, dat de gemeente zelf haar statuut opstelt, de personeelsleden op proef aanstelt en benoemt wanneer ze voldoen aan de voorwaarden, vereisten en verwachtingen, en dat de toets van dat handelen de wettigheid en de redelijkheid is. XII-3016-5/11 Aangaande de verplichting tot horen doet verzoekster gelden dat de minister niet tot zijn beslissing mocht zijn gekomen zonder eerst verzoekster te horen over alle elementen die hij meende te kunnen inroepen, dat hij in het bijzonder en vooraf die beoordelingselementen ter kennis moest brengen die niet in het verzoekschrift van Marc Van Dijck waren opgenomen of die verder strekten dan wat deze aanvoerde, dat de minister bij zijn beoordeling niet gebonden is of beperkt tot datgene wat in het beroepschrift van Marc Van Dijck zelf staat, maar dat geen enkele rechtsnorm toelaat om het administratief toezicht zo ver te drijven dat hij “wanneer hij andere dan de door de heer Van Dijck ingeroepen middelen wil inroepen, of wanneer hij de door de heer Van Dijck ingeroepen middelen in een ruimere context of in een ander perspectief wenst te beoordelen, op dat terrein niet meer zou gehouden zijn om de gemeente daarover in te lichten, opdat zij haar verweer desbetreffend ten gronde zou kunnen voorbereiden en voeren”. 4.
- Terecht herinnert verzoekster er in haar verzoekschrift aan dat overeenkomstig artikel 162 van de Grondwet, de wet de bevoegdheid erkent van de gemeenteraad voor alles wat van gemeentelijk belang is. Het is een principe, evenwel, dat volgens het artikel 162 zelf een beperking ondergaat wanneer het handelingen betreft waarvoor goedkeuring vereist is. Gelet op artikel 6bis en volgende van het toezichtsdecreet, is het ontslag van een statutair personeelslid als gevolg van één of meer negatieve evaluaties, zo een handeling. Dit decreet, op grond waarvan de verwerende partij de bestreden beslissing nam, stelt geen beperkingen aan haar beoordelingsbevoegdheid. In zoverre de minister zich steunt op het besproken motief, weigert hij zijn goedkeuring omdat de gemeenteraad het op 26 oktober 2000 gegeven ontslag zonder wettelijke grondslag of rechtsgeldige motivering deed ingaan op 28 april
- Met andere woorden strekt het optreden van de minister op grond van dat motief ertoe het algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van administratieve rechtshandelingen te doen eerbiedigen. 4.
- Het blijkt niet dat de verwerende partij, door de niet-goedkeuring van het ontslag van 26 oktober 2000 te hebben gestoeld op die reden van onwettigheid, de haar toegekende bevoegdheid is te buitengegaan, ook niet indien de niet-goedkeuring wordt getoetst aan het door verzoekster aangevoerde subsidiariteitsbeginsel. Daargelaten immers of er te dezen op de verwerende partij al dan niet een uit het gemeenschapsrecht afgeleid subsidiariteitsbeginsel van XII-3016-6/11 toepassing kan worden geacht, moet worden vastgesteld dat de minister bij de uitoefening van zijn goedkeuringstoezicht hoe dan ook niet de grenzen van dit beginsel, zoals het door verzoekster wordt omschreven en uitgelegd, is te buiten gegaan. In de visie van verzoekster mag, vanwege het subsidiariteitsbeginsel, de met het goedkeuringstoezicht belaste overheid alleen optreden “‘indien en voor zover’ de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de gemeente [kunnen] worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door het Gewest kunnen worden verwezenlijkt”. Als doelstelling van het goedkeuringstoezicht ziet verzoekster, de verwezenlijking van wettigheid en redelijkheid. Welnu, zoals de bespreking van het derde middel hierna uitwijst, betwist verzoekster ten onrechte dat haar ontslagbesluit van 26 oktober 2000 het verbod van retroactiviteit schendt. Het mag aldus wel degelijk nodig heten, om een schending van de wettigheid te beletten, dat de verwerende partij is opgetreden. Voorts blijkt niet dat, zélfs in de veronderstelling dat de verwerende partij zich alleen op de voormelde schending van het verbod van retroactiviteit zou hebben gesteund, zij met haar niet-goedkeuring verder is gegaan dan noodzakelijk om de wettigheid te handhaven. Meer bepaald blijkt niet dat een overtreding van het verbod van retroactiviteit slechts een gedeeltelijke niet-goedkeuring van het ontslag kan verantwoorden, namelijk alleen wat de uitwerking ervan in het verleden betreft. Net een dergelijke gedeeltelijke niet-goedkeuring, die het bestuur opzadelt met een besluit dat het in zijn geamputeerde vorm mogelijk niet wenst, zou het gevaar inhouden, waarvoor verzoekster vreest, dat de gewestelijke overheden hun eigen inzichten inzake onder meer het gemeentelijke administratief kader laten prevaleren boven die van de gemeente zelf. 4.
- Ook in de mate waarin het middel is afgeleid uit de schending van de hoorplicht, kan het niet worden bijgevallen. Daargelaten of het de verwerende partij überhaupt verboden is om zich voor de verantwoording van de niet- goedkeuring van een ontslagbesluit als bedoeld in artikel 6bis en volgende van het toezichtsdecreet, te bedienen van motieven waaromtrent de gemeentelijke overheid niet in de gelegenheid is gesteld haar standpunt te doen kennen, mist het onderdeel hoe dan ook feitelijke grond. XII-3016-7/11 Immers heeft verzoekster uit het beroepschrift van 23 november 2000 van het ontslagen personeelslid duidelijk kunnen vernemen dat de retroactiviteit van de ontslagbeslissing betwist werd, en moest zij zich dus op die manier hoe dan ook uitgenodigd weten om tijdens de hoorzitting naar aanleiding van dat beroep, haar standpunt terzake nader te verklaren en te beargumenteren. Dat heeft zij toentertijd ook zo begrepen. Blijkens het proces- verbaal van de hoorzitting van 9 januari 2001 legde zij uit wat volgt : “Het gemeentebestuur heeft op 26/10/2000 willen rekening houden met het feit dat in het verslag van de Raad van State een procedurefout, namelijk een vormelijke tekortkoming werd vastgesteld met betrekking tot het vroegere ontslagbesluit van 27/04/
- Bijgevolg heeft de gemeente de procedure willen hernemen tot op het punt van deze procedurefout. Dit verklaart de terugwerkende kracht van het besluit van 26/10/2000”. Er is dus in elk geval geen reden om de in het middel aangevoerde verplichting verzoekster te horen en in de gelegenheid te stellen nuttig voor haar belangen op te komen, geschonden te bevinden. 4.
- Het middel wordt verworpen. 5.
- In een derde middel noemt verzoekster het rechtszekerheids- en het redelijkheidsbeginsel geschonden : “Doordat de Minister oordeelt dat verzoekster het besluit van 27 april 2000 niet kon intrekken op 26 oktober 2000, vermits het moet geacht worden nooit te hebben bestaan, en om dezelfde reden niet dienstig kan zijn ter motivering van de terugwerkende kracht van het bestreden besluit van 26 oktober 2000, Terwijl de Minister zelf eerder in zijn besluit van 14 juni 2000 rechtsgevolgen had verleend aan dit besluit door het beroep van de heer Van Dyck tegen dit besluit van 27 april 2000 te verwerpen, niet omdat het zonder voorwerp was, maar wel omdat het volgens de toezichthoudende overheid laattijdig was, zodat de Minister zelf een schijn van wettigheid heeft verleend aan het besluit van 27 april 2000, en hij aldus tegenstrijdig heeft gehandeld met zichzelf en verzoekster nu een onwettigheid verwijt die hij voordien zelf heeft begaan”. Verzoekster zet nader uiteen wat volgt : “Op het ogenblik van het nemen van het besluit van 27 april 2000, het beroep daartegen vanwege de heer Van Dyck, en het besluit van de Minister van 14 juni 2000, was de nieuwe rechtspraak van de Raad van State uit de arresten Ulens, nr. 86.860, en Aernoudt, nr. 86.861, beide van 25 april 2000 niet bekend, niet aan verzoekster, niet aan de heer Van Dyck, en ook niet aan de XII-3016-8/11 Minister. Deze heeft toen op 14 juni 2000 gesteld dat het beroep van de heer Van Dyck tegen het raadsbesluit van 27 april 2000 laattijdig is. Indien het raadsbesluit echter uit zichzelf nietig was, zoals uit de genoemde arresten moet blijken, dan kon een hoger beroep daartegen ook nooit laattijdig zijn, vermits een nietig besluit, dat geacht wordt nooit te hebben bestaan, nooit een termijn voor hoger beroep kan doen lopen. Aldus gaf de Minister zelf een schijn van wettigheid aan het raadsbesluit van 27 april 2000 en kan hij zulks verzoekster als ondergeschikt autonoom bestuur niet verwijten. [...] Het is een daad van goed bestuur, dat verzoekster voor alle duidelijkheid en zekerheid, eerst is overgegaan tot de intrekking van het raadsbesluit van 27 april 2000 en dat volledig uit de rechtsorde heeft verwijderd ingevolge de klaarblijkelijke onwettigheid op grond van de nieuwe rechtspraak van Uw Raad, alvorens een nieuw besluit te nemen. Hierdoor wordt alle twijfel omtrent de gevolgen van dit eerder besluit weggenomen, nadat eerst de Minister zelf er een schijn van wettigheid aan heeft verleend. Vervolgens kan de Minister niet zonder schending van het redelijkheidsbeginsel aan verzoekster verwijten een gevolg te hebben verleend aan een nietig besluit, waaraan hij in eerste instantie zelf dezelfde rechtsgevolgen heeft verbonden”. 5.
- De kern van het besproken en sub 3 weergegeven motief is niet dat het verzoekster verboden was om het door de nietigheid van artikel 6bis van het toezichtsdecreet getroffen ontslagbesluit op 26 oktober 2000 in te trekken. Wél dat, gelet op genoemd artikel, het ontslagbesluit geacht moet worden “nooit te hebben bestaan”. Het is een kwestie waarover des te minder twijfel mogelijk is sinds verzoekster op 26 oktober 2000, middels een intrekking, besloot het ontslag zelfs formeel uit het rechtsverkeer weg te nemen. 5.
- Waar het ontslagbesluit van 27 april 2000 geacht moet worden nooit te hebben bestaan en dus geen enkel juridisch gevolg mag hebben, kan het volgens het besproken motief niet de terugwerkende kracht van het ontslag van Marc Van Dijck tot dat moment verantwoorden. Verzoekster noemt dat in strijd met het rechtszekerheids- en het redelijkheidsbeginsel omdat de minister in zijn besluit van 14 juni 2000 zelf een schijn van wettigheid aan het ontslagbesluit van 27 april 2000 zou hebben verleend. 5.
- Wat verzoekster als een besluit van 14 juni 2000 van de minister aanziet, is in werkelijkheid niet meer dan de mededeling aan Marc Van Dijck dat de termijn voor de uitoefening van het algemeen administratief toezicht met betrekking tot het gemeenteraadsbesluit van 27 april 2000, reeds verstreken was toen zijn verzoek om het te vernietigen werd ontvangen. XII-3016-9/11 Niet alleen is de informatie van de minister dat hij tegen de gemeenteraadsbeslissing geen gebruik zal maken van zijn facultatieve vernietigingsbevoegdheid, niet aan te merken als een besluit, bovendien houdt de mededeling geen enkele uitspraak in -ook niet impliciet- over de eventuele wettigheid of onwettigheid van de gemeenteraadsbeslissing. Er kan geen sprake zijn van bij verzoekster gewekte verwachtingen, laat staan nog dat verzoekster aantoont haar handelen op enigerlei wijze op zulke verwachtingen te hebben afgestemd. 5.
- Verzoekster heeft er zich aanvankelijk, ten tijde van de gemeenteraadsbeslissing van 27 april 2000, geen rekenschap van gegeven dat de nieuwe regeling waarin artikel 6bis en volgende van het toezichtsdecreet, ingevoegd bij decreet van 18 mei 1999, met betrekking tot het ontslag door de gemeente van een statutair personeelslid als gevolg van één of meer negatieve evaluaties voorziet, eveneens het statutair op proef aangesteld personeelslid geldt. De omstandigheid dat dezelfde misvatting ook in hoofde van de verwerende partij heeft bestaan -tot aan de kennisname van de arresten van de Raad van State nrs. 86.860 en 86.861 van 25 april 2000-, is daarvoor geen verontschuldiging, noch kan zij voor de verwerende partij een reden vormen om dan maar voort de nieuwe regeling te miskennen. Bijgevolg gaat het niet op om, zoals verzoekster doet, aan verwerende partij tegenstrijdigheid te verwijten doordat zij eerst -verkeerdelijk- de voormelde nieuwe regeling voorbijzag en vervolgens -zoals het hoort- die nieuwe regeling en de in artikel 6bis ervan besloten nietigheidssanctie wil (doen) naleven. 5.
- Het middel is ongegrond.
- De bespreking van het tweede en het derde middel wijst uit dat verzoekster tevergeefs de wettigheid aanvecht van het motief waarin verwerende partij in aanmerking neemt dat het gemeenteraadsbesluit van 26 oktober 2000 zonder wettelijke grondslag of rechtsgeldige motivering terugwerkende kracht geeft aan het ontslag van Marc Van Dijck, meer bepaald doordat het “rechtsgevolgen probeert te verbinden aan het ontslagbesluit van 27 april 2000 dat nochtans moet geacht worden nooit te hebben bestaan”. Nu dit motief alleen al de bestreden niet- goedkeuring kan verantwoorden én, blijkens de formele motivering, verantwoordt, is het niet nodig nog de wettigheid van de andere motieven na te gaan. Zij komen XII-3016-10/11 in de concrete omstandigheden van de zaak als overtollig voor; de middelen ertegen kunnen niet tot nietigverklaring leiden. Ook het eerste, vierde en vijfde middel worden verworpen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van verzoekster. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien juli 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, C. BAMPS, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3016-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.359 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.101.455 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div