id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.360 Rolnummer: A. 106166/XII-3165 Zaak: Arrest 173360 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 10/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-23 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 22:29 Fiche Arrest nr 173.360 van 10 juli 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.360 van 10 juli 2007 in de zaak A. 106.166/XII-
- In zake : de GEMEENTE ZOERSEL, die woonplaats kiest bij advocaten H. Sebreghts en T. Peeters, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 27 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Steegen, kantoor houdende te Bilzen, Demerlaan 21, bus
- tussenkomende partij : Marc VAN DIJCK, die woonplaats kiest bij advocaat P. Lahousse, kantoor houdende te Mechelen, Leopoldstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente Zoersel op 3 augustus 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 juni 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport waarbij de beslissingen van 5 maart 2001 van het college van burgemeester en schepenen van Zoersel tot het opleggen van de ordemaatregel van de preventieve schorsing voor vier maanden met inhouding van de helft van de wedde aan Marc Van Dijck, bekrachtigd bij besluiten van 22 maart 2001 van de gemeenteraad van Zoersel, niet worden goedgekeurd; Gelet op het arrest nr. 97.077 van 27 juni 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 7 september 2001; XII-3165-1/5 Gelet op de beschikking van 17 september 2001 die de tussenkomst van Marc Van Dijck toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 20 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 20 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 januari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Peeters, die loco advocaat H. Sebreghts verschijnt voor verzoekster, van advocaat E. Evers, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat P. Lahousse, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De voornaamste voorgaanden
- De gemeenteraad van Zoersel stelt op 27 augustus 1998 Marc Van Dijck op proef aan als controleur van werken. XII-3165-2/5 Op 27 april 2000 beslist de gemeenteraad een eerste keer om hem wegens ongunstige proeftijdbeoordeling af te danken. De gemeenteraad trekt op 26 oktober 2000 zijn ontslagbeslissing van 27 april 2000 in. Hij beslist vervolgens opnieuw om Marc Van Dijck af te danken om reden van ongunstige proeftijdbeoordeling, met ingang van 28 april
- De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport keurt op 22 januari 2001 de ontslagbeslissing niet goed. Het beroep van verzoekster tegen deze niet- goedkeuring (gekend onder A.102.137/XII-3016) wordt door de Raad van State verworpen bij arrest nr. 173.359 van 10 juli 2007 Op 5 maart 2001 legt het college van burgemeester en schepenen Marc Van Dijck twee preventieve schorsingen voor vier maanden op, met inhouding van de helft van de wedde. Zij worden bekrachtigd bij gemeenteraadsbeslissingen van 22 maart
- De eerste preventieve schorsing steunt hierop dat Marc Van Dijck op 24 november 1999 houten rekken die uit de kelders van het oude gemeentehuis moesten worden losgeschroefd, naar zijn woning heeft laten overbrengen. De tweede preventieve schorsing reageert tegen het feit dat Marc Van Dijck ter gelegenheid van zijn beroep bij het Vlaamse Gewest tegen het voormelde ontslagbesluit van 26 oktober 2000 lichtzinnig beschuldigingen zou hebben geuit tegen de gemeentesecretaris, het hoofd van de technische dienst en dat van de dienst financiën. Bij besluit van 5 juni 2001 keurt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Huisvesting en Ambtenarenzaken de bekrachtigde collegebeslissingen van 5 maart 2001 niet goed. De ontvankelijkheid
- Een preventieve schorsing is geen straf en mag ook niet de werking van een straf hebben. Zij wordt geacht van rechtswege te vervallen indien ze niet wordt opgeslorpt door de terugwerking van een tuchtstraf die als definitief te beschouwen is. Blijkens de pleidooien ter terechtzitting is te dezen Marc Van Dijck vanaf 31 juli 2005 vrijwillig uit dienst van de gemeente getreden, zonder dat er hem een tuchtstraf is opgelegd geworden. Hieruit volgt dat de Raad van State op vandaag niet buiten de vaststelling kan dat de preventieve schorsingen in elk geval vervallen zijn, om het even of ze -zoals verzoekster beweert- verondersteld moeten worden eigenlijk reeds te zijn goedgekeurd bij ontstentenis van een tijdige XII-3165-3/5 betekening van het niet-goedkeuringsbesluit, dan wel of ze die goedkeuring nog steeds ontberen.
- Op de terechtzitting gevraagd naar het belang dat verzoekster in de gegeven omstandigheden bij haar beroep overhoudt, doet zij alleen de nadelige financiële gevolgen gelden van de niet-goedkeuring van de preventieve schorsingen. Die financiële gevolgen kunnen bezwaarlijk nog een actueel belang in hoofde van verzoekster staven. Met deze gevolgen verwijst verzoekster immers naar de wedde-inhoudingen waarmee de collegebesluiten van 5 maart 2001 de preventieve schorsingen gepaard lieten gaan, met andere woorden naar het pecuniaire voordeel dat de tenuitvoerlegging van de preventieve schorsingen haar verschaft. De uitvoering van de preventieve schorsingen en het verval ervan -omdat de preventieve schorsingen niet zijn omgezet in een tuchtstraf- gaan evenwel niet samen. Het belang waarop verzoekster zich beroept, kan dan ook niet worden aangenomen; er is, integendeel, reden voor verzoekster om de wedde, indien hij werd ingehouden, alsnog uit te betalen.
- De vordering wordt als niet-ontvankelijk verworpen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoekster. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. XII-3165-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien juli 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, C. BAMPS, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3165-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.360 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.97.077 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div