id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.361 Rolnummer: A. 181453/XII-5051 Zaak: Arrest 173361 - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen - 10/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-12 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 22:29 Fiche Arrest nr 173.361 van 10 juli 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Verkiezingen, onverenigbaarheden en vervallenverklaringen Beslissing : Vernietiging Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.361 van 10 juli 2007 in de zaak A. 181.453/XII-
- VERKIEZING VAN DE SCHEPENEN EN DE LEDEN VAN DE RAAD VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN TE BOECHOUT. In zake :
- Albert MARIEN,
- Louis MERTENS,
- Stephan VANROOY,
- Fred ENTBROUXK,
- Wilfried VAN VLEM, die woonplaats kiezen bij advocaten K. Crauwels en K. Clonen, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 210a; Belanghebbende partijen:
- Els AUGUSTINUS,
- Michel BRUYNEEL,
- Dirk CROLLET,
- Cecile CRYNEN,
- Bart DE CLERCK,
- Willy VAN GENECHTEN,
- Bieke VERKINDEREN, die woonplaats kiezen bij advocaat Jan Ghysels, kantoor houdende te Brussel, Terhulpsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het beroep dat Albert Marien, Louis Mertens, Stephan Vanrooy, Fred Entbrouxk en Wilfried Van Vlem, op 2 maart 2007 hebben ingediend tegen de beslissing van 22 februari 2002 van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen van Antwerpen en waarbij zij vragen : “De beslissing van 22 februari 2007 van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen te Antwerpen waarbij het bezwaarschrift ingediend door verzoekers ontvankelijk werd verklaard met uitzondering van de vraag tot vervallenverklaring van individuele schepenen en OCMW-raadsleden, maar ongegrond werd verklaard en waarbij de uitslag van de verkiezingen van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn te Boechout geldig wordt verklaard, te vernietigen. XII-5051-1/15 Dienvolgens in rechte en in feite vast te stellen dat zes Cd&V-verkozenen van de gemeente Boechout meer dan één gezamenlijke akte van voordracht van de kandidaat-schepenen en de kandidaat-burgemeester ondertekenden; Te zeggen voor recht dat de gemeenteraadsleden Els Augustinus, Michel Bruyneel, Dirk Crollet, Cecille Crynen, Bart De Clerck en Willy van Genechten voor de duur van de huidige zittingsperiode (01/01/2007-31/12/2012) niet kunnen worden benoemd of verkozen als burgemeester, schepen, voorzitter van de gemeenteraad, voorzitter van een gemeenteraadscommissie of OCMW- raadslid en zij de gemeente niet kunnen vertegenwoordigen of namens de gemeente een mandaat opnemen in een extern verzelfstandigd agentschap of andere vestigingen van stichtingen of vennootschappen; Te zeggen voor recht dat de mandaten van de heer Dirk Crollet als 2de Schepen, van de heer Bart De Clerck als 3de Schepen en van de heer Willy Van Genechten als OCMW-raadslid, alsmede alle eventuele andere aanstellingen, mandaten, benoemingen of vertegenwoordigingen van de 6 bovenvermelde gemeenteraadsleden van de gemeente Boechout zoals bedoeld in de artikelen 45 en 59 Gemeentedecreet, van rechtswege vervallen zijn.”; Gelet op het bericht voorgeschreven in artikel 5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 juli 1956 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van state, in geval van beroep als bedoeld bij artikel 76bis van de gemeentekieswet; Gelet op de naleving van de vormvereisten voorgeschreven bij de artikelen 3, 4 en 5 van het koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn; Gezien het administratief dossier; Gezien de memorie van de verzoekers in tussenkomst; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 12 juni 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 juni 2007; Gelet op de kennisgeving aan partijen van de beschikking tot vaststelling en van het verslag; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-5051-2/15 Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Grauwels, die verschijnt voor verzoekers, en van advocaat J. Ghysels, die verschijnt voor verzoekers in tussenkomst; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De voorgaanden
- Op 8 oktober 2006 hebben in Boechout gemeenteraadsverkiezingen plaats. Op basis van hun verkiezingsresultaat zijn aan de deelnemende lijsten respectievelijk het volgende aantal zetels in de gemeenteraad toegewezen: - Sp.a-Spirit: 5 zetels - VLD-Vivant: 3 zetels - N-VA: 0 zetels - Groen!-Gangmaker: 3 zetels -VLAAMS BELANG: 4 zetels - CD&V: 6 zetels - TEAM-B/V 2 zetels. Op 6 december 2006 wordt bij de gemeentesecretaris van Boechout een gezamenlijke akte van voordacht van kandidaat-schepenen ingediend, die is ondertekend door de zes verkozenen van CD&V, de vijf verkozenen van Sp.a- Spirit en de drie verkozenen van Groen!-Gangmaker. Met deze voordrachtsakte worden Koen T’Sijen (Sp.a-Spirit) en diens opvolger -vanaf 1 januari 2010- Michel Bruyneel (CD&V), Dirk Crollet (CD&V), Bart De Clerck (CD&V), Maria Van den Heuvel (Sp.a-Spirit) en Rudi Goyvaerts (Sp.a-Spirit) voorgedragen als schepenen. Op 21 december 2006 wordt bij de gemeentesecretaris een kopie van een andere gezamenlijke akte van voordracht van kandidaat-schepenen ingediend. De handtekeningen die op deze voordrachtsakte voorkomen zijn XII-5051-3/15 afkomstig van de zes verkozenen van CD&V, de drie verkozenen van VLD en de twee verkozenen van TEAM-B/V. Met deze voordrachtsakte worden Dirk Crollet (CD&V) en zijn opvolger -vanaf 1 januari 2010- Michel Bruyneel (CD&V), Bart De Clerck (CD&V), Cecilia Crynen (CD&V) en Frederik Entbrouxk (TEAM-B/V) voorgedragen als schepenen. Bij de gouverneur van de provincie Antwerpen zouden, volgens verzoekers, tijdens de maand december 2006 op en gelijkaardige wijze door dezelfde verkozenen ook twee gezamenlijke akten van voordracht van een kandidaat-burgemeester zijn ingediend. Tijdens de installatievergadering van de nieuwe gemeenteraad op 2 januari 2007 beslist de nog in functie zijnde burgemeester de vergadering voortijdig te sluiten. Hij stelt dat de gemeenteraad niet kan overgaan tot de verkiezing van een voorzitter, de schepenen en de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn en de politieraad, omdat “[a]l de verkozenen van de lijst CD&V [...] een dubbele handtekening [hebben] geplaatst met name op de voordrachtakte voor de burgemeester én op de voordrachtakte voor de schepenen”. Uiteindelijk worden op 25 januari 2007, bij afzonderlijke stemming, onder anderen Dirk Crollet en Bart De Clerck tot schepen verkozen en leggen zij in die hoedanigheid de eed af. Willy Van Genechten wordt verkozen tot lid van de raad voor maatschappelijk welzijn. Op 26 januari 2007 dienen de huidige verzoekers een bezwaarschrift in bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen van Antwerpen. Onder verwijzing naar de artikelen 45 en 59 van het gemeentedecreet van 15 juli 2005 vragen zij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen te zeggen voor recht dat de CD&V-gemeenteraadsleden die twee gezamenlijke voordrachtsakten van kandidaat-schepenen en van een kandidaat-burgemeester hebben ondertekend, voor de duur van de huidige zittingsperiode niet kunnen worden benoemd of verkozen als burgemeester, schepen, voorzitter van de gemeenteraad, voorzitter van een commissie of lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, dat zij de gemeente niet kunnen vertegenwoordigen of namens de gemeente een mandaat kunnen bekleden in gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen of andere verenigingen, stichtingen of vennootschappen en dat XII-5051-4/15 Dirk Crollet en Bart De Clerck van hun mandaat van schepen en Willy Van Genechten van zijn mandaat van OCMW-raadslid vervallen worden verklaard. Zij vragen de Raad voor Verkiezingsbetwistingen tevens zijn beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Op 22 februari 2007 beslist de Raad voor Verkiezingsbetwistingen dat het bezwaarschrift ontvankelijk is, met uitzondering van de vraag tot vervallenverklaring van individuele schepenen en OCMW-raadsleden, maar ongegrond (artikel 1). De uitslag van de verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk wordt geldig verklaard (artikel 3). Overwogen wordt onder meer dat de Raad voor Verkiezingsbetwistingen niet bevoegd is schepenmandaten of mandaten als OCMW-raadslid vervallen te verklaren op grond van het feit dat betrokkenen twee akten van voordracht van kandidaat-schepenen zouden hebben ondertekend, dat niet kan worden aanvaard dat de ondertekenaars van het in kopie bij de gemeentesecretaris neergelegde document “de wil en de bedoeling hadden om dit als een gezamenlijke akte van voordracht te beschouwen en door neerlegging openbaar te maken, toen duidelijk werd dat de gewenste meerderheid niet zou worden gehaald”, dat er te dezen geen overloperij of postjesjagerij aan de orde is, en dat “het neergelegde stuk bovendien de materiële kenmerken van een geldige akte van voordracht, met name het originele karakter van de handtekeningen, ontbeert”. De procedure voor de Raad van State
- Els Augustinus, Michel Bruyneel, Dirk Crollet, Cecile Crynen, Bart De Clerck, Willy Van Genechten en Bieke Verkinderen hebben met een op 11 mei 2007 ter post aangetekend verzonden schrijven een “memorie” ingediend. Daarin stellen zij dat hun tussenkomst, gelet op het voorschrift van artikel 21bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, tijdig is, dat de voormelde wetsbepaling voorschrijft dat het beroep door de hoofdgriffier ter kennis wordt gebracht van de personen die belang hebben bij de beslechting van de zaak en dat deze personen dan binnen een termijn van dertig dagen in de zaak kunnen tussenkomen, dat de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit van 15 juli 1956 en de artikelen 4 en 6 van het koninklijk besluit van 12 januari 1977 weliswaar een bekendmaking door aanplakking voorschrijven en tevens bepalen dat al wie van een belang kan doen blijken binnen een termijn van respectievelijk acht en vijftien dagen na die bekendmaking een memorie van antwoord kan indienen, dat echter bij XII-5051-5/15 koninklijk besluit niet kan worden afgeweken van artikel 21bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat voorzover te dezen toch een afwijkende regeling zou bestaan, zij met toepassing van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten. Volgens de betrokkenen is hun memorie tijdig, omdat hen nooit op de door artikel 21bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voorgeschreven wijze kennis is gegeven van het voorliggende beroep. Zij argumenteren dat op grond van artikel 19 van diezelfde gecoördineerde wetten en artikel 35 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur, een beslissing die beoogt rechtsgevolgen te creëren voor één of meer bestuurden, slechts geldig aan de betrokkenen ter kennis wordt gebracht indien de beroepsmogelijkheden en de modaliteiten van het beroep zijn vermeld, dat bij ontstentenis daarvan de termijn voor het indienen van een beroep geen aanvang neemt, dat de rechtspositie van rechtsonderhorigen die worden geconfronteerd met een beslissing die rechtsgevolgen beoogt tot stand te brengen, vergelijkbaar is met deze van rechtsonderhorigen die worden geconfronteerd met een beroep tot vernietiging in een aangelegenheid waarbij zij belang hebben, dat het recht van verdediging en “de gelijkheid der wapens” onevenredig in het gedrang komen, indien de betrokkenen in dit laatste geval, om reden van de dringendheid van de procedure, niet rechtstreeks van de indiening van het beroep tot vernietiging in kennis worden gesteld. De indieners van de memorie vragen voorts dat in de mate dat artikel 76bis van de gemeentekieswet en de artikelen 18, 21 en 22 van de OCMW-wet zouden bepalen dat in het geval van een tussenkomst in een op grond van deze bepalingen ingestelde procedure tot nietigverklaring, de regels van artikel 21bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet moeten worden gevolgd, aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag wordt gesteld : “Schenden het artikel 76bis van de gemeentekieswet en de artikelen 18, 21 en 22 van de OCMW-wet de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en de wapengelijkheid doordat op grond van deze bepalingen een beroep dat wordt ingediend bij de Raad van State slechts ter kennis wordt gebracht aan de belanghebbenden door middel van de aanplakking van de bekendmaking van de neerlegging van het verzoekschrift houdende beroep tot vernietiging op het gemeentesecretariaat en deze bekendmaking op geen enkele wijze de mogelijkheden tot tussenkomst en de modaliteiten daarvan vermeldt terwijl een besluit dat beoogt rechtsgevolgen te creëren steeds XII-5051-6/15 rechtstreeks ter kennis moet worden gebracht aan de bestuurden en tevens de beroepsmogelijkheden en de modaliteiten van het beroep moet vermelden terwijl voor dit verschil in behandeling geen enkele redelijke verantwoording bestaat?”.
- Te dezen is eensdeels, gelet op de verwijzing in artikel 85novies van de gemeentekieswet naar onder meer het artikel 85septies over het beroep bij de Raad van State inzake de geldigheid van de gemeenteraadsverkiezingen, het koninklijk besluit van 15 juli 1956 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld bij artikel 76bis van de gemeentekieswet van toepassing. Anderdeels moet toepassing worden gemaakt van het koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Geen van beide besluiten voorziet in een mogelijkheid tot tussenkomst, wel in een mogelijkheid voor de belanghebbenden om een memorie van antwoord in te dienen. Krachtens artikel 6 van het koninklijk besluit van 15 juli 1956 zijn onder meer diegenen die van een belang kunnen doen blijken, gerechtigd om een memorie van antwoord aan de Raad van State toe te sturen binnen acht dagen na de eerste dag van de aanplakking van het bericht betreffende de neerlegging van het verzoekschrift op het gemeentesecretariaat. Artikel 6 van het koninklijk besluit van 12 januari 1977 verleent aan de belanghebbenden hetzelfde recht, met dien verstande dat de memorie moet worden ingediend binnen vijftien dagen na de bekendmaking van het bedoelde bericht. In casu werd het bedoelde bericht, blijkens de overgelegde attesten van de burgemeester en de gemeentesecretaris van Boechout, bekendgemaakt op 23 maart 2007, zodat de voorliggende memorie, die pas op 11 mei 2007 werd ingediend, laattijdig is.
- Ten onrechte claimen Els Augustinus en de andere indieners van de memorie de toepassing van artikel 21bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De regelgeving in verband met de tussenkomst in de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State was aanvankelijk geheel opgenomen in de artikelen 52 tot en met 54 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De koninklijke besluiten van 15 juli XII-5051-7/15 1956 en 12 januari 1977, die op grond van artikel 30, lid 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bijzondere rechtsplegingen hebben ingesteld, hebben in hun artikel 11 sommige bepalingen van het algemeen procedurereglement van toepassing gesteld, doch niet de bepalingen in verband met de tussenkomst. Bij wet van 17 oktober 1990 tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State, werd de regelgeving met betrekking tot de tussenkomst hoofdzakelijk ingevoegd in artikel 21bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zonder dat blijkt dat de wetgever daarmee beoogde het toepassingsgebied ervan uit te breiden tot de bijzondere rechtsplegingen, zoals deze geregeld in de koninklijke besluiten van 15 juli 1956 en 12 januari
- De regeling van de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit van 15 juli 1956 en de artikelen 4 en 6 van het koninklijk besluit van 12 januari 1977 is bovendien niet strijdig met artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 35 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur. De betekening of de kennisgeving waarvan sprake in de voormelde wetsbepalingen, betreft immers administratieve beslissingen met individuele strekking, terwijl een beroep dat tegen een beslissing van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen over het verkiezingscontentieux wordt ingediend, geen dergelijke administratieve beslissing is.
- De mogelijkheid voor de belanghebbenden in het verkiezingscontentieux om binnen een korte termijn een memorie van antwoord in te dienen, is niet vervat in artikel 76bis van de gemeentekieswet, noch in de artikelen 18, 21 en 22 van de OCMW-wet, maar wel in artikel 6 van het koninklijk besluit van 15 juli 1956 en artikel 6 van het koninklijk besluit van 12 januari
- Het is dan ook niet dienstig om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de verenigbaarheid van de voormelde wetsbepalingen met “de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en de wapengelijkheid”.
- De memorie van antwoord wordt uit de debatten geweerd. Dat geldt ook de pleitnota die de betrokkenen ter terechtzitting neerleggen, al was het maar omdat, gelet op de respectieve artikelen 11 van de koninklijke besluiten van 15 juli 1956 en 12 januari 1977 en op het artikel 29 van het algemeen XII-5051-8/15 procedurereglement waarnaar die artikelen verwijzen, ter terechtzitting geen andere middelen mogen worden aangevoerd dan die welke in het verzoekschrift of in de memorie zijn uiteengezet. De grond van de zaak
- Verzoekers voeren in een eerste middel de schending aan van de artikelen 45 en 59 van het gemeentedecreet, de miskenning van de bewijskracht van de akte, en het ontbreken van de feitelijk vereiste grondslag”. In een eerste onderdeel van het middel voeren verzoekers aan dat de Raad voor Verkiezingsbetwistingen er ten onrechte vanuit gaat dat het door hen als akte van voordracht bestempelde document niet als een akte van voordracht in de zin van het gemeentedecreet kan worden beschouwd, maar wel als een onderhandelingsdocument. Zij betogen dat de Raad voor Verkiezingsbetwistingen aldus de voorliggende stukken en hun bewijskracht miskent, dat de door de CD&V- verkozenen ondertekende stukken de titel “Akte van voordracht” dragen en overeenstemmen met het door het Agentschap Binnenlands Bestuur ter beschikking gestelde model, zodat duidelijk de bedoeling van de betrokkenen blijkt om zich te binden, dat bovendien overduidelijk is en niet wordt ontkend dat de kwestieuze documenten wel degelijk werden ondertekend, dat de handtekening niet alleen een vormelijke, maar ook een intentionele waarde heeft, dat de ondertekende documenten melding maken van hun draagwijdte en de ondertekenaar waarschuwen voor de juridische gevolgen van de ondertekening, dat niets in de documenten erop wijst dat de partijen zich door hun handtekening niet definitief hebben willen verbinden of dat de ondertekening zou zijn gebeurd onder de opschortende voorwaarde van het bekomen van de handtekening van één of meerdere coalitiepartners. In een tweede onderdeel doen verzoekers gelden dat de Raad voor Verkiezingsbetwistingen ten onrechte in overweging neemt dat het origineel van de kwestieuze voordrachtsakte nooit is neergelegd en dat de registratie van de kopie geen inhoudelijk oordeel over de waarde van de akte of over de gelijkvormigheid van het origineel inhoudt. Zij betogen dat niet kan worden betwist dat het origineel van de kwestieuze voordrachtsakte wel degelijk bestaat; dat zulks wordt erkend in een brief van 29 oktober 2006 van CD&V-verkozene Michel Bruyneel aan vierde verzoeker en ook kan worden opgemaakt uit de memorie van antwoord van de XII-5051-9/15 betrokken CD&V-verkozenen voor de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, de gevoerde debatten en de afgelegde getuigenverklaringen, dat de originele voordrachtsakte door de CD&V-verkozenen wordt achtergehouden of misschien zelfs is vernietigd, dat echter voor het in werking stellen van het sanctiemechanisme van de artikelen 45 en 59 van het gemeentedecreet het loutere feit dat twee akten werden ondertekend, volstaat, dat anders de voormelde decretale bepalingen hun doel zouden voorbijschieten. In een derde onderdeel stellen verzoekers dat de aanwezigheid van een originele handtekening geen voorwaarde is voor de geldigheid van de voordrachtsakte, maar hoogstens een ontvankelijkheidsvoorwaarde, terwijl de sanctie van de artikelen 45 en 59 van het gemeentedecreet losstaat van de beoordeling van de ontvankelijkheid van de voordrachtsakte; dat hoe dan ook het bestaan van de originele akte vaststaat.
- Artikel 45, §§ 1 en 2, van het gemeentedecreet, gewijzigd bij decreten van 2 juni 2006 en 22 december 2006, luiden als volgt : “§
- Behalve de schepen benoemd overeenkomstig artikel 44, § 3 en § 4, tweede lid, worden de schepenen door de gemeenteraad onder de gemeenteraadsleden verkozen op basis van een gezamenlijke akte van voordracht van de kandidaat- schepenen, ondertekend door meer dan de helft van de verkozenen op de lijsten die aan de verkiezingen deelnamen. Om ontvankelijk te zijn moet die gezamenlijke akte van voordracht voor elk van de kandidaat-schepenen tevens ondertekend zijn door een meerderheid van de personen die op dezelfde lijst werden verkozen als de voorgedragen kandidaten. Als de lijst waarop een kandidaat-schepen voorkomt slechts twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van één van hen. Niemand kan meer dan één gezamenlijke akte van voordracht ondertekenen. Overtreding van dit verbod heeft in alle akten van voordracht de ongeldigheid tot gevolg van alle handtekeningen geplaatst in strijd met dit voorschrift. Een verkozene die meer dan één akte van voordracht ondertekent, kan voor de duur van de zittingsperiode van de gemeenteraad niet worden benoemd of verkozen als burgemeester, schepen, voorzitter van de gemeenteraad, voorzitter van een commissie of lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, en kan de gemeente niet vertegenwoordigen of namens de gemeente een mandaat bekleden in gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen of andere verenigingen, stichtingen of vennootschappen. Indien de betrokken verkozene reeds een dergelijk mandaat bekleedt, vervalt dit van rechtswege voor de duur van de zittingsperiode van de raad. [...] §
- Nadat de gemeenteraadsleden de eed hebben afgelegd, overhandigd de gemeentesecretaris de gezamenlijke akte van voordracht van de kandidaat- schepenen aan de voorzitter van de gemeenteraad. XII-5051-10/15 De voorzitter van de gemeenteraad gaat na of de gezamenlijke akte van voordracht ontvankelijk is overeenkomstig de voorwaarden, bepaald in §
- Enkel de handtekeningen van de gemeenteraadsleden die de eed hebben afgelegd, worden hiertoe in aanmerking genomen, met inbegrip van de handtekeningen van de opvolgers die de akte van voordracht hebben ondertekend en die nadien als gemeenteraadslid de eed hebben afgelegd. In voorkomend geval worden de voorgedragen kandidaat-schepenen verkozen verklaard en is het aantal schepenen vastgelegd tot de eerstvolgende vernieuwing van de gemeenteraad”. De sanctie waarin de aangehaalde bepalingen voorzien in het geval van de ondertekening van meer dan één voordrachtsakte van kandidaat- schepenen, is op eenzelfde wijze bepaald in artikel 59, §1, tweede lid, van het gemeentedecreet, dat de voordracht van een kandidaat-burgemeester betreft. De bedoeling van de decreetgever is “overloperij en omkooppraktijken” uit te sluiten (Parl. St. Vl. Parl., 2005-2006, nr. 814/3, 4).
- Het staat vast dat te Boechout na de gemeenteraadsverkiezing van 8 oktober 2006 twee gezamenlijke akten van voordracht van kandidaat-schepenen in handen van de gemeentesecretaris werden neergelegd, ondertekend door de verkozenen van CD&V. Op 6 december 2006 werd een dergelijke voordrachtsakte neergelegd die ondertekend was door de verkozenen van de lijsten CD&V, Sp.a- Spirit en Groen!-Gangmaker; op 21 december 2006 werd dan weer een voordrachtsakte neergelegd, ondertekend door de verkozenen van de lijsten CD&V, VLD-Vivant en TEAM-B/V. Dat de laatstgenoemde akte weliswaar een kopie was en geen origineel ondertekend stuk -maar dan wel een kopie waarvan de overeenstemming met het verdwenen origineel nooit betwist is-, doet als zodanig geen afbreuk aan de aard van de akte, die er wezenlijk een is én blijft tot voordracht in het kader van een gezamenlijke verkiezing van de schepenen. Ook de omstandigheid dat de voordrachtsakte slechts de handtekening bevatte van elf verkozen gemeenteraadsleden, derhalve niet was ondertekend door meer dan de helft van de verkozenen op de lijsten die aan de verkiezing deelnamen en bijgevolg geen gezamenlijke verkiezing van de schepenen kon meebrengen, belet niet dat de akte als een gezamenlijke akte van voordracht te beschouwen is. Overigens is, zoals uit het aangehaalde artikel 45, § 2, kan worden opgemaakt, de ondertekening door meer dan de helft van de verkozenen op de lijsten die aan de verkiezingen deelnamen, nog geen garantie dat de voordrachtsakte XII-5051-11/15 wél tot gevolg heeft dat de voorgedragen kandidaat-schepenen verkozen worden verklaard: om verkozen te worden verklaard, volstaan niet de handtekeningen van de meerderheid van de verkozenen, maar zijn de handtekeningen vereist van de meerderheid van de gemeenteraadsleden die de eed hebben afgelegd. Ten slotte brengt ook het enkele feit dat de op 21 december 2006 neergelegde akte niet het maximum toegelaten aantal schepenen voordroeg, niet mee dat het van de weeromstuit geen gezamenlijke akte van voordracht van kandidaat- schepenen meer kan zijn. Het is niet verboden in minder schepenen te voorzien dan het gemeentedecreet toelaat en om via de gezamenlijke akte van voordracht, impliciet, het aantal schepenen dat de gemeente wenst -tot aan de eerstvolgende volledige vernieuwing van de gemeenteraad- op een lager aantal dan decretaal toegelaten, vast te leggen.
- De Raad voor Verkiezingsbetwistingen heeft zijn bestreden beslissing gesteund op de overweging dat niet kan worden aanvaard dat de ondertekenaars van het betwiste document de wil en de bedoeling hadden om dit als een gezamenlijke akte van voordracht te beschouwen. De Raad leidt dit af uit het feit dat het origineel van de kwestieuze voordrachtsakte nooit is neergelegd en dat “het rechtstreeks plaatsen van de handtekening op papier, zonder tussenstappen zoals een fotokopieerapparaat, een essentieel element vormt van de handtekening”. Voorts overweegt de Raad dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om “overloperij of postjesjagerij te beteugelen” en dat daarvan “in deze situatie” geen sprake is. Het standpunt van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen dat de ondertekenaars van de kwestieuze akte niet de wil en de bedoeling zouden hebben gehad om ze als een gezamenlijke akte van voordracht te beschouwen, kan in zijn algemeenheid niet worden bijgevallen. Uit niets blijkt dat niet minstens op het ogenblik van de ondertekening die wil en bedoeling bij alle ondertekenaars wel degelijk aanwezig was. Dat de kwestieuze voordrachtsakte alleen maar een informeel document zou zijn geweest waarin de voorlopige stand van de coalitiebesprekingen werd genoteerd, is niet meer dan een gratuite a posteriori- bewering. Het aangewende modelformulier vermeldt immers, zoals verzoekers terecht laten gelden, duidelijk de aard van de akte en waarschuwt voor de gevolgen van de dubbele ondertekening van een voordrachtsakte. XII-5051-12/15 Dat niet zou voldaan zijn aan de ratio legis van de sanctie van artikel 45, § 1, eerste lid, van het gemeentedecreet, kan evenmin worden aangenomen. Alleszins werd door de betrokken verkozenen het gegeven woord, dat is veruitwendigd door de ondertekening van de kwestieuze akte, niet gestand gedaan. Welnu het is een vorm van overloperij als een groep zijn gegeven woord om een bestuursmeerderheid te vormen niet getrouw blijft teneinde een anders samengestelde meerderheid te vormen.
- Dirk Crollet, Bart De Clerck en Willy Van Genechten hebben meer dan één gezamenlijke akte van voordracht ondertekend; daarmee is de enige decretaal bepaalde voorwaarde vervuld opdat zij niet als schepen of lid van de raad voor maatschappelijk welzijn mogen worden verkozen. Het eerste middel is gegrond. Eensdeels leidt het tot de ongeldigverklaring van de verkiezingen van Dirk Crollet en Bart De Clerck tot schepen van de gemeente Boechout. Anderdeels wijst het uit dat de geldigheid van de verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te Boechout beslissend is aangetast en dat er reden is ook die verkiezing ongeldig te verklaren. Afstand
- Op de inwilliging van het méér gevorderde, verklaren verzoekers ter terechtzitting niet meer aan te dringen. Dit wordt als een afstand terzake begrepen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE: Artikel
- De beslissing 22 februari 2007 van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen van Antwerpen inzake de verkiezingen van de schepenen en de OCMW-raadsleden van de gemeente Boechout wordt vernietigd wat artikel 1 en 3 ervan betreft. XII-5051-13/15 XII-5051-14/15 Artikel
- De verkiezingen van 25 januari 2007 van Dirk Crollet en Bart De Clerck tot schepen van de gemeente Boechout worden ongeldig verklaard. Artikel
- De verkiezing van 25 januari 2007 van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn van Boechout wordt ongeldig verklaard. Artikel
- De afstand van het meer gevorderde wordt vastgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 10 juli 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5051-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.361 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div