← België

Arrest 173389 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 11/07/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.389 Rolnummer: Zaak: Arrest 173389 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 11/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-20 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 22:41 Fiche Arrest nr 173.389 van 11 juli 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.389 van 11 juli 2007 in de zaken A. 180.123/XIV-28.191 180.124/XIV-28.

  1. In zake : I. XXX, II.XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat S. MICHOLT, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Maria van Bourgondiëlaan 7 B tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 10 januari 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 8 december 2006 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen en hem geen subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend; Gelet op de beschikking nr. 166 van 30 januari 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 10 januari 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 8 december 2006 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen en haar geen subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend; Gelet op de beschikking nr. 167 van 30 januari 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; XIV-28.191-1/5 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikkingen van 13 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 mei 2007; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. SROKA die, loco Advocaat S. MICHOLT verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de procedure. Overwegende dat de echtgenoten XXX en XXX ieder in een afzonderlijk verzoekschrift de vernietiging vragen van de te hunnen opzichte genomen beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; dat de beslissing die ten opzichte van de vrouw werd genomen onder meer rust op de beslissing in verband met haar man; dat, in het belang van een goede rechtspleging, het aangewezen is beide beroepen wegens verknochtheid samen te behandelen en te berechten;
  3. Over de gegrondheid van de beroepen. 2.
  4. Wat het beroep van XXX betreft: 2.1.1.
  5. Overwegende dat in het eerste middel, afgeleid uit de schending van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 52/22 (lees 57/22) van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van het motiveringsbeginsel, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de rechten van verdediging, verzoeker laat gelden dat het aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen is om het voordeel van de twijfel te weerleggen, dat er aldus moet aangetoond worden waarom de verklaring niet als geloofwaar- dig wordt beschouwd, dat hij de documenten die hij had meegenomen uit zijn herkomstland XIV-28.191-2/5 aan de mensensmokkelaar heeft moeten afgeven, dat het enige dat hij heeft kunnen bekomen een kopie van zijn geboorteakte is, dat in de bestreden beslissing niet wordt gesteld dat men zijn vluchtrelaas an sich niet gelooft maar dat enkel verwezen wordt naar zijn origine en verblijfplaats; 2.1.1.
  6. Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie genoegzaam doet blijken waarom verzoekers relaas haar niet geloofwaardig voorkomt, met name omdat betrokkene “geen enkel reisbescheiden kan voorleggen en aldus op vrijwillige wijze iedere controle van zijn reisweg onmogelijk maakt”, omdat hij “geen begin van bewijs kan neerleggen omtrent zijn identiteit of zijn nationaliteit”, omdat “het niet neerleggen van het binnenlandse paspoort erop zou kunnen wijzen dat (hij) bepaalde informatie wil achterhouden zoals zijn laatste woonplaats of het bezit van een internationaal paspoort “en omdat hij geen enkel document neerlegt waaruit kan blijken dat hij de laatste jaren in XXX woonde” (en evenmin) “geen enkel document neerlegt waaruit zijn XXX origine blijkt”; dat, zoals volkomen terecht in de bestreden beslissing wordt overwogen, de kandidaat-vluchteling in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas; dat de feitenrechter in laatste aanleg oordeelt over de mogelijkheid om bewijsstukken aan te brengen en in hoeverre het niet-voorleggen van bewijsstukken -onder meer in verband met de origine en laatste verblijfplaats- de geloofwaardigheid van het vluchtrelaas aantast; dat deze beoordelingen niet kunnen worden overgedaan door de cassatierechter; dat het eerste middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.1.2.
  7. Overwegende dat in het tweede middel, afgeleid uit de schending van de rechten van verdediging, van artikel 149 van de Grondwet, van de motiveringsplicht, van de hoorplicht en van het Verdrag van Genève betreffende de vluchtelingen en de staatlozen, ondertekend op 28 juni 1951, verzoeker laat gelden dat hij voortdurend geviseerd werd voor zijn XXX origine, dat hij en zijn familie geregeld telefonisch werden bedreigd en beledigd, dat de pesterijen die hij door zijn XXX achtergrond diende te ondergaan ondraaglijk werden, dat het gevaarlijk werd om er nog te blijven en hij steeds meer en meer met de dood werd bedreigd, dat hij om die redenen geen andere uitweg meer zag dan te vluchten, dat in de beslissing wordt gesteld dat bedreigingen en problemen met een maffioso niet worden gelijkgesteld met het uiten van een politieke overtuiging, dat in casu de maffioso M. is, de vroegere burgemeester van B. en de huidige president, dat hij inderdaad nooit politiek actief was, in de zin dat hij geen lid was van politieke verenigingen en dergelijke, maar dat hij steeds zijn politieke opvattingen heeft verteld en nooit onder stoelen of banken heeft gestoken, dat het feit dat de maffioso M. een belangrijk publiek/politiek persoon is wel XIV-28.191-3/5 degelijk een politiek karakter aan zijn problemen geeft en deze wel degelijk binnen de voorwaarden van het vluchtelingenverdrag vallen; 2.1.2.
  8. Overwegende dat niet wordt uiteengezet welke bepaling van het Vluchtelingenverdrag zou zijn miskend; dat evenmin wordt toegelicht in welk opzicht het recht van verdediging of de hoorplicht zouden zijn geschonden; dat het de Vaste Beroeps- commissie voor vluchtelingen toekomt in laatste aanleg te oordelen of aan de voorwaarden voor de erkenning van vluchteling voldaan is, en inzonderheid of de aangehaalde problemen hun grondslag vinden in één van de criteria van het Vluchtelingenverdrag, zoals de politieke overtuiging van betrokkene; dat, als administratieve cassatierechter, het de Raad van State niet toekomt dit onderzoek over te doen; dat onder het mom van de schending van de motiveringsplicht het tweede middel er in wezen toe strekt aan te tonen dat de problemen van verzoeker “wel degelijk vallen binnen de voorwaarden van het vluchtelingenverdrag”; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 2.
  9. Wat het beroep van XXX betreft: 2.2.
  10. Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit “bevoegdheidsover- schrijding en schending van de artikelen 52, § 1, 2/ en 7/, vreemdelingenwet, van artikel 1 C

(5), tweede lid vluchtelingenverdrag en van de beginselen van behoorlijk bestuur”, verzoekster verwijst naar de motivering van het beroep van haar echtgenoot; 2.2.
  1. Overwegende dat verzoekster in wezen beoogt dat de te haren opzichte genomen beslissing onwettig is, want gesteund op een onwettige beslissing, met name deze in verband met haar echtgenoot; dat, indien het beroep van haar echtgenoot onwettig is, de te zijnen opzichte door de Vaste Beroepscommissie getroffen beslissing definitief wordt en niet langer de onwettigheid ervan kan worden aangevoerd; dat het dan ook niet nodig is na te gaan of de als geschonden opgegeven rechtsregelen in deze wel van toepassing zijn, laat staan of wel genoegzaam is uiteengezet hoe deze rechtsregelen zijn miskend;
  2. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State, XIV-28.191-4/5 BESLUIT: Artikel
  3. De zaken nrs. A 180.123/XIV-28.191 en 180.124/XIV-28.192 worden gevoegd. Artikel
  4. De beroepen worden verworpen. Artikel
  5. De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf juli tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-28.191-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.389 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.