← België

Arrest 173390 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 11/07/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.390 Rolnummer: A. 180416/XIV-28104 Zaak: Arrest 173390 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 11/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-20 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 22:41 Fiche Arrest nr 173.390 van 11 juli 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.390 van 11 juli 2007 in de zaak A. 180.416/XIV-28.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat F. JACOBS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Kroonlaan 207 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van XXX nationaliteit, op 2 januari 2007 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van 9 november 2006 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hen als vluchteling te erkennen en waarbij hen geen subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend; Gelet op de beschikking van 14 februari 2007 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de beschikking nr. 236 van 14 februari 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 mei 2007; XIV-28.104-1/13 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. HINNEKENS die, loco Advocaat F. JACOBS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  5. Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren: “Schendig van art. 2 par. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motiveringsplicht van administratieve akten en artikel 57/22 van de Wet van 15.12.1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling, artikel 149 G.W.; Schending van artikel 39/65, 48/4 en 49/3 van de wat van 15.12.1980 betreffende de toegang het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Schending van de principes van behoorlijk bestuur, principes van machtsoverschrijding en de schending van de algemene principes van het recht op een eerlijke en openbare behandeling van het proces alsmede van artikel 3 van de Conventie van de Mens, ondergetekend te Roma op 4.11.1950, Dat de beslissing schriftelijk werd gekend gemaakt en betekend aan verzoekende partijen; Dat de beslissing voor het hoofddeel de motieven van het CGVS eigen maakt en absoluut geen rekening houdt met de argumentatie van verzoekers, uiteengezet bij verzoekschrift; Dat luidens artikel 149 van de Grondwet, de beslissingen in het openbare dienen te worden uitgesproken en dienen gemotiveerd te worden,; Dat echter de motivering moet betrekking hebben op de ingeroepen feiten, waarbij melding moet worden gemaakt van de toepasselijke juridische regels en waarbij dient gemeld te worden hoe en waarom deze juridische regels hebben aanleiding gegeven tot de genomen beslissing; Bovendien stelt de wet dat de motivering afdoende dient te zijn. Teneinde als afdoende kunnen beschouwd te worden dient de motivatie steun te vinden in het administratief dossier en alle elementen die ter kennis van de administratie werden gebracht in overweging te nemen. Dat deze principes ook de VBCV een voorzichtigheid en zorgvuldigheidsplicht opleggen bij de behandeling van dossiers die aan hun beoordeling worden voorgelegd; De Vaste Beroepscommissie baseert tevens haar beslissing op onvolledige elementen; De rechtspraak van de Raad van State is in dit kader zeer duidelijk ( arrest nr. 51.170 dd. 17.01.1995 arrest nr. 53.194 dd. 10.05.1992 en arrest nr. 49.995 dd. 28.10.1994); De beslissing van de Vaste-Beroepscommissie getuigt van een uitzonderlijke achteloosheid waarmee hij het dossier van verzoekende partij heeft behandeld, - hoewel er voldoende aanwijzingen bestaan om te besluiten dat er een reële vrees bestaat voor XIV-28.104-2/13 haar leven en zij fysieke integriteit in geval verzoekende partij zou terugkeren naar haar land, De bestreden beslissing is bijgevolg strijdig met het principe van behoorlijk bestuur en schendt tevens het recht op een eerlijke behandeling van de zaak; De getroffen beslissing luidt inderdaad als volgt : “Overwegende dat de verklaringen van de appellant een voldoende bewijs. van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, plausibel en correct zijn; dat de verklaringen van de appellant coherent moeten zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten; dat de bewijslast in beginsel rust op de appellant en hij in de mate van het mogelijke, bewijzen moet aanbrengen van de feiten die hij aanhaalt; dat het vervolgens de taak is van de persoon die de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling moet onderzoeken om de waarde van de bewijselementen en de geloofwaar- digheid van de verklaringen van betrokkene te beoordelen (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugie, Genève, september 1979, 53); Overwegende dat appellant zijn identiteit niet genoegzaam bewijst, dat appellant enkel een geboorteakte heeft voorgelegd; dat de drager van een geboorteakte niet noodzake- lijk de persoon is vernoemd in de geboorteakte; dat appellant volgens deze geboorteakte geboren is in B. in XXX op 6 januari1986, Dat appellant bij de Dienst Vreemdelingenzaken stelt dat zijn binnenlands paspoort werd in beslag genomen toen hij het binnenbracht bij de dienst burgerlijke stand om zijn huwelijk officieel te laten registreren; dat appellant vermoedt dat het nadien bij de politie terechtkwam aangezien er affiches met zijn pasfoto verspreid werden (verhoorverslag van 1 maart 2004, p. 7, 16); dat deze stelling niet overtuigt; dat appellant niet aannemelijk maakt dat de dienst burgerlijke stand dergelijke documenten in beslag neemt ter gelegenheid van de registratie van een huwelijk, Dat appellant tijdens het verhoor van 18 april 2005 stelt dat hij zijn paspoort aan zijn oom V. gaf om zijn huwelijk te laten registreren en dat hij zijn paspoort niet meer heeft gezien (verhoorverslag van 18 april 2005, p. 4); Dat de Commissie enkel kan vaststellen dat appellant geen eensluidende verklaringen aflegt betreffende een belangrijk identiteitsdocument dat hij niet bijbrengt; dat dit de geloofwaardigheid aantast; Overwegende dat appellant noch zijn reisweg, noch het ogenblik dat hij zijn land verliet of in België aankwam, bewijst; Dat hij stelde dat hij een deel van zijn reis heeft afgelegd met de trein maar geen ticket kan voorleggen omdat zijn oom dit betaalde; dat hij bij treincontroles niet werd gecontroleerd en de andere passagiers wel, dat dit mogelijk was omdat zijn oom dit geregeld had met de treinconducteur; dat dit ongeloofwaardig is; Dat appellant geen enkel concreet element kan geven over zijn reisweg en slechts een stad kan noemen; Overwegende dat appellant zijn desertie voor het leger inroept als grond van vervolging in zijn land van herkomst en als directe aanleiding van zijn vlucht (verhoorverslag van 1 maart 2004, p. 14); dat appellant ter zitting stelt, ingaand tegen zijn eerdere verklaringen en het verzoekschrift, dat deze reden hem eigenlijk geen vrees geeft omdat hij door zijn huwelijk probleemloos twee jaar vrijstelling kan verkrijgen; dat dit haaks staat op zijn verklaring tijdens het verhoor van 18 april 2005: “Jongens als ik worden naar XXX gestuurd. Daarom wilde ik niet gaan. Dit enige reden waarom u uw legerdienst niet wil doen? Ja, jongens uit naburige districten maakten dat mee en moesten deserteren "(verhoorverslag van 18 april 2005, p. 14 ); Dat volledigheidshalve het verzoekschrift verkeerdelijk stelt dat er geen alter natieve legerdienst in de XXX bestaat; dat de alternatieve dienstplicht bestaat sedert januari 2004 (nvdr onleesbaar Wirg. org

(2005)XXX: Refusing to bear arms 2005 revision nvdr onleesbaar : irg.org/co/rtba/xxx.htm); Dat in maart 2004 de Minister van Defensie bekend heeft gemaakt dat vanaf 2005 dienstplichtigen niet langer naar XXX zullen worden gestuurd (M. com (01/04/2004). XIV-28.104-3/13 New conscripts promised warmth and safety. In: htto://www. M.news. com/feature/2004/04/01lconscripts. shtml); dat begin 2005 de XXX Minister van Defensie alle dienstplichtigen in XXX zou vervangen hebben door beroepssoldaten (ISN (14/01/2005). Pros replace conscripts in XXX. In: htto://www. isn.ethz.ch/news/sw/details. cfm? id= 10559. geraadpleegd op 24 oktober 2006); Dat volgens UNHCR etnische XXX die een permanent verblijf hebben buiten het territorium van de XXX in de praktijk niet naar XXX worden gestuurd om hun dienstplicht te vervullen (UNHCR
(2004). Basis of claims and background information on asylumseekers and refugees trom the XXX. In: htto://www.unhcr.ch/cgi-- bin/texis/vtx/publ/opendoc.pdf ??tbl=RSDLEGAL&id=40a88b60a&page=publ); Dat appellant gelet op deze objectieve informatie er niet in slaagt aannemelijk te maken dat zijn weigering in te gaan op de oproepingsbrief om zich aan te melden voor zijn legerdienst een risico voor vervolging is in de zin van het vluchtelingenverdrag; dat evenmin werd aangetoond dat de bestraffing voor desertie buitensporig of discrimina- toir is; Overwegende dat de bestreden beslissing stelt: " U verklaarde XXX te hebben verlaten omdat u door de XXX autoriteiten werd vervolgd wegens vermeende hulp aan de rebellen. U beweerde in dit verband tot driemaal toe te zijn gearresteerd, vastgehouden en mishandeld op verdenking van medewerking met de rebellen. Een eerste maal zou zijn gebeurd nadat u een oom en een vriend onderdak en medische verzorging had verschaft (gehoor CGVS TG I p. 23-30), een tweede maal na een bomaanslag met een bromfiets op het gebouw van de FSB in K. op 17 juli 2003 (gehoor CGVS TG lp. 31 33 en CGVS TG 11 p. 5) en een derde maal nadat u tijdens uw huwelijksnacht was opgepakt (gehoor CGVS TG lp. 36-37 en gehoor CGVS TG II p. 7-9). U staafde uw beweerde vervolging door de XXX autoriteiten met verscheidene convocaties voor u en uw partner. Omtrent de oproepingen voor uwen uw partner om een getuigenis af te leggen bij de GOVD te K., dient echter vastgesteld te worden dat deze documenten niet als authentiek kunnen worden weerhouden. Op deze oproepingen staat immers te lezen dat u zich dient aan te bieden bij de GOVD te K., gelegen in de D.straat nr. 4 te K. Uit informatie waarover het Commissariaatgeneraal beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd toegevoegd, blijkt echter dat de GOVD te K. in februari 2004, in de maand waarin u en uw partner er zich dienden aan te bieden (zie convocaties), in de I.-K.straat was gevestigd. Dat het verzoekschrift stelt dat de informatie waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich steunt onduidelijk is en verschillende adressen vermeldt; Dat de Commissie vaststelt dat appellant niet de minste poging onderneemt om aan te tonen dat de GOVD zich bevindt in de straat die hij voorwendt; dat de informatie van het Commissariaat-generaal werd verkregen na telefonisch contact met de administratie aldaar; dat op andere tijdstippen sprake is van een andere straat maar niet van de door appellant genoemde straat; dat appellant ter zitting enkel stelt dat hij dit document van de overheden heeft ontvangen; Dat het verzoekschrift erop wijst dat op p. 3 van het Cedocadocument dag 2004057w nog een andere straat wordt genoemd voor politiepunt 1 waar een politiemajoor werd vermoord,- dat politiepunten regionale adressen hebben en niet het centrale adres van de GOM- dat geen bron wordt bijgebracht waaruit blijkt dat de straat vernoemd in de oproepingen ooit het adres is geweest van de GOVD; Dat de Vaste Beroepscommissie niet moet bewijzen dat de aangehaalde feiten onwaar zouden zijn (R. v. St., X, nr. 43.02 7, 19 mei 1993; R.v.St., X, nr. 52.125, 8 maart 1995); dat het niet de taak is van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zelf de lacunes in de bewijsvoering van de vreemdeling op te vullen (R. v. St., X, nr. 136.692, 26 oktober 2004); Dat de verklaringen van appellant in bovenvermelde motivering correct zijn weergege- ven en deze noch tijdens het gehoorgesprek, noch door het verzoekschrift, op aanvaarbare wijze worden weerlegd,- dat bijgevolg de Commissie deze motivering tot XIV-28.104-4/13 de hare maakt; dat het gebruik van deze stukken de geloofwaardigheid op ernstige wijze aantast; Overwegende dat appellant stelt dat hij voordien op 19 april 2003 werd gearresteerd omwille van hulpverlening aan XXX rebellen; dat feitelijk zijn moeder deze hulp verleende en appellant ter zitting bevestigt dat zij niet werd gearresteerd; dat appellant ter zitting stelt dat in XXX alleen de mannen onder de veertig jaar worden geviseerd; dat dit ongeloofwaardig is; Dat appellant vage verklaringen aflegt betreffende deze arrestatie en voorwendt zwaar te zijn mishandeld; dat weliswaar een medisch attest wordt bijgebracht maar uit dit attest niet kan afgeleid worden door wie en hoe appellant werd verwond; dat hij stelt dat hij werd vrijgelaten door omkoping; dat hij niet weet wat er gebeurd is met zijn oom R. en diens vriend A. aan wie appellant en zijn moeder hulp hadden verleend; dat appellant zelfs niet weet wat er met hen gebeurd is en of zij nog steeds opgesloten zijn; dat appellant zijn stelling niet aannemelijk maakt; Overwegende dat appellant stelt dat hij verdacht werd van mededaderschap van een terroristische aanslag op 17 juli 2003 in C.; dat hij hiervoor werd aangehouden op 18 juli 2003 en werd vrijgelaten op 25 juli 2003; dat uit objectieve informatie blijkt dat de dader van deze aanslag werd gearresteerd op 8 augustus 2003 (HRVC (08/08/2003). XXX police detain 29year-o/d terror-strike suspect. In: http://www.hrvc.net/news8- 03/10-8-03.html;html:// newsfrom xxx.com/accidents/2003/09/30/50259.html); dat het onwaarschijnlijk is dat appellant zo snel zou worden vrijgelaten indien hij daadwerke- lijk van een terroristische actie verdacht werd; dat hij stelt dat hij “denkt dat hij werd vrijgekocht maar niet weet tegen welk bedrag' (verhoorverslag van 1 maart 2004, p. 16); dat deze stelling niet overtuigt; Overwegende dat appellant voorhoudt een gezocht misdadiger te zijn en stelt dat zijn foto als gezocht persoon op affiches in straten werd opgehangen; dat hij ook ter zitting er niet in slaagt te verduidelijken waarvoor precies hij werd gezocht (zie ook verhoorverslag van 1 maart 2004, p. 16) en welke rechtszaak hem te wachten staat; dat hij verschillende oproepingsbrieven ontvangt via familie; Overwegende dat betreffende deze opsporingsaffiches appellant tijdens het verhoor van 18 april 2005 stelt: 'Dit hing aan paal? Ja overal te C." (verhoorverslag van 18 april 2005, p. 18); dat zijn echtgenote verklaart: “Weet u of er opsporingsaffiche verspreid zijn van S.? Niet verteld tegen mij. Zag u zo'n opsporingsaffiche van S. hangen te XXX? Toen ik thuis woonde wist ik niet dat ik met hem zou trouwen. Herhaal vraag?! Niet gezien, misschien geen aandacht. Ook na 26.10.
  1. zag u dat niet? Bleef binnen "(verhoorverslag van 13 juni 2005, p. 19); Dat appellant tijdens het verhoor van 18 april 2005 stelt: “Was uw vrouw op de hoogte van uw problemen voor 23.10.03? Ja, iedereen van ons dorp wist dat. Bovendien stonden onze huizen tegenover elkaar"(verhoorverslag van 18 april 2005, p. 36); dat zijn echtgenote stelt: “Weet u iets van de problemen die S. kende voor
  2. 10? Ik wist problemen. Hij vertelde het me niet. U wist problemen, niet welke? Klopt. Wist dat hij niet met rust werd gelaten... U geen idee van problemen S. voor 26.10? Klopt, wist hij problemen, hoe en wat niet" (verhoorverslag van 13 juni 2005, p. 2-3-4); Dat ook ter zitting appellant er niet in slaagt aannemelijk te maken dat hij op de door hem beschreven wijze werd gezocht door de autoriteiten; dat indien er een dergelijke verspreiding van affiches was geweest zijn echtgenote hiervan op de hoogte moest zijn, hetzij via vrienden en familie of omdat appellant het haar zei, hetzij omdat zij dit zelf op straat kon zien; dat geen aannemelijke verklaring wordt gegeven waarom appellants verklaringen in tegenstrijd zijn met de verklaringen van zijn echtgenote; dat dit de geloofwaardigheid aantast; Overwegende bovendien dat de oproepingsbrieven van appellant in zijn hoedanigheid van getuige niet voldoen aan de wettelijke vereisten zoals voorzien in artikel 188 van het strafprocesrecht; dat de bestreden beslissing op correcte wijze stelt: “Aan de twee door u neergelegde convocaties waarin u wordt opgeroepen voor verhoor als beklaagde, dd. 20 december 2003 en dd. 20 januari 2004, kan evenmin enige bewijskracht worden toegekend. Zo werd op beide oproepingsbrieven de oorspronkelijke datum waarop u XIV-28.104-5/13 werd opgeroepen manueel in een andere datum gewijzigd - zowel de maand als het jaartal werd overschreven. Bovendien zijn deze oproepingen niet volledig ingevuld. Zo ontbreekt de datum waarop de convocatie werd opgemaakt, terwijl hier een aparte regel voor is voorzien. Verder staat niet vermeld op welke wijze deze convocatie dient afgeleverd te worden. Bovendien hangt het ontvangstbewijs nog steeds aan de convocatie en is er niet op ingevuld wie deze convocatie heeft aangenomen. Hier kan ten slotte nog aan worden toegevoegd dat geen van beide convocaties een stempel van de uitreikende dienst bevat. Aldus kunnen geen van de door u neergelegde convocaties als bewijskrachtig worden weerhouden'- dat het opvalt dat verschillende relevante identificatiegegevens onleesbaar zijn (zie vertaling stukken 3-4); dat appellant geen verklaring geeft voor deze vastgestelde gebreken en ter zitting enkel voorhoudt dat deze brieven niet vals zijn; Overwegende dat de commissie besluit tot de ongeloofwaardigheid van de ingeroepen feiten. Overwegende dat appellant ter zitting stelt dat zijn vrees voor vervolging ook voortvloeit uit zijn XXX origine ( zie ook verhoorverslag van, 20 december nvdr onleesbaar; verzoekschrift p. 8); dat hij stelt dat de XXX in de periode voor zijn vertrek uit het land van herkomst in XXX worden vervolgd; Dat de Commissaris-generaal, zich steunend op objectieve niet weerlegde informatie die zich in het administratief dossier bevindt, deze bewering weerlegt; Dat uit algemene informatie blijkt dat de rechten van deze bevolkingsgroep (onafgezien van leeftijd of geslacht) door de XXX grondwet gegarandeerd worden; dat ze vertegenwoordigers van hun etnische origine hebben in alle geledingen van de overheidsstructuur (zie Cedóca-antwoorddocument in het Commissiedossier); dat zij vier vertegenwoordigers in het parlement hebben en in verschillende gemeentebesturen het beleid mee bepalen; dat de vervolging van personen verdacht van samenwerking met rebellen niet bepaald wordt door hun etnische origine; dat in deze, personen van alle etnische origines op gelijke wijze geviseerd worden door de overheden; dat appellants verklaringen haaks staan op algemeen bekende informatie die niet als weerlegd wordt beschouwd door de oudere informatie die appellant bijbrengt; dat niet wordt betwist dat de veiligheidssituatie precair is voor elkeen; dat niet wordt aangetoond dat de eventuele onveilige toestand die thans zou bestaan voortvloeit uit gemeenrechtelijk crimineel gedrag van misdadigers; dat er alleszins een onderscheid moet gemaakt worden tussen XXX die uit XXX komen en deze die altijd hun permanente verblijfplaats hadden in XXX zoals terecht wordt aangehaald door het UNHCR, geciteerd in het verzoekschrift; dat UNHCR er voor pleit de aanvragen van XXX, waarvan de permanente verblijfplaats niet in de XXX was, op individuele basis te onderzoeken (UNHCR, 'Position regarding Asylum- Seekers and Refugees from the XXX, XXX", oktober 2004); dat appellant gelet op zijn ongeloofwaardigheid geen individuele vervolging aantoont; dat appellant evenmin aantoont dat de rechtspraak waarnaar hij verwijst in zijn verzoekschrift betrekking heeft op XXX die geboren en getogen zijn in XXX; dat overigens elke asielaanvraag individueel behandeld wordt; Overwegende dat appellant niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, nationaliteit, godsdienst, het behoren tot een sociale groep of zijn politieke overtuiging in de zin van artikel 1 A
(2)van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951; Overwegende dat appellant en zijn advocaat ter zitting gewezen wordt op het ambtshalve onderzoek door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van de toepassing van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot het toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus; Overwegende dat appellant evenmin aantoont dat hij valt onder de bepalingen van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot het toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus " XIV-28.104-6/13 ! De aangevochten beslissing schendt artikel 48/4, en 49/3 van de wet van 15.12.1980 ; ! Het behoorde immers de VBCV ingevolge deze bepaling, na te gaan of de aanvraag van verzoekers aan andere criteria niet aanknoop, om de subsidiaire bescherming toe te kennen; ! Deze vereiste dient in combinatie met artikel 3 van de Conventie van de Mens te worden beoogd; ! Dat het recht beschermd door artikel 3 van de Conventie van de Mens uiteraard absoluut is en geen uitzonderingen duldt; ! Dat samen met artikel 1, de Staten niet alleen verplicht zijn slechte behandelingen uit te sluiten maar ook positief gehouden zijn bescherming te verlenen aan personen die bloot staan voor slechte behandelingen; « L'Etat où se trouve l'étranger qui fait valoir des griefs défendables doit prendre en considération la situation du pays vers lequel il est susceptible d'être renvoye ( ou d'être contraint de retourner ), sa législation, et le cas échéant, les assurances de celui-ci, afin de s'assurer qu'il n'existe pas d'éléments suffisamment concrets et déterminants permettant de conclure qu'il y risquerait un sort interdit par l'article 3 ( C.E.S.D.H, 7 mars 2000, T.L/ Royaume uni ); » º Er dient vooreerst te worden opgemerkt en benadrukt dat de XXX origine van verzoekende partij op zich niet in twijfel wordt gebracht, hoewel aan verzoekende partij verweten wordt zijn identiteit niet genoegzaam te hebben bewezen. door enkel zijn geboorteakte te hebben voorgelegd; Dat de XXX origine van verzoekende partij inderdaad getoest werd aan de hand van concrete elementen, waaronder zijn kennis van de XXX taal, de XXX gebruiken; Ook wordt concreet zijn afkomst uit de XXX, deelgebied XXX evenmin op zich betwist: De VBCV baseert zich immers precies op het feit dat verzoekende partij geen XXX is uit de XXX , doch wel uit de XXX om het statuut te weigeren; Dat de draagwijdte van het bewijs van de origine en identiteit, in casu, niet kunnen worden gelijkgesteld worden; - Dat de XXX origine van verzoekende partij zijn leeftijd , zijn geslacht als doorslaggevende elementen ter ondersteuning van de asielmotieven dienen te worden beschouwd , in de huidige stans van het XXX conflict, conflict dat zich thans meer en meer verspreid tot de naburige Republieken, nl XXX, I., O., K.; - Dat origine, leeftijd en geslacht op zich reeds naar mogelijke en erge vervolgingen aanwijzen, elementen die in casu nog dienen te worden aangevuld met een weigering van verzoeker om in het XXX leger te dienen . hoewel verzoekende partij deze weigering als heel ondergeschikt heeft beschouwd, vergeleken met de vrees die hij koesterde wegens zijn vermeende medeplichtigheid in een terroristi- sche aanval; - Dat de situatie in de XXX sedert 2004 nog verslecht is en dat het conflict zich duidelijk uitbreid tot de naburige republieken, waaronder OOK XXX, waarvan verzoeker afkomstig is. - Dat in dit verband de VBCV reeds als volgt heeft beslist : "Ref.: VB/04- 2850/E575, dd. 22.06.2005 ... ... Overwegende dat alle mensenrechtenrapporten en publieke bronnen (Human Rights Wateh, Amnesty International, http://"ews.bbc.co.uk, Algemeen ambtsbericht n. K. van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken van mei 2003 en januari 2005) bevestigen dat de veiligheidssituatie in XXX uitermate precair blijft; dat de algemene situatie na de moord op president K. in 2004 nog verslechterd is en het conflict uitbreiding neemt naar de andere republieken uit de N. K.; dat zowel van de kant van de XXX troepen als van de kant van de XXX strijdende partijen, waaronder de rebellen maar ook pro-M. gezinde milities, regelmatig sprake is van ernstige mensenrechtenschendingen en gewelddadige acties waarvan XXX burgers slachtoffer werden; dat de mensenrechtenschendingen gedijen in een klimaat van straffeloosheid dat overheerst in de republiek; dat de ontwerpresolutie, door België mee ondertekend en opgemaakt door de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties voor de XIV-28.104-7/13 59ste vergadering van de United Nations High Commissioner tor Human Rights te Genève, haar grote bezorgdheid uitdrukt voor de aanhoudende schendingen van de mensenrechten in de XXX Republiek en hierbij verdwijningen, buitenrechtelijke en arbitraire terechtstellingen, foltering, mishandeling en willekeurige arrestaties benadrukt (Situation of human rights in the XXX of the XXX, E/CNA/2003/L. 13, 09/04/2003); dat de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties (UNHCR) de mening is toegedaan dat XXX die uit XXX komen, waar zij hun woonplaats hadden alvorens een asielaanvraag in het buitenland in te dienen, internationale bescherming nodig hebben (UNHCR Position regarding Asylum-Seekers and Refugees from the XXX, XXX, oktober 2004); dat er op basis van de stukken uit het administratieve dossier en het verhoor ter zitting, en gelet op de grove mensenrechtenschendingen die voortvloeien uit dit conflict, geen ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de bepalingen van dit Verdrag niet van toepassing zijn op appellant omdat hij betrokken was bij feiten bepaald in artikel 1, F van het Verdrag van Genève, Overwegende dat appellant, gelet op zijn leeftijd, tot de risico van de in alle rapporten veelbesproken verdwijningen en ontvoeringen mannen geviseerd worden tussen achttien en veertig jaar; dat uit diverse rapporten blijkt dat het aantal ontvoeringen en verdwijningen in 2004 niet is afgenomen; .... ". "N/ 04-3344/F1915/cd m.b.t. een man van XXX origine uit XXX, dorp O. .... Que le requerant est d'origine XXX; qu'il a été arbitrairement arrêté du fait de cette origine et d'une suspicion de complicité avec les combattants XXX; Que le requerant craint de subir des persécutions en cas de retour dans son pays, du fait de sa nationalité et d'opinions politiques qui lui seraient imputées; Que cette crainte est raisonnable au vu du profil particulier du requérant, ancien policier affecté au contrôle de la frontière avec XXX, et de la dégradation générale de la situation des droits de l'homme en XXX et dans les régions environnantes; Que cette crainte se rattache aux critères visés à l'article ler, section A, paragraphe 2, de la Convention de Genève; qu'en effet, d'une part, la nationalité au sens de cette disposition recouvre «en particulier, l'appartenance a un groupe soudé par son identité culturelle, ethnique ou linguistique, ses origines géographiques ou politiques communes (directive 20041831CE du Conseil de l'Union européenne, du 29 avril 2004, art. 10, §1,
  1. c)- JO. 30-09-2004) ; que les XXX doivent être considérés comme une nationalité selon cette acception; que d'autre part, « lorsque l'on évalue si un demandeur craint avec raison d'être persecuté, il est indifférent qu'il possède effectivement la caractéristique liée [notamment] aux opinions politiques à l'origine de la persécution, pour autant que cette caractéristique lui soit attribuée par l'agent de persécution)] (idem, art. 10, §2) ; Que la Commission n'aperçoit aucune raison de penser que le requerant se serait rendu coupable de crimes ou d'agissements vises à l'article ler, section F, de la Convention de Genève, qui seraient de nature a l'exclure du bénéfice de la protection internationale prévue par ladite Convention; Considérant enfin que la Commission dispose de plusieurs sources d'information établissant que sur l'ensemble du territoire de la XXX , des personnes d'origine caucasienne et/ou soupçonnées d'apporter leur soutien à la cause XXX sont régulière- ment victimes de violations des droits l'homme en raison de cette origine et/ou de leurs opinions politiques supposées (pièce 1/1 du dossier de procédure: note de la Commis- sion sur la situation des XXX en XXX; Entretien avec un représentant- de l'association Mémorial; US. Government, Départment of State, Country Reports on Human Rights Practices - 2004, XXX, février 2005 ; International Helsinki Federation of Human Rights, FSB Raids theXXX - XXX Friendship Society, Vienne, 20/01/2005 ; CPJ, XXX.. CPJ disturbed that journalist's appeal denied, 21 janvier 2005; Amnesty international; voir également: CPRR104-2143/F1664 du 7 janvier 2005 et CPRR1042073/F1771 du 9 mars 2005) ; Qu'il n'existe, en règle générale, pas d'alternative raisonnable de protection interne dans la XXX pour les XXX qui sont contraints de fuir leur région d'origine (pièce 1/1 du dossier de procédure) ; XIV-28.104-8/13 - Dat deze rechtspraak, - die eveneens van de VBCV uitgaat en die toegepast werd mbt tot etnische XXX doch afkomstig uit XXX, duidelijk niet overeen-stemt met de informatie die door het CGVS wordt voorgelegd, en die terzake door de VBCV overgenomen werd; Dat de VBCV terzake niet uitlegt waarom verzoekende partij niet van deze rechtspraak zou kunnen genieten noch waarom hij, desgevallend, niet van het voordeel van de twijfel zou kunnen genieten; Dat de VBCV reeds herhaaldelijk herinnerd heeft dat de etnische XXX (hetgeen betekent ongeacht hun staatsburgerschap en hun streek van herkomst als een « nationaliteit » dienen te worden beschouwd "cfr Que cette crainte se rattache aux critères visés à l'article ler, section A, paragraphe 2, de la Convention de Genève; qu'en effet, d'une part, la nationalité au sens de cette disposition recouvre «en particulier, l'appartenance à un groupe soudé par son identité culturelle, ethnique ou linguistique, ses origines géographiques ou politiques communes)] (directive 2004/83/CE du Conseil de l'Union européenne, du 29 avril 2004, art. 10, §l,
  2. c)- JO. 30-09-2004) ; que les XXX doivent être considérés comme une nationalité selon cette acception; que d'autre part, « lorsque l'on évalue si un demandeur craint avec raison d'être persecuté, il est indifférent qu'il possède effectivement la caractéristique liée [notamment] aux opinions politiques à l'origine de la persécution, pour autant que cette caractéristique lui soit attribuée par l'agent de persécution» (idem, art. 10, §2) ; - Dat de « origine » die zodus aanleiding geeft tot de bescherming van de Conventie van Genève zoals hierboven opgevat, juist geen rekening houdt met de plaats van inschrijving of propiska binnen de XXX hetzij nl in XXX of in XXX; ; - Dat de uitbreiding van het conflict in het N. K. ook alleszins voor gevolg heeft, dat ook de visie van het CGVS volgens dewelke een grondig onderscheid diende te worden gemaakt tussen de XXX en XXX en de XXX die al jaren in XXX verbleven en er ingeschreven waren, met de tijd dient te worden herzien. - Dat de informaties van het CGVS alleszins ingehaald zijn door de informaties die de VBCV zelf heeft kunnen verzamelen en waarop de VBCV in huidige beslissing zich niet heeft gesteund, zonder hiervoor enige uitleg te verschaffen ; - Dat verzoekende partij voor de VBCV een artikel had neergelegd waaruit bleek dat XXX, in juni 2005 buiten elke controle viel, hetgeen uiteraard de ganse bevolking aantast. Dat de XXX , in de mate zij reeds bloot staan ten opzichte van de XXX overheid die het gezag in XXX houdt, hiertegen zich helemaal niet kunnen weren, - Dat de lezing van dit artikel het niet toelaat de draagwijdte van deze informatie te beperken tot de vaststelling dat politieagenten het voorwerp maken van aanvallen door benden : het betekent alleszins dat politieagenten geen effectieve bescherming kunnen verwachten van de autoriteiten, dat het land in anarchie vertoeft, - Ook ivm de informatie met betrekking tot de legerdienst dient te worden vastgesteld dat de VBCV enkel de informatie uithaalt die toelaat tot haar eigen besluit te komen en haar beslissing te staven. - Deze cedoca informatie bevestigt trouwens ook dat informatie in dit verband beperkt blijft maar dat toch een 3000 tal XXX de legerdienst zouden staken... - Dat deel van de beslissing is alleszins niet pertinent en volstaat niet om de beslissing te steunen, in de mate verzoeker zelf zijn asielaanvraag niet steunt op zijn weigering het legerdienst te vervullen; - Dat bovendien dient te worden opgemerkt dat in de huidige staat van het conflict, zich, als XXX, aan de legerdienst trachten te ontrekken, een klacht indienen of een mutatie aanvragen , gelijk te stellen is met een verzet acte tov de XXX overheid en als dusdanig een teken van medewerking met de rebellen... - Dat tot slot dient te worden onderlijnd dat het op zich reeds een grondige appreciatiefout is en een onverenigbare tegenstrijdigheid is in hoofde van de VBCV, enerzijds te stellen dat de "XXX" als een "nationaliteit" in de zin van artikel 1 van het Verdrag van Genève dienen te worden beschouwd en beschermd , hetgeen uiteraard de XXX als volk, als etnie viseert, en anderzijds een subtiel onderscheid XIV-28.104-9/13 te maken tussen de etnische XXX die uit andere republieken dan XXX afkomstig zijn, hoewel deze republieken, ( en in casu XXX) eveneens deel uitmaken van de XXX; - « Considérant enfin que la Commission dispose de plusieurs sources d'information établissant que sur l'ensemble du territoire de la XXX, des personnes d'origine XXX et/ou soupçonnées d'apporter leur soutien à la cause XXX sont régulièrement victimes de violations des droits l'homme en raison de cette origine et/ou de leurs opinions politiques supposées (pièce 1/1 du dossier de procédure: note de la Commission sur la situation des XXX en XXX; Entretien avec un représentant de l'association Mémorial; US. Government, Department of State, Country Reports on Human Rights Practices - 2004, XXX, février 2005 ; International Helsinki Federation of Human Rights, FSB Raids the XXX - XXX Friendship Society, Vienne, 20/01/2005; CPJ, XXX.. CPJ disturbed that journalist's appeal denied, 21 janvier 2005; Amnesty international; voir également: CPRR104-2143/FI664 du 7 janvier 2005 et CPRR104-2073/F1771 du 9 mars 2005) ; Qu'il n'existe, en règle générale, pas d'alternative raisonnable de protection interne dans la XXX pour les XXX qui sont contraints de fuir leur région d'origine (pièce 1/1 du dossier de procédure) ; » op cit N/ 04-3344/F1915/cd m.b.t. een man van XXX origine uit XXX, dorp O. » Dat bijgevolg uit waardevolle informatiebronnen aangehaald door de VBCV eveneens vaststaat dat XXX , zoals verzoeker het onbetwistbaar zijn, vervolgd worden over gans de XXX, hetgeen betekent niet uitgesloten XXX en dat zij geen mogelijkheid hebben om elders in XXX, bescherming te bekomen, Dat aan verzoekers bijgevolg allerminst het subsidiaire beschermingsstatus diende te worden toegekend”; 1.2.1. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat de schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, niet dienstig wordt aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een terugleidingsmaatregel te nemen, uitsluitend uitspraak wordt gedaan over de hoedanigheid van vluchteling van de betrokkenen; dat, voor zover het cassatiemiddel uitdrukkelijk is afgeleid uit de schending van “de principes van behoorlijk bestuur”, het middel niet aangeeft hoe de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is en de zaak volledig opnieuw beoordeelt, deze principes van behoorlijk “bestuur”, die -zoals uit de benaming ervan alleen reeds blijkt- gericht zijn tot het “bestuur”, kan hebben geschonden; dat het enig middel, wat deze onderdelen betreft, niet ontvankelijk is; 1.2.2. Overwegende dat, blijkens de motivering van de eerste bestreden beslissing de aanvraag van verzoeker wordt verworpen omdat -zoals in de ruim acht bladzijden tellende motivering uitgebreid wordt toegelicht- geen geloof kan worden gehecht aan de ingeroepen feiten; dat dit besluit inzonderheid steunt op de vaststelling dat verzoeker XIV-28.104-10/13 zijn identiteit en reisweg niet genoegzaam bewijst, hij er niet in slaagt aannemelijk te maken dat zijn weigering in te gaan op de oproepingsbrief om zich aan te melden voor zijn legerdienst een risico voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag inhoudt en hij evenmin aantoont dat de bestraffing voor desertie buitensporig of discriminatoir is, hij gebruik maakt van niet authentieke stukken, meer bepaald convocaties, zijn verklaringen omtrent zijn arrestatie omwille van hulpverlening aan XXX rebellen vaag en niet aannemelijk zijn, zijn verklaringen omtrent het feit dat hij verdacht werd van mededader- schap van een terroristische aanslag op 17 juli 2003 in C. onwaarschijnlijk zijn, hij er niet in slaagt aannemelijk te maken dat hij middels opsporingsaffiches door de autoriteiten gezocht wordt en zijn verklaringen hieromtrent tegenstrijdig zijn met deze van tweede verzoekster en hij geen individuele vervolging in XXX omwille van zijn XXX origine aantoont; dat de bestreden beslissing aldus afdoende is gemotiveerd; dat de enkele omstandigheid dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich aansluit bij een aantal door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aangehaalde weigeringsmotieven, waarop tijdens de beroepsprocedure nader werd ingegaan, nog niet betekent dat de bestreden beslissing onzorgvuldig tot stand is gekomen of gebrekkig met redenen is omkleed; dat er niet wordt betwist dat verzoekster haar asielaanvraag heeft verbonden aan de asielaanvraag van haar echtgenoot; dat de te haren opzichte genomen beslissing dan ook voldoende gemotiveerd is door de verwijzing naar de niet-erkenning van haar echtgenoot als vluchteling; dat verzoekers niet verduidelijken op welke onvolledige elementen de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich zou hebben gebaseerd, noch met welke argumentatie van hun beroepschrift van 14 oktober 2005 zij geen rekening zou hebben gehouden; dat bij ontstentenis van deze toelichting dit onderdeel van het middel niet in aanmerking kan worden genomen; dat voor het overige verzoekers uitgebreid de uiteenzetting, opgenomen in hun beroepschrift citeren, zonder enigszins in te gaan op de redenen waarom deze argumentatie door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt verworpen; dat zij nalaten aan te geven op welke wijze de betreffende uiteenzetting de wettigheid van de thans bestreden beslissingen vermag in het gedrang te brengen; dat bij ontstentenis van nadere toelichting dit onderdeel van het middel evenmin in aanmerking kan worden genomen; dat er overigens niet kan worden ingezien op welke wijze de (eerste) bestreden beslissing een tegenstrijdigheid zou bevatten waar de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen overweegt dat “een onderscheid moet gemaakt worden tussen XXX die uit XXX komen en deze die altijd hun permanente verblijfplaats hadden in XXX”; dat verzoeker immers zélf beweert van XXX orgine doch afkomstig te zijn uit XXX, zodat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen terecht zijn vrees voor vervolging ten opzichte van de XXX autoriteiten heeft getoetst; dat verzoekers evenwel voorbij gaan aan de reden waarom hun XXX afkomst naar het oordeel van de Vaste Beroepscommissie voor XIV-28.104-11/13 vluchtelingen geen aanleiding geeft tot de toekenning van het vluchtelingenstatuut noch van de subsidiaire bescherming, te weten omdat: “uit algemene informatie blijkt dat de rechten van deze bevolkingsgroep (onafgezien van leeftijd of geslacht) door de XXX grondwet gegarandeerd worden; dat ze vertegenwoordigers van hun etnische origine hebben in alle geledingen van de overheidsstructuur (zie Cedoca-antwoorddocument in het Commissiedossier); dat zij vier vertegenwoordigers in het parlement hebben en in verschillende gemeentebesturen het beleid mee bepalen; dat de vervolging van personen verdacht van samenwerking met rebellen niet bepaald wordt door hun etnische origine; dat in deze, personen van alle etnische origines op gelijke wijze geviseerd worden door de overheden; dat appellants verklaringen haaks staan op algemeen bekende informatie die niet als weerlegd wordt beschouwd door de oudere informatie die appellant bijbrengt; dat niet wordt betwist dat de veiligheidssituatie precair is voor elkeen; dat niet wordt aangetoond dat de eventuele onveilige toestand die thans zou bestaan voortvloeit uit gemeenrechtelijk crimineel gedrag van misdadigers; dat er alleszins een onderscheid moet gemaakt worden tussen XXX die uit XXX komen en deze die altijd hun permanente verblijfplaats hadden in XXX zoals terecht wordt aangehaald door het UNHCR, geciteerd in het verzoekschrift; dat UNHCR er voor pleit de aanvragen van XXX, waarvan de permanente verblijfplaats niet in de XXX was, op individuele basis te onderzoeken (UNHCR, “Position regarding Asylum-Seekers and Refugees from the XXX, XXX”, oktober 2004); dat appellant gelet op zijn ongeloofwaardigheid geen individuele vervolging aantoont; dat appellant evenmin aantoont dat de rechtspraak waarnaar hij verwijst in zijn verzoekschrift betrekking heeft op XXX die geboren en getogen zijn in XXX; dat overigens elke asielaanvraag individueel behandeld wordt;”; dat waar de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen erop wijst “dat appellant evenmin aantoont dat de rechtspraak waarnaar hij verwijst in zijn verzoekschrift betrekking heeft op XXX die geboren en getogen zijn in XXX”, zij genoegzaam aangeeft waarom verzoeker met deze rechtspraak niet aantoont dat hij een individuele vervolging dient te vrezen; dat, wat het door verzoekers aangebrachte artikel over de situatie van XXX in XXX betreft, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen oordeelt dat de “algemeen bekende informatie (...) niet als weerlegd wordt beschouwd door de oudere informatie die appellant aanbrengt” en zij aldus genoegzaam aangeeft dat de door haar geraadpleegde, recentere informatie haar voorkeur geniet; dat verzoekers geenszins aantonen dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de feiten foutief zou hebben gekwalificeerd, noch dat zij de bewijskracht van de haar voorgelegde stukken of geraadpleegde bronnen, onder meer met betrekking tot de legerdienst, zou hebben miskend; 1.2.3. Overwegende dat het enig middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; XIV-28.104-12/13 2. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf juli tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-28.104-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.390 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.