← België

Arrest 173391 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 11/07/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.391 Rolnummer: A. 180415/XIV-28210 Zaak: Arrest 173391 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 11/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-20 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 22:41 Fiche Arrest nr 173.391 van 11 juli 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.391 van 11 juli 2007 in de zaak A. 180.415/XIV-28.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. VAN ROSSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat 93 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 19 januari 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 7 december 2006 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking nr. 173 van 30 januari 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 mei 2007; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-28.210-1/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. DASSEN die, loco Advocaat S. VAN ROSSEM verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “2.l. MOTIVERINGSVERPLICHTING Verzoeker werd geweigerd als vluchteling door het Commissariaat generaal. Dat in het inleidende verzoekschrift de raadsman, punt per punt, de redenen heeft weerlegd waarom verzoeker niet terug kan momenteel naar XXX en wat zijn concrete angst is .. Dat hier op geen enkele wijze op ingegaan is door de Vaste beroepscommissie, dat zij een beschikking hebben gewezen waarbij al de aangehaalde punten zelfs niet naar voor worden gebracht en er telkens bij gezegd wordt dat hij niet overtuigt Dat dit zeer subjectief is en niet gegrond op concrete gegevens. Dat dit bovendien afbreuk doet aan zijn angst en zijn problemen die hij had in XXX. Dat hij ook in de huidige context nog steeds angst heeft van de M. Dat verzoeker dit duidelijk heeft toegelicht in zijn verzoekschrift. Dat hij ter zitting hier ook bijkomende stukken van neerlegt waarmee hij dit kan aantonen. Is men afdoende voorzichtig bij het nemen van een beslissing als men niet alle bewijzen en elementen in beschouwing neemt bij de beoordeling.???? Dat uit de beslissing blijkt dat verzoeker wel degelijk heeft geantwoord op de vragen die opengebleven waren op het Commissariaat generaal Dat verzoeker immers helemaal niet inziet op welke basis men zijn argumenten weerlegt en motiveert waarom hij niet geloofwaardig zou zijn.. Dat verzoeker dan ook meent dat zijn aanvraag tot asiel niet op een zorgvuldige wijze werd behandeld. Dat daarbij geen rekening werd gehouden met de door hem aangebrachte argumenten waarbij hij zeer duidelijk angst heeft van de M. DAT HIEROP NIET WORDT GEANTWOORD. Dat men ervan uitgaat dat hij geen gevaar loopt van zijn eigen autoriteiten. Dat er een beslissing genomen werd, alleen op grond van het feit dat zij menen dat er geen geloof kan gehecht worden aan het feitenrelaas omwille van de huidige verbeterde situatie.. Het komen tot een beslissing op deze wijze brengt mee dat men telkens elke aanvraag tot asiel kan afwijzen zonder verder onderzoek al men meent om blijkbaar subjectieve redenen dat verzoeker niet voldoende heeft overtuigd aangezien er de enkele reden wordt opgegeven , waarom hij niet overtuigd heeft. Dat dit echter alleen op zich geen reden tot weigering kan zijn. Dat dit dan zeker nooit tegen verzoeker als motivering kan worden gebruikt. Dat ondanks de vermelding van al deze elementen in het verzoekschrift hier niet verder op wordt ingegaan . . XIV-28.210-2/8 De Vaste Beroepscommissie moet op de dag van de zitting oordelen of er daadwerkelijk gevaar bestaat bij een eventuele terugkeer . De huidige beslissing en de argumentatie die ervoor gegeven wordt niet meer redelijk is gelet op de gevolgen die huidige beslissing voor verzoeker heeft. Dat hij dan ook nog steeds een concreet gevaar loopt. Dat in huidige casu er een gebrekkige motivering is aangezien beslissingen in bestuurszaken dienen gemotiveerd te worden zodanig dat de motivering de beslissing draagt en verzoeker duidelijk maakt waarom tot een dergelijke weigering werd overgegaan. Dat de motivering in huidig geval verschillende gebreken vertoont aangezien op generlei wijze werd aangetoond waarom verzoeker zijn angst voor vervolging niet aannemelijk kan maken en men gewoon overgaat tot het nemen van de weigeringsbe- slissing.
  4. Verzoeker heeft op geen enkele wijze verklaringen afgelegd die niet met gekende feiten overeenkomen.
  5. Hij heeft stukken neergelegd die zonder enige verdere motivering worden weggevaagd en niet mee in rekening worden gebracht alhoewel hieruit blijkt dat hij zeker de M.B moet vrezen.
  6. Op geen enkele wijze wordt geantwoord op het beroepsverzoekschrift... Verzoeker zijn raadsman heeft in het inleidende verzoekschrift in beroep alles punt per punt nogmaals uiteengezet waarom het Commissariaat-Generaal onterecht haar beslissing had genomen en nogmaals het belang voor betrokkenen onderstreept en hierop wordt niet ingegaan. Hij heeft tevens onderstreept dat zijn redenen onder de Conventie vallen en coherent waren.
  7. Dat hij antwoordt op alle vragen en dat dit afgedaan wordt als niet voldoende overtuigend zonder meer.. Dat hij vooral angst heeft voor represailles vanwege de M.B. Dat zij immers nu de macht in handen hebben Dat zij hun eigen autoriteiten hebben en de wapens om de mensen verder te onderdruk- ken. Dat zij dit zeker zullen doen in de loop naar de komende grondwettelijke verkiezingen Op al deze elementen wordt niet ingegaan en verzoeker kan zich dan ook niet verzoenen met een dergelijke motivering om over te gaan tot weigering van zijn aanvraag. Dat men het feit waarom men dan toch al dan niet het subsidiaire beschermingsstatuut toekent wordt zelfs niet toegelicht laat staan gemotiveerd. Mogelijks heeft men twijfels over de persoonlijke vervolging dan nog moeten men nagaan of op dit ogenblik verzoeker concreet een ernstig gevaar loopt op schade indien hij zou terugkeren dit is ontegensprekelijk het geval Dit wordt niet onderzocht en ook niet gemotiveerd waarom dt niet zo zou zijn. Dat de situatie in zijn dorp ernstig blijft. Dat de kans op wraaknemingen van de m. ernstig is en een groot risico vormt. Dat verzoeker dit heeft toegelicht doch dat hierover niet het minste is terug te vinden in de beslissing. Dat immers de voorwaarden totaal verschillend zijn en dat men dan ook moet motiveren als men niet tot erkenning overgaat waarom men ook niet overgaat tot het toekennen van het subsidiair beschermingsstatuut zoniet blijft dit statuut dode letter. Wat in casu het geval is. Deze motivering draagt de beslissing niet integendeel verzoeker heeft alleen het gevoel gekregen dat zijn aanvraag zeer snel moest behandeld worden zonder dit grondig te doen, terwijl de werkelijke belangrijke fundamentele redenen onbeantwoord zijn gebleven. WELK IS HET CONCREET GEVAAR DAT HIJ LOOPT INDIEN HIJ NU ZOU MOETEN TERUGKEREN Welke wraakacties van de m. kan hij verwachten. XIV-28.210-3/8 Dat verzoeker nogmaals het werkelijke gevaar wenst te benadrukken dat hij loopt bij een eventuele terugkeer. Dat hiervoor tevens verwezen wordt naar het rapport van Buitenlandse zaken met het reisadvies., dat hieruit blijkt dat nog vele districten onder M. B. controle staan en ontoegankelijk zijn .. De problematiek ter plekke is dus zeer ernstig en de beslissing van de Vaste Beroeps- commissie is dan ook onbegrijpelijk met betrekking tot het niet toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus.. Dat hij ondertussen ook een procedure heeft ingeleid op grond van artikel 9 ten derde, dat hij niet terug kan op grond van artikel 3 van het EVRM zonder het risico te lopen opgepakt en gefolterd te worden. Dat verzoeker dan ook met aandrang vraagt huidige beslissing te willen vernietigen omwille van zijn gebrekkige motivering en onzorgvuldige behandeling.”; 1.
  8. Overwegende dat blijkens de motivering van de aangevochten beslissing verzoekers aanvraag wordt verworpen op basis van de volgende vaststellingen: verzoeker bewijst zijn identiteit niet, de voorgelegde documenten bewijzen zijn identiteit niet genoegzaam en hij beloofde zijn originele identiteitskaart voor te leggen, wat hij niet heeft gedaan; deze gebrekkige medewerking is een negatieve indicatie voor zijn geloofwaardig- heid; verzoeker legt evenmin een vervallen paspoort voor dat zich nog in XXX bevindt en geeft geen reden voor het niet laten nasturen ervan door zijn familie waarmee hij nog in contact staat; eveneens een negatieve indicatie voor zijn geloofwaardigheid; hij bewijst evenmin zijn reisweg, noch het ogenblik dat hij zijn land verliet en in België aankwam, wat zijn geloofwaardigheid aantast; de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft op correcte wijze tegenstrijdige verklaringen over de hulpverlening aan de M. B. vastgesteld; dat er aanzienlijke verschillen zijn wat het aantal jaren van gedwongen hulpverlening aan de M.B. als wat de frequentie ervan betreft, het kiezen uit stellingen is geen aanvaardbare uitleg voor het bestaan van deze tegenstrijdigheden die de essentie van het relaas raken; het verzoekschrift stelt dat verzoeker het precieze aantal keren niet kan zeggen doch dit vormt geen verklaring voor de tegenstrijdigheden, noch legt het uit waarom hij dit niet van meet af aan heeft verklaard; verzoeker spreekt zich tegen over de aard van de hulpverlening en geeft ter zitting nog eens een andere versie dan de reeds gegeven versie; deze tegenstrijdigheden raken de kern van het relaas en voor hun bestaan wordt geen redelijke verklaring gegeven; verzoeker maakt niet aannemelijk dat hij werd benaderd door de M.B. en bijgevolg is zijn geuite vrees ten aanzien van de XXX overheid en de M. B. niet bewezen; met betrekking tot de vastgestelde tegenstrijdigheden ten aanzien van het aantal keren dat hij een ondervragende kapitein heeft teruggezien maakt verzoeker slechts een keuze uit een van de versies; de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen besluit tot de ongeloofwaardigheid van de stelling dat het leger verzoeker zocht op verdenking van samenwerking met de M.B.; de neergelegde stukken vermogen niet verzoekers geloofwaar- digheid te herstellen; aan het document van Insec kan geen bewijswaarde worden toegekend; XIV-28.210-4/8 met betrekking tot zijn actuele vrees stelt verzoeker dat hij wil terugkeren zodra alle wapens zijn ingeleverd en dat het nu nog niet veilig is; gelet op het profiel van verzoeker en rekening houdend met de gewijzigde toestand in XXX en de standpunten ingenomen door UNHCR maakt verzoeker niet langer aannemelijk vervolging te vrezen van de zijde van de M. B. dan wel van de zijde van de overheden in geval van terugkeer naar XXX; de door het verzoekschrift aangehaalde situatie van XXX is achterhaald; verzoeker toont niet aan te beantwoorden aan de erkenningscriteria als vluchteling; verzoeker toont evenmin aan, nadat hem er ter zitting ambtshalve op werd attent gemaakt, dat hij valt onder de bepalingen van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) met betrekking tot het toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus; dat al deze vaststelling- en in de bestreden beslissing op afdoende wijze worden toegelicht; dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen of een kandidaat-vluchteling geloofwaardige verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot de aangevoerde vervolgingsfeiten en documenten neerlegt die voldoende betrouwbaar zijn en zijn vervolgingsvrees kunnen staven; dat, als administra- tieve cassatierechter, het de Raad van State niet toekomt de beoordeling van de feitenrechter hiervan over te doen; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat de verplichting voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen om haar beslissing te motiveren inhoudt dat zij de redenen aangeeft waarop zij het beschikkend gedeelte van haar beslissing grondt; dat het bij verwerping volstaat dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen melding maakt van de weigeringsmotieven; dat elementen of gegevens in het voordeel van de vreemdeling niet noodzakelijk in de beslissing moeten worden opgenomen; dat, wanneer, zoals in casu, geen geloof kan worden gehecht aan het aangevoerde feitenrelaas omwille van de veelvuldige tegenstrijdige verklaringen over elementen die de kern van het relaas raken, niet nader dient te worden ingegaan op de toestand in het land van herkomst; dat verzoeker stelt dat ten onrechte geen rekening werd gehouden met ter zitting neergelegde documenten, zonder verdere aanduiding welke documenten in casu worden bedoeld; dat uit het zittingsverslag van de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen van 30 november 2006 blijkt dat verzoeker geen documenten heeft neergelegd; dat enkel werd genoteerd dat hij uiterlijk op 6 december 2006 zijn XXX identiteitskaart diende voor te leggen aan de Commissie; dat, met betrekking tot de feitelijke situatie in het land van herkomst van verzoeker zowel uit de gegeven motivering als uit de stukken in het administratief dossier blijkt dat gebruik werd gemaakt van recente informatie hieromtrent; dat in het licht van de door haar gemaakte vaststellingen, die worden vermeld in de motivering van de bestreden beslissing, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar appreciatiebevoegdheid niet kennelijk te buiten is gegaan toen ze tot de ongeloofwaar- XIV-28.210-5/8 digheid van dit relaas besloot; dat uit de motivering van de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat verzoekers aanvraag tot erkenning als vluchteling in hoofdzaak werd geweigerd omwille van de veelvuldige tegenstrijdige verklaringen in zijn relaas; dat dit motief op zich reeds voldoende is om tot de weigering van de erkenning als vluchteling over te gaan, zonder nog op de toestand in het land van herkomst te moeten ingaan; dat desalniettemin de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen uitgebreid is ingegaan op de toestand in XXX en op de situatie waarin verzoeker beweerde te verkeren; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op afdoende wijze de toestand blijkt te hebben onderzocht in het land van herkomst om een zorgvuldig oordeel te kunnen vellen met betrekking tot het beantwoorden van verzoeker aan de criteria ter toekenning van een subsidiaire bescherming; dat uit de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat sinds de vlucht van verzoeker de toestand in XXX op ingrijpende wijze is gewijzigd; dat de schending van de motiveringsplicht wat de beoordeling van de subsidiaire bescherming ex artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet betreft niet wordt aangetoond door verzoeker; dat artikel 3 van het E.V.R.M. niet dienstig kan worden aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een terugleidingsmaatregel te nemen, uitsluitend uitspraak wordt gedaan over de hoedanig- heid van vluchteling en het beantwoorden aan de criteria ter verkrijging van het subsidiaire beschermingsstatuut voorzien in artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet; dat de huidige bestreden beslissing los staat van de beweerde aangevraagde regularisatie met toepassing van artikel 9, derde lid, Vreemdelingenwet; dat de middelen, in de mate ze niet onontvankelijk zijn, ongegrond zijn;
  9. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State, BESLUIT: Artikel
  10. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-28.210-6/8 XIV-28.210-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf juli tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-28.210-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.391 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.