← België

Arrest 173393 - Milieuvergunningen - 12/07/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.393 Rolnummer: A. 108029/VII-24191 Zaak: Arrest 173393 - Milieuvergunningen - 12/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-30 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 22:42 Fiche Arrest nr 173.393 van 12 juli 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.393 van 12 juli 2007 in de zaak A. 108.029/VII-24.

  1. In zake :
  2. Valère DOSSCHE,
  3. Paula DENEVE, die woonplaats kiezen bij advocaat Gw. VERMEIRE, kantoor houdende te GENT, Voskenslaan 301 tegen : de deputatie van de provincie OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : de v.z.w. BLUE BIRDS, die woonplaats kiest bij advocaat I. LARMUSEAU, kantoor houdende te GENT, Kasteellaan
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Valère DOSSCHE en Paula DENEVE op 26 juli 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de besluiten van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 26 april 2001 en van 23 mei 2001, waarbij een milieuvergunning wordt toegekend aan de v.z.w. BLUE BIRDS voor de uitbating van een terrein voor modelvliegtuigen aan de Moerstraat te Zomergem; Gezien de vraag van de verzoekende partijen in hetzelfde verzoekschrift tot het opleggen van een dwangsom "van 200.000 fr. per dag (...) dat zou ingegaan worden tegen het vernietigingsarrest"; Gelet op het arrest nr. 102.222 van 20 december 2001 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 23 mei 2001 wordt bevolen, de vordering tot schorsing voor het overige wordt verworpen, en de vordering tot het opleggen van een dwangsom eveneens wordt verworpen; VII-24.191-1/19 Gelet op het arrest nr. 121.004 van 26 juni 2003 waarbij het beroep niet ontvankelijk wordt bevonden in de mate dat het tevens de vernietiging vraagt van een "besluit" van 26 april 2001 en ook de vraag tot het opleggen van een dwangsom niet ontvankelijk wordt bevonden, en waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 11 juli 2006 die de neerlegging ter griffie van dat verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 13 maart 2007 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 19 april 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat Gw. VERMEIRE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van bestuurssecretaris-jurist K. VAN KEYMEULEN, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat P. DE SMEDT, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : VII-24.191-2/19 1.
  6. De v.z.w. BLUE BIRDS, opgericht in 1975, exploiteert sinds haar oprichting een terrein van waarop met modelvliegtuigen wordt gevlogen, aan de Moerstraat in Zomergem. Bij de vaststelling van het gewestplan Eeklo - Aalter werd ten behoeve van de activiteiten een perceel van 38 op 80 meter ingekleurd als gebied voor dagrecreatie. De ruime omgeving is agrarisch gebied. De verzoekende partijen wonen op ongeveer 470 meter van de inrichting, in het agrarisch gebied. 1.
  7. Vóór de inwerkingtreding op 1 september 1991 van Vlarem I was de inrichting niet vergunningsplichtig. In de indelingslijst bij Vlarem I wordt vergunningsplichtig gesteld, in klasse 2, in rubriek 32.6 : "Modelvliegtuigen. Terreinen voor het gebruik van modelvliegtuigen waarboven met minstens drie modelvliegtuigen gevlogen wordt". 1.
  8. Met een brief van 24 januari 1993 schrijft de tussenkomende partij aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zomergem : "(...) Ingevolge het van kracht worden op 1 september 1991 van VLAREM, en van het verschijnen van VLAREM II op 14.12.92 hebben wij hierbij de eer U om een milieuvergunning te verzoeken". Zij legt een zogenaamd "modelaanvraagformulier" neer. 1.
  9. Op 26 april 1993 verleent het college van burgemeester en schepenen, onder verwijzing naar de door de tussenkomende partij gedane melding, "een milieuvergunning om een inrichting gelegen te 9930 ZOMERGEM, MOERSTRAAT, kadastraal bekend ZOMERGEM Afd. 1, sectie C, percnr(s). 488/c/met volgende rubrieken als voorwerp : 32.6.
  10. Ontspanningsinrichtingen: terreinen voor het gebruik van modelvliegtuigen met minstens drie modelvliegtuigen

(2)te exploiteren; zodat deze voortaan zouden omvatten: het uitbaten van een terrein voor modelluchtvaart". In artikel 2 wordt bepaald dat de vergunning wordt verleend voor een termijn van twintig jaar die aanvangt op 26 april 1993 en eindigt op 26 april 2013. VII-24.191-3/19 1.5. Met een brief van 9 juni 1997 laat de gemeente aan de tussen- komende partij weten : "(...) Naar aanleiding van herhaalde klachten inzake geluidshinder van omwonen- den en na het inwinnen van het advies van Aminal en de provincie is gebleken dat wij in april 1993 een fout maakten in de termijn van de milieuvergunning. Aangezien de vergunning verleend werd volgens art. 38 van het Vlarem I kan de aktename geldend als vergunning slechts voor een termijn van vijf jaar gebeuren (dus tot 25 april 1998) en niet voor twintig jaar zoals door ons verleend. Deze fout in onze besluitvorming mag zeker niet in stand gehouden worden; wij willen U dan ook verzoeken om zo vlug mogelijk een nieuwe vergunnings- aanvraag in te dienen. (...)". Er volgt enige briefwisseling maar er wordt geen vergunningsaan- vraag ingediend. 1.6. De verzoekende partijen dagvaarden de tussenkomende partij voor de Rechtbank van Eerste Aanleg in Gent. Op 30 juni 2000 oordeelt de rechter dat de milieuvergunning van 26 april 1993 minstens sinds 26 april 1998 als vervallen moet worden beschouwd, en legt hij een vliegverbod op. De tussenkomende partij benadrukt dat het vonnis niet uitvoerbaar is bij voorraad. 1.7. De tussenkomende partij tekent beroep aan tegen dit vonnis, en dient tevens een milieuvergunningsaanvraag in, die volledig en ontvankelijk wordt verklaard op 15 september 2000. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek worden drie bezwaren en een petitie ingediend. 1.8. Op 4 december 2000 verleent het college van burgemeester en schepenen een vergunning, voor een termijn van twintig jaar. Er worden bijzondere vergunningsvoorwaarden opgelegd, te weten : "- strikte naleving van de geluidsnormen zoals vastgesteld in hoofdstuk 4.5 van het VLAREM II (...) - respect voor de toegelaten vliegzone bepaald door het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur. - De vliegtijden dienen beperkt te worden van 9.00 tot 12.00 uur en van 14.00 uur tot 19.00 uur. Er mag alleen gevlogen worden in de week- ends (zaterdag en zondag) en op feestdagen tijdens voormelde vlieguren. - Het vliegreglement dient door alle leden strikt te worden opgevolgd nl. niet vliegen : VII-24.191-4/19 C in de wolken C op een afstand kleiner dan 200 m. van : - gewest- en provinciewegen die hoofdwegen zijn (baan Lovendegem - Zomergem) - hoogspanningslijnen - woningen C wanneer (
  1. de)windsnelheid groter is dan 5 m/sec (18 km/uur) C (wanneer
  2. de)toestellen niet gedurende (
  3. de)ganse vlucht kunnen gevolgd worden C hoger dan 120 m. C tussen : 30 min. vóór zonsopgang en 30 min. na zonsondergang C buiten een cirkel van 400 m. (midden veld)". 1.9. De verzoekende partijen tekenen beroep aan tegen deze beslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. 1.10. De afdeling Milieuvergunningen en de provinciale milieudeskun- dige verlenen een ongunstig advies; de afdeling ROHM adviseert gunstig. De Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert ten slotte ongunstig. 1.11. Na verlenging van de beslissingstermijn wordt op 23 mei 2001 het bestreden besluit genomen : de beslissing tot het verlenen van de vergunning wordt bevestigd, maar volgende bijkomende bijzondere voorwaarde wordt opgelegd : "Binnen een termijn van 6 maanden dient door een erkend studiebureau in een geluidsstudie de werking van (
  4. de)inrichting getoetst aan de geluidsnormen conform Vlarem II. Indien de geldende geluidsnormen overschreden worden dient de studie tevens vergezeld van een saneringsplan. Dit plan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de AMINAL Afdeling Milieu-inspectie. De geluidsstudie wordt binnen de gestelde termijn voorgelegd aan de vergunning- verlenende overheid, de AMINAL Afdelingen Milieuvergunningen en Milieu- inspectie en aan het College van Burgemeester en Schepenen van Zomergem". De motivering luidt als volgt : "Overwegende dat de inrichting, nml. de eigenlijke opstijg- en landings- plaats, volgens het gewestplan 'Eeklo-Aalter' gelegen is in een gebied voor dagrecreatie; dat dit gebiedje een oppervlakte (...) heeft van _+ 70 x 80 m waarop ook het clubhuis is gevestigd; dat de vliegzone door de club beperkt is tot een straal van 400 meter rondom de opstijg- en landingsplaats met als bijkomende beperkingen o.a. 200 meter afstand houden tot de woningen en de gewestwe- gen; dat de omgeving rondom de club volledig agrarisch gebied is; dat de onmiddellijke omgeving zeer schaars bebouwd is; dat de dichtste woningen op _+ 450 meter afstand van de club liggen; dat er op _+ 220 meter ten zuidwesten van de inrichting een hoogspanningsleiding staat, terwijl de verbindingsweg tussen de gewestweg Lovendegem - Zomergem en de weg Merendree -Zomergem op _ 200 meter afstand van de club ligt; + VII-24.191-5/19 Overwegende dat de V.Z.W. BLUE BIRDS sedert een 25-tal jaren een terrein exploiteert waarop met modelmotorvliegtuigen wordt geoefend; dat de club een 50-tal leden heeft; dat er maximaal 3 à 4 vliegtuigjes tegelijkertijd in de lucht zijn; dat er zowel gevlogen wordt met vliegtuigen met elektromotoren, als met 4-takt- en 2-taktmotoren met geluidsdempers; Overwegende dat de exploitatie van modelvliegtuigen reeds sedert 01.09.1991 ingedeeld is in de indelingslijst van Vlarem I (rubriek 32.6); dat met de wijzigingen van de indelingslijst in januari 1993 de terreinen waarop met minstens drie modelvliegtuigen wordt gevlogen ingedeeld werden in de rubriek 32.6.1.; dat de vliegclub VZW BLUE BIRDS op 26.02.1993 een melding indiende bij het College van Burgemeester en Schepenen voor zulke exploitatie; dat het College van Burgemeester en Schepenen van Zomergem, in toepassing van art. 38 van Vlarem I, op 26.04.1993 akte nam van een inrichting voor het uitbaten van een terrein voor modelluchtvaart voor een termijn van 20 jaar; dat deze vergunningstermijn echter door een wijziging van de Vlaamse regering (besluit van 28.10.1992) en van kracht geworden op 01.03.1993, teruggebracht werd tot een periode van 5 jaar; dat de exploitant per brief van 09 juni 1997 hierover door het College van Burgemeester en Schepenen van Zomergem ingelicht werd; dat de aktename op dit ogenblik nog rechtsgeldig was en er een hernieuwing kon aangevraagd worden; dat deze hernieuwing echter niet ingediend werd; dat er ondertussen een rechtszaak voor de burgerlijke rechtbank van eerste aanleg te Gent aangespannen werd door de heer en mevrouw Valère Dossche - De Neve, Moerstraat 5 te 9930 Zomergem tegen de exploitanten VZW Blue Birds; dat deze rechtszaak op 30 juni 2000 uitgespro- ken werd; dat de rechter in dit vonnis stelt dat de vergunning van 26.04.1993 minstens sinds 26.04.1998 als vervallen moet worden beschouwd; dat er tegen deze uitspraak door de VZW Blue Birds beroep aangetekend werd bij het Hof van Beroep; dat er ondertussen op 28.07.2000 een milieuvergunningsaanvraag ingediend werd voor de hernieuwing van een bestaande inrichting; dat het College van Burgemeester en Schepenen van Zomergem hiervoor op 04.12.2000 de milieuvergunning toekende, waartegen beroep ingediend werd; Overwegende dat de milieuvergunningsaanvraag door de exploitanten ingediend werd als een hernieuwing van de vergunning voor een bestaande inrichting; dat de aanvraag niet als een hernieuwing beschouwd kan worden daar de vergunning, indien ze 26.04.1998 als einddatum heeft, reeds vervallen was en de hernieuwing moet worden ingediend tussen de 12de en de 18de maand voor de vervaldag; dat de aanvraag in het uiterste geval volledig en ontvank- elijk moet verklaard zijn op de laatste dag van de vergunning; dat, indien de vergunning 26.04.2013 als einddatum heeft, de aanvraag zonder voorwerp is wegens voortijdigheid; Overwegende dat uit de opgemaakte verslagen van de deskundigen inzake de factor 'geluid' er duidelijk op te maken is dat de bepaling van al of niet 'bestaande inrichting' van het grootste belang is voor de verdere behandeling van het dossier; dat in de definities van Vlarem II (art. 1.1.2) duidelijk gesteld wordt aan welke bepalingen een 'bestaande inrichting' moet voldoen; dat een bestaande inrichting een ingedeelde inrichting is : - Waarvoor de exploitatie op 01.01.1993 was vergund, of waarvoor (vóór) 01.09.1991 een vergunningsaanvraag is ingediend; - Of, die op 01.01.1993 in bedrijf zijn gesteld, vóór 01.09.1991 niet vergun- ningsplichtig waren, en waarvoor vóór 01.03.1993 een vergunningsaanvraag is ingediend; - Of, wanneer het in de derde klasse ingedeelde inrichtingen betreft, die op 01.01.1993 in bedrijf zijn gesteld en waarvoor de melding gebeurde vóór 01.03.1993; VII-24.191-6/19 - Of, die op 01.01.1993 niet ingedeeld waren, en het t.g.v. een wijziging van of aanvulling op de indelingslijst nadien wel werden of worden, en die op dat ogenblik reeds in uitbating of gebruik waren of zijn; dat hieruit volgt dat de (exploitatie) van de VZW Blue Birds, gedurende de aktename van 26.04.1993 voor een periode van 5 jaar als bestaande inrichting kan worden beschouwd; dat het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg, waartegen weliswaar beroep is ingesteld, de vergunningstermijn beperkt tot 26.04.1998; dat dit betekent dat de vliegclub gedurende meer dan 2,5 jaren geen exploitatievergunning bezat; dat dit als gevolg heeft dat de inrichting hierdoor vanaf 26.04.1998 als een nieuwe inrichting dient aanzien te worden bij gebreke aan een rechtsgeldige vergunning; dat inzake het toepassingsgebied van de milieuvoorwaarden art. 3.1.1. §2 van Vlarem II duidelijk stelt dat : 'Voor nieuwe inrichtingen gelden ze onmiddellijk. Ze gelden eveneens onmiddellijk voor : - inrichtingen of onderdelen ervan waarvan de exploitatie niet meer vergund is en waarvoor vóór het verstrijken van de vergunningstermijn geen aanvraag tot hervergunning is ingediend of melding is gebeurd; - inrichtingen of onderdelen ervan waarvan de exploitatie na uitputting van de beroepsmiddelen definitief geweigerd werd'; dat, rekening houdend met de historiek van de inrichting, geconcludeerd dient dat de inrichting moet voldoen aan de voorwaarden voor nieuwe inrichtingen; Overwegende dat het geluidsaspect door de aard van de activiteiten in dit dossier van doorslaggevend belang is; dat het Provinciaal Centrum voor Milieuonderzoek in dit verband op 07.09.1996, op vraag van de rijkswacht van Zomergem, naging of er geluidshinder optreedt t.g.v. de exploitatie van de vliegclub; dat er metingen verricht werden in de tuin van de heer en mevrouw Dossche - De Neve, op _+ 450 meter van de opstijg- en landingsplaats van de vliegtuigjes; dat het oorspronkelijk omgevingsgeluid 34,3 dB(A) bedraagt, terwijl het specifiek geluid (...), afkomstig van de (...) nieuwe inrichting, respectievelijk 45,1 dB(A), 48,5 dB(A) en 49,3 dB(A) voor de drie metingen bedroeg; dat het specifiek geluid van de inrichting, volgens art. 4.5.3.1. §2 van het Vlarem II, als de LA 95,1h van het oorspronkelijk omgevingsgeluid lager is dan de richtwaarde (40 dB(A)) voor een agrarisch gebied, beperkt moet worden tot het LA95,lh van het oorspronkelijke omgevingsgeluid enerzijds en tot de richtwaarde verminderd met 5 dB(A) anderzijds; dat de conclusie is dat er een overschrijding van de norm is met resp. 10,8 dB(A), 14,2 dB(A) en 15 dB(A); dat er bovendien gemeten werd op _+ 470 meter van het terrein van de vliegclub, terwijl art. 1 van bijlage 4.5.1. van Vlarem II stelt dat er mag gemeten worden op 200 meter van het terrein van de club; dat de toename van het specifiek geluid hierdoor zou stijgen met, geschat, 7,4 dB(A); dat momenteel de voorwaarden voor nieuwe inrichtingen van toepassing zijn op de vliegclub; dat er in maart 1999 op verzoek van de exploitant in het kader van klachten een volledig akoestisch onderzoek uitgevoerd werd door AVITECH Acoustics bvba; dat volgens deze studie opgemaakt door ir. Spruytte het volgende kan besloten worden: - de inrichting betreft een bestaande inrichting; - er dient een tonale correctie toegepast van 2 dB(A) omwille van het licht tonale karakter; - uit interpretatie van 24-uursmetingen aan de hand van simulaties in het beoordelingspunt P1 (t.h.v. de dichtstbije woningen) wordt een specifiek geluid bekomen van gemiddeld 44 dB(A); - gezien de richtwaarde van 40 dB(A) (richtwaarde overdag in het agrarisch gebied) is er slechts een overschrijding van 4 dB(A); volgens artikel 4.5.1.1. dient nagezien dat alle maatregelen werden genomen om een maximale sanering te bekomen - volgens de studie worden de brongerichte maatrege- len toegepast waarbij gebruik gemaakt wordt van vliegtuigjes met geluid- VII-24.191-7/19 dempers met een maximaal rendement volgens de huidige stand van de techniek; - voor het fluctuerend karakter van het geluid wordt er voldaan aan de richtwaarde van 55 dB(A); - er wordt voldaan aan de voorwaarden van Vlarem II voor bestaande inrichtingen (art. 4.5.4.1. §3); dat in het beroepschrift, opgesteld door meester Gwijde Vermeire, in bijlage 4 een evaluatie-advies toegevoegd wordt, opgemaakt door Dr. H.P. Verhas, waarin de twee hiervoren besproken verslagen worden getoetst (...); dat de resultaten van dit onderzoek als volgt samengevat kunnen worden : - er is twijfel over de geldigheid van de lopende vergunning met als gevolg een onzekerheid over het feit dat de inrichting als een 'bestaande' of als een 'nieuwe' inrichting dient beschouwd; - de beoordeling van het PCM geeft een juiste evaluatie van de geluidsover- last, indien de inrichting als een nieuwe inrichting dient beschouwd; - de beoordeling van Avitech is gebaseerd op de geluidsnormen voor bestaande inrichtingen en bevat een onderwaardering van de geluidsbelas- ting; Overwegende dat er kan gesteld worden dat de geluidsnormen, of het een bestaande, dan wel een nieuwe inrichting betreft, altijd overschreden worden; Overwegende dat de argumenten van het beroep als volgt geëvalueerd kunnen worden : 1) dat er een ernstige overschrijding van de geluidsnormen in het landelijk gebied is; 2) dat het argument dat de gemeente Zomergem haar macht overschreden heeft door te verwijzen naar een studie die geen deel uitmaakte van het openbaar gemaakte dossier (...) niet op(gaat) daar de exploitant het recht heeft om gedurende de procedure aanvullende gegevens en stukken over te maken aan de overheid; 3) dat de beroepers de kennelijke onredelijkheid van de beslissing opwerpen, gelet op de verwijzing naar algemene milieuvoorwaarden, er geen preventie- ve voorzieningen vermeld werden in de aanvraag, er geen natuurlijke buffering is en de vergunning toegekend werd voor 20 jaar; dat als beperking enkel het vliegreglement te vermelden is houdende een aantal bijkomende voorwaarden, bijv. 200 meter verwijderd blijven van woningen, hoogspan- ningslijnen; 4) Er worden geen milderende maatregelen opgelegd; dat milderende maatregelen enkel aan de bron [...] kunnen opgelegd worden, d.w.z. door de aard van de vliegtuigjes en hun motoren en geluiddempers; 5) De vliegactiviteiten vormen een gevaar voor de veiligheid van zijn cliënten en ook voor de weggebruikers; dat er inderdaad over een weg gevlogen wordt waarlangs tijdens het weekend relatief druk verkeer aanwezig is, vooral van auto’s en fietsen; 6) De woonsituatie van de beroepende partijen is rechtmatig; dat de afdeling AROHM hierover dient te oordelen; dat de AROHM gunstig advies gaf; 7) De vergunning maakt gebruik van een onwettig tot stand gekomen gewestplanbestemming; dat de inrichting volgens het gewestplan in een gebied voor dagrecrea- tie ligt; 8) Onvolledigheid van het aanvraagdossier; is juist, er waren zelfs geen preventieve voorzieningen vermeld in het aanvraagformulier; Overwegende dat het aangewezen is het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen aan te vullen met de bijkomende bijzondere voorwaarde dat er binnen een korte periode geluidsreducerende maatregelen en een geluidsstudie dient voorgelegd te worden; VII-24.191-8/19 Overwegende dat de exploitant, overeenkomstig artikel 43 par. 2 van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning steeds alle maatregelen dient te nemen om schade en hinder te voorkomen; Overwegende dat de vergunningverlenende overheid, overeenkomstig artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet, onverminderd de bepalingen van dezelfde wetten, decreten en uitvoeringsbesluiten bij het verlenen van een vergunning bijzondere voorwaarden kan opleggen, met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu; Overwegende dat, wat voorafgaat in acht genomen, kan gesteld worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting, mits naleving van de in onderhavig besluit opgelegde milieuvoorwaarden tot een aanvaard- baar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat de gevraagde exploitatie milieuhygiënisch, stedenbouw- kundig, planologisch en ecologisch verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving; dat bijgevolg de gevraagde vergunning kan worden verleend; (...)"; 2. De gegrondheid 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in het tweede middel stellen dat het gewestplan bij toepassing van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten, en dat zij tevens de schending aanvoeren van artikel 52, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergun- ning (Vlarem I); dat zij betogen dat in het gewestplan midden in het agrarisch gebied een klein stukje recreatiegebied werd ingekleurd, dat niet voorzien was in het ontwerp-gewestplan en dat het gewestplan wat dit betreft onwettig is; dat zij desbetreffend doen gelden wat volgt : "1. In het bestemmingsplan dat deel uitmaakt van dit K.B. werd een stukje dagrecreatiegebied ingekleurd, niet voorzien op het ontwerp-gewestplan. Het gaat om een mini-zone van ong. 60 op 70 meter (oranje met sterreke). De omgeving is dus agrarisch gebied (geel). 2. In het ontwerp-gewestplan was deze recreatiezone dus niet voorzien. Zie stuk III/6. Nochtans moet een definitief gewestplan het gevolg zijn van een gemoti- veerd en transparant element in het ontwerp en de procedure. Bv. als gevolg van een bezwaar of een advies. 3. Nu is er wel een bezwaar ingediend geweest door de VZW Blue Birds nl. op 6 oktober 1975 tegen het ontwerp-gewestplan en geformuleerd als volgt : 'In voornoemd plan werd immers geen plaats voorzien voor het vliegveld voor modelvliegtuigen dat voor het huidig ogenblik en dit reeds sedert jaren gelegen is op het grondgebied van de gemeente Zomergem. ... vragen wij uitdrukkelijk dat bij het opmaken van het definitieve gewestplan een vestiging te voorzien binnen de grenzen van de gemeente Zomergem en waarbij : 1/) de absolute zekerheid zou bestaan dat er in de toekomst geen bebouwing, geen hoogstammig groen, geen kabelmasten, enz. zouden opgetrokken worden binnen deze zone met een straal van 2 à 3 km.; VII-24.191-9/19 2// de zone zou voldoen aan de internationale normen inzake modelvlieg- tuigen; ...' Zie stuk III/1 De Regionale Commissie voor Advies Ruimtelijke Ordening antwoordde op dit bezwaar (B.S. 1 april 1978) : 'advies Commissie : eventueel opnemen in de bijzondere voorschriften'. Zie stuk III/2. Er werd evenwel geen bijzonder (stedenbouwkundig) voorschrift in het gewestplan opgenomen. Wel werd dus plots het hier bedoeld recreatiegebied aan de Moerstraat als een stukje recreatiegebied ingekleurd. Dit volgt noch objectief noch redelijkerwijze uit het openbaar onderzoek zoals dit heeft plaatsgevonden. De vaststelling van deze recreatiezone is dan ook onwettig. Verzoekers hebben trouwens vernomen dat deze gang van zaken het gevolg is van een louter politieke tussenkomst. 4. Uw Raad heeft reeds meermaals gesteld dat een gewestplan in het kader van de stedenbouwwet 1962 enkel 'in het raam van de bezwaren en adviezen' wijzigingen kan aanbrengen aan het ontwerp-gewestplan. De wijziging die aan het ontwerp-gewestplan wordt aangebracht buiten dit kader, kan niet worden aangevoerd als een wettig motief voor de weigering van een bouwvergunning. Zie bv. in die zin het arrest nr 20.450 van 24 juni 1980 inzake De Coster tegen Belgische Staat. De reden waarom dus art. 159 G.W. in casu van toepassing is : de steden- bouwwet zoals toen (in 1978) geldend, liet aan de Koning enkel toe om af te wijken van het advies van de Regionale Commissie voor advies indien dit 'met redenen omkleed' is. Aldus het toen geldende art. 9 en 13 van de stedenbouw- wet. Welnu, verzoekers vinden die redenen niet terug in het K.B. Bijgevolg is het gewestplanbesluit onwettig op basis van art. 159 Grondwet. Bovendien zijn de bestreden beslissingen van de deputatie ook onwettig temeer de voormelde grief werd opgeworpen in het beroepschrift en in het bezwaar. De bestendige deputatie heeft daar echter geen afdoend antwoord op gegeven. Integendeel, zij heeft gewoon gesteld dat de aanvraag 'milieuhygiënisch, stedenbouwkundig, planologisch en ecologisch verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving'. Dus er werd spijts art. 52, 3/ van het Vlarem - I niet geantwoord op de grief blijkt uit het beroepschrift van 9 januari 2001 : 'VII. De vergunning maakt gebruik van een onwettig tot stand gekomen gewestplanbestemming. Grotendeels zonevreemd. (...) 3. Bovendien is ook de bestemming op zich van de recreatiezone onwettig, want is er plots gekomen, zonder dat er op het ontwerp- gewestplan ook maar enigerlei sprake was van dergelijke zonering. Zie het bijgevoegd ontwerp-plan. Daardoor is er geen enkele inspraak geweest van belanghebbenden op dit vlak, wat ondemocratisch is en een schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel dat ook in 1978 reeds bestond. Bovendien is de inkleuring er gekomen door loutere politieke beïnvloeding. De bestendige deputatie zou dan ook aan deze bestemming geen verdere medewerking mogen verlenen'. Dus waar is ergens in de bestreden beslissingen het antwoord op deze grief te vinden ? Nergens. VII-24.191-10/19 Bijgevolg dient in dit middel, ondergeschikt, ook de schending te worden begrepen van art. 52, 3/ van het Vlarem-I. (...)"; dat de verzoekende partijen daarop nog de schending aanvoeren van het gelijkheidsbeginsel, op grond van een vergelijking met bewoners in de buurt van recreatiezones die wel in een ontwerp-gewestplan waren opgenomen; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat zij niet bevoegd is om de rechtsgeldigheid van gewestplannen te toetsen, zodat het haar niet duidelijk is hoe zij artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet, die enkel geldt voor "de rechterlijke macht", kan hebben geschonden en dat artikel 52, 3/, van Vlarem I geldt voor uitspraken in beroep door de bevoegde Vlaamse minister, tegen in eerste aanleg door de deputatie genomen beslissingen; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord niets wezenlijk meer toevoegen aan hetgeen reeds in het verzoekschrift stond; 2.1.4. Overwegende dat de tussenkomende partij vooreerst verwijst naar het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg van Gent van 30 juni 2000 : "Door de eisers wordt voorgehouden dat het gewestplan Aalter (KB van 24 maart 1978) betreffende de bestemming van het clubterrein, gebruikt door de verweerster, onwettig tot stand is gekomen en met toepassing van artikel 159 Grondwet onverbindend moet worden verklaard. Uit het door verweerster voorgelegde dossier terzake blijkt duidelijk dat de procedure zoals wettelijk voorgeschreven werd gevolgd: meer bepaald werd de klacht van de verweerster behandeld door de Regionale commissie voor advies van de ruimtelijke ordening voor de provincie Oost-Vlaanderen. Deze laatste adviseerde in te gaan op de vraag van de verweerster, wat door de Minister werd gedaan. De motivering is vrij summier maar is hoe dan ook klaar en duidelijk aangegeven en beantwoordt aan de normen die toendertijd aan de motiveringsplicht werden gesteld. Evenmin was het nodig om nog een openbaar onderzoek te voeren betreffende deze wijziging. Er moet dan ook worden vastgesteld dat de bestemming 'dagrecreatie' van het door de verweerster gebruikte terrein wettig is en de activiteit van de eiseres niet belemmert"; dat zij daarop de historiek van de zaak toelicht en daarna het volgende doet gelden : "(...) de stedenbouwwetgeving vereist niet dat een wijziging aan het ontwerpgewestplan, die steun vindt in het advies van de Regionale Commissie van Advies, aan een nieuw openbaar onderzoek zou moeten worden onderworpen. De wetgever heeft op dit punt dus een procedure van besluitvorming ingesteld, waarbij betracht werd, enerzijds te voldoen aan de eisen gesteld door het recht van de eigenaars en gebruikers van de betrokken VII-24.191-11/19 eigendommen om voor hun belangen op te komen en anderzijds te voorkomen dat de vaststelling zelf van de gewestplannen in het gedrang komt (R.v.St., Switsers, 22.801 van 4 januari 1983, geciteerd in het Zakboekje Ruimtelijke Ordening 2001, p. 92)"; dat, wat betreft de aangevoerde schending van artikel 52, § 3/, van Vlarem I, zij betoogt dat artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet zich niet richt tot organen van actief bestuur, zodat de verwerende partij niet mocht ingaan op de aangevoerde wettigheidskritiek; 2.1.5. Overwegende dat bij het vaststellen van het gewestplan Eeklo-Aalter de Koning is afgeweken van het ontwerp-gewestplan, als gevolg van een door de tussenkomende partij ingediend bezwaar, waaromtrent de regionale commissie van advies wel degelijk positief heeft geadviseerd en waarbij werd gesteld "eventueel opnemen in de bijzondere voorschriften"; dat de Koning desbetreffend het positief advies heeft gevolgd, evenwel niet via het vaststellen van bijzondere voorschriften, maar door het inkleuren van een klein gebied als recreatiegebied; dat dit laatste een antwoord blijkt te zijn op de vraag van de tussenkomende partij om "een vestiging te voorzien"; dat de verzoekende partijen er dan ook ten onrechte van uitgaan dat het inkleuren van het recreatiegebied niet het gevolg zou zijn van een tegen het ontwerp-gewestplan ingediend bezwaar, en dat de adviescommissie daaromtrent niet gunstig zou hebben geadviseerd; dat de verzoekende partijen ten onrechte van oordeel zijn -zoals blijkt uit hun laatste memorie- dat de wijziging van het ontwerp-gewestplan niet enkel inhoudelijk moest voortvloeien uit het advies van de commissie, maar ook wat betreft de techniek die werd gebruikt om die inhoudelijke wijziging door te voeren; dat de bijzondere motivering die de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (stedenbouwwet) oplegde overeenkomstig artikel 9, 7e lid enkel die gevallen betreft waarin de Koning afwijkt van het advies van de regionale adviescommissie, hetgeen hier niet het geval is; Overwegende dat, aangezien artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet zich niet richt tot de organen van actief bestuur, en deze gehouden zijn de bestaande wetgeving te respecteren, de verwerende partij de formele motiveringsplicht niet kan hebben geschonden door het niet antwoorden op de bezwaren die de onwettigheid van het gewestplan inroepen; VII-24.191-12/19 Overwegende dat de bij het aanvoeren van de schending van het gelijkheidsbeginsel ingeroepen ongelijke behandeling zijn oorsprong vindt in de procedure voorgeschreven in het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 (stedenbouwdecreet), zodat dit middelonderdeel buiten de bevoegdheid van de Raad van State valt; Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, het tweede middel niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partijen als derde middel de schending aanvoeren van artikel 30bis van Vlarem I, van artikel 4.5.2.1, § 2, en van bijlage 2.2.1. van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II), en van het redelijkheidsbeginsel; dat zij alsook machtsoverschrijding aanvoeren; dat het middel in essentie als volgt wordt toegelicht : "Het artikel 30bis bepaalt : 'Een vergunning kan worden verleend wanneer deze voorwaarden bevat welke garanderen dat de inrichting voldoet aan de eisen die door dit reglement en titel II van het Vlarem zijn gesteld. De vergunning wordt geweigerd wanneer dat niet het geval is'"; dat zij betogen dat in paragraaf 2 van het artikel onder meer wordt bepaald dat de vergunningsvoorwaarden zo moeten zijn gesteld dat ze "een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel waarborgen", en dat de genoemde rechtsnormen zijn geschonden : "Omdat de verwerende partij dus de vergunning verleend heeft hoewel blijkt dat de nieuwe inrichting toch niet kan voldoen aan de voorwaarden gesteld door het Vlarem. Dit terwijl het nieuwe art. 30 bis juist beoogt dat uit de vergunning zelf moet blijken dat de vervulling van de voorwaarden van Vlarem I en Vlarem II gegarandeerd moet zijn. De Bestendige Deputatie stelt enerzijds vast dat 'gesteld kan worden dat de geluidsnormen, of het een bestaande dan wel een nieuwe inrichting betreft, altijd overschreden worden'. Het gaat hier uiteraard over de geluidsnorm van 40 dB bedoeld in bijlage 2.2.1 van het Vlarem II verminderd met 5 dB conform art. 4.5.2.1 par. 2 van het Vlarem II. In casu kon de Bestendige Deputatie die vaststelde dat de norm van 35 of zelfs 40 dB geenszins gehaald wordt, niet anders dan ofwel de voorwaarden opleggen die garanderen dat de inrichting voldoet aan Vlarem-I en II (dus onder meer aan art. 4.5.2.1 par. 2 Vlarem II) ofwel de vergunning weigeren. Verzoekers begrijpen uit art. 30 bis Vlarem II dat de voldoening aan de garantieplicht dadelijk moet zijn, en niet vooruitgeschoven mag worden naar de toekomst, bv. door het resultaat af te wachten van een nog uit te voeren onderzoeksmaatregel. VII-24.191-13/19 Minstens dient voormelde begrepen dat er geen vergunning mag verleend worden voor een langere duurtijd dan nodig om het resultaat van de onderzoeksmaatregel te kennen. In casu dus 6 maanden versus 20 jaar, wat de discrepantie aantoont. Hier is evenwel geen één van beide beslissingen gevallen : er is geen weigering van de milieuvergunning en er zijn geen actueel en direct garanderende geluidswerende maatregelen opgelegd. Wel wordt er dus nog maar eens een studie opgelegd die dan in voorkomend geval zal leiden tot een saneringsplan. Over deze macht beschikte de Bestendige Deputatie dus niet"; dat de verzoekende partijen als volgt uiteenzetten wat de te respecteren geluidsnormen zijn, en waarom deze niet kunnen worden gerespecteerd : "(...) De te bereiken geluidsnorm. Volgens bijlage 2.2.1 van het Vlarem II is de richtwaarde voor geluid in open lucht, in landelijke gebieden en gebieden voor verblijfsrecreatie overdag 40 db. Hier moet echter rekening gehouden met art. 4.5.2.1 van het Vlarem II. Nl. nu blijkt dat het omgevingsgeluid lager is dan deze te behalen richtwaarde. Uit de beslissing zelf, blz. 4 en uit de studie van het Provinciaal Centrum voor Milieuonderzoek van 25 september 1996 blijkt dat het omgevingsgeluid 34,3 db bedraagt. Nu dit omgevingsgeluid dus lager is dan de richtwaarde, is de aldus verplicht aan te passen richtwaarde 35 db. (...) De werkelijk voortgebrachte geluidsnormen. Uit de studie van het P.C.M. van september 1996 blijkt dat op de drie meetplaatsen, waarvan twee op de perceelsgrens van het eigendom van verzoekers, werd gemeten: 45,1 ; 48,5 en 49,3 db. Dus dit geeft een overschrijding van minstens 10 dB. Doordat deze meetpunten gelegen waren op 470 meter van het terrein van de vliegclub, betekende dit volgens de geluidsdeskundige dat op 200 meter afstand van dit terrein, een geluidsniveau van 7,4 dB meer bereikt werd. Dit zou dus dan cijfers geven tussen 42 dB en 56 db. Zo gezien geeft dit een overschrijding van zelfs minstens 17 dB. N.B. Verzoekers blijven van oordeel dat de overschrijding van de geluidsnorm nog veel hoger ligt, mocht er maar eens gemeten worden voldoende dicht bij de bron, en wanneer er bv. 3 vliegtuigen in de niet te hoge lucht vliegen"; dat zij ten slotte nog uiteenzetten dat de inrichting als een nieuwe inrichting moet worden beschouwd; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt wat volgt : "Verweerster wijst erop dat de metingen door het Provinciaal Centrum voor Milieuonderzoek (afgekort PCM) waaruit een overschrijding van de in Vlarem II vastgestelde geluidsnormen blijkt, werden uitgevoerd in de tuin van beroepers op ca. 450 m van de opstijg- en landingsplaats van de modelvliegtuigen. Deze metingen gebeurden evenwel in 1996. Bovendien blijkt uit het dossier niet op welke afstand van de opstijg- en landingsplaats de toestellen toen vlogen, noch hoe dicht zij de woning in kwestie toen hebben genaderd. VII-24.191-14/19 Zoals eerder gesteld heeft het schepencollege de vliegzone beperkt tot een cirkel van 400 m te rekenen vanaf het midden van het betrokken terrein. Bovendien wordt een vliegverbod opgelegd op een afstand van minder dan 200 m van woningen. Resultaten van akoestische metingen binnen deze zone waren niet voorhanden op het ogenblik dat het dossier haar voor beslissing werd voorgelegd. Bijgevolg was niet duidelijk of binnen de vergunde zone de geldende geluidsnormen kunnen worden gehaald. Uit het dossier bleek echter evenmin dat er sowieso een overschrijding van die normen was. Verzoekers stellen dan ook ten onrechte dat verweerster de milieuvergunning had moeten weigeren in toepassing van artikel 30bis van Vlarem I. Verweerster heeft de exploitant vooralsnog de kans willen bieden om aan te tonen dat de in Vlarem II vastgestelde geluidsnormen worden gehaald en, indien dit niet het geval is, hiervoor de nodige maatregelen te treffen. Voor zover nodig herinnert verweerster eraan dat de vergunningverlenende overheid de milieuvergunningen kan schorsen of opheffen indien de exploitant de bepalingen van het Milieuvergunningendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten en/of de opgelegde vergunningsvoorwaarden niet naleeft"; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord volgende repliek geven : "(...) Op blz.2 van het meetverslag zijn de drie meetpunten vermeld. Dit is voldoende om de metingen in de ruimte te situeren. Het is niet nodig bv. de afstand tussen het meetpunt enerzijds en de vliegtuigjes/het vliegtuig anderzijds te bepalen. Voldoende is dat de kwantiteit van de geluidshinder gemeten werd en dat er geen discussie is over de bronnen ervan. (...) Het is natuurlijk zo dat er op datum van de beslissing geen actuele en precieze meetgegevens van het geluid voorhanden waren, rekening houdend met onder meer het verbod binnen de 400 meter vanaf middenveld te vliegen en de 200 m. lijn ten opzichte van woningen. Maar gezien er geen enkel dossierelement is in de aanvraag waaruit blijkt dat de vliegtuigen nu plots minder lawaai zouden produceren dan vroeger, zien verzoekers niet in welk verschil dit zou kunnen geven. Er is bv. met de 400 m. straal niets nieuws onder de zon. Bv. schreef Blue Birds op 28 oktober 1996 aan de gemeente : 'In antwoord op voornoemd schrijven kan ik U verzekeren dat door onze leden strikt gevlogen wordt binnen het luchtruim begrensd door een cirkel met 400 m. straal gerekend vanaf het middelpunt van modelluchtvaartplein. (...) Deze vallen binnen de gestelde normen zoals ze door het Bestuur der Luchtvaart werden bepaald'. Zie stuk V/7. Bedenking: in de vergunningen van het Bestuur der Luchtvaart is sprake van een geluidsnorm die onder... 72 DB dient te blijven. Zie stukkenbundel VII. 3. Verder wordt geschreven dat men de exploitant nog de kans heeft willen bieden om de geluidsnormen te halen en zoniet, dat de nodige maatregelen kunnen getroffen worden, zoals schorsen of opheffen van de vergunning ... Repliek Art. 30 bis heeft het over 'garanderen' dat de inrichting voldoet aan die en die voorwaarden. VII-24.191-15/19 Men kan onmogelijk zeggen dat met een geluidsstudie enerzijds en geen proefvergunning, maar een vergunning voor 20 jaar anderzijds, de garanties voorhanden zijn. Men draait dus rond de pot. En men kan als overheid de garantieplicht niet uitstellen, gelet op het art. 30bis die deze speelruimte niet toelaat! Dit onderdeel van het middel is dus m.i. ook kennelijk gegrond. Verzoekers kunnen er - volledigheidshalve en feitelijk gesproken - natuurlijk wel in komen dat men, afgezien van de andere problemen (zonevreemdheid, onwettigheid gewestplan, ...) aan de club nog een laatste kans heeft willen geven. Maar de wijze waarop dit i.c. gebeurt is kennelijk onredelijk, alleen al omdat men al zovele jaren het probleem kent en de vergunningsduur niet in evenredigheid is tot - op zijn minst - de twijfels over de haalbaarheid van de wettelijke geluidsvoorwaarden in het landelijk gebied (cfr. Bijlage 2.2.1 van het Vlarem -II). Overigens is er tot op heden niet eens een studie ingediend, of deze is toch niet vermeld in de memorie van wederpartij. En men blijft vliegen en lawaai maken zoals anders"; 2.2.4. Overwegende dat de tussenkomende partij uiteenzet dat artikel 30bis, § 1, van Vlarem II de implementatie is van een bepaling uit Richtlijn 96/91 (IPPC-richtlijn), maar veel verder reikt, "wellicht zonder dat dit in wezen zo was bedoeld"; dat zij dienaangaande doet gelden : "Concreet betekent dit dus dat de milieuvergunning overeenkomstig artikel 30bis, § 1, VLAREM I, slechts kan worden verleend wanneer de milieuvergunning voorwaarden bevat die garanderen dat aan de concrete milieuhygiënische normen wordt voldaan. De vraag die thans voorligt is of het milieuvergunningsbesluit van 23 mei 2001 voorwaarden bevat die garanderen dat aan de geldende geluidsnormen wordt voldaan. In het licht van het verzoekschrift tot schorsing en annulatie dat door de tussenkomende partij zelf is ingediend, kan in casu worden gesteld dat de door de Bestendige Deputatie bepaalde voorwaarde wel degelijk die garantie biedt : immers, in zoverre met de bijzondere vergunningsvoorwaarde de naleving van de voor de tussenkomende partij niet-haalbare geluidsnormen voor nieuwe inrichtingen is bedoeld, gaf de tussenkomende partij onmiddellijk aan dat deze bijzondere voorwaarde het milieuvergunningsbesluit tot een verkapt weigeringsbesluit maakt, reden waarom zij zelf een procedure voor de Raad van State opstartte. (Volledigheidshalve vermeldt de tussenkomende partij, ter illustratie van het feit dat een bijzondere voorwaarde waarin een geluidsstudie wordt opgelegd wel degelijk de garantie biedt/kan bieden dat aan de geldende geluidsnormen wordt voldaan, dat zij onmiddellijk opdracht heeft gegeven aan een in dit dossier nog niet betrokken geluidsdeskundige (zie de meningsverschillen tussen de drie geluidsdeskundigen die in deze zaak reeds metingen hebben uitgevoerd) teneinde na te gaan of de besluitvorming van ir. Vincent SPRUYTTE correct is en de exploitatie van de tussenkomende partij dus wel degelijk voldoet aan de geluidsnormen voor bestaande inrichtingen. Blijkt de naleving van de geldende geluidsnormen niet te kunnen worden bevestigd, dan betekent dit zonder meer het einde van de exploitatie). VII-24.191-16/19 Afrondend dient hier de bedenking te worden gemaakt dat de verplichting voor de vergunningverlenende overheid om overeenkomstig artikel 30bis, §1, VLAREM I aan de exploitant voorwaarden op te leggen die een legale exploitatie garanderen, noodgedwongen als een middelenverplichting in hoofde van de overheid moet worden benaderd en niet als een resultaatverplichting: de overheid dient als een normaal zorgvuldige overheid, binnen haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid, de voorwaarden ter garantie van een legale exploitatie te redigeren. Instrumenten als proefvergunningen, saneringsplannen e.d. mogen daarbij niet, door een rigide benadering van de letterlijke tekst van artikel 30bis, §1, VLAREM I (gelezen tegen de achtergrond van artikel 8, 1ste lid IPPC-richtlijn), uit het rechtsverkeer worden geëlimineerd"; dat zij vervolgens nog uiteenzet dat de inrichting als een bestaande inrichting moet worden beschouwd, en dat de vergunning van 26 april 1993 wettig en nog geldend is; 2.2.5. Overwegende dat het bestreden besluit de inrichting beschouwt als een nieuwe inrichting, maar ook overweegt, op grond van een onderzoek door het Provinciaal Centrum voor Milieu-onderzoek, van een geluidsstudie in opdracht van de exploitant, en van een deskundig evaluatie-advies van deze onderzoeken, voorgelegd door de verzoekende partijen, "dat er kan gesteld worden dat de geluidsnormen, of het een bestaande dan wel een nieuwe inrichting betreft, altijd overschreden worden (...)"; dat bij de evaluatie van de argumenten van het administratief beroep, onder meer wordt gesteld : "1) dat er een ernstige overschrijding van de geluidsnormen in het landelijk gebied is; (...) 4) (argument in het beroep :) er worden geen milderende maatregelen opgelegd; (antwoord : ) dat milderende maatregelen enkel aan de bron kunnen opgelegd worden, d.w.z. door de aard van de vliegtuigjes en hun motoren en geluidsdempers; (...) 8) Onvolledigheid van het aanvraagdossier; is juist, er waren zelfs geen preventieve voorzieningen vermeld in het aanvraagformulier (...)", en dat het bestreden besluit dan overweegt : "Overwegende dat het aangewezen is het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen aan te vullen met de bijkomende bijzondere voorwaarde dat er binnen een korte periode geluidsreducerende maatregelen en een geluidsstudie dient voorgelegd te worden; (...) Overwegende dat, wat voorafgaat in acht genomen, kan gesteld worden dat de risico’s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, VII-24.191-17/19 op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting, mits naleving van de in onderhavig besluit opgelegde milieuvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; (...)"; dat de opgelegde voorwaarde die ervoor zou moeten zorgen dat hinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt, de volgende is : "Binnen een termijn van 6 maanden dient door een erkend studiebureau in een geluidsstudie de werking van (
  5. de)inrichting getoetst aan de geluidsnormen conform Vlarem II. Indien de geldende geluidsnormen overschreden worden dient de studie tevens vergezeld van een saneringsplan. (...)"; Overwegende dat artikel 30bis, § 1, van Vlarem I luidt als volgt : "Een vergunning kan worden verleend wanneer deze voorwaarden bevat welke garanderen dat de inrichting voldoet aan de eisen die door dit reglement en titel II van het VLAREM zijn gesteld. De vergunning wordt geweigerd wanneer dat niet het geval is"; Overwegende dat Vlarem II duidelijk bepaalt welke de geluidsnormen zijn; dat de vraag of de geluidsnormen moeten worden toegepast die gelden voor nieuwe dan wel voor bestaande inrichtingen door de vergunningver- lenende overheid moet worden beantwoord; dat dan ook kan worden berekend hoeveel geluid er op welke hoogte mag worden geproduceerd, opdat de impact op de grond binnen de normen zou blijven, en de vergunningsvoorwaarden kunnen worden vastgelegd die de geluidshinder binnen bepaalde perken moeten houden, zoals de maximale geluidsproductie aan de bron per toestel, het gelijktijdig gebruikte aantal vliegtuigen en de minimale vlieghoogte; dat een geluidsstudie, zoals die met het bestreden besluit is opgelegd, geen nieuwe gegevens kon opleveren die nuttig zijn voor het opleggen van vergunningsvoorwaarden inzake beperking van geluidshinder; dat, gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak, het bestreden besluit werd genomen met schending van artikel 30bis, § 1, van Vlarem I; dat het derde middel in de aangegeven mate gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 23 mei 2001, waarbij een milieuvergunning VII-24.191-18/19 wordt toegekend aan de v.z.w. BLUE BIRDS voor de uitbating van een terrein voor modelvliegtuigen aan de Moerstraat te Zomergem. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juli tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-24.191-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.393 Gerelateerde publicatie(
  6. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.102.222 ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.121.004 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.