id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.394 Rolnummer: A. 172543/VII-35918 Zaak: Arrest 173394 - Milieuvergunningen - 12/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-14 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 22:43 Fiche Arrest nr 173.394 van 12 juli 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.394 van 12 juli 2007 in de zaak A. 172.543/VII-35.
(2)een eenvoudig maaien van de bestaande vegetatie zonder vergunning er ook voor zorgt dat verzoekster niet meer kan genieten van het uitzicht. Voorts betwist verwerende partij ook de wateroverlast die de bestreden vergunning zal veroorzaken. 6. Verzoekster ziet niet in welke invloed de gewestplanbestemming heeft op haar belang bij de vordering. Betekent dit dat verzoekster ook geen belang zou hebben mocht mevrouw DE WIT vergunning zijn verleend voor het oprichten van een varkenskwekerij op dezelfde plaats als de poel (met dezelfde bestemming 'agrarisch gebied')? Voorts is het feit dat de percelen in agrarisch gebied gelegen zijn, in deze niet relevant nu artikel 13 § 5 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna 'Decreet Natuurbehoud') uitdrukkelijk stelt dat het geheel of gedeeltelijk wijzigen van kleine landschapselementen of de vegetatie ervan vergunningsplichtig is in agrarisch gebied (alsook in andere gebieden). Daarnaast is het zo dat de bescherming van de poel en het moeras voortvloeit uit het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna 'het Vegetatiebesluit') en uit het decreet Natuurbehoud, dus los van de bestemming. 7. Verzoekster ziet ook niet in waarom de rechtspraak van Uw Raad dat de verzoeker die op een deugdelijke wijze aantoont dat hij of zij eigenaar of bewoner is van een pand of perceel, dat paalt aan, of gelegen is naast, ofwel gelegen is tegenover datgene waarvoor een bouwvergunning is verleend, of die in het algemeen, in de onmiddellijke nabijheid, woont van het perceel waarvoor een stedenbouwkundige vergunning werd afgegeven daardoor alleen al doet VII-35.918-6/13 blijken van het wettelijke vereiste belang, niet van toepassing zou zijn op natuurvergunningen. Trouwens het dempen van de poel en het nivelleren van de 50 aren grond kan evengoed (of beter: slechts) gebeuren op grond van een stedenbouwkundige vergunning. Het valt niet in te zien waarom verzoekster wel belang zou hebben indien de werken zouden vergund zijn door een stedenbouwkundige vergunning en niet bij het aanvechten van een identieke natuurvergunning. 8. Wat betreft het verdwijnen van het zicht door het eenvoudig maaien van de bestaande vegetatie zonder vergunning, gaat verwerende partij eraan voorbij dat dan wel zeer vaak gemaaid zal moeten worden. Bovendien gaat verwerende partij ook voorbij aan de seizoenswisseling die ook verandering van het uitzicht veroorzaakt. Een eenvoudig maaien heeft trouwens ook geen manifeste invloed op de aanwezig fauna. Eigenlijk blijkt uit betoog van verwerende partij dat de visuele hinder niet wordt betwist. 9. Voor alle duidelijkheid wenst verzoekster te beklemtonen dat er ook geen sprake kan zijn van een 'illegale' poel. Zoals in het verzoekschrift aangegeven is de poel ontstaan uit een put die werd gegraven om er de klei te winnen om de hoeve van verzoekster te bouwen. Wanneer de hoeve van verzoekster exact gebouwd werd, is niet bekend. Verzoekster is wel in het bezit van een notariële akte d.d. 3 december 1941 waarop de hoeve reeds vermeld staat (stuk 2). Vermoedelijk is de woning en dus ook de poel nog ouder. De hoeve en de poel werden dus opgericht nog lang vóór er enige vergunningsplicht bestond. Van enige illegaliteit kan dus geen sprake zijn. Trouwens, stel nu dat op de plaats van de poel een even oud monument (bijv. een kapel) zou staan, dat dus ook zonder vergunning zou zijn opgericht (en niet beschermd is als monument). In die omstandigheden heeft verzoekster, die op het monument zou uitkijken, ook vanzelfsprekend een belang om zich tegen bijv. een vergunning tot slopen van het monument te verzetten. Tenslotte wordt de zgn. illegaliteit overruled door de bescherming geboden door het Decreet Natuurbehoud en het Vegetatiebesluit. 10. Zelfs mocht de poel 'illegaal' zijn, quod non, dan nog heeft verzoekster het rechtens vereiste belang om tegen de bestreden vergunning te ageren nu deze wateroverlast zal veroorzaken. Verzoekster herhaalt dat uit het verslag van de milieudienst van de gemeente Meise blijkt dat de poel bij hevige regenval fungeert als tijdelijke opvang voor afspoelend oppervlaktewater van de hoger gelegen gebieden (stuk 10). Inzonderheid is de (aanpalende) woning van verzoekster hoger gelegen. Dit wordt niet betwist. Indien de poel en het moeras van 5 tot 8 aren worden gedempt zal het perceel (met inbegrip van de woning) van verzoekster onderlopen bij zware regenval. Vanzelfsprekend zal de overlast nog groter zijn indien 50 aren worden opgehoogd. Zoals in het verzoekschrift aangegeven, oordeelden de gemeentelijke milieudienst (stuk 10) en het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Meise (stuk 6) dat het bezwaar van verzoekster en haar buren inzake de wateroverlast gegrond was doch stelden dat 'het effect voor de omliggende woningen beperkt is en voor velen zelfs onbestaande, temeer omdat uit contact met de aanvrager blijkt dat de aanvraag zich wel degelijk beperkt tot het dempen van de uitgegraven zone met een totale oppervlakte van 5 tot maximaal 8 are'. Hierbij passen twee bemerkingen. Vooreerst geldt de opmerking van het beperkte of onbestaande effect van de waterbuffering niet voor verzoekster daar het hoger gelegen perceel van verzoekster net tegen de poel en het moeras ligt VII-35.918-7/13 en zij dus uit de aard het meeste hinder en wateroverlast zal lijden; door het ophogen van het perceel van mevrouw DE WIT zal het water van o.a. het perceel van verzoekster niet meer weg kunnen. Ten tweede is er geen enkele zekerheid dat het ophogen beperkt is tot een oppervlakte van 5 tot maximaal 8 are. Integendeel blijkt uit de aanvraag dat het de bedoeling is een oppervlakte van 50 aren, i.e. de totale oppervlakte van de percelen nr. 41 B en 42 C te egaliseren en op te hogen, dus is er helemaal geen sprake van een beperking van de effecten. Ook het bestreden besluit bevat geen beperking in oppervlakte. Verwerende partij en mevrouw DE WIT voeren geen enkel argument aan dat de vaststellingen van de gemeente en verzoekster kan ontkrachten. 11. Uw Raad zal vaststellen dat de nadelen inzake natuurbeleving e.d. niet worden betwist door verwerende partij"; 2.3. Overwegende dat verzoekster in de onmiddellijke nabijheid woont van het perceel waarop de middels het bestreden besluit vergunde werkzaamheden zullen worden uitgevoerd; dat de verwerende partij dit niet betwist; dat verder uit de natuurvergunningsaanvraag van verzoekster blijkt dat het perceel waarop de poel is gelegen, zal worden opgehoogd en er minstens een reliëfwijziging zal plaatsvinden waardoor de woning van verzoekster niet langer als hoger gelegen kan worden beschouwd; dat verzoekster haar belang bij onderhavig beroep steunt op het feit dat zij vreest dat bij hevige regenval haar woning zal onderlopen; dat de verwerende partij beweert dat er ter zake een hoogteverschil bestaat tussen beide percelen, zonder te preciseren waaruit dat verschil concreet bestaat, of na uitvoering van de kwestieuze werken zal bestaan; dat in het bijzonder moet worden gewezen op het advies van 1 december 2005 van de milieuambtenaar van de gemeente Meise waarin wordt gesteld dat de natuurvergunningsaanvraag geen aandacht besteedt aan de gevolgen voor het waterbergend vermogen, de afvoer van regenwater en de impact op de grondwatertafel; dat uit deze vaststellingen genoegzaam blijkt dat verzoekster getuigt van het rechtens vereiste belang bij onderhavig beroep; dat de exceptie bijgevolg wordt verworpen; 3. De gegrondheid 3.1. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending inroept van de artikelen 13, §5, en 16, §4, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, van artikel 13, §5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de verplichting voor elke administratieve overheid om haar beslissingen te steunen op in rechte en in feite VII-35.918-8/13 aanvaardbare motieven; dat verzoekster hierover in haar verzoekschrift in essentie het volgende stelt : "22. De Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen legt de overheid de verplichting op om bestuurshande- lingen (...) uitdrukkelijk te motiveren. Het lijdt geen twijfel dat een natuurvergunning te aanzien is als een bestuurshandeling in de zin van (
- de)Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen zodat een natuurvergunning uitdrukkelijk dient te worden gemotiveerd. (...) 23. Artikel 13, §5 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna 'het Vegetatiebesluit') stelt o.a. het volgende 'Het College kan de vergunning verlenen, weigeren, beperken en aan voorwaarden onderwerpen met inbegrip van het opleggen van compensatiemaatregelen voor natuurherstel of -ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 8, §2, 5/. Het College houdt daarbij rekening met de volgende beoordelingscriteria : 1/ de bestaande toestand van de natuur ongeacht de bestemming van het gebied; 2/ de huidige toestand van de vegetaties of de kleine landschapselementen; 3/ de maatregelen tot herstel en ontwikkeling van habitats en ecosystemen; 4/ de abiotische elementen. De beslissing wordt met redenen omkleed. Indien ze gunstig is, wordt er steeds in bepaald dat de aanvrager de activiteiten niet mag aanvangen vooraleer de in onderafdeling D van deze afdeling bedoelde beroepstermijnen zijn verstreken.' Artikel 16, §4 van het Vegetatiebesluit stelt : 'Binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het beroep door de Bestendige Deputatie van de provincieraad doet deze laatste uitspraak over het beroep. Deze uitspraak omvat een gemotiveerde beslissing over de aanspraken en bezwaren die door de indiener(
- s)van het beroep werd(
- en)gesteld.' De artikelen 13, §5 en 16, §4 van het Vegetatiebesluit leggen dus bijzondere verplichtingen op inzake de motivering van beslissingen over een aanvraag tot natuurvergunning. (...) 25. Vooreerst bevat de bestreden beslissing geenszins de feitelijke overwegingen en motieven die aan de beslissing ten grondslag liggen. Met feitelijke overwegingen wordt bedoeld de feiten die de toepassing van de regel uitlokken en de feiten die de beoordelingsbevoegdheid van het bestuur beïnvloeden (OPDEBEEK, I., De formele motivering van bestuurshandelingen, Brugge, Die Keure, 1999, p. 142, nr. 177). Een beslissing die een uitspraak inhoudt over een aanvraag tot natuurvergunning voor het wijzigen van kleine landschappelijke elementen moet minstens de volgende feitelijke overwegingen bevatten : - een beschrijving van de te wijzigen kleine landschappelijke elementen alsook van de onmiddellijke omgeving (dus de huidige toestand); - een omschrijving van de uit te voeren werken; - de impact van de wijziging op de omgeving; VII-35.918-9/13 - enz.... In casu wordt over deze elementen geen enkele feitelijke overweging gemaakt zodat niet voldaan is aan de vereiste om de feitelijke overwegingen en motieven die aan de beslissing ten grondslag liggen in de beslissing op te nemen. 26. Daarnaast is de motivering ook niet afdoende. Zo wordt beslist om het beroep in te willigen omdat 'de poel als niet waardevol dient beschouwd te worden'. Het bestreden besluit gaat hier zonder enige motivering in tegen het advies d.d. 28 november 2005 van de Afdeling Natuur (...), het advies d.d. 28 februari 2006 van de Afdeling Natuur (...), en het advies van de provinciale dienst Leefmilieu (vermeld in het bestreden besluit) Zo werd in het advies d.d. 28 februari 2006 van de Afdeling Natuur onder meer gesteld dat de 'poel van ca. 5 are die grotendeels verland is en waar een moerasvegetatie voorkomt een interessante biotoop' betreft. In haar beide adviezen heeft de Afdeling Natuur trouwens het behoud en zelfs de ruiming van de poel geadviseerd. De provinciale dienst Leefmilieu heeft het over een ondiepe poel die zich ontwikkeld heeft tot een 'waardevolle moerasbiotoop' met een specifieke vegetatie als riet en lisdodde, en over een 'belangrijke natuurwaarde', een 'waardevolle moerasbiotoop', 'een zeldzame biotoop in de streek' en 'een moerasbiotoop met een belangrijke natuurwaarde'. Het spreekt voor zich dat de vergunningverlenende overheid deze - door het vegetatiebesluit voorziene - adviezen niet kan negeren. Meer bepaald kan er enkel van worden afgeweken wanneer de overheid (OPDEBEEK, I., De formele motivering van bestuurshandelingen, Brugge, Die Keure, 1999, p. 158, nr. 198): - wettige motieven daartoe heeft; - uit de formele motivering van het besluit blijkt op grond van welke precieze, juiste en pertinente motieven zij afwijkt van het advies (zie o.a. R.v.St. nr. 60.006 van 11 juni 1996); de redenen waarom de overheid afwijkt van het advies moeten dus kenbaar zijn; stijlformules zijn uiteraard uit den boze. In casu beperkt het bestreden besluit er zich louter toe om de adviezen van de Afdeling Natuur en de provinciale dienst Leefmilieu tegen te spreken zonder enige motivering voor het afwijken van deze adviezen. (...) 27. Vervolgens is de motivering ook niet pertinent en dus niet afdoende waar gesteld wordt dat het beroep o.a. wordt ingewilligd omdat het een agrarisch gebied betreft. Het feit dat het gebied in agrarisch gebied gelegen is, is in deze niet relevant. Artikel 13 § 5 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu stelt immers uitdrukkelijk dat het geheel of gedeeltelijk wijzigen van kleine landschapselementen of de vegetatie ervan vergunningsplichtig is zowel in landschappelijk waardevol agrarisch gebied als agrarisch gebied (alsook in andere gebieden). (...) 28. Voorts is de motivering ook niet afdoende omdat zij tegenstrijdig is. Immers, enerzijds stelt de bestreden beslissing dat de natuurvergunningsaanvraag het dempen van een poel betreft met wijziging van het reliëf van het grasland gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, terwijl anderzijds het beroep o.a. wordt ingewilligd omdat het een agrarisch gebied betreft. Vervolgens wordt vergunning verleend voor het dempen van een poel met wijziging van het reliëf van het grasland op de percelen gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. VII-35.918-10/13 Een dergelijke kennelijke tegenspraak in de motieven staat volgens Uw Raad gelijk met een gemis van motivering (zie o.a. R.v.St. nr. 44.955 van 18 november 1993). 29. Tenslotte is de bestreden beslissing ook in strijd met artikel 13, § 5 van het Vegetatiebesluit dat stelt dat het College rekening moet houden met de volgende beoordelingscriteria: 1/ de bestaande toestand van de natuur ongeacht de bestemming van het gebied; 2/ de huidige toestand van de vegetaties of de kleine landschapselementen; 3/ de maatregelen tot herstel en ontwikkeling van habitats en ecosystemen; 4/ de abiotische elementen. Het is duidelijk dat deze verplichting ook geldt voor de Bestendige Deputatie wanneer zij uitspraak doet in het kader van een beroep tegen een Collegebesluit, en de Bestendige Deputatie aldus ook rekening moet houden met deze criteria. Het spreekt voor zich dat wanneer een overheid met dergelijke beoordelingscriteria rekening moet houden, haar beslissing ook omtrent deze criteria moet gemotiveerd zijn. Dergelijke motivatie ontbreekt volledig. Het middel is gegrond"; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord onder meer het volgende laat gelden : "Ook de motivering naar het wijzigen van de kleine landschapselementen is bondig maar in het licht van de bekommernissen van de bestendige deputatie - het realiseren van de planologische bestemming- afdoende. (...) Wat het eerste onderdeel betreft en de desbetreffende motivering, werd, en wordt ook thans niet ontkend dat deze inderdaad zeer summier is. Het standpunt (van de verwerende partij) is echter voldoende duidelijk en niet dubbelzinnig, nu (...) alle adviesverlenende overheden er blijkbaar zijn van uitgegaan dat de desbetreffende poel op natuurlijke wijze zou zijn tot stand gekomen (en alzo ook in stand zou moeten gehouden worden). Bovendien is eveneens duidelijk komen vast te staan dat het hier slechts om een put gaat met een doormeter van ± 10 m, en niet, zoals verzoekende partij, het trachtte voor te stellen om het egaliseren van een terrein van 50 are, noch om een poel van ongeveer 8 are. In diverse geciteerde adviezen (afdeling Administratie Milieu/Natuur en AMINAL, afdeling Natuur), wordt steeds verwezen naar 'een moeras biotoop met een oppervlakte van circa 5 are', wat ook feitelijk onjuist blijkt te zijn. De Bestendige Deputatie kon alzo wel degelijk tot het besluit komen dat 'de poel als niet waardevol dient beschouwd te worden'"; 3.3.1. Overwegende dat de belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen erin gelegen is, dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen vinden op grond waarvan de beslissing werd genomen; dat het noodzakelijk is dat de beslissing duidelijk de fundamentele redenen doet kennen die haar verantwoorden, of minstens wordt nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij deze feiten correct heeft VII-35.918-11/13 beoordeeld, en, of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden; dat de gegeven motivering draagkrachtig moet zijn en de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te schragen; dat wanneer in de loop van de administratieve procedure adviezen worden uitgebracht, waarvan de vergunningverlenende overheid oordeelt dat deze niet kunnen worden gevolgd, uit haar beslissing duidelijk de redenen moeten blijken waarom deze adviezen niet worden gevolgd; 3.3.2. Overwegende dat in het bestreden besluit wordt overwogen dat de natuurvergunning wordt verleend omdat de poel in een agrarisch gebied is gelegen; dat deze motivering geenszins afdoende is; dat de ligging van de kwestieuze poel in agrarisch gebied te dezen irrelevant is; dat het aanhalen van de bestemmingsvoorschriften van het gebied - op zich genomen - geen voldoende draagkrachtig motief is om het bestreden besluit te schragen; dat het bestreden besluit - door te oordelen dat de poel niet waardevol is - volledig voorbijgaat aan de uitgebrachte adviezen; dat het niet concreet weergeeft waarom de ingewonnen adviezen niet worden bijgetreden; dat de vergunningverlenende overheid te dezen dan ook haar formele motiveringsplicht heeft geschonden; dat het tweede middel bijgevolg gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 23 maart 2006 waarbij het beroep van Mathilde DE WIT ingediend tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise van 5 december 2005 houdende weigering van de natuurvergunning aan Mathilde De Wit voor het dempen van een poel met wijziging van het reliëf van het grasland op de percelen gelegen aan de Slozenstraat te Meise (Wolvertem), gegrond wordt bevonden, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt verleend. Artikel 2. VII-35.918-12/13 Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juli tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-35.918-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.394 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.495 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div