← België

Arrest 173397 - Milieuvergunningen - 12/07/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.397 Rolnummer: A. 76513/VII-16141 Zaak: Arrest 173397 - Milieuvergunningen - 12/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-02 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 22:44 Fiche Arrest nr 173.397 van 12 juli 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.397 van 12 juli 2007 in de zaak A. 76.513/VII-16.

  1. In zake :
  2. Emile DEDOBBELEER,
  3. Marie-Louise KOOSEMANS,
  4. Anita DEDOBBELEER,
  5. Césarine ALLEBOSCH, die woonplaats kiezen bij advocaat I. LARMUSEAU, kantoor houdende te GENT, Kasteellaan 141 tegen : de deputatie van de provincie VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN ALSENOY, kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat
  6. tussenkomende partij : Marc VANDENBERGHEN, die woonplaats kiest bij advocaat A. PATYN, kantoor houdende te EVERGEM, Schoonstraat
  7. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Emile DEDOBBELEER, Marie-Louise KOOSEMANS, Anita DEDOBBELEER en Césarine ALLEBOSCH op 27 november 1997 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 18 september 1997 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Herne van 29 april 1997, houdende het verlenen aan Marc VANDENBERGHEN van de vergunning voor de uitbreiding van een veeteeltinrichting, gelegen aan de Druimerenstraat 31 te Herne, met een bijkomende varkensstal, niet wordt ingewilligd en de beroepen beslissing op enkele punten wordt gewijzigd; VII-16.141-1/14 Gelet op het arrest nr. 72.612 van 19 maart 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de eerste en de derde verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 20 augustus 1998; Gelet op de beschikking van 1 september 1998 die de tussenkomst van Marc VANDENBERGHEN toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 17 oktober 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 18 april 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. MALFAIT die, loco advocaat I. LARMUSEAU verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat V. SCHIPPERS die, loco advocaat K. VAN ALSENOY verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-16.141-2/14
  8. De rechtspleging Overwegende dat naar luid van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; Overwegende dat het arrest nr. 72.612 van 19 maart 1998 de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit heeft verworpen; Overwegende dat de tweede en de vierde verzoekende partij geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging hebben ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest; dat te hunner aanzien een vermoeden van afstand van het geding geldt; dat, waar voorts over de verzoekende partijen wordt gesproken, de eerste en de derde verzoekende partij worden bedoeld;
  9. De feiten Overwegende dat de voornaamste feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.
  10. Op 7 januari 1997 dient Marc VANDENBERGHEN, de tussenkomende partij, bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Herne een aanvraag in om een bestaande veeteeltinrichting uit te breiden met een bijkomende varkensstal voor 624 vleesvarkens en aanhorigheden, op een perceel gelegen aan de Druimerenstraat 31 te Herne, kadastraal bekend sectie D, nummer 217 b. De nieuwe varkensstal zal worden gebouwd op een nog onbebouwd perceel dat, gescheiden door een losweg, grenst aan de bestaande inrichting. Ingevolge een melding, door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Herne geviseerd op 18 december 1990, beschikt de exploitant reeds over een vergunning voor het houden van 70 grote zoogdieren, 10 gespeende varkens, 20 biggen en de bijhorende opslag van 30 m³ mest. Op het ogenblik van voormelde vergunningsaanvraag worden op de inrichting enkel nog runderen gehouden. VII-16.141-3/14 Tegelijk met de indiening van de milieuvergunningsaanvraag wordt aan het gemeentebestuur de overname van de inrichting gemeld. Luidens deze melding neemt de tussenkomende partij het bestaande landbouwbedrijf over van haar vader Jules VANDENBERGHEN die de inrichting daartoe verhuurt. Van deze overnamemelding wordt op 4 februari 1997 akte genomen. 2.
  11. In het kader van het openbaar onderzoek worden vier schriftelijke bezwaren ingediend. 2.
  12. Op 29 april 1997 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Herne de gevraagde milieuvergunning. 2.
  13. Tegen voormelde beslissing worden verschillende administratieve beroepen ingesteld bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant : (a) Op 21 mei 1997 stellen E. DEDOBBELEER, M.-L. KOOSEMANS, C. ALLEBOSCH, D. en R. DECRICK, M.-R. DECRICK, J. DURANT, J. KESTEMONT en A. DEDOBBELEER beroep in; (b) Op 28 mei 1997 tekenen E. DE KEYSER, F. BAETENS, S. DEVER, L. VAN DER CAM, M. MOONS, de familie DE PREZ-CLEMENT en de familie SLUYS- SCHOLS beroep aan; (c) F. VAN PARIJS stelt op 30 mei 1997 beroep in. Voormelde beroepen worden ontvankelijk verklaard op 12 juni
  14. (d) De v.z.w. GEWESTELIJKE VVV ZUID WESTBRABANT heeft op 6 juni 1997 een onontvankelijk beroepschrift ingediend. 2.
  15. In het kader van de beroepsprocedure wordt een reeks adviezen uitgebracht : (a) Op 26 juni 1997 verleent de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen gunstig advies over de vergunningsaanvraag; (b) Het advies van 10 juli 1997 van de afdeling Milieuvergunningen is gunstig; (c) De Vlaamse Landmaatschappij verleent op 9 juli 1997 gunstig advies; (d) Door de Provinciale Milieuvergunningscommissie wordt op 5 september 1997 voorgesteld om het beroep ongegrond te verklaren en de beroepen beslissing te bevestigen. VII-16.141-4/14 2.
  16. Op 18 september 1997 wordt het bestreden besluit genomen. De beroepen beslissing wordt, mits enkele kleine aanpassingen, bevestigd. De wijzigingen bestaan uit het weglaten uit het dispositief van de vergunning van de indelingsrubriek met betrekking tot elektromotoren en het toevoegen van het perceelnummer 209 f. In het bestreden besluit wordt het volgende overwogen : "Overwegende dat de elementen aangebracht door de aanvrager, gehoord door de Provinciale milieuvergunningscommissie als volgt worden geëvalueerd : Elementen : 1) De stal zal gebouwd worden conform de constructie- eisen van Vlarem II. 2) De afstandsregels worden gerespecteerd. De inrichting ligt op voldoende afstand van hindergevoelig gebied. 3) Er is voldaan aan alle voorwaarden gesteld in het MAP. 4) volgende maatregelen worden getroffen om hinder te voorkomen. * geurhinder wordt voorkomen door : - milieukokers op het dak steken 0,5 m boven nok van dak uit; hebben een zuigend effect, - milieuspleten (10 cm) in het einde van elk compartiment zodat de mest direct in de kuil valt; dit zorgt voor een ammoniakgeurreductie van 10%, - de vloer heeft een mestdoorlaat van 17 %, - gladde wanden, gemakkelijk rein te houden voorkomen geurhinder, - er wordt een mestopslagcapaciteit van 01 jaar voorzien in plaats van voor 06 maanden : het meest gunstige moment voor uitrijden kan afgewacht worden, - de mestput is voorzien van geurafsnijder; Dit zijn modaliteiten die door de bouwfirma voor de constructie van de stal voorzien zijn. * lawaaihinder wordt voorkomen door : - het feit dat de dieren ad libidum gevoed worden en dus niet schreeuwen van de honger, - het laden en lossen blijft beperkt : 1 compartiment per 4 maand of 4 compartimenten per 4 maand; dit komt neer op 2 vrachtwagens extra per maand; voeders worden l x per 14 dagen aangevoerd, - isolatie met geluiddempend beton; * hygiëne : er wordt een krengenhuisje voorzien en de stal wordt regelmatig gereinigd. 3) Een biobed of biofilters zijn economisch niet haalbaar voor de aanvrager : het bedrijf heeft een leefbaarheidscoëfficiënt van 0,67 wat overeenkomt met 2/3 van de coëfficiënt die het MAP voorziet; 4) In de omgeving ( straal van 1 km) zijn nog 5 à 6 boerderijen aanwezig; het is een landbouwgebied; achter de stal staan geen huizen; Evaluatie : 1) De Vlarem II voorschriften dienen altijd nageleefd te worden. 2) Volgens het aantal waarderingspunten

(80)dat aan de inrichting gegeven wordt, dient er een afstand van minstens 1.000 m tussen de inrichting en een hindergevoelig gebied gerespecteerd te worden. Het meest dichtbije hindergevoelige gebied, een natuurgebied ligt op 1.980 m. 3) Uit het advies van de VLM, blijkt dat de uitbating verenigbaar is met de bepalingen van het MAP. 4) Deze maatregelen moeten daadwerkelijk uitgevoerd worden. VII-16.141-5/14 De voorwaarden die het College oplegde moeten nageleefd worden. 5) Vlarem II vraagt dat de best beschikbare techniek toegepast wordt om hinder te voorkomen, zonder dat daar extreem hoge kosten mee gepaard gaan. 6) De inrichting is inderdaad gelegen in een ruim agrarisch gebied waar veehouderijen thuishoren; Overwegende dat de inrichting volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (K.B. van 7 maart 1977) gelegen is in een agrarisch gebied; op een afstand van 1.980 m van natuurgebied, 2.100 m van gebied voor verblijfsrecreatie, en op meer dan 2.200 m van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter, van woonuitbreidingsgebied, van natuurgebied met wetenschappelijke waarde of van natuurreservaat, van natuurpark, van overstromingsgebied, van bosgebied met ecologische waarde en van bosreservaat (hindergevoelige gebieden) en op 1.480 m van woongebied met landelijk karakter (geen hindergevoelig gebied); Overwegende dat de jaarlijkse dierlijke mestproductie van de inrichting 4.533 kg P2O5 zou bedragen; dat de aanvrager blijkens de documenten vervat in het dossier de beschikking heeft over een mestafzetmogelijkheid voor 5.916 P2O5 per jaar; Overwegende dat de mestafzetmogelijkheid voldoende is gestaafd; dat een ecologisch verantwoorde afzet van alle door de inrichting geproduceerde dierlijke mest bij gevolg mogelijk is; dat het risico dat het bedrijfsmatig mestoverschot ter plaatse zal leiden tot een bijkomende belasting van de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater en die door verdere verrijking met nitraten zal vervuilen derhalve tot een aanvaardbaar niveau is beperkt; Overwegende dat de 624 mestvarkens over een periode van 6 maanden een hoeveelheid mest produceren van ongeveer 681 m³; dat de aanvraag hiervoor een totale opslagcapaciteit van 1.000 m³ voorziet; dat deze opslagcapaciteit voldoet aan de voorschriften van Vlarem II en het MAP; Overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op het toevoegen van een stal voor 624 mestvarkens aan een bestaand veebedrijf; Overwegende dat de inrichting ten minste één stal omvat met een capaciteit die in toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning als hinderlijk is ingedeeld in één of meer rubrieken die betrekking hebben op diersoorten vermeld in artikel 5 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen; dat de definitieve bouwvergunning voor deze stal werd verleend vóór 1 september 1991; dat minstens voor wat betreft het aanslagjaar 1993, vóór 29 september 1993 aangifte gedaan werd bij de mestbank; dat in die aangifte de dieren zijn aangegeven; dat bijgevolg de inrichting kan beschouwd worden als bestaande veeteeltinrichting en in aanmerking kan komen voor de gevraagde toevoeging; Overwegende dat de producent een natuurlijke persoon is; dat deze persoon de exploitatie van het bedrijf als hoofdberoep heeft en uit het bedrijf een inkomen verwerft dat 50 % of meer bedraagt van zijn arbeidsinkomen en aan de werkzaamheden buiten het bedrijf minder dan 50 % van zijn totale arbeidsduur besteedt; dat hij verantwoordelijk is voor de voedering en de verzorging van het vee; dat hij geen ander vee op permanente wijze voedert of verzorgt dan het vee waarvan hij eigenaar is; Overwegende dat wat de veebezetting betreft : - de jaarproductie van het bedrijf minimaal 300 kg P2O5 bedraagt; - het aantal dieren in de niet-gesloten varkenshouderij niet meer dan 2.250 varkens ouder dan 10 weken bedraagt, zijnde 624 dieren (A2); - het aantal dieren in de melkveesector niet meer dan 150 melkkoeien en het bijhorende jongvee bedraagt, zijnde 25 melkkoeien (B); - de som (A2/1 500 + B/100) 0,67 bedraagt en bij gevolg kleiner is dan 1,5; VII-16.141-6/14 Overwegende dat de bij het bedrijf behorende cultuurgronden voldoende zijn om 25 % van de productie van dierlijke mest op te brengen; Overwegende dat op het bedrijf geen betaalde volwaardige arbeidskracht, ouder dan 65 jaar, volledig arbeidsgeschikt en bestendig beschikbaar, extern aan het gezin wordt tewerkgesteld; Overwegende dat het bedrijf 100 % van de eigendomstitel op het roerend kapitaal en het kapitaal onroerend door bestemming, alsook de eigendomstitel of de pacht van de gebouwen in zijn bezit heeft; Overwegende dat bijgevolg dit bedrijf in aanmerking komt voor een notificatie als gezinsveeteeltbedrijf; Overwegende dat aan alle criteria van artikel 4 § 2,3/ van het Mestdecreet voldaan is; dat de uitbating derhalve verenigbaar is met de bepalingen van het mestdecreet en het MAP; Overwegende dat de varkenshouderij na de beoogde verandering in totaal 624 varkens ouder dan 10 weken waarvan 0 zeugen telt en bijgevolg geen gesloten karakter heeft; dat ten einde de geurhinder ten aanzien van geurhindergevoelige gebieden tot een aanvaardbaar niveau te kunnen beperken, technisch een minimale ruimtelijke scheiding is vereist tussen de stallen en mestopslagplaatsen enerzijds en deze geurhindergevoelige gebieden anderzijds; dat in functie van het concept van de stallen, de verluchting ervan alsmede de mestopslag overeenkomstig de gehanteerde technische criteria in dit geval een afstandsregel tot geurhindergevoelige gebieden geldt van 1.000 m; dat de stal en/of mestopslag die het voorwerp van de beoogde verandering uitmaken, gelegen zijn op meer dan 1.000 m van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter, van een woonuitbreidingsgebied, van een gebied voor verblijfsrecreatie, van een natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat en van een bosreservaat; dat aan de bovengenoemde afstandsregel derhalve is voldaan; dat de gevraagde verandering voor wat de geurhinder- en sanitaire aspecten betreft bijgevolg toelaatbaar is; Overwegende dat om bovengenoemde redenen het beroep ingediend door Dhr. E. Dedobbeleer en Mw. M.- L. Koosemans en medeondertekenaars en door dhr. De Keyser ongegrond zijn; Overwegende dat de oorspronkelijke gemeentelijke produktiedruk in Herne 65,29 kg P2O5 per hectare bedroeg, dat deze gemeente dus als een witte gemeente werd gecatalogeerd aangezien de maximum produktiedruk in een witte gemeente 75 kg P2O5 per hectare mag bedragen; Overwegende dat na onderhavige vergunningverlening de gemeente Herne een witte gemeente blijft; Overwegende dat de uitbating verenigbaar is met de bepalingen van (het) Mestdecreet en van het Vlarem; Overwegende dat de beslissing van het College van Herne derhalve kan bevestigd worden; dat echter enkele kleine aanpassingen dienen te gebeuren aan de bestreden beslissing : de rubriek 12.4, elektromotoren is niet van toepassing op de inrichting en het perceel 209f hoort ook bij de inrichting";
  1. De gegrondheid 3.
  2. Overwegende dat de verzoekende partijen in het eerste middel de schending aanvoeren van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de schending van het redelijkheids- en het materiële zorgvuldigheidsbeginsel, juncto het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke grondslag, juncto de schending van de algemene beginselen van milieubeleid, "meer VII-16.141-7/14 specifiek de schending van het beginsel van het preventief handelen opgenomen in artikel 130 R, lid 2 van het EG-Verdrag" en in artikel 1.2.1, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, juncto de schending van artikel 23, lid 3, 4/, van de Grondwet, juncto de schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, en uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat de verwerende partij een milieuvergunning verleent voor een niet-gesloten varkenshouderij, waarvoor conform artikel 5.9.4.
  3. van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II), ten opzichte van geurhindergevoelige gebieden een afstandsregel van minstens 1.000 meter geldt, terwijl in casu de inrichting op een afstand van respectievelijk 62, 84 en 90 meter gelegen is van een reeks woningen die dateren van voor de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, en doordat de verwerende partij uitdrukkelijk poneert dat de inrichting op voldoende afstand ligt van geurhindergevoelige gebieden, nu de woningen die zelf in agrarisch gebied gelegen zijn, niet in de berekeningen worden meegeteld omdat het agrarisch gebied voorbehouden is voor landbouwbedrijven en woonfunctie in het agrarisch gebied slechts wordt toegestaan voor zover deze bij het bedrijf hoort, en doordat de verwerende partij bepaalt dat, omdat aan de afstandsregels is voldaan, de gevraagde verandering voor wat betreft de geurhinder en sanitaire aspecten toelaatbaar is en de door het college van burgemeester en schepenen opgelegde vergunningsvoorwaarden een voldoende garantie bieden dat de hinder voor de omgeving tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; Overwegende dat de verzoekende partijen argumenteren dat de omstandigheid dat de niet-gesloten varkenshouderij met slechts 80 waarderingspunten theoretisch in overeenstemming is met de bestemming agrarisch gebied en met de voor dit bedrijf in Vlarem II ingeschreven afstandsregel van minstens 1.000 meter, op zichzelf niet volstaat om tot de toekenning van de milieuvergunning te besluiten, nu de verwerende partij, op grond van de concrete feitelijke gegevens van de zaak, binnen het kader van een redelijke uitoefening van haar appreciatiebevoegdheid en een behoorlijke afweging van alle ter zake dienende gegevens, diende te onderzoeken of de ongemakken die de aangevraagde exploitatie voor de op 62, respectievelijk 84 en 90 meter wonende buren met zich mee zou brengen, de perken van de normale hinder in de praktijk niet te buiten zouden gaan, dat de verwerende partij zich hierbij had dienen te laten inspireren door de VII-16.141-8/14 overweging dat afstandsregels worden vastgelegd omdat, gelet op de hinder en risico’s die bepaalde soorten inrichtingen meebrengen, een minimale ruimtelijke scheiding tussen die inrichtingen en bepaalde gebieden noodzakelijk is, en een afstandsregel bijgevolg een vermoeden van aanwezigheid van onaanvaardbare hinder en risico’s impliceert, wanneer een vergunning een afstandsregel miskent; Overwegende dat zij ten slotte stellen dat het de overheid in het algemeen en de vergunningverlenende overheid in het bijzonder toekomt om preventief op te treden om milieuhinder en milieuschade te voorkomen, eerder dan deze achteraf te moeten herstellen, dat het verlenen van een milieuvergunning aan een bedrijf met miskenning van de wettelijk voorziene afstandsregel, gelet op de wetmatigheid dat zij hierdoor een onaanvaardbare hinder zullen ondervinden, moeilijk met dit beginsel van milieubeleid in overeenstemming kan worden gebracht, dat zij enerzijds recht hebben op de bescherming van een gezond leefmilieu en anderzijds op het ongestoord genot van hun eigendom, dat de verwerende partij deze rechten in rekening diende te brengen bij het beoordelen van de vergunningsaanvraag en bij het afwegen van de belangen die daarbij speelden, in plaats van er impliciet van uit te gaan dat zij als eigenaars en bewoners van huizen die ingevolge het gewestplan zonevreemd zijn geworden, hun rechten hebben verbeurd, dat dit uitgangspunt geenszins kan worden verzoend met de visie van de Vlaamse decreetgever die er vooralsnog voor heeft geopteerd om de zonevreemde gebouwen leefbaar te houden door inpassing in de gewestplanvoorschriften; 3.
  4. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat het bestreden besluit afdoende is gemotiveerd, dat de verzoekende partijen refereren naar afstandsregels die in casu niet van toepassing zijn, dat de tussenkomende partij in de vergunningsaanvraag hinderbeperkende maatregelen heeft voorgesteld en dat de bestreden milieuvergunning afhankelijk is gesteld van de naleving van een aantal vergunningsvoorwaarden; 3.
  5. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord verwijzen naar de inhoud van een auditoraatsverslag van 1 oktober 1996, waarin wordt gesteld : "Men mag aannemen dat de Vlaamse regering afstandsregels heeft vastgesteld omdat zij van oordeel was dat, gelet op de hinder en risico's die bepaalde soorten inrichtingen meebrengen, een minimale ruimtelijke scheiding noodzakelijk was tussen die inrichtingen en bepaalde gebieden. Het lijkt dan ook niet onverdedigbaar te stellen dat er een soort vermoeden van aanwezigheid van onaanvaardbare hinder of risico’s bestaat wanneer een vergunning een VII-16.141-9/14 afstandsregel miskent. Als dat niet zou zijn verliest de afstandsregel immers veel van zijn betekenis"; dat zij daaraan toevoegen dat dit denkpatroon inzake de afstandsregels de vergunningverlenende overheid had dienen te inspireren bij een onderzoek van de vraag of de hinder veroorzaakt door een inrichting waarvoor een afstandsregel geldt van minstens 1.000 meter, niet de grenzen van de normale hinder overschrijdt voor de uiterst dichtbij wonende buren; Overwegende dat zij voorts aanvoeren dat niet het feit dat het veeteeltbedrijf in casu geen industriële omvang zou hebben van belang is, maar wel het feit dat het bedrijf zodanig weinig waarderingspunten heeft dat een afstandsregel -en dus een vermoeden van onaanvaardbare hinder- van 1.000 meter van toepassing is, dat het gebruik van een mechanisch verluchtingssysteem niet van aard is om te stellen dat de overheid alle belangen behoorlijk heeft afgewogen; Overwegende dat zij ten slotte stellen dat zij de schending van het beginsel van het preventief handelen opwerpen en niet de schending van het voorzorgsbeginsel, dat titel III van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid handelt over de bedrijfsinterne milieuzorg en niet over de beginselen van milieubeleid die zijn opgesomd in titel I, hoofdstuk II, artikel 1.2.1., §2, van voormeld decreet, dat het bestreden besluit niet op wettige wijze afwijkt van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden van Vlarem II, nu aan de tussenkomende partij een termijn van twee jaar wordt verleend om zich met deze Vlarem II-voorwaarden in regel te stellen, dat dit ontoelaatbaar is nu artikel 3.3.0.1., §2, van Vlarem II uitdrukkelijk bepaalt dat de bijzondere vergunnings- voorwaarden slechts in minder strenge zin van Vlarem II kunnen afwijken wanneer dit uitdrukkelijk in Vlarem II is bepaald en in geval van de in de afdelingen 1.2.
  6. en 1.2.
  7. van Vlarem II bedoelde toelating, wat in casu niet het geval is; 3.
  8. Overwegende dat de tussenkomende partij stelt dat de vergunningverlenende overheid terdege het risico op hinder ten gevolge van het voorwerp van de aanvraag heeft afgewogen ten opzichte van de rechten van de naburige bewoners, dat deze afweging is geresulteerd in de conclusie dat de hinder voor deze bewoners tot een aanvaardbaar niveau beperkt zal blijven, namelijk dat zij de normale lasten uit nabuurschap in een agrarische omgeving niet zal overschrijden; dat zij in haar memorie eraan toevoegt dat door ten aanzien van woningen gelegen in het agrarisch gebied geen afstandsregels te bepalen, de overheid heeft te kennen gegeven dat geurhinder ten aanzien van woningen die zijn gelegen in het agrarisch gebied niet op dezelfde wijze mag worden geëvalueerd als VII-16.141-10/14 ten aanzien van woningen gelegen in geurhindergevoelige gebieden, dat deze afstandsregels niet kunnen worden aangevoerd om aan te tonen dat alle belangen niet behoorlijk werden afgewogen, dat het feit dat het bestreden besluit niet afwijkt van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden van Vlarem II, impliceert dat het bestreden besluit de algemene beginselen van het milieubeleid, waaronder het voorzorgsprincipe en het beginsel van preventief handelen niet schendt, dat het feit dat aan een overnemer van een landbouwbedrijf een redelijke termijn wordt gegund om te onderzoeken of het overgenomen bedrijf al of niet voldoet aan de milieuvoorwaarden van Vlarem II, en in ontkennend geval de noodzakelijke maatregelen te nemen, geen onwettige afwijking inhoudt van de milieuvoorwaarden van Vlarem II; 3.
  9. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie geen wezenlijk nieuwe argumenten toevoegt aan haar argumentatie; 3.
  10. Overwegende dat de afstandsregels van artikel 5.9.4.
  11. van Vlarem II niet in acht moeten worden genomen ten opzichte van de bewoning die in een agrarisch gebied is gelegen; dat zij bijgevolg niet van toepassing zijn op de inrichting van de tussenkomende partij; dat de omstandigheid dat een vergunningsaanvraag voldoet aan de verbods- en afstandsregels van Vlarem II niet wegneemt dat de vergunningverlenende overheid, gebruik makend van haar discretionaire bevoegdheid, de plicht heeft elke aanvraag te beoordelen, rekening houdend met alle feitelijke gegevens, inzonderheid de kenmerken van de inrichting en de plaatselijke toestand; dat bij de beoordeling van de vraag of de aan de exploitatie van een in agrarisch gebied gelegen landbouwbedrijf verbonden ongemakken de omgeving al dan niet overmatig zullen belasten, er rekening mee moet worden gehouden dat de agrarische gebieden, precies omdat ze uitsluitend voor landbouw zijn bestemd, minder gevoelig zijn voor hinder voortvloeiend uit die exploitatie en dat om die reden aldaar een hogere tolerantiedrempel kan worden gevergd ten opzichte van de ongemakken die voortspruiten uit agrarische activiteiten; dat het in dergelijk geval noodzakelijk blijft dat uit de motivering van het vergunningsbesluit op afdoende wijze blijkt dat de vergunningverlenende overheid de bezwaren die in de beroepschriften met betrekking tot de door de inrichting veroorzaakte hinder voor de omwonenden werden geformuleerd, behoorlijk -dit wil zeggen rekening houdende met de concrete, specifieke gegevens van de zaak- heeft onderzocht; VII-16.141-11/14 Overwegende dat het bestreden besluit te dezen volgende overwegingen bevat : "Overwegende dat de varkenshouderij na de beoogde verandering in totaal 624 varkens ouder dan 10 weken waarvan 0 zeugen telt en bijgevolg geen gesloten karakter heeft; dat ten einde de geurhinder ten aanzien van geurhindergevoelige gebieden tot een aanvaardbaar niveau te kunnen beperken, technisch een minimale ruimtelijke scheiding is vereist tussen de stallen en mestopslagplaatsen enerzijds en deze geurhindergevoelige gebieden anderzijds; dat in functie van het concept van de stallen, de verluchting ervan alsmede de mestopslag overeenkomstig de gehanteerde technische criteria in dit geval een afstandsregel tot geurhindergevoelige gebieden geldt van 1.000 m; dat de stal en/of mestopslag die het voorwerp van de beoogde verandering uitmaken, gelegen zijn op meer dan 1.000 m van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter, van een woonuitbreidingsgebied, van een gebied voor verblijfsrecreatie, van een natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat en van een bosreservaat; dat aan de bovengenoemde afstandsregel derhalve is voldaan; dat de gevraagde verandering voor wat de geurhinder- en sanitaire aspecten betreft bijgevolg toelaatbaar is; Overwegende dat om bovengenoemde redenen het beroep ingediend door Dhr E. Dedobbeleer en Mw. M.-L. Koosemans en medeondertekenaars en door dhr. De Keyser ongegrond zijn"; dat uit deze motieven blijkt dat de conclusie omtrent de toelaatbaarheid van de inrichting uit milieuhygiënisch oogpunt uitsluitend steunt op de vaststelling dat is voldaan aan de afstandsregels van Vlarem II; dat uit deze vaststelling immers het besluit wordt getrokken dat de gevraagde verandering voor wat de geurhinder en sanitaire aspecten betreft, toelaatbaar is; dat de hinderlijkheid van de inrichting bijgevolg niet concreet is onderzocht rekening houdend met de specifieke gegevens van de zaak, inzonderheid de ligging van de aangevraagde varkensstal ten opzichte van de omliggende bewoning en de kenmerken ervan; dat het bestreden besluit evenmin afdoende antwoordt op de bezwaren die in de beroepschriften zijn uiteengezet omtrent de hinderlijkheid van de inrichting en de ligging ervan ten opzichte van de meest nabije bewoning; dat de in de beroepschriften uiteengezette bezwaren worden afgedaan door het niet nader uitgewerkte argument dat de in eerste aanleg opgelegde vergunningsvoorwaarden een voldoende garantie bieden dat de omgevingshinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; dat alleen al om reden dat de beroepsindieners in hun beroepschriften hebben gewezen op de specifieke toestand ter plaatse en hebben aangevoerd dat die voorwaarden niet zouden volstaan om de hinder binnen aanvaardbare perken te houden, deze motivering te algemeen is; dat het eerste middel bijgevolg gegrond is, VII-16.141-12/14 BESLUIT: Artikel
  12. Ten aanzien van de tweede en de vierde verzoekende partij wordt de afstand van het geding vastgesteld. Artikel
  13. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 18 september 1997 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Herne van 29 april 1997, houdende het verlenen aan Marc VANDENBERGHEN van de vergunning voor de uitbreiding van een veeteeltinrichting, gelegen aan de Druimerenstraat 31 te Herne, met een bijkomende varkensstal, niet wordt ingewilligd en de beroepen beslissing op enkele punten wordt gewijzigd. Artikel
  14. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  15. De kosten van de vordering tot schorsing in hoofde van de tweede en de vierde verzoekende partij, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van deze verzoekende partijen, elk voor de helft. De kosten van de vordering tot schorsing in hoofde van de eerste en de derde verzoekende partij, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, zowel in het administratief kort geding als in het annulatieberoep, bepaald op 247,90 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-16.141-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juli tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-16.141-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.397 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.72.612 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.