id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.402 Rolnummer: A. 182432/VII-36970 Zaak: Arrest 173402 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 12/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-02 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 22:46 Fiche Arrest nr 173.402 van 12 juli 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.402 van 12 juli 2007 in de zaak A. 182.432/VII-36.970. In zake : Patrick SCHOLLAERT, die woonplaats kiest bij advocaten B. MARTENS en M. SCHURMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 106 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Patrick SCHOLLAERT op 13 april 2007 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 12 februari 2007, houdende de weigering van de erkenning van verzoeker als milieucoördinator; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 23 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 juni 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. VERLINDEN die, loco advocaten B. MARTENS en M. SCHURMANS verschijnt voor verzoeker, en van VII-36.970-1/9 advocaat I. VANDEN BON die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Verzoeker behaalt in juni 2006 aan de Karel de Grote- hogeschool het diploma van gegradueerde in bedrijfsbeheer / bachelor, in de opleiding bedrijfsbeheer, optie milieu-administratie. Hij heeft daarnaast aan dezelfde onderwijsinrichting de aanvullende vorming voor milieucoördinator van het tweede niveau, type B, met vrucht beëindigd. 1.2. Op 17 november 2006 dient hij een aanvraag in voor de erkenning als milieucoördinator voor inrichtingen van categorie B, overeenkomstig artikel 4.1.9.1.2. van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II). In bijlage 6 bij zijn aanvraag schrijft hij onder meer wat volgt: "Omdat ik pas in juni ben afgestudeerd kan ik nog niet echt spreken over 'ervaring'. In deze bijlage vindt u onder andere wel mijn eindwerk terug, wat kan verwijzen naar de (school) kennis. (...) ook mijn stageverslag. Ik liep mijn stage (7 weken) bij Opel Belgium NV, Noorderlaan 400 - Haven 500, 2030 Antwerpen. De hoofdopdracht het IMJV en de nevenopdrachten, die ik uitvoerde, staan beschreven in het verslag". 1.3. Op 29 januari 2007 adviseert de afdeling Milieuvergunningen ongunstig op grond van volgende overwegingen: "Overwegende dat op grond van de bepalingen van artikel 4.1.9.1.2. §2. 1/
- c)van titel 2 van het VLAREM een persoon slechts tot de functie van milieuco- ordinator van het tweede niveau kan worden toegelaten op de voorwaarde dat hij/zij ofwel houder is van een diploma/getuigschrift van hoger secundair onderwijs of van hogere secundaire leergangen ofwel dat hij/zij een ervaring heeft van meer dan drie jaar op het vlak van bedrijfsinterne milieuzorg; dat kan VII-36.970-2/9 worden vastgesteld dat het diploma van betrokkene voldoet aan deze toelatings- eis; Overwegende dat betrokkene de opleiding tot bachelor in de handelsweten- schappen en bedrijfskunde, bedrijfsbeheer optie milieuadministratie heeft gevolgd; dat deze opleiding werd erkend als aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het tweede niveau; Overwegende dat de erkenning als milieucoördinator mede toelaat de functie uit te oefenen bij twee of meer inrichtingen waar men geen werknemer is van de exploitant; Overwegende dat de aanvrager in zijn aanvraag stelt dat hij pas is afgestu- deerd en dat hij nog niet echt kan spreken over ervaring; dat hij tevens verwijst naar zijn eindwerk en naar de stage die hij heeft gelopen bij OPEL BELGIUM NV; dat betrokkene verder geen opgave doet van andere inrichtingen of bedrijfssectoren waar hij zich met milieuaangelegenheden zou hebben ingelaten; Overwegende dat rekening houdende met de ruime praktische technische kennis die een milieucoördinator moet bezitten om voor uiteenlopende productieprocessen bij diverse bedrijven, de vorming van luchtverontreiniging, afvalwater, geluidshinder, afval en bodemverontreiniging, met succes te helpen voorkomen en beheersen, in deze in alle redelijkheid kan worden besloten dat de aanvrager momenteel onvoldoende praktische ervaring heeft om de functie van externe milieucoördinator bij twee of meer bedrijven op een behoorlijke wijze uit te oefenen; dat er bijgevolg aanleiding bestaat om de gevraagde erkenning te weigeren". 1.4. Op 12 februari 2007 wordt het bestreden besluit genomen waarbij de erkenning als milieucoördinator wordt geweigerd. De motivering van het advies van de afdeling Milieuvergunningen wordt integraal overgenomen; 2. De schorsingsvoorwaarden 2.1. Overwegende dat krachtens artikel 17, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.2. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van artikel 4.1.9.1.2., §2, 1/, c), van Vlarem II, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook van het materiële motiveringsbeginsel, doordat het bestreden besluit de erkenning van verzoeker als milieucoördinator van het tweede niveau weigert om reden van het beweerdelijk ontbreken van voldoende praktische ervaring; dat verzoeker doet gelden dat hij wel degelijk voldoet aan de voorwaarden om te kunnen worden VII-36.970-3/9 aangeduid in de functie van milieucoördinator van het tweede niveau in de zin van artikel 4.1.9.1.2., §2, 1/, c), van Vlarem II, daar hij beschikt over een diploma van bachelor in de handelswetenschappen en bedrijfskunde, bedrijfsbeheer optie milieu-administratie die werd erkend als aanvullende vorming voor milieucoördina- toren van het tweede niveau bij besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu op 9 juli 2002, in de zin van artikel 4.1.9.1.2, §3, 2/, van Vlarem II; Overwegende dat verzoeker stelt dat het bestreden besluit niet afdoende is gemotiveerd nu het enerzijds expliciet verwijst naar de toepasselijke voorwaarden om te worden erkend als milieucoördinator, overeenkomstig artikel 4.1.9.1.2, §2, 1/, c), van Vlarem II, en hierbij uitdrukkelijk stelt dat verzoeker voldoet aan deze toelatingseis, doch anderzijds alsnog besluit tot de weigering van de erkenning als milieucoördinator; Overwegende dat de toelichting bij het enig middel twee onderdelen bevat; dat het eerste onderdeel in essentie luidt als volgt : "(...) Het bestreden besluit steunt zich (...) op (...) artikel 4.1.9.1.2, §2, 1/,
- c)VLAREM II teneinde de aanvraag van de verzoekende partij te weigeren. Nochtans blijkt volgens artikel 4.1.9.1.2, §2, 1/,
- c)VLAREM II dat een persoon kan worden toegelaten tot de functie van milieucoördinator van het tweede niveau - i.e. voor inrichtingen van categorie B - op voorwaarde dat hij voldoet aan één van volgende niet-cumulatieve voorwaarden: - ofwel, houder zijn van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs of hogere secundaire leergangen; - ofwel, een nuttige ervaring van meer dan drie jaar hebben op het vlak van bedrijfsinterne milieuzorg. (...) In het bestreden besluit wordt ook expliciet erkend dat het diploma van de verzoekende partij 'voldoet aan deze toelatingseis'. (...) Evenwel wordt de erkenning uiteindelijk door de verwerende partij geweigerd omwille van het beweerdelijk ontbreken van voldoende praktische ervaring om de functie van externe milieucoördinator bij twee of meer bedrijven op een behoorlijke wijze uit te oefenen. (...) De verwerende partij gaat er immers van uit dat er zowel een geschikt diploma moet voorliggen - wat voor de verzoekende partij in casu wordt bevestigd (...) - , als dat de verzoekende partij moet beschikken over een nuttige ervaring. De verwerende partij maakt derhalve onterecht een cumulatieve toepassing van de voorwaarden uit artikel 4.1.9.1.2, §2, 1/,
- c)VLAREM II. Artikel 4.1.9.1.2, §2, 1/,
- c)is derhalve geschonden (...)"; VII-36.970-4/9 Overwegende dat verzoeker in het tweede onderdeel voorts het volgende betoogt: "(...) De motivering van het bestreden besluit is (...) intern tegenstrijdig. Enerzijds verwijst de verwerende partij naar de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om toegelaten te worden tot de functie van milieucoördinator en stelt de verwerende partij expliciet dat de verzoekende partij voldoet aan één van beide niet-cumulatieve voorwaarden (...), anderzijds wordt de erkenning alsnog geweigerd omwille van het beweerd niet-voldaan zijn aan de andere niet-cumulatieve voorwaarde. Dit kan niet worden volgehouden. Het bestreden besluit is niet correct gemotiveerd. Uit het bestreden besluit blijkt nergens waarom de aanvraag van de verzoekende partij tot erkenning alsnog werd geweigerd ondanks de vaststelling dat werd voldaan aan één van beide niet-cumulatief toe te passen erkennings- voorwaarden. Hierdoor is ook het materiële motiveringsbeginsel geschonden, nu in het dossier zeer duidelijk de documenten voorlagen op basis waarvan tot erkenning van milieucoördinator kon worden overgegaan. Evenwel besluit de verwerende partij om op grond van een voorwaarde, die niet van toepassing is voor pas afgestudeerden (zijnde drie jaar ervaring), de aanvraag te weigeren. Overigens moet hierbij worden opgemerkt dat de verzoekende partij bij zijn aanvraag dd. 17 november 2006 een uitgebreid verslag van zijn stageactivitei- ten en de door hem uitgevoerde professionele activiteiten als milieucoördinator voegde. In dat kader heeft hij dan ook reeds praktische ervaring opgelopen. Bovendien dient te worden besloten tot een gebrekkige motivering aangezien het advies van 29 januari 2007 van de afdeling Milieuvergunningen van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie niet is gevoegd bij het bestreden besluit. De verzoekende partij kan aldus geen kennis nemen van de motieven van dit advies van de afdeling Milieuvergunningen. Uw Raad oordeelde reeds dat een loutere verwijzing naar het ongunstig advies van de afdeling Milieuver- gunningen niet kan volstaan als een formele motivering voor de niet-erkenning van de aanvrager als milieucoördinator in de categorie B (R.v.St., Vernaillen, nr. 88.480, 29 juni 2000)"; 2.3. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota uitvoerig de wettelijke bepalingen weergeeft inzake de verschillende soorten milieucoördinato- ren en de betreffende erkenningsvoorwaarden en er op wijst dat verzoeker nalaat te verwijzen naar de voorwaarde van artikel 4.1.9.1.2., §1, van Vlarem II, luidend: "Als milieucoördinator kan enkel een persoon worden aangesteld die over de vereiste kwalificaties en eigenschappen beschikt om de in artikel 4.1.9.1.3. bedoelde taken naar behoren te vervullen"; dat zij voorts, met betrekking tot het opgeworpen middel, als volgt repliceert: "II.4.1. De erkenning, te verkrijgen door de minister, is enkel een vereiste voor externe milieucoördinatoren die aange(s)teld wensen te worden voor twee of meer inrichtingen (...). Niet alleen dient uiteraard, door dergelijke milieucoördinatoren, voldaan te worden aan de vereisten die gelden voor alle milieucoördinatoren, doch bijkomend dient de vereiste van de erkenning om na te gaan of de aanvrager de VII-36.970-5/9 kwalificaties, ervaring, kennis, vaardigheden, enz. heeft om deze zware functie aan te kunnen. II.4.2. Er werd door de minister niet betwist dat verzoekende partij voldeed aan de vereisten 3 en 6, namelijk de diplomavereisten. Dit blijkt uit de eerste 2 alinea's van de op p. 2 van de bestreden beslissing weergegeven motivering, zoals ook hierboven geciteerd. Het is niét zo dat - zoals verzoekende partij ten onrechte voorhoudt- (...) de weigering van erkenning gebaseerd is (
- op)artikel 4.1.9.1.2. § 2, 1/, c). De minister toetste - en diende dat ook te doen - verder aan de overige vereisten die gelden voor de aanstelling van élke milieucoördinator. II.4.3. Louter met diploma's kan men immers niet aangesteld worden als milieucoördinator (laat staan erkend worden), zoals blijkt uit de hierboven weergegeven vereisten. Naast de diplomavereisten, waaraan verzoekende partij bleek te voldoen, diende nog verder getoetst te worden aan deze andere vereisten, waaraan ook interne milieucoördinatoren moeten voldoen teneinde aangesteld te kunnen worden door een bedrijf. De aan te stellen milieucoördinator (zowel interne als externe) dient namelijk tevens te beschikken over de vereiste kwalificaties en eigenschappen om de functie te kunnen uitoefenen. Tevens dient men voldoende kennis (
- te)hebben van de milieuwetgeving en -reglementering van toepassing op de inrichting(
- en)waarvoor betrokkene als milieucoördinator zal worden aangesteld, evenals de nodige technische kennis om de problemen te bestuderen die zullen rijzen inzake milieu. Deze voorwaar- de staat opgesomd naast en dus los van de vereiste van het hebben van ofwel de bepaalde diploma's ofwel het minimum van 3 jaar ervaring. De minister spreekt zich niet specifiek uit over het voldoen van verzoekende partij aan deze vereisten. Het is niet enkel zijn taak te oordelen of verzoekende partij zou kunnen/mogen fungeren als milieucoördinator (waarvoor men niet per sé een erkenning nodig heeft) doch het is zijn specifieke taak om na te gaan (
- of)verzoekende partij voor een functie van externe milieucoördinator voor meerdere inrichtingen geschikt is. Een externe milieucoördinator voor meerdere inrichtingen dient immers nog meer capaciteiten te hebben dan elke andere milieucoördinator: hij kan immers zijn diensten overal en op meerdere plaatsen aanbieden, maar dient ook de overeenkomstige ruime expertise te hebben. Door de nood tot erkenning door de minister heeft de regelgever duidelijk de wens geuit dat enkel goed gekwalificeerde personen de taak van externe milieucoördinator voor verschillende bedrijven kan uitoefenen, gelet op de grote verantwoordelijkheden die daarmee gepaard gaan. Dit is dan ook wat weergegeven wordt in het vervolg van de motivering. De derde alinea op p. 2 wijst op het belang van de erkenning door de minister: 'overwegende dat de erkenning als milieucoördinator mede toelaat de functie uit te oefenen bij twee of meer inrichtingen waar men geen werknemer is van de exploitant'. De verdere motivering in de bestreden beslissing handelt dan ook meteen daarover. II.4.4. Vervolgens worden, in (
- de)laatste twee alinea's, de redenen weergege- ven waarom de minister het niet opportuun vindt dat verzoekende partij de gevraagde erkenning wordt toegekend. Daarbij woog door: het feit dat verzoekende partij nog geen (voldoende) ervaring kon voorleggen. Verzoekende partij was pas afgestudeerd. Terecht oordeelde de minister dan ook dat, bij vaststelling van onvoldoende praktische ervaring in hoofde van verzoekende partij, deze laatste niet geacht kon worden de functie van externe milieucoördinator bij twee of meer bedrijven op behoorlijke wijze uit te oefenen, daar dergelijke functie een ruime praktische VII-36.970-6/9 technische kennis vereist inzake de uiteenlopende productieprocessen bij diverse bedrijven. Nergens in de regelgeving wordt bepaald wanneer men wél, en wanneer men niet, deze erkenning kan krijgen. De beoordeling gebeurt door de minister die met een ruime discretionaire bevoegdheid kan beslissen, na zich - zoals wél voorgeschreven staat - te hebben laten adviseren door de afdeling Milieuver- gunningen. Het oordeel van de minister, die besluit tot niet-erkenning van een pas afgestuurde, kan bezwaarlijk als onredelijk beschouwd worden, laat staan kennelijk onredelijk! II.4.5. In tegenstelling tot wat verzoekende partij voorhoudt, is de weigering van erkenning niet gebaseerd op het ontbreken van 3 jaar of meer ervaring conform artikel 4.1.9.1.2, §2,1/, c), 2de gedachtestreepje, doch gewoon (
- op)het algemeen ontbreken van de nodige kwalificaties en eigenschappen, zoals bepaald in onder meer art. 4.1.9.1.2 §1 VLAREM II, vereist voor élke milieucoördinator, en bijkomende kenmerken, zoals in de eerste plaats: voldoende relevante ervaring, die zeker in hoofde van een externe milieucoördi- nator voor twee of meerdere bedrijven een must is. Er is dan ook geen interne tegenstrijd in motivering. (...)"; 2.4. Overwegende dat de verwerende partij in de eerste overweging van het bestreden besluit verwijst naar de twee toelatingsvoorwaarden van artikel 4.1.9.1.2., §2, 1/, c), van Vlarem II; dat men volgens voormelde bepaling ofwel houder moet zijn van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs, ofwel een nuttige ervaring moet hebben van meer dan drie jaar op het vlak van bedrijfsinterne milieuzorg; dat de verwerende partij duidelijk aangeeft dat men slechts aan één van beide voorwaarden moet voldoen; dat zij vaststelt dat het diploma van verzoeker voldoet aan "deze toelatingseis"; dat "deze toelatingseis" duidelijk slaat op de gehele genoemde bepaling; Overwegende dat de laatste overweging van het bestreden besluit stelt dat met "de ruime praktische technische kennis die een milieucoördinator moet bezitten (...), in deze in alle redelijkheid kan worden besloten dat de aanvrager momenteel onvoldoende praktische ervaring heeft"; dat voormeld citaat niet toelaat te concluderen dat de verwerende partij hier verwijst naar de tweede toelatingsvoor- waarde van artikel 4.1.9.1.2., §2, 1/, c), van Vlarem II, die nuttige ervaring van meer dan drie jaar op het vlak van bedrijfsinterne milieuzorg vereist; dat, hoewel het bestreden besluit niet expliciet naar artikel 4.1.9.1.2., §1, en artikel 4.1.9.1.2., §2, 1/, a), van Vlarem II verwijst, men er moeilijk over heen kan dat de motivering van het bestreden besluit ook slaat op deze bepalingen; dat deze bepalingen immers luiden als volgt : VII-36.970-7/9 "§1. Als milieucoördinator kan enkel een persoon worden aangesteld die over de vereiste kwalificaties en eigenschappen beschikt om de in artikel 4.1.9.1.3. bedoelde taken naar behoren te vervullen. §2. Onverminderd de bepalingen van §1 moet de milieucoördinator met ingang van 4 juli 1997 voldoen aan de volgende nadere eisen: 1/ eisen inzake opleiding en beroepservaring:
- a)een voldoende kennis bezitten van de milieuwetgeving en -reglementering van toepassing op de inrichting(
- en)waarvoor hij als milieucoördinator is aangesteld, alsmede van de nodige technische kennis om de problemen te bestuderen die zullen rijzen inzake milieu (...)"; dat uit het voorgaande niet kan worden afgeleid dat artikel 4.1.9.1.2., §2, 1/, c), van Vlarem II verkeerd wordt toegepast en dat het bestreden besluit intern tegenstrijdig is gemotiveerd; Overwegende dat verzoeker, zowel in de aanvraag tot erkenning als milieucoördinator als in het verzoekschrift, enkel de nadruk legt op de technische kennis opgedaan tijdens zijn studies en niet duidt op enige relevante praktische ervaring als milieucoördinator; dat, gelet op voormelde vaststellingen, het oordeel van de verwerende partij dat verzoeker niet over de vereiste kwalifica- ties en eigenschappen beschikt om als milieucoördinator te kunnen fungeren niet als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt; dat het middel niet ernstig is; 2.5. Overwegende dat aldus niet is voldaan aan één van de twee door artikel 17, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State cumulatief opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. VII-36.970-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juli tweeduizend en zeven, door : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-36.970-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.402 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.116 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div