← België

Arrest 173405 - Milieuvergunningen - 12/07/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.405 Rolnummer: A. 94468/VII-22512 Zaak: Arrest 173405 - Milieuvergunningen - 12/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-02 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 22:47 Fiche Arrest nr 173.405 van 12 juli 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.405 van 12 juli 2007 in de zaak A. 94.468/VII-22.

  1. In zake : Jo SMOLDERS, die woonplaats kiest bij advocaat B. VANHALLE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Desguinlei 6 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat
  2. tussenkomende partij : de n.v. MAFRANS, die woonplaats kiest bij advocaat A. VLEMINCKX, kantoor houdende te LEUVEN, Vital Decosterstraat 46, bus
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jo SMOLDERS op 10 augustus 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 3 juni 2000 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 25 november 1999, houdende het verlenen aan de n.v. MAFRANS van de vergunning voor het veranderen door uitbreiding van een drukkerij, gelegen aan de Grote Baan 276 te Haacht, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 12 december 2000; Gelet op de beschikking van 19 december 2000 die de tussen- komst van de n.v. MAFRANS toelaat; VII-22.512-1/8 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 23 augustus 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 7 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 juni 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VERHAEGEN die, loco advocaat B. VANHALLE verschijnt voor verzoeker, van advocaat K. LARDENOIT die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat A. VLEMINCKX, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. De feiten 1.
  5. De n.v. MAFRANS, tussenkomende partij, exploiteert een drukkerij gelegen aan de Grote Baan 276 te Haacht, die gespecialiseerd is in het bedrukken en vervaardigen van verpakkingsmaterialen voor allerhande voedingsmiddelen. 1.
  6. Volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1995 vastgestelde gewestplan Leuven, is de inrichting gelegen in industriegebied. 1.
  7. Met betrekking tot de inrichting zijn verschillende beroepen bij de Raad van State aanhangig gemaakt. De basisvergunning van de inrichting, VII-22.512-2/8 verleend bij besluit van 15 februari 1996, werd aangevochten in de zaak A. 68.578/VII-13.
  8. Bij arrest nr. 63.008 van 7 november 1996 werd de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van deze basisvergunning verworpen. Het annulatieberoep werd verworpen bij arrest nr. 130.669 van 27 april
  9. 1.
  10. Op 25 juni 1999 dient de tussenkomende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een aanvraag in om haar inrichting te veranderen door uitbreiding met drie stookinstallaties met een warmtevermogen van respectievelijk 344 kW, 296 kW en 214 kW. 1.
  11. Bij beslissing van 25 november 1999 verleent de bestendige deputatie de gevraagde milieuvergunning, voor een termijn verstrijkend op 11 september
  12. 1.
  13. Op 3 januari 2000 stelt de gemeente Haacht hiertegen een beroep in bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Natuur. Op 12 januari 2000 tekent Ivo STORMS eveneens beroep aan tegen voornoemde beslissing bij de bevoegde Vlaamse minister. 1.
  14. Na het inwinnen van de nodige adviezen, wordt op 3 juni 2000 het thans bestreden besluit genomen, waarbij de administratieve beroepen worden verworpen en de beroepen beslissing wordt bevestigd.
  15. De ontvankelijkheid 2.
  16. In een enige exceptie in de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat verzoeker niet beschikt over het rechtens vereiste belang. Volgens haar is verzoeker weliswaar omwonende van de drukkerij, maar bewijst hij niet enig nadeel te ondervinden van deze exploitatie, te meer nu er "diverse technische aanpassingen" hebben plaatsgevonden om de geurhinder die de exploitatie veroorzaakt onder controle te houden. 2.
  17. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat hij, ondanks de beweerde technische verbeteringen, nog steeds hinder van de exploitatie ondervindt. 2.
  18. De verwerende partij betwist niet dat verzoeker woont in de onmiddellijke omgeving van de betrokken inrichting. Als omwonende van de VII-22.512-3/8 inrichting heeft verzoeker in principe een voldoende belang om de milieuvergunning te bestrijden waarbij de betrokken drukkerij wordt uitgebreid met drie stookinstallaties. Het argument dat de stookinstallaties op zich geen hinder zouden teweegbrengen, kan niet worden bijgetreden omdat het bestreden besluit de uitbreiding van een hinderlijke inrichting tot voorwerp heeft. Zelfs indien die technische verbeteringen aan de installatie hun beoogde doel zouden bereiken, dan nog wordt niet weggenomen dat met het bestreden besluit een vergunning wordt verleend voor de uitbreiding van een inrichting die krachtens de indelingslijst als hinderlijk wordt beschouwd en aldus wordt verondersteld hinder teweeg te brengen voor de omwonenden. De exceptie wordt verworpen.
  19. Ten gronde 3.1.
  20. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 159 van de Grondwet, van artikel 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 en van de artikelen 5.1.0., 7.2.
  21. en 14.4.5., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. Verzoeker stelt dat het bestreden besluit steunt op de vaststelling dat de kwestieuze drukkerij gelegen is in een industriegebied dat grenst aan "een woongebied ander dan woongebied met landelijk karakter", zonder dat het industriegebied van het woongebied werd gescheiden door een bufferzone. Hij wijst erop dat dit middel reeds ernstig werd bevonden door het auditoraat in de schorsingsprocedure die bij de Raad van State gekend is onder het nummer A. 68.578/VII-13.874 en betrekking heeft op de basisvergunning van de inrichting. 3.1.
  22. In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat de verwijzing door verzoeker naar de zaak nummer A. 68.578/VII-13.874 niet zomaar opgaat, gezien "de aldaar gemaakte redenering (...) niet zomaar getransponeerd (kan) worden naar het thans bestreden besluit" en het ter zake om twee verschillende besluiten gaat. Bovendien wijst de verwerende partij op het feit dat het gewestplan Leuven destijds "op volstrekt wettelijke wijze" is tot stand gekomen en het door verzoeker aangehaalde middel dan ook ongegrond is. 3.1.
  23. In haar verzoekschrift tot tussenkomst voegt de tussenkomende partij hieraan toe dat verzoeker er ten onrechte van uitgaat dat de VII-22.512-4/8 vergunningverlenende overheid de wettigheid van het gewestplan in vraag kan stellen. Zij stelt verder dat er volgens haar te dezen geen sprake is van enige onverenigbaarheid met het gewestplan en indien dit wel het geval zou zijn, dit "door concrete en overtuigende gegevens kan worden weerlegd". 3.1.
  24. In zijn laatste memorie voert verzoeker een nieuw onderdeel toe aan het eerste middel, waar in het tweede onderdeel ook een nieuw middel wordt aangevoerd. Zo stelt verzoeker dat het bestreden besluit geen rekening houdt met de emissievoorwaarden en de vergunningsvoorwaarden met betrekking tot de luchtverontreiniging en de geurhinder "niet met de nodige zorgvuldigheid en met de nodige precisie" werden gespecifieerd. 3.1.5.
  25. In de zaak A. 68.578/VII-13.874 werd hetzelfde middel aangevoerd als hetgeen hierboven werd uiteengezet. In het tussenarrest nr. 97.237 van 28 juni 2001 werd dit middel ongegrond bevonden. In dit arrest wordt gesteld dat : "de bufferzone bedoeld in artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 niet tot doel heeft -hoewel zij daarvoor wel dienstig kan zijn- de ongemakken verbonden aan de exploitatie van gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen op te vangen, doch hoofdzakelijk een stedenbouwkundige, esthetische en ordeningsfunctie heeft; dat het middel dus niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden; dat trouwens, in de veronderstelling dat het gewestplan ten onrechte geen 'bufferzone-artikel 14' zou bevatten, daaruit op zichzelf niets kan worden afgeleid aangaande de precieze plaats waar die bufferzone zich zou moeten situeren, hoe uitgebreid ze moet zijn en dergelijke meer; dat in casu de vraag bijvoorbeeld zou rijzen of de bedoelde bufferzone een stuk van het reeds kleine industriegebied, dan wel van het omliggende woongebied zou moeten inpalmen ; dat een dergelijke beoordeling in elk geval niet aan de Raad van State, maar aan de overheden bevoegd inzake de ruimtelijke ordening zou toekomen". 3.1.5.
  26. Het tweede onderdeel van het eerste middel, dat verzoeker pas voor het eerst in zijn laatste memorie heeft aangevoerd en niet van openbare orde is, is niet ontvankelijk. Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.
  27. In een tweede middel wordt de schending ingeroepen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 52, 3, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaamse reglement betreffende VII-22.512-5/8 de milieuvergunning (Vlarem I) en van rubriek 11.
  28. van bijlage I van Vlarem I, doordat het bestreden besluit stelt dat de stookinstallaties geen verhoging van de vergunde capaciteit van de drukkerij meebrengen, terwijl een stookinstallatie, nodig voor de uitbating van een drukpers, behoort tot "de inrichting voor het drukken in de ruimste zin, zoals gerubriceerd onder 11.
  29. van de indelingslijst van hinderlijke inrichtingen van het Vlarem I" en dus niet thuishoort onder de rubriek 43.
  30. (verbrandingsinrichtingen). Voorts stelt verzoeker dat de drie stookinstallaties "een noodzakelijk onderdeel van deze drukinrichting" zijn en dat het "behoorlijk" drukken niet mogelijk is "zonder de opwarming van de termische [sic] oliecircuits". 3.2.
  31. In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat verzoeker niet het vereiste belang heeft om een schending in te roepen van artikel 52, 3, b) van Vlarem I, "aangezien (hij) (...) geen administratief beroep heeft aangetekend tegen het besluit van de bestendige deputatie dd. 25.11.1999". De verwerende partij stelt overigens dat verzoeker zich vergist door voor te houden dat de stookinstallaties verkeerdelijk werden ingedeeld onder de rubriek 43.1.. 3.2.
  32. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat het feit dat hij geen administratief beroep instelde tegen de beslissing van 25 november 1999 geen invloed heeft op het belang dat hij heeft bij onderhavig beroep en dat de verwijzing naar de in artikel 52, 3, b) van Vlarem I opgenomen motiveringsplicht dan ook "op zijn plaats" is. 3.2.
  33. De tussenkomende partij merkt ten slotte in haar verzoek tot tussenkomst op dat de uitbreiding van de drukkerij met drie stookinstallaties, "geen verhoging inhoudt van de vergunde capaciteit van de drukkerij", dat er dan ook geen risico’s zijn voor de omgeving en het bestreden besluit hieromtrent voldoende is gemotiveerd. 3.2.
  34. De vergunningsaanvraag die tot het bestreden besluit heeft geleid, strekt tot een verandering door uitbreiding van een klasse 1-inrichting. Op het ogenblik van de aanvraag bedroeg de vergunde totale drijfkracht van de drukkerij immers reeds meer dan 200 kW. Rekening houdend met die vaststelling, is de bewering van verzoeker dat de vergunde stookinstallaties een "noodzakelijk onderdeel" vormen van de drukinrichting in ieder geval van geen invloed op de klasse-indeling van de inrichting en op de vergunningsprocedure die overeenkomstig die klasse-indeling moest worden gevolgd. Het feit dat het bestreden besluit de vergunde stookinstallaties als een noodzakelijk onderdeel van de drukkerij VII-22.512-6/8 beschouwt, vormt geen afdoende grond om het bestreden besluit te vernietigen. Door te stellen dat zonder de opwarming van de thermische oliecircuits "behoorlijk drukken niet mogelijk" is, toont verzoeker niet aan dat na het vergunnen van de stookinstallaties meer kan worden gedrukt in vergelijking met de drukcapaciteit die besloten ligt in de reeds verleende vergunningen. Het standpunt van verzoeker aangaande de rubricering van de betrokken stookinstallaties is niet relevant. Te dezen wordt door het bestreden besluit geen vergunning verleend om meer drukpersen in gebruik te nemen en evenmin heeft de vergunning betrekking op de vergroting van het vermogen van de in gebruik zijnde drukpersen. Twee van de vergunde stookinstallaties zijn weliswaar gekoppeld aan de bestaande drukpersen, maar verzoeker toont niet concreet aan dat de geïnstalleerde totale drijfkracht van de drukpersen feitelijk verhoogd wordt doordat de oliecircuits verwarmd worden door een "externe" stookinstallatie. De vergunning voor de betrokken stookinstallaties leidt niet tot een verhoging van de drukcapaciteit van de inrichting. Er is bijgevolg geen tegenstrijdigheid tussen de overweging van het bestreden besluit waarin wordt gesteld dat de stookinstallaties gebruikt worden voor de opwarming van de thermische oliecircuits horende bij de drukpersen en de daaropvolgende overweging waarbij wordt geconcludeerd dat het verlenen van de vergunning voor de stookinstallaties geen verhoging impliceert van de vergunde capaciteit van de bestaande drukkerij. Bijgevolg is de beweerde schending van artikel 52, 3, b), van Vlarem I niet aangetoond. Het tweede middel is niet gegrond, BESLUIT: Artikel
  35. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  36. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-22.512-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juli tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-22.512-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.405 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.